Dr. F.S. Martelli – Wanneer geloof en rede hetzelfde verhaal vertellen in de taal van de chromosomen


INHOUDSOPGAVE

DEEL I — WANNEER GELOOF EN ‘WETENSCHAP’ HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN

  • Aanvallen op de Kerk door de eeuwen heen
  • Darwin en Het ontstaan van de soorten
  • Het neodarwinisme en het evolutionisme
  • De achteruitgang van de evolutietheorie
  • De genetica heeft de moleculaire biologie nodig
  • Het normale menselijke karyotype
  • De weerlegging van de theorie van de chromosomale reductie
  • De ontdekking van het DNA
  • Beperkingen van het evolutionisme
  • Chromosomale syndromen, chromosomale aandoeningen en ziekten
  • Tabel van chromosomale syndromen:
    • door monosomie, of het syndroom van Turner (chromosoom X0)
    • door trisomie van chromosoom 7, of het syndroom van Williams
    • door trisomie van chromosoom 13, of het syndroom van Patau
    • door trisomie van chromosoom 18, of het syndroom van Edwards
    • door trisomie van chromosoom 21, of het syndroom van Down
    • door polysomieën
  • Enkele afbeeldingen van chromosomale syndromen
  • Samenvatting

DEEL II — DE TAAL VAN DE CHROMOSOMEN

  • De Bijbel had gelijk!
  • Het mysterie van het kwaad en het lijden
  • Een uitvoerig antwoord: de Bijbelse Genesis
  • De ‘bemiddelde schepping’
  • Genetische gevolgen van de erfzonde
  • Enkele chromosomale aandoeningen die in verband worden gebracht met de erfzonde
  • Obstetrische aandoeningen
  • Groeistoornissen
  • Taal- en spraakstoornissen
  • Oogheelkundige aandoeningen
  • Neoplastische aandoeningen
  • Orthopedische aandoeningen
  • Auto-immuunziekten:
    • lupus
    • parodontitis
    • reumatoïde artritis
    • sclerodermie
    • Rh-antigeen
  • Aandoeningen van het stomatognatische apparaat
  • Psychische aandoeningen
  • Conclusie

DEEL III — WANNEER GELOOF EN ‘REDE’ HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN

  • De historiciteit en waarheid van de Openbaring
  • Ondeugdelijke middelen om geloofskwesties te benaderen
  • De geloofscrisis
  • Een historisch keerpunt: don Guido is een mijlpaal
  • Het jodendom en het christendom
  • De erfzonde wordt genetisch overgedragen
  • De geloofscrisis
  • Een agnost die naar de waarheid zoekt
  • De diaspora van het geloof
  • Het geloof als middel tot redding
  • De geadopteerde kinderen en de kinderen van God
  • Sint-Paulus en Genesis
  • De ‘opstanding van het vlees’, of ‘genezing’, in de evangeliën van Matteüs en Lucas
  • De waarheid zal u vrijmaken
  • Genesis en Valtorta
  • Waarom Jezus aan Valtorta niet de volledige dynamiek van de erfzonde uitlegt
  • Conclusie

DEEL I

WANNEER GELOOF EN ‘WETENSCHAP’ HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN

Aanvallen op de Kerk door de eeuwen heen

Ik acht het gepast om allereerst enkele korte historische opmerkingen te maken.

De Kerk is vanaf haar ontstaan altijd, zowel van binnenuit als van buitenaf, aangevallen. In de eerste eeuwen van het christendom is de kennis van de Heilige Schrift het bezit van slechts weinigen, doorgaans van geestelijken en religieuzen. De aanvallen op de Kerk zijn dan uitsluitend van theologische aard. De eerste ketterijen ontstaan, die de Kerk fel bestrijdt, ook met vervolgingen en martelaren.

Met Constantijn begint het Oosters Schisma. Het humanisme en vervolgens de renaissance geven de mens en zijn intellectuele en expressieve vermogens meer vertrouwen.

Met de uitvinding van de boekdrukkunst, rond het midden van de vijftiende eeuw, brengt Johannes Gutenberg de Bijbel binnen het bereik van iedereen die kan lezen en schrijven. Onder de gelovigen ontstaat een hartstochtelijk verlangen naar kennis en naar een kritische manier om de Schrift te benaderen. Mensen willen begrijpen om te kunnen geloven. Geleerde mensen gaan zich opwerpen als scheidsrechters in theologische kwesties. Onder de meer ontwikkelde mensen ontstaat een behoefte aan een subjectieve interpretatie van de Schrift, soms in strijd met de verkondigde leer.

Het geval van Galilei maakt de Kerk kwetsbaar vanwege haar onverzettelijkheid en haar letterlijke interpretatie van de Schrift. Maar later, naarmate de wetenschap zich ontwikkelt en de intuïties van Galilei bevestigt, ontstaat binnen de Kerk een psychologische onderworpenheid aan de rede en de wetenschap en toont zij een nauwelijks verhuld minderwaardigheidscomplex.

Zij weet het ware geloof niet langer met behulp van de Schrift te verdedigen. Terwijl zij aandacht besteedt aan de interpretatie van het ‘woord’, blijft zij soms ver verwijderd van de ‘geest van het Woord’.

In de zestiende eeuw ontstaat, met de excommunicatie van Luther in 1521, de protestantse Kerk. In de daaropvolgende eeuw scheiden door verdere nieuwe ketterijen andere protestantse kerken zich van de Kerk af.

Darwin en Het ontstaan van de soorten

Halverwege de negentiende eeuw, in 1859, wordt Darwins boek Het ontstaan van de soorten gepubliceerd. Zijn studies en conclusies brengen letterlijk een omwenteling teweeg in de mentaliteit van zijn eigen eeuw en van de daaropvolgende eeuwen.

Wat ik nu over Darwin ga schrijven, zal veel lezers verbazen, vooral degenen die zich oprecht voor hem hebben geïnteresseerd en recensies en biografieën hebben gelezen. Maar om Darwin te begrijpen, moet men zijn volledige werk lezen.

Op basis van waarnemingen van vele soorten die in de natuur bestaan, pakt Darwin een concept op dat al door de Fransman J. B. Lamarck was geformuleerd met betrekking tot de ‘fylogenese’, die een gemeenschappelijke oorsprong van alle soorten veronderstelt.

Darwin stelt bovendien dat in de natuur een complexere soort ‘afgeleid’ is van een minder complexe soort. Aan de top van deze ‘philon’ staat de mens, die ‘afgeleid’ is van de aap.

Hij zegt ‘afgeleid’; hij zegt niet ‘afstammen’!

Let wel: het verschil is wezenlijk. Terwijl ‘afstammen’ een continuïteit inhoudt van langzame en vrijwel onmerkbare veranderingen die de ene soort in een andere veranderen, duidt ‘afgeleid zijn’ alleen op het behoren, ‘in gelijkenis’, van een soort tot dezelfde klasse, familie of een verwant geslacht, voortkomend uit een andere.

Dit was de betekenis die Darwin wilde uitdrukken! Niets meer.

Zijn analyse beperkt zich tot conclusies op basis van het waargenomen uiterlijk. Vanwege de kennis van zijn tijd is hij niet in staat ook het genetische aspect te onderzoeken. Darwin beperkt zich inderdaad tot het observeren van anatomische overeenkomsten en gelijkenissen en van beschrijvende kenmerken van de soorten.

Zijn voorkeursgebied wordt gevormd door de tropische soorten die hij tijdens zijn reizen en vooral tijdens zijn onderzoek op de Galapagoseilanden heeft kunnen bestuderen. Hij observeert, beschrijft en redeneert.

Hij bewondert en onderschrijft de studies van de Franse natuuronderzoeker en paleontoloog Cuvier (1769–1832), de grootste kenner van fossiele vondsten die in de negentiende eeuw heeft geleefd.

Door plantaardige en dierlijke fossielen te bestuderen die in verschillende geologische lagen waren aangetroffen, had Cuvier vastgesteld dat dezelfde soorten die in verschillende geologische tijdperken en op ver van elkaar verwijderde continenten hadden geleefd, praktisch identiek waren. Alleen hun afmetingen en enkele bijkomstige details verschilden.

Daarom formuleerde hij zijn principe van de ‘vastheid’ van de soorten.

Darwin sluit zich aan bij Cuvier en erkent de soorten als ‘bepaald’, dat wil zeggen: onveranderlijk!

De veranderingen die in de natuur plaatsvinden, hebben altijd en uitsluitend betrekking op secundaire kenmerken. Dat zijn de veranderingen die wij ‘micro-mutaties’ noemen.

Darwin toont een buitengewoon scherp inzicht met betrekking tot het proces van de ‘fylogenese’. Hij zegt dat er tussen een bestaande soort en de daaruit afgeleide soort altijd ‘een plotselinge en belangrijke kwalitatieve sprong’ bestaat, wat wij een ‘macro-mutatie’ noemen.

Omdat hij ervan overtuigd is dat de soorten ‘bepaald’ zijn, moet deze sprong van de ene soort naar de andere altijd door de Schepper worden bewerkstelligd en via een vrouwtje van de reeds bestaande soort tot stand komen.

Om het vrouwtje aan te duiden waardoor deze sprong van soort plaatsvindt, introduceert Darwin een nieuwe uitdrukking: hij noemt haar de ‘schakel’.

Deze schakel is uniek voor de twee stamouders van iedere nieuwe soort en daarom onvindbaar.

De uitdrukking ‘schakel’ sluit vanwege haar intrinsieke betekenis als middel of instrument voor de ‘sprong van soort’ automatisch iedere hypothese van een langzame en spontane evolutie uit. Impliciet brengt zij dit in verband met een scheppend ingrijpen van God!

Darwin neemt dus zelfs niet in overweging dat er in de natuur een voortdurende en toevallige mutatie zou bestaan tussen een bestaande soort en de daaropvolgende soort.

Hij vergelijkt deze ‘philon’ daarentegen met een lijn die uit sprongen bestaat, als een trap met treden. Daarom formuleert hij een uitspraak die beroemd is geworden: Natura non facit saltus — ‘De natuur maakt geen sprongen’.

Met deze uitdrukking wil hij benadrukken dat de Natuur ‘uit zichzelf’ en ‘autonoom’ geen sprong van de ene soort naar een andere kan maken.

Hij impliceert daarom dat, als de Natuur niet de bewerkster is van iedere sprong die tussen de ene soort en de andere heeft plaatsgevonden, alleen God, de Schepper, daarvan de Auteur kan zijn.

De fylogenese toont volgens Darwins gedachte alleen aan dat er een toename van complexiteit is in de opeenvolging waarin de verschillende soorten verschijnen, maar verklaart niet dat er binnen iedere soort evolutie plaatsvindt!

Integendeel: Darwins grootheid ligt volgens de auteur hierin dat hij opnieuw heeft bevestigd dat er een ‘leidende philon’ bestaat vanaf de eerste schepping tot aan de laatste, dat de mens van de aap is afgeleid en dat hij God, en niet de Natuur, steeds laat ingrijpen bij iedere sprong van soort.

Zijn intuïtie is volgens de auteur bijzonder verdienstelijk, omdat — zoals verderop zal worden betoogd — de wetenschap van anderhalve eeuw later, de wetenschap die rekening houdt met de openbaring die don Guido heeft ontvangen, hem gelijk zal geven.

Darwin heeft bovendien nog een tweede grote verdienste: hij heeft opgemerkt dat alleen de ‘micro-mutaties’ die gunstig zijn voor de soort in relatie tot de omgeving zich handhaven en dat de concurrentie om het overleven een belangrijke rol speelt in de selectie.

De micro-mutaties die een voordeel opleveren, blijven behouden; de andere verdwijnen door selectie.

Hij stelt dus dat de omgeving en de selectie invloed uitoefenen op de ‘micro-mutaties’ die binnen iedere afzonderlijke soort plaatsvinden, mutaties die echter altijd binnen de grenzen van die soort blijven.

Het is goed nogmaals te benadrukken dat de ‘micro-mutaties’, zoals we hebben gezien, niet moeten worden verward met de ‘macro-mutaties’ of sprongen van soort.

Het moet voor Darwin echter niet gemakkelijk zijn geweest om zich te verhouden tot archeologische vondsten die voorouders van de mens aan het licht brachten die meer op aapachtige wezens leken dan op de huidige mens.

Het is juist op basis van een misverstand van deze overwegingen dat evolutionisten en theo-evolutionisten hem interpreteren zoals het hun uitkomt.

Conclusie over Darwin

Voor Darwin is de Natuur dus ‘niet in staat’ om de ene soort in een andere te veranderen.

In tegenstelling tot wat tegenwoordig tendentieus wordt verkondigd in schoolboeken en televisiedocumentaires, is Darwin niet de vader van het evolutionisme, omdat hij vasthoudt aan het concept van de ‘bepaalde soort’.

De micro-mutaties die het onderwerp van zijn waarnemingen vormen, hebben alleen betrekking op kenmerken die altijd binnen de grenzen van dezelfde soort blijven.

Met andere woorden: hoewel Darwin de grote gelijkenis tussen de voorafgaande soort en de daaruit afgeleide soort erkent, gaat hij uit van goddelijk ingrijpen in het scheppingsproces van de nieuwe soort door middel van wat hij ‘de schakel’ noemt.

Dit concept is volgens de auteur bepalend om Darwins gedachte correct te begrijpen.

We zullen later zien dat zijn zeer vooruitziende theorie vooruitloopt op die van de ‘bemiddelde schepping’, die we verderop zullen behandelen.

En in tegenstelling tot wat wordt beweerd, was Darwin niet respectloos tegenover het geloof en heeft hij zichzelf altijd als gelovige omschreven.

Op latere leeftijd verbaasde hij zich erover dat zijn geschriften zoveel opschudding hadden veroorzaakt, omdat hij helemaal niet de bedoeling had gehad het geloof in de Heilige Schrift omver te werpen.

Hij stierf als een goed christen en ontving de sacramenten.

Na 1963, met de ontdekking van het DNA en het begin van de ontcijfering ervan, zijn al deze concepten diplomatiek verdwenen uit tijdschriften, kranten, teksten en documentaires — concepten die de Heer later aan don Guido zou bevestigen.

De Heer zou namelijk hetzelfde concept opnieuw benadrukken door de uitdrukking ‘schakel’ te vervangen door een andere: ‘bruggenhoofd’.

Dit oorspronkelijke portret van Darwin verdween uit studieboeken en uit de wetenschappelijke literatuur na de jaren vijftig, toen men begon Darwin af te schilderen als de vader van het evolutionisme.

Laten we dit bekijken.

Het neodarwinisme en het evolutionisme

Het waren de neodarwinisten, met een atheïstische ideologie, die de naam van Darwin op oneigenlijke wijze gebruikten om zichzelf autoriteit te verschaffen en die de term ‘evolutie’ gebruikten in de betekenis die wij tegenwoordig ook aan deze term geven, maar die volgens de auteur niet overeenkomt met Darwins manier van denken.

Zij verstonden onder evolutie ‘een voortdurend natuurlijk proces van verandering van de soorten’.

Zij zagen de soort als een voortdurend, onstuitbaar en spontaan proces van wording.

Op weinig orthodoxe wijze interpreteerden zij het motto van Darwin, Natura non facit saltus, met een eenvoudige betekenis die volkomen tegengesteld was aan de oorspronkelijke betekenis. Zij beweerden namelijk dat er in de natuur geen sprongen plaatsvinden, maar ‘voortdurende’ toevallige veranderingen, ‘voortdurende’ transformaties, en dat deze nieuwe verworven kenmerken, als ze nuttig zijn voor de soort, aan het nageslacht worden doorgegeven.

Wanneer deze veranderingen goede vooruitzichten zouden hebben binnen de natuurlijke selectie, zouden ze zich kunnen handhaven en de ene soort in een andere kunnen veranderen.

Een ware ideologische vervalsing!

Volgens de neodarwinisten zouden soorten zich dus geleidelijk veranderen door toedoen van het ‘toeval’ en zich handhaven door toedoen van een ‘gunstige omgeving’ en van ‘selectie’.

Op deze manier zou men spontaan van de ene soort naar de andere overgaan.

Een nogal willekeurige interpretatie van de theorie van de fylogenese zoals Darwin die had geformuleerd!

De waarheid is dat mieren, goudbrasems, haaien enzovoort, hoewel zij al honderden miljoenen jaren vóór de schepping van de mens bestaan, in de loop van de tijd altijd onveranderd zijn gebleven!

Alleen de mens is veranderd, maar de oorzaken van deze transformatie zijn, zo weten wij nu volgens de auteur, te wijten aan de hybridisatie van de menselijke soort, die een involutie veroorzaakte en vervolgens een door God ondersteunde en gestuurde re-evolutie.

Deze ideologische vervalsing was en is nog steeds de grootste misleiding in de geschiedenis van het denken van de afgelopen eeuw.

In de geseculariseerde cultuur van de late Verlichting en het positivisme leek het niet-gelovigen een uitgelezen kans om het geloof te bestrijden met het neodarwinisme en het evolutionisme!

Het was de geschikte gelegenheid om de wetenschap te onttrekken aan de invloed van de joods-christelijke leer, die aan God de rol toekende van Schepper van alle afzonderlijke soorten.

De naam Darwin werd door de neodarwinisten als een relikwie naar voren geschoven om te zeggen wat ‘zij’ wilden zeggen en wat Darwin nooit had gedroomd te zeggen.

Het was, te goeder trouw of niet, een manier om de Schrift en daarmee de Kerk in diskrediet te brengen.

Het meest tragische was dat deze theorie ook kerkelijke personen, hoge prelaten, geestelijken, theologen en docenten betoverde die geen specifieke kennis hadden van genetische onderwerpen, maar deze verklaring fascinerend vonden.

Van een pseudowetenschap werd een filosofie gemaakt.

De bekendste naam onder deze denkers is die van de jezuïet en paleontoloog pater Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955), die zijn ‘theorie van de geleide evolutie’ ontwikkelde.

Deze theorie vond ingang bij bijna de gehele geestelijkheid, die in deze oplossing op illusoire wijze het ontmoetingspunt tussen wetenschap en geloof zag.

Maar deze ‘theorie’, die slechts een theorie was en slechts een theorie bleef, werd fel bestreden door don Guido, die het gevaar ervan inzag omdat zij God Zijn rol als directe Schepper ontnam.

Ondertussen probeerden in de Verenigde Staten enkele genetici, zoals de bekeerde J. Collins, Nobelprijswinnaar voor de Geneeskunde omdat hij zijn onderzoek wijdde aan het ontcijferen van het menselijk genoom en auteur van het zeer bekende boek De taal van God, op hun beurt een toenadering tussen wetenschap en geloof te bewerkstelligen.

Maar uiteindelijk vervielen zij allemaal, op een zachte manier, steeds weer in hetzelfde compromis dat de deur naar het evolutionisme openliet.

Dit zijn de zogenaamde theo-evolutionisten of theïstische evolutionisten.

Ook volgens hen zou God het universum en het leven hebben geschapen met het vermogen om zich op natuurlijke wijze zelfstandig te ontwikkelen.

Het is niet meer dan een andere theorie, met slechts enkele verschillen ten opzichte van de eerdere theorieën, en die niets meer dan een hypothese, een andere filosofie of ideologie blijft, die precies tegenover de joods-christelijke leer staat.

Die leer beschouwt de gehele schepping daarentegen als voortdurend gedragen en geschapen door de liefdevolle Wil van God.

Onder de Italiaanse vertegenwoordigers vinden we enkele hoogleraren die leerstoelen in de antropologie bekleden.

Volgens hen zou God zich ertoe hebben beperkt Zijn schepping een ‘eerste impuls’ te geven en vervolgens ieder proces zich spontaan te laten ontwikkelen.

Dergelijke theorieën zijn voor de theologie gevaarlijker dan een natuurramp, omdat zij de leer vormen en haar uit haar juiste beginselen doen treden, terwijl zij niets positiefs toevoegen aan de wetenschap.

Bovendien zijn deze theorieën niet aantoonbaar.

Iedereen begrijpt dat de grootste ketterij erin bestaat God Zijn fundamentele eigenschap te ontnemen, namelijk die van Schepper!

Om die vervolgens te vervangen door wat?

Door het ‘toeval’.

Deze materialistische visie had al deel uitgemaakt van de Griekse filosofie.

Maar Dante noemt, wanneer hij over de filosoof Democritus spreekt, hem ‘degene die de wereld aan het toeval toeschrijft’, en plaatst hem in de hel omdat hij van het ‘toeval’ een banier had gemaakt!

Laten we bekijken waarom het evolutionisme en zijn afgeleiden in tegenspraak zijn met het joods-christelijke geloof.

Als men de hypothese van spontane evolutie aanvaardt, is het duidelijk dat de grondbeginselen van de leer komen te vervallen: de ‘schepping uit het niets’ van energie en daarmee van materie, van het gehele universum, van het leven, van de soorten in het algemeen en van de mens en de vrouw in het bijzonder.

Ook het beginsel van de schepping van de ‘volmaakte’ mens komt te vervallen, evenals zijn daaropvolgende val, de corruptie van de afstammelingen van de besmette tak en de noodzaak van zijn Verlossing.

De gehele leer wordt uitgehold.

De mens zou in staat zijn zichzelf te evolueren.

God zou niet langer nodig zijn; Hij zou slechts een projectie van de mens zelf worden, een existentiële behoefte van de mens waaraan moet worden voldaan.

Achteruitgang van de ‘evolutietheorie’

Maar in tegenstelling tot het geloof brengt de wetenschap altijd verrassingen, want juist de wetenschap is voortdurend in ontwikkeling!

Wat gisteren onoverkomelijk leek, is dat vandaag niet meer; wat vandaag absoluut lijkt, zou morgen achterhaald kunnen blijken.

En dat is wat er in 1963 gebeurde met de ontdekking van het DNA.

Het lezen — voorlopig nog slechts gedeeltelijk — van de structuur van de cel gaf de wetenschap de illusie dat zij het gehele evolutieproces had begrepen.

Wat niet gelezen of begrepen kon worden, werd eufemistisch ‘afval’ of ‘junk’ genoemd.

De gelijkenis tussen het merendeel van de menselijke genen en die van mensapen deed geloven dat er werkelijk een genetische continuïteit tussen beide soorten bestond, waarmee de hypothese werd versterkt dat in de natuur alles evolueert naar een grotere volmaaktheid.

Alle schoolboeken en natuurdocumentaires laten tegenwoordig zien hoe de mens zich langzaam zou hebben ontwikkeld, waarbij hij van een dierlijke toestand overging naar een rechtopstaande houding en een grotere hersencapaciteit.

Zelfs op internet worden de uitdrukkingen van Darwin, ‘schakel’ en Natura non facit saltus, niet weergegeven met hun oorspronkelijke betekenis, zelfs niet als citaten. Van de eerste wordt gezegd dat het een individu van een soort is waaruit twee afzonderlijke takken voortkomen. Over de tweede hebben we het al gehad.

Alles vloeide samen in een radicaal evolutionisme. Er werd een theorie opgebouwd en wee degene die het had gewaagd tegen deze ideologische opvatting in te gaan.

Maar de evolutionisten hadden onvoldoende rekening gehouden met het probleem van de verandering van het aantal chromosomen tussen bestaande soorten en de daaruit afgeleide soorten!

En juist daarop loopt hun theorie stuk.

Laten we voor ogen houden dat we het bij het evolutionisme steeds hebben over ‘een theorie’, dat wil zeggen een hypothese, en niet over ‘een natuurwet’, die om een ‘wet’ te worden experimenteel toetsbaar of op zijn minst statistisch aantoonbaar moet zijn.

Pas veel later dan de ontdekking van het DNA, namelijk nog maar enkele jaren geleden, konden sommige wetenschappers vaststellen dat de evolutietheorie wetenschappelijk ongefundeerd was.

Reeds de waarschijnlijkheidsleer had aangegeven hoe onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, de overgang van niet-leven naar leven was.

Laat staan georganiseerd leven, zoals de structuur van een bacil, een oog of een voortplantingsorgaan!

En om het nog nauwkeuriger te formuleren: men stelde vast dat de zogenaamde chromosomale ‘mutaties’ ‘nooit’ betrekking hebben op het aantal chromosomen, maar altijd beperkt blijven tot grootte, kleur en secundaire aspecten!

Het zijn dus slechts ‘micro-mutaties’.

Helaas durven ook vandaag slechts weinig moedige mensen het evolutionisme ter discussie te stellen.

De genetica heeft voor haar studie de moleculaire biologie nodig

En zo komen we bij de laatste fase: de studie van de ‘werking’ van de chromosomen en genen.

De studie van deze uiterst delicate materie kan alleen worden verricht met behulp van de moleculaire biologie.

En hier is de verrassing overweldigend: geen enkel resultaat biedt de geringste hoop voor de evolutietheorie, die als uitgangspunt de chromosomale reductie heeft, dat wil zeggen de overgang van het ene aantal chromosomen naar een ander aantal!

De waarneming bevestigt daarentegen dat het aantal chromosomen voor iedere soort ‘stabiel’ is.

Het toeval, de omgeving of de selectie, of de combinatie van alle drie deze factoren, is niet voldoende om een verandering in het aantal chromosomen mogelijk te maken.

Alleen door de werking van de chromosomen te observeren, ondersteund door een onbevooroordeeld statistisch onderzoek, kon worden vastgesteld dat er in de natuur geen enkele mogelijkheid bestaat om van de ene soort naar een andere over te gaan en, meer specifiek, van de aap naar de mens.

Integendeel: de chromosomale reductie zou noodzakelijk zijn geweest om de theorie te ondersteunen dat de menselijke soort uit een onmiddellijk lagere soort is geëvolueerd.

Daarom blijft de evolutietheorie slechts een hypothese die door de natuur wordt tegengesproken!

Als de geneticus zich vroeger beperkte tot het observeren en bestuderen van de cel om daaruit zijn conclusies te trekken, heeft hij tegenwoordig, om de ‘werking’ ervan te begrijpen en te begrijpen hoe chromosomen zich gedragen, de samenwerking van de moleculair bioloog nodig.

Alleen wanneer de twee wetenschappers samenwerken, zijn zij bevoegd om hierover te spreken.

Niemand anders!

Toch gebeurt het vaak dat degene die hierover spreekt geen adequate wetenschappelijke kennis bezit, maar veeleer verbonden is met een ideologie.

Het normale menselijke karyotype

Om nu rechtstreeks tot het onderwerp te komen dat definitief iedere resterende ambitie ondermijnt om te willen beweren dat het evolutionisme een wetenschappelijke basis kan hebben, moeten we samen begrijpen wat de structuur van het menselijke DNA is.

Dit begrip stelt ons vervolgens in staat vast te stellen dat zowel de chromosomale reductie — in het geval van de mens, maar overigens van welke soort dan ook — als de toename van slechts één chromosoom altijd onverenigbaar blijken te zijn met het leven of met het vermogen tot voortplanting.

Dit stelt ons ook in staat te begrijpen wat een chromosomaal syndroom is.

De menselijke chromosomale opbouw, of het karyotype, is diploïd, dat wil zeggen opgebouwd uit 23 paren chromosomen, in totaal 46, waarvan de helft bij de conceptie afkomstig is van de mannelijke gameet en de andere helft van de vrouwelijke.

Van deze 23 paren coderen 22 paren voornamelijk voor de lichamelijke kenmerken en worden daarom autosomen genoemd. Het laatste paar codeert voornamelijk voor de geslachtskenmerken en bestaat bij vrouwen uit twee X-chromosomen en bij mannen uit één X- en één Y-chromosoom.

De versmelting van de twee gameten — de van de vader afkomstige en de van de moeder afkomstige — die beide 23 chromosomen bevatten, in een nieuwe cel, die daardoor opnieuw over het volledige genetische erfgoed van 46 chromosomen beschikt, geeft aanleiding tot het nieuwe individu.

Het is voor niet-deskundigen van fundamenteel belang te onthouden dat chromosomen worden aangeduid met oplopende nummers, maar omgekeerd evenredig aan hun grootte.

Chromosoom 1 bevat dus veel meer genen en DNA dan chromosoom 22, dat het kleinste is.

We weten niet waarom de Schepper heeft besloten de informatie op deze manier te verdelen, met chromosomen van verschillende grootte, in plaats van 23 paren chromosomen van gelijke afmetingen te ontwerpen en te kiezen voor een kwantitatief ongelijke verdeling van het genetische materiaal over de 23 paren.

Evenmin is de keuze voor de mens begrijpelijk of logisch voor een numeriek lager karyotype, met 46 chromosomen, terwijl zijn chromosomen informatie moeten bevatten die veel verder ontwikkeld en in grotere hoeveelheid is dan die van het apengenoom, dat 48 chromosomen bevat.

Het lijkt bijna alsof God met deze keuze iedere evolutionistische hypothese bij voorbaat heeft willen ondermijnen!

Op deze afbeelding (…) zien we wat een ‘normaal menselijk karyotype’ wordt genoemd.

Vanuit dit uitgangspunt kunnen we duidelijk maken en begrijpen wat een chromosomaal syndroom is, namelijk een ernstige afwijking van één of meer chromosomen.

In iedere cel van het menselijk lichaam van de huidige mens, evenals in die van de oorspronkelijke mens, bevindt zich een hele reeks chromosomen die in totaal 46 chromosomen omvat.

Let goed op, want dit aantal is zeer belangrijk.

De chromosomen zijn per twee gekoppeld en in volgorde langs een spiraal gerangschikt. In totaal hebben we daarom in iedere lichaamscel 23 paren chromosomen.

Vanaf het eerste paar tot en met het tweeëntwintigste worden de chromosomen ‘autosomen’ genoemd en zijn ze allemaal verschillend van elkaar in grootte en vorm.

Ze zijn verschillend omdat ze een verschillende hoeveelheid informatie bevatten.

Zo bevat chromosoom 21, dat het kleinste is, veel minder informatie dan chromosoom 1 of 2, die zeer groot zijn.

In de geslachtscellen van moeder en vader hebben we slechts één enkele reeks chromosomen en dus niet langer 46, maar 23. Deze vormen de ‘gameet’, die afkomstig kan zijn van de vader — de zaadcel — of van de moeder — de eicel.

Het 23e chromosoom bepaalt het geslacht van het ongeboren kind.

Bij de conceptie worden de 23 chromosomen van de vader verenigd met de 23 chromosomen van de moeder en worden de 23 chromosomenparen opnieuw gevormd. In totaal zijn dat 46 chromosomen, die de eerste cel vormen waaruit het individu ontstaat.

In de eerste cel die uit deze combinatie ontstaat, bevindt zich dus het volledige genetische erfgoed van zowel het lichaam als de psyche van een individu: alle 46 chromosomen zijn aanwezig.

Volgens de moraalleer van de Kerk is er vanaf het moment van de conceptie al in nuce — in aanleg — een individu.

En wanneer de eerste cel er is, wordt binnen enkele maanden een individu geboren.

Voor de Kerk is de eerste cel dus al een individu!

En dat individu is uniek.

Er zullen nooit twee volledig identieke individuen in het hele universum bestaan, omdat er miljarden en miljarden mogelijke combinaties zijn in de moleculaire structuren van deze chromosomen.

Het feit is dat het statistisch onmogelijk is dat twee mensen met precies dezelfde kenmerken ontstaan.

Wij zijn allemaal uniek en onherhaalbaar binnen Gods plan.

Daarom is de Kerk terecht zo streng ten aanzien van anticonceptie: omdat veel anticonceptiemethoden, hoewel wij dit niet weten omdat het ons niet wordt verteld, volgens de auteur in werkelijkheid abortieve effecten hebben, doordat zij mechanismen in werking stellen die micro-abortussen veroorzaken.

Zo verhindert het spiraaltje bijvoorbeeld volgens deze redenering de innesteling van een reeds bevruchte eicel. Op dat moment is het volgens de auteur niet langer slechts één cel, maar al een groepje cellen dat de naam ‘morula’ draagt.

De weerlegging van de theorie van de chromosomale reductie

Wat is dan het feit dat tot nu toe aan iedereen is ontsnapt die in de val van de evolutietheorie is gelopen?

Het is dat het normale genetische erfgoed van de aap 48 chromosomen telt en dat van de mens 46.

Als wij van de aap zouden afstammen, zouden we bij de aap een wetenschappelijk bewezen mechanisme moeten aantreffen dat verklaart hoe we van 48 chromosomen naar 46 zijn gegaan.

Als wij deze overgang niet kunnen aantonen, is de hele evolutietheorie een sprookje.

Darwin, die ten tijde van de publicatie van zijn boek niet op de hoogte was van de structuur en de exacte functie van de chromosomen, kon niet weten dat chromosomale reductie een utopie was, omdat men tot 1959 — precies een eeuw na de publicatie van zijn boek Het ontstaan van de soorten — het DNA nog niet kende, waarvan het chromosomale erfgoed overigens tot op heden nog niet volledig is ontcijferd.

Toch had hij aangevoeld dat de Natuur niet in staat was om geleidelijk van de ene soort naar de andere over te gaan. Daarom haalt hij de beroemde ‘schakel’ aan die, door middel van één enkele en definitieve overgang, het begin van een nieuwe soort zou hebben gevormd.

Door de Natuur als handelende kracht uit te sluiten, omdat Natura non facit saltus, bleef bij uitsluiting het goddelijke ingrijpen als impliciete verklaring over.

Waarom mag men God in de wetenschap niet noemen?

Ik vraag mij af: waarom mag men in de wetenschap nooit God noemen, zelfs wanneer Hij duidelijk aanwezig lijkt?

Misschien om niet-gelovigen niet voor het hoofd te stoten. Maar de waarheid is de waarheid.

Hoe dan ook, de verdienste van Darwin was groot, hoewel deze volgens de auteur beperkt blijft tot de beschrijvende studie van zichtbare aspecten, oftewel de micro-mutaties.

Zoals we hebben gezien, bracht Darwin op basis van zijn observaties van vele exotische soorten overeenkomsten tussen soorten aan het licht. Daarmee documenteerde hij volgens de auteur de theorie van de fylogenese en leidde hij daaruit af dat er een nauwe relatie bestaat tussen kenmerken van organismen en hun omgeving.

Maar tussen deze observaties en de evolutietheorie ligt nog een lange weg.

Bovendien bedoelde Darwin — ik herhaal het — volgens de auteur absoluut niet alles te zeggen wat de neodarwinisten later in hun theorie hebben beweerd. Zij zouden zich een hypothese hebben toegeëigend die bij Darwin juist uitsluitend betrekking had op micro-mutaties, dat wil zeggen mutaties die plaatsvinden binnen één en dezelfde soort. Vervolgens formuleerden zij daaruit zowel een theorie van de mutatie van soorten — de spontane overgang van de ene soort naar een andere — als de theorie van de zogenoemde Chromosomale Reductie.

Deze theorieën zijn volgens de auteur, in het licht van de huidige kennis, niet langer houdbaar.

Hoewel honderden boeken ter ondersteuning van de evolutionistische stelling zijn gepubliceerd, stelt de auteur dat evolutionisten nooit een sluitende wetenschappelijke demonstratie van hun theorie hebben geleverd.

De laatste confrontatie die ik met een collega heb gehad, vond plaats tijdens een recent congres. Hij zat naast mij en had zelfs de moeite genomen mij een biochemieboek toe te sturen om mij te bewijzen dat Darwin en de neodarwinisten gelijk hadden. Dat boek bewees volgens mij echter niets.

Tot op heden, zo stelt de auteur, bestaan er geen wetenschappelijke bewijzen die de waarheidsgetrouwheid van de neodarwinistische hypothese bevestigen.

De ontdekking van het DNA

Pas aan het begin van de twintigste eeuw werden de resultaten van het genetische onderzoek van Gregor Mendel algemeen bekend. Mendel, een Boheemse augustijnerabt, formuleerde de klassieke wetten van de erfelijkheid en wordt terecht beschouwd als een van de grondleggers van de genetica.

Met Mendel begon een diepgaande studie van de erfelijkheidswetten, voornamelijk gebaseerd op experimenten en statistische analyse.

Ook na de ontdekking van DNA bleef de kennis van de structuur en werking van chromosomen echter lange tijd afhankelijk van de beschikbare, nog beperkte technologie. Pas met de verdere ontwikkeling van de moleculaire biologie kon men steeds dieper doordringen in de werking van het genetische materiaal.

De werking van DNA en van de structuren die daarmee samenhangen, kan tegenwoordig slechts worden begrepen dankzij de moleculaire biologie. Daarom stelt de auteur dat degene die zich wetenschappelijk over deze materie wil uitspreken, niet kan volstaan met kennis uit de natuurkunde, antropologie, theologie of filosofie, maar dat vooral de genetica en de moleculaire biologie noodzakelijk zijn.

Dit is geen kwestie die men uitsluitend met röntgenstralen kan bestuderen. Zelfs wanneer men daarmee beelden van chromosomen kan verkrijgen, laten dergelijke beelden op zichzelf geen conclusies toe over de biologische werking ervan. Men kan er vooral een beschrijvende studie mee uitvoeren.

Men kan bijvoorbeeld de structuur en de organisatie van het genetische materiaal waarnemen, maar om te begrijpen hoe deze structuren functioneren, is moleculair-biologische analyse noodzakelijk.

En wat zien de geneticus en de moleculair bioloog volgens de auteur?

Zij zien dat de hedendaagse wetenschap volgens hem steeds meer vragen oproept die niet eenvoudig binnen de klassieke neodarwinistische postulaten kunnen worden beantwoord.

Beperkingen van het evolutionisme volgens de auteur

De evolutionisten baseren hun theorie onder meer op de grote genetische overeenkomst tussen mens en mensapen. Vanuit die overeenkomst wordt volgens de auteur de veronderstelling afgeleid dat een Chromosomale Reductie heeft plaatsgevonden.

De redenering zou dan zijn dat de mens van een voorouderlijke mensaap afstamt en dat daarbij een overgang heeft plaatsgevonden van 48 chromosomen naar 47 en vervolgens naar 46 chromosomen, bijvoorbeeld door fusie van twee chromosomen.

Volgens de auteur wordt het probleem van deze Chromosomale Reductie daarbij te gemakkelijk als irrelevant beschouwd.

Hij stelt daartegenover dat een dergelijke overgang technisch en statistisch onmogelijk zou zijn. Om deze stelling te onderbouwen verwijst hij naar statistische gegevens over chromosomale syndromen.

Om te begrijpen waarom de natuur volgens de auteur de theorie van de Chromosomale Reductie niet ondersteunt, moeten we eerst verduidelijken wat chromosomale syndromen zijn.

Chromosomale syndromen, chromosomale aandoeningen en ziekten

De studie van chromosomale syndromen werpt volgens de auteur een somber licht op de oorsprong van de menselijke soort zoals wij die tegenwoordig kennen. Tegelijkertijd opent zij volgens hem nieuwe onderzoeksperspectieven voor zowel wetenschap als religie.

Voor de moderne genetica was het lange tijd nauwelijks mogelijk om het genetische materiaal in detail te bestuderen. De ontwikkeling van de moleculaire genetica, de sequencingtechnologie en het onderzoek naar het menselijke genoom heeft hierin een enorme verandering gebracht.

Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw werd het steeds beter mogelijk om bepaalde ziekten en syndromen in verband te brengen met genetische afwijkingen.

Chromosomale syndromen onderscheiden zich van veel andere chromosomale aandoeningen doordat zij meerdere organen en orgaansystemen tegelijk kunnen aantasten en vaak al vanaf de vroege ontwikkeling aanwezig zijn.

Chromosomale aandoeningen kunnen eveneens aangeboren zijn, maar kunnen ook later in het leven tot uiting komen, afhankelijk van de onderliggende genetische aanleg en andere factoren.

Wanneer slechts één orgaan of orgaansysteem wordt aangetast, spreken we in het algemeen van een ziekte of aandoening. Bij cirrose is bijvoorbeeld de lever aangedaan; bij bepaalde vormen van diabetes spelen afwijkingen in de regulatie van de glucosestofwisseling een rol; bij presbyopie is het oog betrokken.

Er bestaan daarnaast aandoeningen die voornamelijk het psychische functioneren beïnvloeden. Ook daarbij is voorzichtigheid geboden: het ontbreken van zichtbare lichamelijke afwijkingen betekent niet dat er geen ernstige aandoening aanwezig kan zijn.

Over de precieze oorsprong en ontwikkeling van veel chromosomale syndromen is nog altijd veel onbekend. De auteur waarschuwt daarom tegen al te optimistische voorspellingen over het volledig uitroeien van alle ziekten of het onbeperkt verlengen van de menselijke levensduur.

De ernstigste chromosomale afwijkingen kunnen, in een vereenvoudigde indeling, worden onderverdeeld in:

  • Monosomieën: er ontbreekt één chromosoom.
  • Trisomieën: er is één chromosoom extra aanwezig.
  • Polysomieën: er zijn meerdere extra chromosomen aanwezig ten opzichte van het normale karyotype.

Tabel van chromosomale syndromen

De auteur verwijst vervolgens naar een statistische tabel die volgens hem is gebaseerd op een steekproef van 100.000 concepties. De tabel is bedoeld om te illustreren welke gevolgen afwijkingen in het aantal chromosomen kunnen hebben.

Bekende chromosomale syndromen

TypeChromosoomSyndroomSpontane abortussenLevendgeborenen
MonosomieXSyndroom van Turner1.3508
Trisomie75610
Trisomie13Syndroom van Patau12817
Trisomie18Syndroomvan Edwards22313
Trisomie21Syndroom van Down350113

De overige in de oorspronkelijke tabel genoemde trisomieën zouden volgens de auteur voornamelijk tot spontane zwangerschapsafbreking leiden.

De auteur trekt hieruit de conclusie dat veranderingen in het aantal chromosomen doorgaans ernstige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid van een embryo of foetus.

Daaruit leidt hij vervolgens af dat een evolutionaire overgang waarbij het aantal chromosomen afneemt, bijvoorbeeld van 48 naar 46, niet aannemelijk zou zijn.

Deze gevolgtrekking vormt een centraal onderdeel van zijn betoog.

De monosomieën

Monosomieën zijn gevallen waarin één chromosoom ontbreekt ten opzichte van het normale karyotype.

Bij de mens zijn volledige autosomale monosomieën van chromosomen 1 tot en met 22 niet verenigbaar met een normale ontwikkeling. De bekende volledige monosomie die bij levendgeborenen kan voorkomen, betreft het X-chromosoom en staat bekend als het syndroom van Turner.

Bij het syndroom van Turner is slechts één X-chromosoom aanwezig. Het karyotype wordt doorgaans aangeduid als 45,X.

Vrouwen met het syndroom van Turner kunnen onder meer een kleinere lichaamslengte, onvoldoende ontwikkeling van de geslachtsorganen en problemen met de vruchtbaarheid vertonen. De ernst en kenmerken kunnen echter sterk variëren.

De auteur vestigt de aandacht op het grote verschil tussen het aantal concepties met chromosomale afwijkingen en het veel kleinere aantal zwangerschappen dat uiteindelijk tot een levendgeborene leidt.

Volgens hem toont dit aan hoe kwetsbaar de menselijke ontwikkeling is voor veranderingen in het aantal chromosomen.

Daaruit trekt hij de volgende vraag:

Als het ontbreken van één chromosoom bij de mens zulke ernstige gevolgen kan hebben, hoe zou een evolutionaire overgang van 48 naar 47 en vervolgens naar 46 chromosomen dan op een geleidelijke en tegelijkertijd voordelige wijze kunnen plaatsvinden?

Dat is volgens de auteur het centrale probleem van de Chromosomale Reductie.

Hij daagt wetenschappers uit om met concrete gegevens aan te tonen dat binnen een populatie een individu met een verminderd aantal chromosomen niet alleen levensvatbaar en vruchtbaar kan zijn, maar dat een dergelijke verandering bovendien een evolutionair voordeel kan opleveren.

De auteur stelt dat juist dit bewijs ontbreekt.

Conclusie

Kortom: op grond van de hierboven besproken chromosomale syndromen ziet de auteur geen mogelijkheid om zonder meer een overgang van 48 naar 46 chromosomen te veronderstellen.

Volgens zijn redenering blijkt uit de ernstige gevolgen van chromosomale afwijkingen dat zelfs kleine veranderingen in het genetische materiaal ingrijpende gevolgen kunnen hebben.

Daarom beschouwt hij de Chromosomale Reductie als een ontoereikend verklaard onderdeel van de evolutionistische theorie.

De trisomieën

Wanneer één chromosoom te veel aanwezig is, spreken we van een trisomie: binnen een chromosomenpaar zijn dan drie exemplaren aanwezig in plaats van twee.

Trisomieën behoren tot de bekendste numerieke chromosomale afwijkingen. Zij kunnen betrekking hebben op autosomen of op geslachtschromosomen.

Bij afwijkingen van de geslachtschromosomen kunnen onder andere karyotypen als XXY, XYY en XXX voorkomen.

Bij de autosomale trisomieën is trisomie 21, het syndroom van Down, de bekendste.

Daarnaast zijn trisomie 13, het syndroom van Patau, en trisomie 18, het syndroom van Edwards, bekende chromosomale syndromen.

De levensverwachting en ernst van deze syndromen verschillen aanzienlijk. Trisomieën van veel andere autosomen zijn doorgaans niet verenigbaar met de ontwikkeling tot een levendgeborene.

Volgens de auteur is dit relevant voor zijn argumentatie over de Chromosomale Reductie: wanneer zelfs een extra kopie van een relatief klein chromosoom zulke ingrijpende gevolgen kan hebben, zou een verandering van het totale chromosomenaantal volgens hem niet eenvoudig als een evolutionair voordeel kunnen worden beschouwd.

Trisomie 21: het syndroom van Down

Het syndroom van Down wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van een extra kopie van chromosoom 21.

De klinische kenmerken en de ernst kunnen aanzienlijk variëren. Mensen met het syndroom van Down kunnen zich ontwikkelen tot volwassenen met uiteenlopende niveaus van zelfstandigheid en cognitief functioneren.

De auteur gebruikt dit syndroom als voorbeeld van de grote biologische gevolgen die kunnen voortvloeien uit een verandering in het chromosomale erfgoed.

Hij stelt vervolgens de vraag waarom bepaalde trisomieën wel met leven verenigbaar zijn en andere niet.

Volgens zijn redenering speelt de omvang en genetische inhoud van het betreffende chromosoom hierbij een belangrijke rol.

Trisomie 13 en trisomie 18

Tot de trisomieën die in sommige gevallen met leven verenigbaar zijn, behoren:

  • Trisomie 13 — syndroom van Patau
  • Trisomie 18 — syndroom van Edwards
  • Trisomie 21 — syndroom van Down

Zowel trisomie 13 als trisomie 18 gaat vaak gepaard met ernstige aangeboren afwijkingen en een sterk verkorte levensverwachting.

De auteur gebruikt deze syndromen om te benadrukken hoe gevoelig de menselijke ontwikkeling is voor veranderingen in het chromosomale materiaal.

Hij vraagt zich vervolgens af waarom trisomieën van sommige grotere autosomen vrijwel nooit tot een levendgeborene leiden.

Zijn antwoord is dat dergelijke afwijkingen volgens zijn interpretatie zo ingrijpend zijn dat de embryo’s doorgaans al vroeg in de zwangerschap verloren gaan.

Spontane zwangerschapsverliezen

Niet iedere chromosomale afwijking leidt tot een levendgeborene. Een aanzienlijk deel van de chromosomale afwijkingen wordt in verband gebracht met spontane zwangerschapsverliezen.

De auteur wijst erop dat sommige zeer vroege zwangerschapsverliezen mogelijk onopgemerkt blijven en kunnen worden aangezien voor een iets afwijkende menstruatie.

Voorzichtigheid is hier echter geboden: zonder genetisch onderzoek kan achteraf niet worden vastgesteld dat een afzonderlijke menstruatie daadwerkelijk het gevolg was van een chromosomale afwijking.

Zeldzame genetische aandoeningen

Naast de bekende chromosomale syndromen bestaan er talloze zeldzame genetische aandoeningen.

Deze kunnen het gevolg zijn van afwijkingen in afzonderlijke genen, chromosoomstructuren of andere genetische mechanismen. Niet iedere genetische aandoening is onverenigbaar met het leven of met voortplanting.

Door de voortdurende ontwikkeling van genetische diagnostiek worden steeds meer van dergelijke aandoeningen geïdentificeerd.

De polysomieën

Ten slotte zijn er de polysomieën, waarbij meerdere exemplaren van een chromosoom aanwezig zijn.

Een bekend voorbeeld betreft afwijkingen van de geslachtschromosomen, zoals het syndroom van Klinefelter, meestal aangeduid als 47,XXY.

Het syndroom van Klinefelter treft mannen en kan onder meer gepaard gaan met een relatief lange lichaamslengte, kleinere testikels, verminderde vruchtbaarheid en een variabele mate van andere lichamelijke of cognitieve kenmerken.

Andere varianten van geslachtschromosomale polysomieën zijn onder meer XXXY en XXYY.

De auteur beschouwt deze afwijkingen als voorbeelden van de kwetsbaarheid van het menselijke ontwikkelingsproces wanneer het normale chromosomale evenwicht wordt verstoord.

Enkele afbeeldingen van chromosomale syndromen

Laten we nu bekijken wat er gebeurt wanneer sprake is van een trisomie, dus wanneer één chromosoom te veel aanwezig is.

Van het syndroom van Down geef ik geen voorbeeld, omdat ik ervan uitga dat dit syndroom algemeen bekend is.

Het was pas in de twintigste eeuw mogelijk om het syndroom van Down rechtstreeks met een afwijking van het chromosomale erfgoed in verband te brengen. De genetische kennis hierover is dus relatief recent.

Laten we daarentegen kijken naar enkele andere trisomieën.

Bij trisomie 13 is één extra exemplaar van chromosoom 13 aanwezig. Het syndroom van Patau gaat gepaard met ernstige ontwikkelingsstoornissen en aangeboren afwijkingen.

Ook trisomie 18, het syndroom van Edwards, leidt vaak tot ernstige lichamelijke en ontwikkelingsproblemen en heeft een hoge prenatale en postnatale sterfte.

De beelden die bij dergelijke syndromen worden gebruikt, kunnen confronterend zijn. Zij tonen hoe ingrijpend veranderingen in het genetische erfgoed kunnen uitwerken op de ontwikkeling van het menselijk lichaam.

Ik herinner mij nog steeds met afschuw de glazen recipiënten gevuld met formaline die in het Museum van het Instituut voor Forensische Geneeskunde en Pathologische Anatomie van de Universiteit van Florence op stoffige planken naast elkaar stonden.

In die recipiënten werden misvormde lichamen bewaard van kinderen die niet hadden overleefd omdat hun chromosomale afwijkingen onverenigbaar waren met het leven.

Ik bezocht het museum kort nadat ik met mijn studie geneeskunde was begonnen, al in de eerste maand.

De aanblik maakte diepe indruk op mij.

Daar werden, als in een museum, foetussen bewaard en geclassificeerd die het gevolg waren van spontane zwangerschapsafbrekingen in de vierde, vijfde, zesde en zelfs zevende maand.

Ik heb nog steeds al die kasten voor ogen, met grote potten vol formaline, groot genoeg om een foetus in te bewaren. De foetussen lagen naast elkaar en waren vrijwel volledig geconserveerd.

Voor mij was het schokkend.

Zo’n aanblik is meer dan genoeg om de kwetsbaarheid van het menselijk leven diep te beseffen.

Valtorta heeft volgens de auteur later uitgelegd wat de in haar geschriften genoemde ‘monsters’ zouden zijn. Dat onderwerp zal verderop in dit werk worden behandeld.

Laten we nu een microdeletie bekijken, eveneens in verband met chromosoom 13.

De trisomie van chromosoom 18

Nu bekijken we een geval van het syndroom van Edwards: trisomie van chromosoom 18. Kijk eens wat er gebeurt! Dit is een geval van anencefalie: een kind dat een deel van de hersenen mist.

Op wetenschappelijk niveau beschikken we vandaag niet over voldoende betrouwbare gegevens om hierover definitieve uitspraken te doen. Wat we hebben, zijn vaak onnauwkeurige schattingen die mogelijk te laag uitvallen. Bepaalde onderzoeken zijn nog niet uitgevoerd. Men zou alle miskramen moeten verzamelen, onderzoeken en classificeren. De meeste spontane abortussen worden immers niet eens als zodanig herkend. Wanneer een zwangerschap in de eerste week eindigt en er slechts sprake is van een kleine vertraging van de menstruatie — bijvoorbeeld van 28 naar 32 dagen — kan het volgens de auteur om een onopgemerkte spontane abortus gaan.

Hoe kunnen we in zulke gevallen over volledige wetenschappelijke gegevens beschikken als we het materiaal niet hebben? We zouden het genetische materiaal moeten kunnen onderzoeken van de enkele cellen die op natuurlijke wijze zijn afgestoten. Het aantal spontane abortussen wordt volgens de auteur sterk onderschat. Dat is volgens hem de werkelijkheid. We hebben er zelfs geen duidelijk beeld van hoe groot dat aantal is. Ook gynaecologen zijn zich volgens hem hiervan bewust.

Veel concepties slagen niet. In deze gevallen vindt de conceptie plaats en volgt kort daarna een abortus. Daarom worden er ook kinderen dood geboren. Hier maken we slechts een grove telling, maar laten we onthouden dat wanneer grotere chromosomen zijn aangetast, zij zich óf helemaal niet innestelen óf als miskraam worden afgestoten. En wanneer er zelfs maar een heel klein fragment ontbreekt — dus wanneer er sprake is van een zogenaamde ‘deletie’ — kan het individu daar ernstig door worden aangetast.

Hier zijn twee voorbeelden van deletie bij het syndroom van Edwards.

Deze kinderen zijn levend geboren, maar je kunt zien wat er gebeurt wanneer er één chromosoom extra aanwezig is in paar nummer 18. Als het kind wordt geboren, wordt het in deze toestand geboren. Ik zal geen opsomming geven van alle aandoeningen waaraan deze kinderen lijden.

Hierna volgt opnieuw een afbeelding van trisomie 18, oftewel het syndroom van Edwards. Hier zijn de ledematen van het kind aangetast. De afbeeldingen die hier zijn verzameld, spreken voor zich.

Samenvatting

De stelling die evolutionisten en neodarwinisten verdedigen, is volgens de auteur een door toeval en spontane chromosoomveranderingen veroorzaakte reductie van 48 naar 46 chromosomen.

Maar door de tabel te bestuderen, hebben we gezien wat er gebeurt wanneer er sprake is van een spontane chromosomale afwijking. Bij monosomie van chromosoom 23 — dat wil zeggen bij een syndroom waarbij één chromosoom ontbreekt — bedraagt het percentage overlevenden volgens de aangehaalde gegevens 8 op 100.000, wat overeenkomt met 0,08 per 1.000. Daarbij blijft bovendien buiten beschouwing dat er sprake kan zijn van een seksuele beperking die onvruchtbaarheid veroorzaakt.

De kans dat de hypothese van chromosoomreductie geldig zou zijn, acht de auteur daarom praktisch nihil. Er bestaan volgens hem geen andere typen volledige monosomie die met overleving verenigbaar zijn.

Afgezien van iedere mogelijke logische redenering over het feit dat een tekort aan chromosomaal materiaal in de paren 1–22 overleving onmogelijk maakt, blijft volgens deze visie het feit bestaan dat er op chromosomaal niveau genetische informatie verloren zou gaan en dat een dergelijk verlies individuen ernstig kan aantasten.

Ook het verlies van slechts een deel van een chromosoom, hoe klein ook — een zogenaamde ‘deletie’ — wordt in deze tekst niet als een verbetering beschouwd, maar als een verslechtering.

Daar komt vervolgens deze numerieke statistiek bij, eenvoudigweg een kwestie van tellen, die volgens de auteur de doorslag geeft.

Concluderend stelt de auteur dat men niet kan veronderstellen dat de mens van de aap afstamt. Niet alleen kan dit volgens hem niet worden aangetoond; hij meent zelfs dat deze overgang niet aannemelijk kan worden gemaakt wanneer men de aangehaalde genetische gegevens in beschouwing neemt.

De analyse van bekende chromosomale syndromen en het onderzoek naar syndromen die als cryptogenetisch worden aangeduid — waarvan er volgens de auteur nog veel onbekend zijn — vormen volgens deze visie het uitgangspunt om steeds beter te begrijpen waarom een overgang tussen mensapen en de mens genetisch-technisch onmogelijk zou zijn.

Het ontbreken van een chromosoom, oftewel monosomie, wordt in deze tekst voorgesteld als altijd onverenigbaar met het leven, met uitzondering van de bekende overlevingsgevallen van monosomie X.

Tot op heden bestaan er volgens de auteur geen wetenschappelijke verklaringen die dit aspect kunnen aantonen ter ondersteuning van de evolutietheorie, die een numerieke vermindering veronderstelt — niet van één, maar van twee chromosomen — om van het apenkaryotype van 48 chromosomen naar het menselijke karyotype van 46 chromosomen te komen.

Concluderend stelt de auteur dat chromosoomreductie in de natuur niet bestaat, omdat de natuur deze bij voorbaat zou afwijzen.

Wat betreft trisomieën — dus syndromen waarbij individuen één chromosoom extra hebben — hebben deze individuen volgens de tekst soms meer kans op overleving dan personen met monosomie, maar blijft hun levensverwachting beperkt en zijn hun kenmerken volgens de auteur altijd nadelig.

Praktisch alle trisomieën, of bijna alle, leiden volgens deze visie tot spontane abortussen. In de kolom met levendgeborenen hebben de zwaarste en grootste chromosomen als waarde 0. Bij chromosoom 1 is er volgens de aangehaalde tabel zelfs geen positieve waarde onder de geregistreerde abortussen of doodgeborenen. Bij een afwijking van chromosoom nummer 2 werden 159 abortussen gevonden en geen enkele overlevende.

Trisomieën waarbij grote chromosomen betrokken zijn, leiden volgens deze redenering altijd tot abortus en nooit tot overleving. Bij de chromosoomparen 1 tot en met 12 zijn de aantallen levendgeborenen inderdaad allemaal 0 in de aangehaalde tabel.

Er zijn slechts bij drie trisomische syndromen die kleinere chromosomen betreffen levendgeborenen, en de gevolgen worden door de auteur als zeer ernstig beschreven.

Vandaag kennen we de verwoestende gevolgen die de aanwezigheid van een trisomisch karyotype — 47 chromosomen — of een polysomisch karyotype — 48 chromosomen — volgens deze tekst bij mensen veroorzaakt. Degenen die overleven, zouden dat volgens de auteur bovendien gedurende een veel kortere periode doen dan een persoon met een normaal karyotype.

Toen ik jong was en geneeskunde studeerde, leerde men ons dat Moeder Natuur over eugenetische beschermingsmechanismen voor de soort beschikte.

In de wereld van huisdieren, die vaak genetisch worden gekruist om rassen met bepaalde eigenschappen te verkrijgen, wordt de incidentie van chromosomale syndromen volgens de tekst pas duidelijk wanneer er sprake is van blootstelling aan zeer hoge doses ioniserende straling, bijvoorbeeld bij dieren in het gebied rond Tsjernobyl.

Dit komt volgens de auteur doordat het bij deze kruisingen gaat om ‘rassen’ die allemaal tot dezelfde soort behoren — bijvoorbeeld de hond — waardoor kruising mogelijk is zonder noodzakelijkerwijs chromosomale afwijkingen te veroorzaken.

Wanneer het echter niet om verschillende rassen maar om verschillende soorten gaat, bestaat er volgens deze tekst een onoverbrugbare genetische barrière tussen de ene soort en de andere.

Volgens de conventionele biologische definitie wordt immers van een ‘soort’ gesproken om een groep individuen te definiëren die genetisch van andere groepen geïsoleerd is, onder meer doordat zij onder natuurlijke omstandigheden geen vruchtbare nakomelingen met andere soorten voortbrengen.

Volgens de auteur hebben we zo vastgesteld dat chromosoomreductie in de natuur onmogelijk is.

Ondanks wat theo-evolutionisten beweren — die, om God op de een of andere manier als Schepper in de evolutietheorie te laten passen, veronderstellen dat God in een vroeg stadium van de schepping een ‘input’ heeft gegeven zodat de natuur zich zonder verdere scheppende ingrepen zelfstandig kon ontwikkelen — lost hun theorie volgens de auteur de verhouding tussen geloof en wetenschap niet op.

Zij vervalt volgens hem namelijk in het evolutionisme en wordt om dezelfde redenen bij voorbaat verworpen. We zouden eerder kunnen zeggen dat deze theorie volgens hem zowel geloof als wetenschap tekortdoet. Het is een compromis dat zelfs de rede niet tevredenstelt.

De waarheid is volgens de auteur dat, als we een logische oplossing willen die zowel het geloof als de wetenschap respecteert, we chromosoomreductie moeten uitsluiten en de noodzaak moeten erkennen van directe ingrepen van God, evenveel als er soorten zijn, en om precies te zijn: twee directe scheppingsdaden voor de vorming van de stamouders van iedere afzonderlijke soort, het vrouwtje en het mannetje.

De enige oplossing is volgens deze visie daarom deze: om van de ene soort naar een andere over te gaan — en in het bijzonder van een apensoort naar de mens — was noodzakelijkerwijs de scheppende tussenkomst van God nodig.

Om af te sluiten denk ik dat we ons niet langer onderdanig moeten opstellen wanneer we zeggen dat ‘God iedere soort afzonderlijk heeft geschapen’ volgens een ‘philon’ van steeds grotere complexiteit.

We moeten ophouden te accepteren dat de laatste pseudo-wetenschapper op de leerstoel gaat zitten en van ons bewijzen verlangt, terwijl hij zelf geen enkel bewijs aandraagt.

Laten we elkaar als gelijken behandelen:

‘Jij zegt mij dat het evolutionisme gelijk heeft? Leg me dan technisch uit hoe het is gebeurd dat we van 48 chromosomen naar 46 zijn gegaan!’

Want uit wat we hebben gezien, blijkt volgens de auteur niet alleen dat het ontbreken van een chromosoom geen verbetering kan opleveren, maar evenmin de aanwezigheid van een extra chromosoom.

Alle individuen die aan een chromosomale afwijking lijden, zijn volgens de auteur aangetast.

TWEEDE DEEL

DE TAAL VAN DE CHROMOSOMEN

De Bijbel had gelijk!

Het vaststellen van het criterium om de onjuistheid van de evolutietheorie te verklaren, gaf mij een gevoel van grote vreugde en enorme vrede. Eindelijk kon ik met concrete gegevens aantonen dat de Bijbel gelijk had.

Het creationisme was volgens mij het enige logische criterium om het werk van God correct te begrijpen.

Ik heb het niet over dat fundamentalistische creationisme dat uit angst voor interpretatiefouten de Heilige Schrift letterlijk neemt. Op die manier zal men volgens mij nooit de diepere betekenis van het Woord van God kunnen leren kennen.

God openbaart Zich altijd verhuld, zodat Hij Zelf licht kan schenken aan wie Hij wil en wanneer Hij wil.

Het mysterie van het kwaad

Maar er waren andere punten die mij nog steeds behoorlijk veel zorgen baarden.

Waarom is de mens, als hij als laatste in de evolutionaire ontwikkeling is geschapen en vooral naar het beeld en de gelijkenis van God, zo zwak, kwetsbaar, verdorven en ongelukkig?

Ieder van ons heeft zich minstens één keer in zijn leven deze vragen gesteld: waarom zijn wij de enige levende wezens die in staat zijn om zeer ingrijpend en vaak zeer vernietigend met de natuur om te gaan, met doelen die vaak aan iedere logica lijken te ontsnappen?

En vooral: ieder van ons heeft zich afgevraagd: waarom bestaat het kwaad? En waarom laat God, als Hij goed is, toe dat de dingen eeuwenlang zo doorgaan zonder in te grijpen?

Wie van ons heeft zich nooit afgevraagd waarom wij de enige levende wezens zijn die in staat zijn onze soortgenoten systematisch te doden en zelfs massale uitroeiing te bedenken en uit te voeren?

Dit is het fundamentele thema van het mysterie dat nog steeds niet volledig is opgelost: het beroemde mysterium iniquitatis, het ‘mysterie van het kwaad’.

Dit mysterium iniquitatis en de vragen over het waarom van lijden, ziekte en dood — de centrale thema’s van ons menselijk bestaan — begeleiden al sinds mensenheugenis de ontwikkeling van verschillende filosofieën en religies, waarbij ieder op zijn eigen manier een antwoord probeert te geven.

Van de vele vragen die ik mezelf stelde, was er vooral één ding dat niet klopte: wat had de mens zo onvolmaakt gemaakt, als Genesis zegt dat hij in het begin ‘zeer goed’ was?

En waarom treffen chromosomale syndromen zoveel onschuldige kinderen die ernstig aangetast ter wereld komen?

Het is waar: we weten uit de Bijbel dat voorafgaand de erfzonde heeft plaatsgevonden die Gods werk heeft bedorven.

En we weten ook uit de teksten van het Oude en Nieuwe Testament dat door deze zonde lijden, ziekte en dood in de wereld zijn gekomen. Al in Genesis wordt gesproken over een vermeerdering van het vrouwelijk lijden, over een bevalling die gepaard gaat met pijn (Gen. 3:16) en over de dood als uiterste straf voor ongehoorzaamheid, naast het verbod voor Eva en haar nakomelingen om toegang te krijgen tot de symbolische Boom des Levens, de genealogisch zuivere levensboom van het nageslacht van Adam en de Vrouw, die ook de Boom van de Kinderen van God wordt genoemd, zoals we straks zullen zien.

Maar konden de trots en hoogmoed van de stamouders zo’n enorme invloed hebben op de psychische en lichamelijke natuur van de mens?

De vele antwoorden die ons op deze vragen worden gegeven, zijn vaak simplistisch en meer of minder in overeenstemming met onze nieuwsgierigheid of ons verlangen om te weten.

Soms zijn ze zo simplistisch, kinderlijk en ongeloofwaardig dat ze niet bevredigen. Soms zijn ze daarentegen zo ingewikkeld dat alleen deskundigen ze begrijpen.

Het lijkt erop dat hun intrinsieke waarde groter zou zijn naarmate ze moeilijker zijn. Maar het blijven altijd gedeeltelijke antwoorden die nooit zijn ingebed in een logisch geheel waarin geloof en rede met elkaar in harmonie worden gebracht.

Een afdoend antwoord: de Bijbelse Genesis

Ik was met dit soort gedachten bezig toen op een dag een boek in mijn handen terechtkwam dat volgens mij alle antwoorden op mijn vragen gaf.

Het boek heette Bijbelse Genesis, geschreven door een inmiddels overleden priester: don Guido Bortoluzzi.

Het ging om een openbaring die deze priester naar eigen zeggen van de Heer had ontvangen.

Als pragmatisch arts stond ik aanvankelijk wat wantrouwig tegenover een openbaring. We weten dat de Kerk leert dat de Openbaring met de laatste apostel is afgesloten.

Maar ik wist ook dat God nog steeds tot het hart van sommige mensen en tot heiligen spreekt. Daarom las ik het.

Uit nieuwsgierigheid!

Het boek behandelde de schepping van de mens en de erfzonde vanuit een nieuw perspectief, waar ik nooit eerder over had nagedacht.

Ook don Guido had zich zijn hele leven beziggehouden met deze fundamentele vragen van het menselijk bestaan: wie zijn wij, waar komen wij vandaan en waarom zijn wij zo ongelukkig?

De geschiedenis van de mens wordt altijd gekenmerkt door dezelfde vragen over zijn oorsprong.

Wij kennen het antwoord dat onze religie geeft. Ook veel andere religies en talrijke filosofische systemen proberen daarop antwoord te geven.

Maar onze rede neemt geen genoegen met antwoorden die niet volledig zijn.

Daarom kwam dit boek voor mij op het juiste moment.

Deze priester uit Belluno, die ongeveer twintig jaar geleden overleed, zou van de Heer een reeks openbaringen hebben ontvangen, vanaf de schepping van het universum tot aan die van de mens, die de meest duistere en omstreden punten van Genesis verduidelijken en voor ons, mensen van het derde millennium, de weg openen naar het begrijpen van de waarheid, de enige die ons vrij kan maken.

Zonder in detail te willen treden over de openbaringen die don Guido zou hebben ontvangen — waarvan ik het boek ten zeerste aanbeveel aan iedereen die hunkert naar authentieke kennis — herinner ik er kort aan dat de stelling die in deze geschriften wordt uiteengezet, is dat de stamvader van de menselijke soort, ‘Adam’, twee geslachten zou hebben voortgebracht:

  • een genetisch zuiver en wettig geslacht met de Vrouw die God naast hem had geplaatst als metgezellin;
  • een tweede, volgens de auteur onwettig geslacht, voortgekomen uit de paring met een vrouwelijke mensaap, van een lagere soort maar genetisch compatibel, bijgenaamd ‘slang’.

Zoals in Gen. 3:15 wordt gelezen:

‘Ik zal vijandschap stellen tussen jou, slang (de bijnaam die werd gegeven aan het vrouwtje van de lagere soort, ook Eva genoemd: Eva betekent in oude Semitische talen slang), en de Vrouw (de wettige echtgenote van Adam), tussen jouw nageslacht en haar nageslacht.’

Met deze openbaring legt don Guido volgens de auteur op eenvoudige en duidelijke wijze uit waarin deze raadselachtige erfzonde heeft bestaan: de zonde zou de kruising zijn geweest tussen twee genetisch zuivere soorten, die van de ‘Kinderen van God’ en die van de prehumane soort, die samensmolten en een hybride menselijke soort voortbrachten, de ‘kinderen van de mensen’.

Uit deze kruising, oftewel de ‘hybridisatie’ van de zuivere soort van de Kinderen van God, en uit de daaropvolgende ontwikkeling van twee afzonderlijke en verschillende genealogische bomen — de eerste, de zuivere boom van de ‘Kinderen van God’, afstammend van de Vrouw, en de tweede, de hybride boom van de ‘kinderen van de mensen’, afstammend van Eva — maar beide met Adam als stamvader, die ook later meerdere malen onderling kruisten, zou de gehele menselijke soort zoals wij die kennen zijn voortgekomen.

Volgens deze visie zou de mens zowel lichamelijk als psychisch zijn aangetast en lijden aan een groot aantal aandoeningen die veroorzaakt worden door de onevenwichtigheden die daardoor in het genoom zouden zijn geïntroduceerd.

Het was volgens de auteur het eerste catastrofale experiment met genetische manipulatie in de geschiedenis van de mens, waarvan de sporen nog altijd voor iedereen zichtbaar zijn, als men ze maar wil zien.

Hybridisatie zou daarom het mysterieuze ‘erfzonde’ zijn, waarvan de gevolgen via ‘biologische’ mechanismen worden doorgegeven — zoals volgens de tekst zou zijn bevestigd in een reeks catecheses van Benedictus XVI op 3, 8 en vooral 10 december 2008 — en waarvan alle mensen al miljoenen jaren de last dragen, hoewel zij er niet verantwoordelijk voor zijn.

Eindelijk zou daarmee de co-existentie van de erfzonde en de verkeerd gebruikte vrije wil worden verklaard.

Daaruit volgt volgens deze visie dat het karyotype van de huidige mens kwalitatief verschilt van dat van de oorspronkelijke mens wat betreft de specificiteit van de genen, omdat het huidige karyotype het resultaat zou zijn van hybridisatie.

Het ontbreken van deze verklaring zou, naast het controversieel maken van het Genesisverhaal over de oorsprong en de val van de mens, veel mensen van God de Vader hebben verwijderd. Zonder een logische verklaring zou Zijn beeld ernstig zijn aangetast en beroofd van Zijn onvervreemdbare eigenschappen van goedheid en rechtvaardigheid.

De God van Genesis leek zonder de openbaring van don Guido meer op een onbekwame, autoritaire vader dan op een liefdevolle Vader.

De ‘middelijke’ schepping

Bij het lezen van het werk van don Guido begrijpen we dat hij zijn theorie nooit zelfstandig zou hebben kunnen formuleren.

Voorafgaand aan de openbaring kende hij namelijk momenten van grote ontmoediging. Hoewel hij alle wetenschappelijke en theologische informatiebronnen had gelezen, was hij in een doodlopende straat terechtgekomen.

Toen zijn berusting totaal was geworden, zou de Heer hebben ingegrepen om hem het mysterie van de schepping en de val van de mens te onthullen, overeenkomstig wat Hij hem al in zijn jeugd had beloofd: dat Hij op het juiste moment zelf zou ingrijpen om hem ‘licht te geven over de duistere punten van Genesis’.

Met de openbaring liet de Heer hem volgens de tekst de feiten zien en nodigde Hij hem uit daaruit de regel af te leiden die geldig zou zijn voor de schepping, niet alleen van de Mens en de Vrouw, maar van iedere soort.

Via don Guido komen we volgens deze visie te weten dat er tussen de ancestri — een uitgestorven soort mensapen, perfect volgens hun soort en met een karyotype van 48 chromosomen — en het eerste exemplaar van de menselijke soort, Adam, door de Heer genetisch perfect geschapen ‘in de toestand van een zygote’ en met een diploïd karyotype van 46 chromosomen, een vrouwelijke brug bestond die de bijnaam Eva kreeg.

Zij zou een karyotype van 47 chromosomen hebben gehad en daardoor interfertiel zijn geweest. Zij zou door God op deze wijze gewild en geschapen zijn met als doel haar baarmoeder ter beschikking te stellen van Gods scheppende wil, om de zwangerschap van de eerste twee Kinderen van God zonder gevaar van afstoting te dragen, hen borstvoeding te geven en voor hen te zorgen tijdens hun groei.

Adam, het eerste exemplaar van de menselijke soort, werd volgens de auteur volmaakt geboren volgens Gods plan.

Geen enkel gen zou bij de conceptie en tijdens de zwangerschap vanuit de bestaande soort van de ancestri via de vrouwelijke brug zijn overgedragen, omdat Adam een volledig ‘nieuwe schepping’ was.

Alleen voeding zou zijn overgedragen.

Als eerste levende wezen van de Boom des Levens, oftewel behorend tot de genealogische boom van de Kinderen van God, had Adam, de dominus, de heer van deze wereld, als echtgenote de Vrouw, de domina, die eveneens tot de Boom des Levens behoorde en op soortgelijke wijze door God was geschapen.

Hun nageslacht zou vrij van ziekten zijn geweest omdat het genetisch volmaakt was. Het zou daarom geen enkele genetische afwijking hebben gehad en begiftigd zijn geweest met Gods Geest.

Maar Adam wilde volgens de tekst God ongehoorzaam zijn om een volledig eigen nageslacht te krijgen dat niet onder Gods gezag stond.

Hij wilde zelf schepper van het leven worden, buiten Gods plan om, en paarde met Eva, de vrouwelijke ancestre die de Heer hem had verboden en die door de Bijbel ‘slang’ werd genoemd.

Het onverwachte gebeurde: de geboorte van Kaïn, een ‘mens’ met ancestrale uiterlijke kenmerken, met een karyotype dat volgens de auteur was veranderd overeenkomstig de genetische wetten die Mendel beschreef bij kruisingen tussen genetisch verschillende, hoewel compatibele individuen.

Wij zijn volgens deze visie nu allemaal afstammelingen van Kaïn.

Zo werd Eva, door de geboorte van Kaïn, de stammoeder van de hybride soort.

Daarom noemt Genesis haar ‘de moeder van alle levenden’, waarmee volgens de auteur wij, de mensheid, worden bedoeld.

De manieren waarop de Heer ingrijpt bij de schepping van iedere soort worden volgens de tekst uitvoerig beschreven in het boek van don Guido Bortoluzzi, Bijbelse Genesis.

Genetische gevolgen van de erfzonde

Laten we nu bekijken wat er volgens deze visie gebeurt wanneer twee verschillende soorten met elkaar kruisen.

Mendel had al zijn drie genetische wetten geformuleerd op basis van zijn waarnemingen. We hebben in de voorgaande hoofdstukken gezien hoe de versmelting van twee gameten — één afkomstig van de vader en één van de moeder, beide met 23 chromosomen bij de mens — een nieuwe cel vormt die daardoor het volledige genetische materiaal met 46 chromosomen terugkrijgt. Daaruit ontstaat een nieuw individu met kenmerken die afkomstig zijn van zowel de vader als de moeder.

Bij het begaan van de erfzonde zou Adam, die tot de ‘volmaakte’ menselijke soort behoorde, zich volgens deze visie hebben verenigd met een prehumane vrouw.

Groeipathologie

Laten we nu een ander fundamenteel aspect analyseren om de verwoesting te begrijpen die hybridisatie volgens deze visie in het menselijke genoom heeft veroorzaakt. Hoewel dit niet expliciet in de Bijbel wordt genoemd, zou het tamelijk coherent worden beschreven in andere particuliere openbaringen.

Een van de vele verhelderende passages, waarvan ik de lezing volledigheidshalve aanbeveel, is te vinden in de Quaderni 1945–1950 van Maria Valtorta, in de tekst van 30 december 1946.

Uit een zorgvuldige analyse van deze tekst zou blijken dat de oorspronkelijke hybridisatie, mogelijk gemaakt door genetische compatibiliteit tussen twee oorspronkelijke, onderscheiden en genetisch zuivere soorten, een derde soort heeft voortgebracht: een soort hybriden die het resultaat was van de kruising tussen de eerste twee en die volgens deze visie door de mensen tot extreme vormen van degeneratie werd gedreven.

Deze kruisingen tussen de Zonen van God en de hybride, lichamelijk en psychisch aangetaste takken waren volgens deze interpretatie vaak het gevolg van regelrecht seksueel geweld. Niet alleen zouden de Zonen van God de dochters van de hybride mensen hebben genomen om bij hen sterkere en intelligentere slaven voort te brengen (Gn. 6:1), maar ook onder de wilden zou de gewoonte zijn ontstaan om de Dochters van God met geweld te nemen en te ontvoeren.

Vandaar volgens deze uitleg de noodzaak om gewapende wachters, de cherubijnen, te plaatsen ter bescherming van de Boom des Levens, dat wil zeggen de Zonen en Dochters van God.

Vanuit seksueel oogpunt zouden deze gedragingen tegenwoordig worden aangeduid met de term ‘bestialiteit’, terwijl zij vanuit voortplantingsoogpunt in de oudheid zouden hebben geleid tot wat in de betreffende teksten als ‘monsters’ wordt beschreven.

In de loop van miljoenen jaren zou de zuivere menselijke soort uiteindelijk zijn uitgestorven als gevolg van de toenemende promiscuïteit en zijn opgenomen in de hybride soort. Noach zou de laatste zuivere Zoon van God zijn geweest.

Hybridisatie zou hebben geleid tot een onbeperkt aantal varianten, zowel wat betreft uiterlijk en gestalte — waaronder dwerggroei en reuzengroei — als wat betreft chromosomale afwijkingen. Uit deze toestand van voortdurende en onbewuste genetische manipulatie zouden volgens deze visie de chromosomale syndromen en chromosomale pathologieën zijn voortgekomen, als overblijfselen van een angstaanjagende geschiedenis waaraan God de Vader met de Zondvloed een einde maakte (Gn. 6:5), waarbij de ongeneeslijke individuen zouden zijn geëlimineerd.

Taalpathologieën

De openbaring van don Guido vertelt ons bovendien wat volgens deze visie het belangrijkste kenmerk van de hybriden was: het kenmerk dat Kaïn — die weliswaar hybride was, maar een mens — een onderscheidend teken gaf: ‘het woord’.

Vanaf het moment dat na de moord op Abel de jacht van Adam op de voorouders begon, de mensapen waaraan Kaïn qua uiterlijk deed denken, zou het onderscheidende teken ‘het woord’ zijn geweest. Wanneer Adam voor hen stond, kon hij volgens deze voorstelling degene die niet sprak doden, omdat die een dier was.

Natuurlijk geldt dit criterium niet voor ons, want tegenwoordig zijn wij, hoewel volgens deze visie allemaal hybriden, ook allemaal mensen, zoals Kaïn dat was.

Toen de Zonen van God van de aarde waren verdwenen, omdat zij in de daaropvolgende generaties genetisch waren besmet door de zonen van de mensen, zouden door de Zondvloed de hybride takken zijn uitgestorven die genetisch het meest instabiel en gecorrumpeerd waren.

Volgens het Bijbelse verhaal en de talrijke overeenkomsten met latere particuliere openbaringen zou de Zondvloed er juist toe hebben gediend de soort opnieuw te laten beginnen met Noach en zijn nakomelingen. Ook zij zouden hybriden zijn geweest, omdat de vrouw van Noach hybride zou zijn geweest, maar met een aanzienlijk lagere graad van ‘vervuiling’ dan aanvankelijk.

Vanaf dat moment zou een langzaam herstel zijn begonnen, waarbij een degeneratie werd gestopt die ertoe had geleid dat mensen inmiddels dieren waren geworden die niet van mensapen te onderscheiden waren, behalve door dat ene teken: ‘het Woord’, oftewel het vermogen ideeën en begrippen te ontwikkelen en deze uit te drukken in gesproken en later geschreven taal.

God zou bij Kaïn, de eerste hybride en onwettige zoon van Adam en de voorouder Eva, de taalcentra hebben behouden, zodat hij en zijn nakomelingen als mensen konden worden herkend, aangezien er geen ander kenmerk was dat hen ondubbelzinnig van mensapen onderscheidde.

De werking van het gebied van Broca zou echter evenmin ongeschonden zijn gebleven door de gevolgen van hybridisatie. Kaïns spraak was volgens deze voorstelling niet helder en duidelijk. Kaïn zou hebben ‘gestameld’ en pas zeer laat zijn begonnen te spreken.

Waarschijnlijk houdt volgens deze interpretatie de verwarring van de talen die in de Bijbel wordt beschreven als straf voor de bouw van de Toren van Babel verband met een gebrekkige werking van de taalcentra, evenals andere aandoeningen zoals dyslexie of stotteren.

De onmogelijkheid om een taal constant te behouden blijkt overigens uit de veranderingen die talen langzaam maar voortdurend ondergaan, onafhankelijk van de invloed van andere taalgebieden, zelfs in landen die geen veroveringen of invasies hebben meegemaakt.

Denk bijvoorbeeld aan de verandering die het Portugees in Brazilië heeft ondergaan ten opzichte van het Portugees van Portugal, aan de manier waarop het Engels sinds de tijd van Shakespeare is veranderd, of eenvoudigweg aan de dialectverschillen — vaak alleen in de uitspraak — die in Italië worden aangetroffen in steden of dorpen die soms slechts enkele kilometers van elkaar verwijderd zijn.

Oogheelkundige pathologieën

Een voorbeeld van een oogheelkundige aandoening die verband houdt met genetische factoren is bijziendheid.

Het kan voorkomen dat het ene oog een bepaalde mate van bijziendheid heeft en het andere een gezichtsvermogen van 10/10. Bijziendheid wordt veroorzaakt doordat tijdens de groei de oogbol te lang wordt ten opzichte van de structuren die voor het scherpstellen zorgen en die niet in dezelfde verhouding meegroeien.

Daardoor valt het scherpstelpunt niet meer op het netvlies, maar vóór het netvlies. Dit kan ook slechts in één oog gebeuren.

De werkelijke oorzaak van deze aandoening zou volgens de hier uiteengezette theorie zijn dat bij het bijziende oog een deel genetisch verbonden is met een structuur die bedoeld was voor een individu van meer dan twee meter lang, zoals de Zonen van God zouden zijn geweest, terwijl het andere deel van hetzelfde oog verbonden zou zijn met een structuur die bedoeld was voor een individu van ongeveer 1,10 meter, zoals de voorouders zouden hebben gemeten.

Kennelijk wordt deze aandoening volgens deze redenering veroorzaakt doordat genen die bepaalde structuren programmeren voor een lichaam van een bepaalde omvang, en genen die andere structuren programmeren voor een lichaam met veel kleinere afmetingen, op uiteenlopende en tegenstrijdige wijze samenwerken.

Zo zou het oog in de diepte langer worden alsof het het oog van een groot persoon is, terwijl het hoornvlies en het netvlies geprogrammeerd blijven voor het oog van een wezen met een veel kleinere lichaamslengte.

Bijziendheid manifesteert zich doorgaans tijdens de puberteit omdat zij verband houdt met de groei. Wanneer de groei rond het twintigste levensjaar eindigt, stabiliseert de bijziendheid.

Wij zien deze dingen iedere dag, maar staan er eenvoudigweg niet bij stil. Wanneer we echter uitgaan van kennis over factoren die het individu op het niveau van vele organen en lichaamsgebieden aantasten, begint iemand die deskundig is — een arts, bioloog, onderzoeker enzovoort — het dagelijks leven vanuit een ander perspectief te bekijken. En hij begint verbanden te leggen die hij vroeger nooit zou hebben gelegd.

Toen ik zelf opgroeide, nam mijn bijziendheid inderdaad steeds toe. Toen ik eenmaal was uitgegroeid, stabiliseerde deze zich en sindsdien gebruik ik dezelfde bril als toen ik twintig was. En nu ben ik 52.

Als de bijziendheid het gevolg was geweest van inspanning van het oog, zoals mijn oogarts destijds zei, zou zij zijn blijven toenemen, omdat ik ook na mijn twintigste ben blijven studeren. Sterker nog: sinds ik ben gaan werken, heb ik mijn ogen veel meer gebruikt dan toen ik studeerde.

Neoplastische pathologieën

We kennen een lange reeks erfelijke neoplastische ziekten die, wanneer zij niet rechtstreeks verband houden met de werking van virussen, bacteriën, schimmels, andere parasieten, straling of het gewone verouderingsproces van levende wezens, een genetische oorsprong kunnen hebben.

Tumoren

Ik wil niet ingaan op het zeer omvangrijke terrein van tumoren met genetische oorzaken.

Ik heb een broer gehad die op achtjarige leeftijd aan een tumor is overleden. Mijn broer had op zes maanden al retinoblastoom. Retinoblastoom wordt tegenwoordig erkend als een ernstige genetisch bepaalde vorm van kanker.

Toen hij drie maanden oud was, werd een van zijn ogen verwijderd. Zes jaar later werd vastgesteld dat de ziekte ook in het andere oog was teruggekeerd en hij overleed.

Tot op de dag van vandaag begrijpt mijn moeder dit niet. Er is geen familie binnen onze familie die niet een dergelijk geval heeft.

Orthopedische pathologieën

De zichtbare afwijkingen zijn die welke we ter hoogte van de huid, de ledematen en het gezicht vaststellen.

Als we ons op bepaalde details richten, bijvoorbeeld op de ledematen, zien we dat deze vaak het zwaarst getroffen zijn.

Vanwege het werk dat ik doe, kijk ik eerst naar de mond, vervolgens naar de handen en vooral naar de voeten.

Zonder meteen te spreken over misvormingen die verband houden met zeer ernstige afwijkingen: als we proberen naar de voeten van mensen te kijken, is het moeilijk om twee voeten te vinden die volkomen symmetrisch en identiek zijn.

Volgens mij moeten deze minder ernstige afwijkingen worden gerelateerd aan coderingen die aanwezig zijn op kleinere en minder belangrijke chromosomen, die de vorm, afmetingen en het volume van de handen en vooral de voeten bepalen.

Omdat deze afwijkingen minder kritiek zijn, zouden zij volgens deze redenering afhankelijk zijn van de kleinere chromosomen.

Als er echter iets niet klopt, vallen deze afwijkingen onmiddellijk op, bijvoorbeeld wanneer de ene voet langer is dan de andere, zonder dat er sprake is van de misvormingen die verband houden met veel ernstigere chromosomale afwijkingen, zoals trisomieën.

Auto-immuunpathologieën

Ons immuunsysteem is de structuur die ons beschermt tegen virussen, bacteriën en schimmels. Het is de politieagent van het organisme die ingrijpt om ons te beschermen.

De kennis over auto-immuunziekten heeft zich vanaf de jaren zeventig en tachtig enorm ontwikkeld. Zij is relatief recent, omdat men er daarvoor vrijwel niets over wist.

Ook hier spreken we van syndromen wanneer tegelijkertijd veel organen, lichaamsgebieden en orgaansystemen betrokken zijn, en van pathologieën wanneer slechts één orgaan betrokken is.

Wanneer we spreken over auto-immuunpathologieën, zien we dat ‘markers’ van deze ziekten — dat wil zeggen de resultaten van tests waarmee deze auto-immuunziekten worden gediagnosticeerd — ons vaak vertellen dat een bepaalde patiënt antistoffen tegen zijn eigen structuren heeft.

Deze patiënten ontwikkelen dus antistoffen tegen zichzelf.

Dit is een bewijs dat om een bepaalde reden, die zich op een later moment na de geboorte voordoet, bij deze patiënt een tamelijk kwetsbaar evenwicht wordt verstoord.

Op een bepaald moment in het leven herkent het immuunsysteem van die patiënt bepaalde bestanddelen van zijn eigen lichaam, die hij vanaf zijn geboorte met zich meedraagt, niet langer als behorend tot zichzelf.

Bijvoorbeeld lupus is een zeer ernstige auto-immuunziekte die wordt gekenmerkt door een marker die bij bloedonderzoek de aanwezigheid van antistoffen tegen het eigen DNA aantoont.

Het zou interessant zijn om het onderwerp ‘lupus’ verder uit te diepen, maar dit is daarvoor niet de juiste plaats.

Lupus kan ernstige en levensbedreigende complicaties veroorzaken. Wanneer de ziekte rond het achtste of tiende levensjaar ontstaat, kunnen de gevolgen bijzonder ernstig zijn. Vroeger was de prognose veel slechter dan tegenwoordig.

Ik heb een medewerker van 27 jaar die aan lupus lijdt. Toen hij mij deze zomer zijn laboratoriumuitslagen liet lezen, zag ik dat het een regelrecht oorlogsbulletin was. Zelfs iemand van 90 jaar heeft niet zulke bloedchemische testresultaten.

De waarden zijn volledig ontregeld op respiratoir, renaal en cardiaal niveau. De afwijkingen beginnen op skeletniveau al rond het twintigste levensjaar zichtbaar te worden.

Lupus valt dus binnen deze categorie van ernstige auto-immuunziekten.

Een ander voorbeeld van een auto-immuunpathologie

Een ander voorbeeld van een auto-immuunpathologie is parodontitis.

Omdat ik mij met de mond bezighoud, zie ik elke dag mensen die bijvoorbeeld op hun twintigste hun tanden verliezen. Het zijn vooral vrouwen, maar het gebeurt ook bij mannen.

Deze ziekte, die parodontitis wordt genoemd en in de volksmond ook wel piorroe, ontwikkelt zich normaal gesproken bij patiënten van 50–60 jaar en houdt vaak verband met een infectie. Bij sommige patiënten ontwikkelt zij zich echter al op jonge leeftijd in een agressieve vorm en kunnen zij hun tanden verliezen.

Dit zou volgens de hier beschreven redenering komen doordat, wanneer er genen zijn die iemand voor deze ziekte predisponeren, de immuunreactie die ons tegen deze infectie zou moeten beschermen zich tegen bestanddelen van het organisme zelf richt.

Het immuunsysteem vernietigt dus, in plaats van de bacteriën, de anatomische structuren rond de tanden.

Het feit dat het erfelijke immuunsysteem van de mens als enige onder de immuunsystemen van levende wezens in staat zou zijn het eigen organisme aan te vallen, is volgens de auteur een duidelijke aanwijzing voor hybridisatie.

Als bij de mens, die volgens deze theorie hybride is en daardoor de genen van twee soorten in zich draagt, de genen van het ‘nummer één’-wezen overheersen, zouden de genen van het ‘nummer twee’-wezen als vreemd kunnen worden waargenomen, of omgekeerd, en vervolgens worden aangevallen.

Als we nog een aanwijzing willen dat deze pathologie een gevolg van hybridisatie is — en dit is volgens de auteur werkelijk een bewijs! — dan is het dat dieren geen chromosomale syndromen en geen auto-immuunziekten zouden hebben.

Zij hebben bepaalde aandoeningen die kunnen lijken op die waaraan wij mensen lijden, maar volgens de auteur alleen wanneer er genetische selectie van het ras heeft plaatsgevonden.

Honden bijvoorbeeld, of paarden die onderling worden gekruist en geselecteerd op bepaalde kenmerken voor een bepaald doel — zoals renpaarden of honden voor de jacht of het gevecht — krijgen aandoeningen die lijken op die waaraan de mens routinematig lijdt.

Maar het zouden geen auto-immuunziekten zijn.

Denk bijvoorbeeld aan heupproblemen, knieproblemen of andere problemen in andere lichaamsgebieden. Voor dieren zouden dergelijke problemen uitzonderingen zijn; voor de mens zijn ze volgens de auteur normaal.

Reumatoïde artritis is een minder invasieve maar nog steeds invaliderende auto-immuunziekte.

Kijk naar deze foto’s. Je ziet hoe deze aandoening soms, zelfs op jonge leeftijd, de mond of de handen kan vervormen.

Zoals er mannen en vrouwen zijn die op hun twintigste al hun tanden verliezen, zijn er ook mensen die perfecte handen hadden en die binnen tien jaar handen krijgen die volledig door reumatoïde artritis zijn aangetast.

Er zijn mannen en vrouwen die op 25- of 30-jarige leeftijd chromosomale afwijkingen ontwikkelen die zij anders misschien pas op 80- of 90-jarige leeftijd zouden hebben ontwikkeld.

Soms zien we al bij 15-jarige jonge vrouwen handen die ernstig door reumatoïde artritis zijn aangetast.

Het is alsof de skeletvervorming die een normaal individu soms op 80- of 90-jarige leeftijd ontwikkelt, in een veel kortere periode — binnen tien of vijftien jaar — wordt versneld.

In andere gevallen worden de weefsels aangevallen door andere vormen van ziekten die onder één algemene naam worden ingedeeld: bindweefselsyndromen.

Ook deze ziekten ontwikkelen in sterk verkorte en vervroegde tijd wat het individu mogelijk pas op 80- of 90-jarige leeftijd zou ontwikkelen.

Daartoe behoren gevallen van sclerodermie. In dit geval valt het immuunsysteem onder meer huid en bindweefsel aan. Hier zijn enkele afbeeldingen.

Dit zijn volgens de auteur geen chromosomale syndromen omdat ze zich in de loop van de tijd ontwikkelen, maar eerder chromosomale pathologieën.

Kennelijk is de oorsprong volgens deze redenering dezelfde: de genetische oorsprong.

Deze patiënten zijn niet zo geboren, terwijl de kinderen die we eerder zagen met chromosomale syndromen al bij de geboorte zo waren.

Deze patiënten hebben deze pathologieën daarentegen in de loop van hun leven ontwikkeld, in meer of minder korte tijd.

Ik blijf de nadruk leggen op de handen omdat we de handen altijd kunnen observeren.

Dit soort misvorming of anatomische afwijking, wanneer zij zich snel ontwikkelt en niet verband houdt met een hoge leeftijd, zou volgens deze visie op auto-immuunbasis ontstaan.

Dit auto-immuunsysteem vernietigt het kraakbeen. In plaats van bacteriën aan te vallen, valt het kraakbeen aan; of in plaats van virussen te vernietigen, vernietigt het bot.

Hier zien we nog andere voorbeelden van sclerodermie.

Het feit dat het immuunsysteem de ledematen, organen of onderdelen van de anatomische structuren van het eigen lichaam kan aanvallen, is volgens de auteur een duidelijk bewijs van hybridisatie.

Er bestaan vervolgens pathologische situaties van bloedgroep- of bloedantigeen-incompatibiliteit tussen moeder en foetus, zoals de aanwezigheid van het Rh-antigeen op de membranen van de rode bloedcellen van het kind, die bij een Rh-negatieve moeder soms kan leiden tot de ontwikkeling van anti-Rh-antistoffen.

Deze antistoffen kunnen tijdens een volgende zwangerschap met een Rh-positieve foetus zeer ernstige hemolytische complicaties veroorzaken.

Hierbij slechts een kleine terzijde: als God volgens het christelijke geloof op het moment van de conceptie het spirituele deel van het nieuwe individu opnieuw schept, terwijl het materiële deel in de gameten aanwezig is, kan de erfzonde volgens de auteur alleen in de chromosomen aanwezig zijn.

De uitdrukking ‘Onbevlekte Ontvangenis’ betekent dan ‘ontvangen zonder erfzonde’. Dat zou volgens deze redenering betekenen dat haar karyotype niet hetzelfde is als het onze, maar het oorspronkelijke karyotype, identiek aan dat van Adam en de zuivere Zonen van God.

Tot zover hebben we verschillende aspecten van auto-immuunziekten gezien.

Auto-immuunziekten vallen het eigen organisme aan omdat zij bestanddelen als vreemd herkennen die door het genoom juist op die manier zijn gecodeerd.

De duidelijkste demonstratie van hybridisatie zou volgens de auteur dan ook juist worden geleverd door immunologisch onderzoek naar deze ziekten of naar andere ziekten die, hoewel zij niet volledig op auto-immuunbasis ontstaan, toch sterk verbonden zijn met een genetische aanleg.

Als deze aanleg ontbreekt, zal de patiënt die ziekte volgens deze redenering nooit krijgen.

Pathologieën van het stomatognatische apparaat

Ik ben kaakchirurg. Ik houd mij bezig met tanden, kaakbogen, de beoordeling van gebitssituaties en gebitselementen. Dat is mijn dagelijkse werk.

Om het onderwerp van de chromosomale syndromen en chromosomale pathologieën af te ronden, is het belangrijk te herinneren aan een van de punten die deze pathologieën volgens de auteur gemeen hebben: pathologische dento-maxillaire afwijkingen, een ander hoofdstuk van de pathologie dat in de dierenwereld vrijwel geheel zou ontbreken.

Laten we deze pathologieën daarom analyseren, te beginnen met de dimensionale afwijkingen van de benige kaakbasis en van de dento-maxillaire verhoudingen. Deze komen zo vaak voor en vertonen zo’n grote variabiliteit dat een corrigerende orthodontische of zelfs orthopedische behandeling bijna altijd noodzakelijk is om een juiste verhouding tussen de twee kaakbogen te verkrijgen.

In de tandheelkunde bestaan talrijke vormen van cefalometrische analyse — een onderzoek dat wordt gebruikt om de juistheid van de verhoudingen tussen de boven- en onderkaak te beoordelen.

Cefalometrie bestaat uit een reeks metingen op een laterale röntgenfoto van de schedel, dus van opzij, die theoretisch de grenzen van het normale zouden moeten bepalen.

Dit onderzoek wordt beschouwd als onmisbaar voor het uitvoeren van orthodontische behandelingen.

Laten we naar basisscholen en vooral middelbare scholen gaan en we zullen zien dat een groot aantal kinderen een orthodontisch apparaat draagt.

In sommige landen, zoals Brazilië, waar het streven naar een ideale esthetiek in alle bevolkingslagen sterk leeft, bereikt het gebruik van orthodontische apparatuur ook onder volwassenen zeer hoge percentages.

Daaruit wordt volgens de auteur afgeleid dat:

  1. er geen constante verhouding tussen de boven- en onderkaak bestaat binnen de menselijke soort;
  2. de ‘eerste klasse’-verhouding tussen de twee tandbogen, waarbij de boven- en onderkaak harmonieus op elkaar aansluiten, zowel wat betreft de tanden als de benige basis, eerder een zeldzaam archetype is dan een werkelijkheid, waarbij de pathologische situatie eerder regel dan uitzondering vormt;
  3. behandelaars zich laten leiden door deze verhouding tussen de kaken, die eerder als ‘ideaal’ dan als ‘normaal’ kan worden omschreven, om een schoonheidsideaal te bereiken dat ook door niet-deskundigen als zodanig wordt herkend.

Deze discrepanties zouden in de dierenwereld ontbreken, waar numerieke, vorm- en maatafwijkingen, zelfs van één enkel gebitselement, volgens de auteur uiterst zeldzaam zijn.

Van alle levende wezens zou alleen de mens een orthodontisch apparaat nodig hebben, omdat de disharmonie tussen de afmetingen en het aantal tanden enerzijds en het volume en de vorm van de benige kaakbasis anderzijds zo groot kan zijn dat zij in sommige gevallen zelfs het uiterlijk van iemands gezicht ontsiert.

Bij het bekijken van zeer ernstige gevallen van een tweede klasse — een kleine en naar achteren geplaatste onderkaak ten opzichte van de bovenkaak — of van een derde klasse — een naar voren uitstekende onderkaak met een naar achteren geplaatste of onderontwikkelde bovenkaak — krijgt men soms de indruk dat de onderkaak niet bij de patiënt hoort en per vergissing, of erger nog als een wrede grap van de natuur, in dat gezicht is geplaatst.

Speciale en uiterst invasieve chirurgische ingrepen, zoals Le Fort-operaties of mandibulaire resecties volgens Obwegeser-Dal Pont, zijn in de loop der jaren ontwikkeld om ernstig invaliderende kaakafwijkingen, zowel esthetisch als functioneel, te corrigeren.

Omdat ik bovendien meer dan 25 jaar als tandarts en kaakchirurg heb gewerkt en de anatomische situaties van de mond volgens het traditionele criterium heb beoordeeld, ben ik, nadat ik de openbaring van don Guido had gelezen, met een nieuwe blik gaan kijken naar al die afwijkingen in positie, vorm en soms aantal van de verstandskiezen die dagelijks onderwerp van mijn werk zijn.

De disproporties in afmetingen zouden volgens dezelfde redenen die al bij bijziendheid op oogheelkundig gebied zijn besproken, alleen het gevolg van hybridisatie kunnen zijn.

De dysodontie van de achtste tand, oftewel het verwijderen van de verstandskies, waarvan de incidentie volgens deze tekst meer dan 90% bedraagt, is een pathologie waaraan we volgens de auteur allemaal lijden. In sommige scholen, zoals de Noord-Amerikaanse, worden de vier verstandskiezen zelfs routinematig verwijderd voordat zich enige vorm van symptomen voordoet.

Als een zeer duidelijke aanwijzing voor hybridisatie wordt de ‘dysodontie van de achtste tand’ aangevoerd.

Een pathologische situatie die vanwege haar zeer hoge frequentie als normaal kan worden beschouwd, zou volgens deze redenering in werkelijkheid laten zien dat de afmetingen van de benige kaakbasis oorspronkelijk groter waren en afgestemd op de aanwezigheid van 32 tanden, en niet geschikt zijn voor 28 tanden, zoals uit de huidige waarneming duidelijk zou blijken.

Een gebit van 32 tanden zou passen bij kaken met grotere afmetingen en volumes, terwijl er in de kaken die wij tegenwoordig kennen in de overgrote meerderheid van de gevallen geen ruimte is voor de beroemde verstandskies.

Gevallen van disproportie tussen de afmetingen van de tandbogen en de gebitselementen

Kijk naar deze tandbogen! Er is gewoon geen ruimte. Er is fysiek geen ruimte.

Hier zouden de genen die de tanden coderen tanden moeten programmeren voor een individu van twee meter lang, terwijl de genen die de botten coderen de anatomie programmeren van individuen van iets meer dan een meter lang.

Deze redenering klopt volgens de auteur volledig.

Vervolgens kijken we naar dieren waarop de mens nooit genetisch heeft ingegrepen en zien we dat zij nooit een orthodontisch apparaat nodig hebben.

Ze hebben volgens deze voorstelling allemaal een perfecte verhouding tussen tanden en kaken. De tanden staan netjes op een rij en in de juiste positie.

We zien deze dingen iedere dag. Ze zijn niet zo gruwelijk als de eerste voorbeelden, maar wat vertellen deze beelden ons?

Volgens de auteur vertellen ze ons duidelijk dat de erfelijke afwijking die dit individu met zich heeft meegedragen zich heeft gemanifesteerd als een kaakharmonieprobleem: onderkaken die willekeurig geplaatst lijken, alsof de kaakboog van een ander individu is, met tanden die niet in verhouding staan tot de grootte van de boven- of onderkaak.

Ze zijn zo buiten verhouding dat ze zich opstapelen, dwars komen te staan en elkaar overlappen omdat er geen ruimte is.

Deze situatie zou een veel bredere boog nodig hebben, met een lengte in centimeters die minstens tweemaal zo groot is als die welke we hier zien.

Vaak moeten wij deze situaties corrigeren.

Als we naar basisscholen en middelbare scholen gaan, heeft misschien 70% van de kinderen een orthodontisch apparaat.

Ik reis voor mijn werk over de hele wereld, naar alle continenten.

Als hier 70% van de kinderen in de stad een orthodontisch apparaat draagt, dan draagt in Brazilië in de meer welgestelde gezinnen 100% van de kinderen een orthodontisch apparaat.

Ik kan toegeven dat sommige van deze behandelingen onnodig of onjuist zijn.

Maar er moet toch een zekere disharmonie aanwezig zijn om de behoefte te voelen een tand die op deze manier staat te corrigeren, terwijl hij eigenlijk zo zou moeten staan.

Er moet op zijn minst een zekere mate van disharmonie zijn.

Tegenwoordig dragen zelfs in landen die als ontwikkelingslanden worden beschouwd kinderen uit gezinnen die het zich enigszins kunnen veroorloven allemaal een orthodontisch apparaat.

Ze ontzeggen zichzelf van alles, maar hun kind met scheve tanden rond laten lopen? Dat nooit!

Het ‘schoonheidsideaal’

Wat betreft het ‘schoonheidsideaal’ dat wij in ons hoofd hebben: allemaal, werkelijk allemaal, kunnen wij mooi van lelijk onderscheiden.

Natuurlijk zijn er mensen die een voorliefde voor het afschuwelijke hebben.

Of in menselijke relaties worden andere kwaliteiten gewaardeerd. Zo kan iemand verliefd worden op een persoon die niet bijzonder mooi is, maar andere kwaliteiten bezit.

Maar doorgaans is schoonheid volgens de auteur een objectieve schoonheid.

En deze objectiviteit is een vermogen dat wij in ons DNA hebben. 

Prognathisme

Wat doet deze onderkaak met dit profiel hier links?

Hier is te zien dat er geen harmonie is. Het gaat niet eens om mooi of lelijk: het is een disharmonisch profiel.

Je ziet dat er verschillende stukken zijn samengevoegd, het ene afkomstig van genen die voortkomen uit het oorspronkelijke nummer één en het andere van genen die voortkomen uit het oorspronkelijke nummer twee.

Het is alsof ze van verschillende mensen afkomstig zijn en aan elkaar zijn vastgeplakt.

Dát is hybridisatie in eenvoudige bewoordingen!

Dit is geen wetenschappelijke les: het is alleen bedoeld om te laten zien dat deze onderkaak niet aansluit bij deze bovenkaak.

Andere voorbeelden van prognathisme

Wanneer men zegt dat iemand prognathisme heeft, zegt men niet dat hij een lelijke jongen is. Maar ook na correcties blijft hij asymmetrisch. Dat is te zien op de volgende afbeeldingen.

Hier is het prognathisme gecorrigeerd. Vaak slaagt de ingreep van de chirurg er niet in de gewenste resultaten te bereiken.

Omdat de programmering zo complex is, lukt het volgens deze redenering niet om volledige harmonie te bereiken.

Stel je de programmering van een computer voor: wanneer er een virus in het programma zit, loopt het programma vast.

Zo is het volgens deze redenering met ons DNA gegaan. Het is alsof sommige uitdrukkingen van de genen op somatisch niveau het resultaat zijn van dit programma dat is vastgelopen.

Laten we de chromosomen en genen vergelijken met de software van een computer. Willen we ze in poëtische termen ‘de taal van God’ noemen?

Oorspronkelijk waren ze inderdaad ‘de taal van God’, maar daarna is dit programma volgens deze visie vastgelopen.

Het was Adam die vanaf het begin het virus in het programma heeft geïntroduceerd, ‘het onkruid op de akker van de Heer’, en dit virus heeft zichzelf voortgebracht en blijft zichzelf tot in het oneindige voortbrengen.

Daarom is Jezus gekomen: niet alleen om ons de verloren Geest terug te geven, maar ook om ons de middelen te geven om dit virus te bestrijden, ons lichaam en onze psyche opnieuw op te bouwen en ons terug te brengen naar de oorspronkelijke volmaaktheid, geestelijk, psychisch en lichamelijk.

Maar Hij vraagt ons om geloof en medewerking.

Psychische aandoeningen

Wat we hebben gezien, betekent niet dat degenen die levend geboren worden niet eveneens allerlei verborgen erfelijke afwijkingen kunnen hebben die zich manifesteren in even verwoestend ‘gedrag’ en ‘psychische aandoeningen’.

Ik zou willen herinneren aan het antwoord dat Jezus gaf op de vraag van Petrus: ‘Hoe vaak moeten we vergeven? Zeven keer?’

Petrus dacht, vanuit zijn eigen mentaliteit, dat zeven keer vergeven al veel te veel was.

En Jezus antwoordde hem: ‘Nee! Zeventigmaal zeven!’

Want vaak zijn bepaalde mensen bij herhaaldelijk dwangmatig gedrag niet in staat dit onder controle te houden.

Die mensen zijn niet verantwoordelijk: zij moeten eenvoudigweg vergeven worden. Altijd.

Conclusie

Toen ik jong was en geneeskunde studeerde, werd ons geleerd dat moeder natuur evolutionaire mechanismen had ter bescherming van de soort.

In de wereld van huisdieren, die vaak genetisch met elkaar worden gekruist om rassen met bepaalde kenmerken te verkrijgen, wordt het voorkomen van chromosomale syndromen en aandoeningen volgens de tekst pas duidelijk wanneer er blootstelling plaatsvindt aan zeer hoge doses ioniserende straling, bijvoorbeeld bij dieren die aanwezig waren in het gebied rond Tsjernobyl.

Dit komt doordat het gaat om kruisingen van ‘rassen’ die allemaal tot dezelfde ‘soort’ honden behoren, waardoor kruisingen mogelijk zijn zonder chromosomale afwijkingen te veroorzaken.

Maar wanneer het niet om verschillende rassen gaat, maar om verschillende soorten, bestaat er volgens deze tekst een onoverbrugbare genetische barrière tussen de ene soort en de andere.

Volgens de conventie spreken we immers van een ‘soort’ om een groep individuen aan te duiden die ‘genetisch geïsoleerd’ is, dat wil zeggen: die niet vruchtbaar is met individuen van andere soorten.

De afbeeldingen die we in het vorige deel van het werk hebben gezien met betrekking tot de syndromen en chromosomale aandoeningen spreken voor zichzelf.

Denk opnieuw aan de woorden van Valtorta, die zegt dat ‘zij monsters als zonen en dochters kregen’.

Als dat geen monsters waren, wat moeten we dan nog zien?

Bedenk dat wij deze situaties nu zien, miljoenen jaren na de erfzonde. Maar we weten niet wat er vóór de Zondvloed bestond, en evenmin wanneer de Zondvloed heeft plaatsgevonden.

Want de Zondvloed heeft grote schoonmaak gehouden.

Wat wij zien, zijn situaties die volgens deze visie zijn ontstaan nadat Noach met zijn familie opnieuw met de menselijke soort is begonnen, nadat er een massale selectie had plaatsgevonden.

En nog iets: de Zondvloed, die door theologen als een ‘literair genre’ wordt beschreven.

Wat er dus vóórdat God met de Zondvloed ingreep op aarde is geweest als gevolg van de erfzonde, kunnen wij ons volgens deze visie niet eens voorstellen.

We kunnen het alleen afleiden door naar deze afbeeldingen te kijken en ze met duizend te vermenigvuldigen.

En dit zijn nog maar de mildste gevallen!

Want ik herhaal: toen ik op mijn achttiende het museum van Florence bezocht, was ik geschokt.

En denk ook aan de vele gevallen van Siamese tweelingen.

Een paar weken geleden was er op televisie een uitgebreide reportage over Siamese tweelingen. Ze lieten een meisje zien dat in India was geboren met vier armen en vier benen.

In dat meisje zaten twee meisjes in één.

DERDE DEEL

WANNEER GELOOF EN ‘REDE’ HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN

De historiciteit en waarheid van de Openbaring

Genesis maakt deel uit van een veel breder thema en is de afgelopen jaren een zeer controversieel onderwerp geworden. Het is gebruikt als een knuppel tegen de Katholieke Kerk en gaat specifiek over de verhouding tussen Geloof en Rede en tussen Geloof en Wetenschap.

Het conflict tussen deze twee werelden, dat altijd al in de mens heeft bestaan, heeft in de zeventiende eeuw een keerpunt bereikt. Vanaf Galileo en de andere grondleggers van de moderne wetenschap heeft dit geleid tot een breuk die ogenschijnlijk onherstelbaar was, waardoor een kloof van oncommuniceerbaarheid ontstond tussen Geloof en Wetenschap, en vooral tussen enerzijds het christendom en het katholicisme en anderzijds het rationalisme en positivisme.

Sinds Galileo hebben de Kerk en vooraanstaande vertegenwoordigers van de Kerk, die de fundamenten van onze religie zouden moeten verdedigen, een soort minderwaardigheidscomplex tegenover wetenschappers ontwikkeld.

De grote meerderheid van de theologen heeft zich, in plaats van een open confrontatie op gelijke voet met wetenschappers aan te gaan, ingegraven in een defensieve houding en afgezien van het verder ontwikkelen van de constitutieve onderdelen van het geloof van onze religie, terwijl daarin juist veel meer wetenschap zit dan wij ons zouden kunnen voorstellen.

Sterker nog, ik zou durven zeggen dat er meer wetenschap in Genesis en het Evangelie zit dan in alle wetenschappelijke boeken die sinds het begin van de menselijke geschiedenis samen zijn geschreven. We hebben dit al gezien met betrekking tot de beperkingen van het evolutionisme.

Ongeschikte instrumenten om geloofskwesties te behandelen

Het ergste wat een katholiek kan doen, is zijn toevlucht zoeken tot de filosofie en geloofskwesties behandelen met filosofische instrumenten. Helaas gebeurt dat wel!

Een hoogleraar van de faculteit Bio-ethiek van de Universiteit Regina Apostolorum bevestigde mij dat dit systematisch in seminaries gebeurt.

In seminaries worden dus ongeschikte instrumenten gebruikt: alsof ik, als chirurg, met het gereedschap van een metselaar of timmerman zou willen werken.

Men gebruikt instrumenten uit menselijke disciplines om zaken van God te behandelen! De resultaten daarvan zijn vaak behoorlijk aanvechtbaar en brengen zelfs priesters in moeilijkheden.

Men kan een wetenschapper die over Wetenschap spreekt niet voorzien van middelen zoals de filosofie, en evenmin een religieus persoon die over Gods waarheid spreekt dezelfde filosofische middelen geven! Dit is een werkwijze die wij moeten leren bestrijden en afwijzen.

Deze mensen hebben geen geloofwaardigheid en autoriteit!

Uit deze situatie is een tweedeling ontstaan tussen de wereld van de Wetenschap en die van het Geloof. Er is een diepe psychologische ondergeschiktheid ontstaan van gelovige mensen tegenover mensen van de wetenschap, en dit heeft ertoe geleid dat veel wetenschappers zich van het Geloof hebben verwijderd. Iedereen leeft in zijn eigen wereld.

De crisis van het Geloof

De afgelopen eeuwen heeft er vooral in Latijns-Amerika en de Verenigde Staten een bloei plaatsgevonden van sekten en aanhangers van filosofische systemen, maar geen van deze systemen heeft ooit een alomvattend antwoord gegeven. We hebben altijd slechts gedeeltelijke antwoorden gekregen.

Je gelooft door een ‘eigen’ innerlijke daad dat de dingen zo zijn, terwijl je in je eigen geest probeert Geloof en Rede met elkaar te verzoenen, maar deze antwoorden zijn nooit ingebed in een logisch kader dat beide zaken met elkaar in harmonie brengt.

Als u ooit een van die talkshows hebt gezien, zoals Porta a Porta, waarin een religieus onderwerp wordt behandeld, zult u hebben opgemerkt dat wanneer de priester of bisschop aan de beurt is, die op een of andere manier de Kerk moet vertegenwoordigen en bepaalde geloofsopvattingen moet verdedigen, zijn psychologische houding altijd defensief is.

Ze verschuilen zich altijd achter vage argumenten en geven ruimte aan degenen die de Kerk aanvallen, zelfs wanneer de waarachtigheid van bepaalde verschijnselen met intrinsieke, objectieve waarde kan worden aangetoond, zoals de stigmata van Pater Pio, die volgens de auteur door de wetenschap zijn gedocumenteerd.

Deze ondergeschiktheid van de katholieke wereld wordt op dramatische wijze zichtbaar wanneer gelovige mensen niet eens de historiciteit kunnen verdedigen van bovennatuurlijke en wonderbaarlijke gebeurtenissen die bovendien zijn gedocumenteerd en waarvan getuigenis is afgelegd door zelfs atheïstische journalisten.

Denk bijvoorbeeld aan de gebeurtenissen die in 1917 in Fatima voor duizenden mensen zouden hebben plaatsgevonden, zoals beschreven in kranten uit die tijd, of aan gebeurtenissen die tweeduizend jaar geleden plaatsvonden en die volgens gelovigen ook vandaag nog plaatsvinden, van Medjugorje tot Lourdes en op alle plaatsen van spiritualiteit, waar mensen, jong en oud, lichamelijk en geestelijk genezing ontvangen.

Ik denk dat het tijd is om deze psychologische ondergeschiktheid te doorbreken!

Wij zouden deze zogenaamde wetenschappers veel kritischer moeten gaan bekijken. Onze deskundigen zouden de waarheid moeten verdedigen in plaats van mensen de indruk te geven dat de anderen gelijk hebben. Zij zouden de schijnbare autoriteit van deze mensen moeten kunnen betwisten.

Deze mensen houden ons voor de gek! Er is geen echte tegenspraak. Ik denk dat deze debatten met opzet zo worden georganiseerd dat iedereen in zijn eigen overtuiging blijft. Uiteindelijk wordt iedereen alleen gelaten.

Deze kloof van oncommuniceerbaarheid tussen Wetenschap en Geloof, die tientallen jaren heeft voortgeduurd, is inmiddels onoverbrugbaar geworden door de exponentiële groei van de technologische ontwikkeling.

De Wetenschap heeft in de afgelopen eeuw, sinds de ontdekking van radiogolven en sinds de energie uit het atoom werd gewonnen, meer vooruitgang geboekt dan in alle voorgaande duizenden jaren samen. De technologische ontwikkeling en de veranderingen die we in ons dagelijks leven hebben doorgemaakt, geven veel kracht aan degenen die de Wetenschap willen gebruiken om het Geloof neer te slaan.

Vertrekkend vanuit soms verkeerde uitgangspunten komen zij tot verkeerde conclusies. We zien daarvan een voorbeeld wanneer zij ons het verhaal van de oorsprong van de mens willen vertellen.

Wetenschappers gaan echter met de kennis die zij hebben verworven steeds verder vooruit. Wat tot gisteren in de leerboeken stond en werkelijkheid leek, is dat vandaag niet meer.

Tot gisteren leek, zoals we hebben gezien, de theorie van de chromosoomreductie logisch om de afstamming van de mens uit de aap te verklaren, en vandaag is die wetenschappelijke theorie dat niet meer.

Daarom begrijp ik heel goed hoe wetenschappers, zelfs te goeder trouw, erin kunnen slagen de werkelijkheid te manipuleren. Als we alles wat in de wetenschap wordt gepubliceerd onder een vergrootglas bekijken, zien we volgens mij dat het in veel gevallen vatbaar is voor verandering, zo niet daadwerkelijk gemanipuleerd.

Ze houden zelfs geen rekening met de schepping van de volmaakte mens zoals die ons in Genesis wordt aangekondigd en negeren bijgevolg zijn oorspronkelijke val. Zij denken dat de erfzonde een individuele zonde is waarin de mens rechter wordt tussen goed en kwaad.

Zo verwarren zij zijn her-evolutie met evolutie.

De mate van manipulatie op wetenschappelijk niveau is volgens mij zo groot dat zij meer tegemoetkomt aan persoonlijke behoeften en machtsdrang dan aan de waarheid: zo groot dat wij ons dat nauwelijks kunnen voorstellen.

Daarom is het onaanvaardbaar om op geloofsthema’s beledigd te worden door personen die de Wetenschap zouden moeten vertegenwoordigen en niets anders verkondigen dan hun eigen meningen. Zij doen alsof ze iets weerleggen zonder iets te bewijzen!

Het is een vicieuze cirkel waaruit wij als christenen en katholieken moeten ontsnappen. We kunnen deze situatie niet langer accepteren!

Want mensen die geen enkele autoriteit of geloofwaardigheid hebben, worden voor de massamedia gezet om als orakels te spreken.

Het is tijd om deze beïnvloeding te stoppen en te werken aan het aantonen dat de Openbaring van het Oude en Nieuwe Testament berust op solide pijlers van wetenschappelijkheid en historiciteit, ver voorbij alles wat men zich kan voorstellen.

Een historisch keerpunt: Don Guido is een mijlpaal

Een zo complex probleem moet een logische rode draad hebben die door het verstand wordt aanvaard en gedeeld. Deze moet tegelijkertijd deze geloofsinspanning kunnen verenigen en aanvullen wat wij, arme menselijke wezens, anders niet met alleen de Wetenschap zouden kunnen begrijpen.

Deze logische rode draad kan ons alleen door de Openbaring worden gegeven.

Laten we het niet vergeten: don Guido, dorstig naar een logische verklaring voor die beroemde Oerzonde, heeft tientallen jaren in het duister rondgetast voordat hij door de Heer werd bereikt.

Pas toen hij zich op een bepaald moment overgaf tegenover zijn eigen onvermogen, greep de Vader in om hem de verklaring te geven: de verklaring die hij jarenlang had gezocht, maar die hij er niet uit had kunnen halen.

Alleen een openbaring kon duidelijkheid scheppen en grenzen stellen aan de Rede en de Wetenschap, die zich volledig zelfstandig hadden ontwikkeld zonder rekening te houden met de beginselen die, zij het allegorisch, in Genesis worden uitgedrukt.

Alleen een openbaring kon antwoorden geven die volkomen wetenschappelijk en logisch én tegelijkertijd van het Geloof waren.

Alleen de Heer kon uitleggen hoe Hij, met volmaakte harmonie, Zijn ‘directe schepping’ had ingevoegd in de context van een reeds bestaande schepping, met inachtneming van de universele wetten van de genetica die door de wetenschap waren ontdekt.

Dit is de grote vernieuwing die don Guido ‘Gemedieerde Schepping’ heeft genoemd, omdat God, zo legt hij uit, Zijn nieuwe schepping invoegt in een reeds bestaande context, die het ‘middel’ wordt waardoor deze wordt ondersteund.

Laten we zien hoe.

Wanneer de Heer een nieuwe soort schept, grijpt Hij altijd in door ‘uit het niets’ de gameten van het eerste paar individuen van de soort die Hij wil scheppen te creëren, terwijl Hij gebruikmaakt van en steunt op wat Hij al had geschapen, namelijk de baarmoeder van een vrouwtje van een reeds bestaande soort, om de foetus tot volledige rijping te laten komen zodat hij geschikt is voor de geboorte.

Daarom noemde don Guido dit proces ‘Gemedieerde Schepping’.

‘Schepping’ omdat het bestaat uit een directe creatieve ingreep van God; ‘gemedieerd’ omdat het gebruikmaakt van een reeds bestaand middel als ondersteuning.

Er bestaat dus geen chromosomale continuïteit tussen de ondersteunende soort en de nieuw geschapen soort.

En deze wet heeft Hij ook gebruikt voor de schepping van de menselijke soort.

Deze bijzonderheid, namelijk het overeenbrengen van Wetenschap en Geloof, was tot nu toe niet naar voren gekomen.

Hij, die een man van geloof was, van een zeer diep geloof en van buitengewone eenvoud, ‘zocht naar de wetenschappelijke verklaring’ van deze thema’s vanuit het perspectief van het Geloof, die anders, op de puinhopen van het evolutionisme, onverklaarbaar blijven.

Daarom heeft de openbaring die don Guido volgens mij heeft ontvangen een keerpunt betekend.

Don Guido heeft een historisch keerpunt teweeggebracht in de verhouding tussen Wetenschap en Geloof, een keerpunt dat een einde kan maken aan de diaspora van wetenschappers die wij inmiddels eeuwenlang kennen: mensen die het Geloof verlaten omdat dit Geloof wordt gepresenteerd als een onverteerbare brok, omdat, zoals ik heb gezegd, ongeschikte instrumenten worden gebruikt wanneer de filosofie erbij wordt gehaald.

Er zit veel meer Wetenschap in Genesis en het Evangelie dan in alle andere wetenschappelijke boeken, alleen komt dit feit niet naar voren omdat niemand, totdat don Guido tussenbeide kwam en totdat de Heer don Guido ‘de sleutel’ gaf voor de oplossing van deze problemen, dit naar voren had gebracht.

En er is Wetenschap in de openbaring van don Guido, ook al zijn wij vandaag niet in staat het volledige belang van deze openbaring te begrijpen en evenmin in hoeverre deze openbaring een openbaring van Wetenschap is!

Juist daarom is don Guido een mijlpaal. En men kan bij hem beginnen om aan te tonen dat er in het Evangelie pijlers van wetenschappelijkheid en historiciteit aanwezig zijn, ver voorbij alles wat men zich kan voorstellen.

We zien dit ook in het Evangelie van Johannes, wanneer hij ons in de Proloog over de schepping vertelt.

Ik wil u eraan herinneren dat Jezus in het Evangelie de Farizeeën op een bepaald moment verwijt dat zij ‘de sleutel van de kennis hebben weggenomen’, zodat anderen geen toegang tot die kennis zouden hebben. Hij zegt:

“Jullie zijn niet binnengegaan, en degenen die naar binnen wilden, hebben jullie tegengehouden.”

Deze passage staat in Lucas 11,52.

Wat was ‘de sleutel’?

De sleutel was, en is nog steeds, de onverbrekelijke band tussen de Oerzonde en de Verlossing.

Het merendeel van de Joden is immers uitgesloten gebleven van de kennis van Jezus als Verlosser. Afgezien van de eerste gemeenschappen die Jezus volgden, bleven anderen ervan uitgesloten Hem te erkennen als de Zoon van God die gekomen was om de gevolgen van de Oerzonde te herstellen.

En vanaf dat moment besloten de Farizeeën Hem te doden.

Sinds de schepping bestaat er binnen de strijd tussen de krachten van Goed en Kwaad deze poging van het Kwaad, deze wil om de waarheid te verbergen.

Dit bevestigt Jezus wanneer Hij de Farizeeën ervan beschuldigt dat zij de sleutel tot de ware Kennis hebben weggenomen zodat anderen buitengesloten zouden blijven.

En nu is er een nieuwe poging gaande om de waarheid af te breken door het christendom af te breken.

Vandaag zijn de redenen volgens mij duidelijk waarom het christendom, met zijn boodschap van verlossing die het plaatst in het perspectief van een nieuw Verbond tussen God en de mens, altijd in de frontlinie staat als doelwit van de haat van rationalistische, positivistische, communistische, vrijmetselaars- en in het algemeen alle ideologieën die zich de afgelopen driehonderd jaar, vanaf de Verlichting, op het toneel van de geschiedenis hebben aangediend.

Al deze ideologieën hadden volgens deze visie als uiteindelijk doel de fundamentele pijler van onze Openbaring uit zijn voegen te halen.

Het jodendom en het christendom

Maar voordat ik dieper inga op het onderwerp van de verhouding tussen Geloof en Wetenschap, zoals dat door don Guido is geïntroduceerd, wil ik enkele fundamentele religieuze begrippen met betrekking tot het jodendom en het christendom in herinnering brengen, om hun uniciteit ten opzichte van alle andere religies te benadrukken.

Men spreekt ten onrechte over drie monotheïstische religies, waarbij de islam met het jodendom en het christendom op één hoop wordt gegooid.

Maar alleen het jodendom en het christendom hebben volgens mij een gemeenschappelijke basis die hen uniek maakt.

Als we de Koran lezen, zien we dat de islam niet op één lijn kan worden gesteld met de joodse en christelijke religie, die als gemeenschappelijke basis de aankondiging en geschiedenis hebben van een Verbond tussen God en de mens, en dat dit Verbond tot doel heeft de mens, door toedoen van een Messias, te bevrijden uit een toestand van verval en verdorvenheid, veroorzaakt door een niet nader omschreven ‘Oerzonde’.

Deze uniciteit en bijzonderheid hebben alleen het jodendom en het christendom.

Ze met de islam associëren is als water met olie mengen. Alleen deze twee religies hebben deze fundamenten!

De andere kunnen elke mogelijke oplossing voorstellen, maar sluiten bij voorbaat het vraagstuk van de Oerzonde uit, die de eerste oorzaak van het verval was.

Daarom moeten wij deze twee religies scheiden van alle religies die deze gemeenschappelijke wortel niet hebben.

En als we het uitgangspunt buiten beschouwing laten dat de oorsprong van alle kwaad de Oerzonde is, die het verval van de mens heeft ingezet, en als we voorbijgaan aan wat deze twee religies met elkaar verbindt, dan kunnen beide gemakkelijk worden gelijkgesteld aan alle andere filosofieën of religies, ongeacht het percentage waarheid dat zij bevatten.

En dat is een verdraaiing.

We kunnen evenmin voorbijgaan aan het feit dat het jodendom en het christendom als uitgangspunt niet een product van menselijke gedachten hebben, maar de Openbaring die van God uitgaat en tot de mens gericht is.

Kort gezegd is de fundamentele basis van de andere religies volgens deze visie nooit intrinsiek verbonden met de Openbaring die ons de oorsprong van de mens, zijn val en het verband met de Verlossing vertelt.

Mohammed kan inderdaad zeggen dat de aartsengel Gabriël aan hem verscheen in een visioen, maar de fundamentele basis van zijn religie is volgens deze visie niet intrinsiek verbonden met een noodzakelijke verlossing van de mens als gevolg van de oorspronkelijke val.

De Openbaring van het jodendom en het christendom geeft daarentegen het bewustzijn dat de mens zichzelf niet kan redden.

Het is precies het tegenovergestelde van wat de rationalistische en positivistische wereld ons vandaag wil laten geloven: dat de mens in een technologische wereld die verbonden is met de Wetenschap ‘alleen’ in staat zal zijn dit verval te corrigeren, dat wij vanzelfsprekend in verband brengen met de Oerzonde.

De mens denkt dat hij met de Wetenschap ziekten kan laten verdwijnen, economische en sociale systemen van rechtvaardigheid en gelijkheid kan creëren, dat hij ‘alleen’ in staat is het kwaad van de aarde te laten verdwijnen en dus zijn leven te verlengen en zichzelf te redden.

Af en toe horen we op het journaal pseudowetenschappelijke beschouwingen dat de mens binnenkort tweehonderd jaar of langer zal leven of dat ziekten niet meer zullen bestaan.

Dit zijn allemaal min of meer duidelijke, min of meer verborgen, subliminale boodschappen die ons willen laten geloven dat de mens Jezus of God niet nodig heeft om gered te worden, maar zichzelf ‘alleen’ redt.

De Oerzonde wordt genetisch doorgegeven

Over de Oerzonde wordt steeds minder gesproken en wanneer dat wel gebeurt, wordt dit Bijbelse verhaal verklaard met speculatieve of ideologische instrumenten.

Ik heb met veel priesters gesproken die de Oerzonde zelfs ontkennen. Zij presenteren haar als een allegorie, een literair genre, als iets wat de Bijbel vertelt, maar verbinden haar niet met een specifieke handeling of een specifiek historisch feit.

En dat is natuurlijk de hefboom om alles uit zijn voegen te halen, om alles te laten instorten.

Zij verklaren dit Bijbelse verhaal met speculatief-filosofische instrumenten en niet vanuit het Geloof, en willen zelfs voorbijgaan aan de catecheses die paus Benedictus XVI heeft gegeven, waarin hij de mechanismen van overdracht van de verschijnselen die verband houden met de Oerzonde als ‘biologisch’ heeft aangeduid, volledig in overeenstemming met wat don Guido had beschreven en gezegd.

De meest voorkomende fout is dat men de uitvoering van de Oerzonde toeschrijft aan een groep mensen en niet aan ‘één’ mens, Adam, zoals de heilige Paulus in de Brief aan de Romeinen benadrukt.

Het aanvaarden van die these staat gelijk aan een tsunami voor de katholieke Kerk en voor de hele Openbaring, om twee redenen.

De eerste is dat zij gepaard gaat met de ontkenning van de historiciteit van Adam als eerste mens en als ‘enige’ veroorzaker van de Oerzonde.

De tweede is dat, door het vaderschap van deze zonde genetisch toe te schrijven aan een groep mensen die de oermensheid vertegenwoordigt, de ernst en verwoestende kracht ervan aanzienlijk worden afgezwakt.

Door de verantwoordelijkheid over velen te verdelen, wordt de vernietigende kracht die aan de Oerzonde in de Heilige Schrift duidelijk wordt toegeschreven, onschadelijk gemaakt.

Wat het eerste punt betreft, heb ik gesproken met vooraanstaande docenten van theologische faculteiten die mij hebben gezegd dat Adam nooit heeft bestaan!

Maar hierover opereert de heilige Paulus niet met een scalpel: hij opereert met een zwaard!

En de heilige Paulus spreekt voortdurend over Adam en presenteert hem als de ‘enige’ tegenpool van Christus, en Christus als de Enige die in staat is de gevolgen van Adams zonde teniet te doen.

De heilige Paulus benadrukt dus dat Adam ‘alleen’ de veroorzaker van de Oerzonde is, zoals don Guido later zal uitleggen.

Iemand zou kunnen tegenwerpen dat Genesis deze zonde aan Adam en Eva toeschrijft.

Maar instinctief ben ik veel meer geneigd geloof te hechten aan de heilige Paulus, die zijn tekst tweeduizend jaar geleden schreef en deze verrijkte met theologische redeneringen, dan aan de letterlijke tekst van Genesis, die meer dan drieduizend jaar geleden op allegorische wijze werd geschreven en vervolgens werd overgeschreven, met veel mogelijke vertaalfouten en allerlei andere mogelijke knip-en-plakbewerkingen.

Want we moeten erkennen dat er enig contrast bestaat tussen wat in het Mozaïsche Genesisverhaal wordt gezegd, waarin twee personen, de man en de vrouw, deze zonde wordt toegeschreven, en de heilige Paulus, die duidelijk en resoluut voortdurend het tegenovergestelde herhaalt, juist om iedere twijfel weg te nemen dat de zonde uitsluitend met Adam verbonden is.

En met ‘Adam’ bedoelt hij niet Adam en Eva, aangenomen dat men met Eva de Vrouw bedoelt.

Als beiden gezondigd zouden hebben terwijl zij genetisch volmaakt waren, zouden we volgens deze redenering niet als gevolg daarvan de chromosomale syndromen en zoveel andere onevenwichtigheden hebben.

Om dit alles te verklaren is er volgens deze visie slechts de hybridisatie van de soort, en die moet noodzakelijkerwijs gebaseerd zijn op een verhouding die buiten de soort heeft plaatsgevonden. Dat lijkt mij vanzelfsprekend.

De tweede reden waarom deze confronterende houding tegenover het Geloof een tsunami vormt voor de katholieke Kerk, is dat door de Oerzonde op algemene wijze toe te schrijven aan de oorspronkelijke mensheid, de ernst en verwoestende kracht van deze eerste daad van ongehoorzaamheid en rebellie sterk wordt afgezwakt door de verantwoordelijkheid over velen te verdelen.

Ik wil geen banale uitdrukking gebruiken, maar wanneer iedereen schuldig is, is niemand schuldig.

We weten hoe deze Zonde in Genesis wordt voorgesteld en hoe dit verhaal voor ons als hedendaagse mensen tamelijk verwarrend en, eerlijk gezegd, onaanvaardbaar kan zijn in de manier waarop het wordt uiteengezet.

Laten we niet vergeten dat het derde hoofdstuk van Genesis, dat betrekking heeft op de Oerzonde, volgens deze opvatting door de schriftgeleerden van koning Salomo is overgeschreven in een opzettelijk hermetische taal.

We weten ook hoe dit verhaal door de eeuwen heen altijd controverses en min of meer fantasierijke interpretaties heeft opgeroepen.

Als we de verschillende interpretaties lezen, vanaf de kerkvaders tot en met de verschillende theologen en filosofen van vandaag, heeft iedereen het op zijn eigen manier verteld.

Ook don Guido wist aanvankelijk niet uit dit labyrint te komen, totdat er rechtstreeks werd ingegrepen door de Vader.

Het was nodig dat God zelf de interpretatie van deze passage gaf.

En Hij gaf die op wetenschappelijke wijze.

Tot aan don Guido was het volgens deze visie onmogelijk om het probleem van de Oerzonde op wetenschappelijke wijze te benaderen.

De crisis van het Geloof

Een vraag die ik aan iedereen zou willen stellen en die ik ook aan mezelf stel: is het in 2011 mogelijk om Genesis voor te stellen als een boodschap die in strijd is met onze rationaliteit?

Volgens mij is dat niet langer mogelijk!

En vooral deze scheiding tussen Geloof en Rede, die ogenschijnlijk onomkeerbaar is, heeft de Openbaring, zoals die vandaag wordt verkondigd, volledig losgemaakt van het leven van de mens van de eenentwintigste eeuw.

Dit was het thema dat eind september 2011 centraal stond in de toespraak van de paus in Duitsland, toen hij zei dat “de ware crisis van de Kerk in de westerse wereld een crisis van het Geloof is” en eraan toevoegde dat “als we niet tot een echte vernieuwing in het Geloof komen, alle structurele hervormingen ineffectief zullen blijven”.

Ze zullen geen enkel effect hebben!

Het zijn zeer krachtige woorden!

We vinden ze allemaal terug op de website van Avvenire. Ze zijn in alle media verschenen, maar ze werden gebracht als een van de vele dingen die deze in het wit geklede Man zegt die hier en daar rondgaat.

Maar ze hebben een enorme kracht als we erover nadenken binnen de context die ik heb geprobeerd te schetsen.

De paus ging zelfs zo ver te zeggen dat “een rusteloze agnosticus dichter bij God staat dan een christen van de buitenkant”.

Een agnosticus die de waarheid zoekt

Laten we ons verplaatsen in de positie van iemand die de waarheid zoekt en die oprecht en eerlijk zoekt: hij is zelfs tegenover zichzelf niet bereid compromissen te sluiten.

Hij kan iets wat in zijn verstand ‘niet klopt’ niet aanvaarden.

Als ik dan, wanneer ik geen logische verklaring voor mezelf heb, in deze tijd waarin de Rede centraal is gesteld en de Wetenschap wordt voorgesteld als datgene wat de wereld beweegt en de wereld verlossing zal brengen, niet bereid ben zelfs tegenover mezelf compromissen te sluiten, en mij de Openbaring wordt verteld met dat begin van Genesis en het mij niet op coherente wijze wordt uitgelegd, dan geloof ik niet.

Ik ben agnost.

Dat is het resultaat.

De paus zelf heeft de rusteloze agnostici gerechtvaardigd omdat zij op zoek zijn naar de waarheid. En hij heeft gezegd dat zij veel dichter bij God staan dan iemand met een lauw geloof.

Als zij deze innerlijke beweging hebben die hen niet met rust laat, die hen ertoe aanzet een zoektocht te ondernemen die in harmonie is met de rede, dan verwerpen zij wat hun op die manier wordt voorgelegd.

Deze mensen staan veel dichter bij God dan iemand die mechanisch naar de Mis gaat, mechanisch de gebeden opzegt, passief naar de preek luistert en, wanneer de priester iets te lang doorgaat, niet kan wachten om naar huis te gaan, de televisie aan te zetten en de Grand Prix of een voetbalwedstrijd te bekijken.

Zonder een volwassen en diepe overtuiging van de Oerzonde is het vandaag dus coherenter om als agnost te leven dan als overtuigd christen.

Bij het voorbereiden van de afbeeldingen die ik in deze tekst heb opgenomen, werd ik geholpen door een medewerkster van mij, Margherita, jong en zeer bekwaam, die zichzelf als agnostisch beschouwde.

Elke keer dat ik haar vroeg mij te helpen met dit werk dat verband houdt met de openbaring van don Guido, deed zij dat met veel liefde en meer inzet dan wanneer ik haar routinetaken had gegeven.

En toen ik die uitspraak van de paus las, moest ik aan Margherita denken.

Er zijn vandaag veel Margherita’s in de wereld die er klaar voor zijn en niets anders verwachten dan de volledige waarheid te leren kennen: de waarheid die logica en Openbaring met elkaar verzoent, de logica van wat er in het Evangelie staat met wat er in ons hoofd staat, omdat God ons dit verstand en deze verklaringen heeft gegeven zodat wij geloven.

Deze agnostici die de waarheid zoeken, wachten alleen maar daarop.

Ik zeg het niet: de paus zegt het!

De diaspora uit het Geloof

Misschien ben ik wat te lang doorgegaan in deze uiteenzetting, maar volgens mij was het noodzakelijk om een context te geven rond het thema Genesis, om het onderwerp van de christelijke moraal vanuit een nieuw perspectief te introduceren.

De openbaring aan don Guido vormt vandaag een keerpunt, omdat zij een krachtig instrument kan worden, niet alleen om Geloof en Rede met elkaar in harmonie te brengen, maar ook om een onderwerp voor nieuwe evangelisatie te worden.

Want juist in het Evangelie, en nog eerder in Genesis, vinden we die hoekstenen van de katholieke moraal die vandaag de kritieke punten zijn geworden waardoor velen het Geloof ontvluchten.

De diaspora uit het Geloof houdt ook verband met het feit dat er vandaag in de Kerk onvoldoende vermogen is om bepaalde kritieke punten overtuigend uit te leggen: echtscheiding, de sacramenten voor gescheidenen, het omgaan met anticonceptie, homoseksualiteit, het standpunt van de Kerk over geassisteerde voortplanting, abortus, onderzoek met stamcellen: allemaal onderwerpen die dagelijks door de media worden behandeld en die telkens wanneer de gelegenheid zich voordoet als knuppels worden gebruikt om de katholieke Kerk te slaan.

En daarom stel ik mezelf de vraag: is het vandaag mogelijk toe te staan dat de standpunten van de Kerk over deze onderwerpen aan de wereld worden voorgesteld als een autoritaire en obscurantistische houding omdat, zo wordt gezegd, zij geen rekening houdt met de behoeften van het individu?

Volgens mij is dat niet langer mogelijk!

Vandaag moeten er aanvullende verklaringen en motivaties worden gegeven die alleen voortkomen uit de openbaringen die logica geven aan Genesis.

Toen ik het boek van don Guido las, werden veel dingen mij duidelijk, omdat zij het Evangelie verduidelijkten.

Ik geef het voorbeeld van de passage in Matteüs over echtscheiding, waar Jezus zeer beslist zegt dat “het vanaf het begin niet zo was” (Mt. 19,8).

Wanneer was ‘dit begin’?

Hebben we ons ooit afgevraagd wat dit begin is?

Het begin ligt vóórdat de eerste twee, het eerste paar, de Mens-Adam en de Vrouw, van elkaar gingen scheiden en Adam weigerde nog andere kinderen te krijgen.

Als ik over mijn persoonlijke ervaring zou spreken: hoewel ik in een katholiek gezin ben geboren en opgegroeid, met een moeder die altijd naar de Mis gaat en de sacramenten beleeft, die altijd met de rozenkrans in haar hand zit, en hoewel ik als jongen de parochie bezocht en altijd een band met mijn religie heb behouden, ben ik op een bepaald moment dertig jaar lang van het Geloof verwijderd geraakt.

Misschien ging ik op zondag naar de Mis, maar als een ‘christen van de buitenkant’.

Die standpunten binnen de katholieke moraal waren voor mij, totdat ik don Guido had gelezen, onaanvaardbaar.

Daarom ben ik, vanaf het moment dat ik trouwde tot het moment waarop ik dit boek las, niet meer tot de Eucharistie genaderd, omdat ik mij er gewetensmatig niet toe in staat voelde de Communie te ontvangen.

Ik begreep dat de Bijbelse Openbaring niet iets kan zijn dat wij naar eigen behoefte gebruiken.

Zij vereist samenhang.

Wij kunnen niet negentig procent van het Evangelie aannemen en de andere tien procent negeren.

En omdat ik die tien procent niet aanvaardde, sloot ik uit consequentie alles uit.

Daarom voelde ik mij, totdat ik don Guido had gelezen en een wending aan mijn leven had gegeven, uitgesloten omdat ik bepaalde principes niet deelde.

Het feit dat men de authenticiteit van de Evangeliën probeert af te breken door te zeggen dat ze veel later, ver van de gebeurtenissen, zijn geschreven en dat veel zaken enigszins geromantiseerd zijn, is een verdere hefboom om de deuren open te zetten voor toegeeflijkheid tegenover mensen die vervolgens, misschien te goeder trouw, de Openbaring naar hun eigen behoefte proberen aan te passen.

Zij nemen dan die negentig procent die overeenkomt met hun eigen behoeften en verlangens en verwijderen de laatste tien procent.

En hoe kan de Vader dan de echtelijke scheiding aanvaarden als alle kwaad van de wereld, vanaf de Oerzonde, is gegroeid vanuit een buitenechtelijke verbintenis, vanuit een feitelijke scheiding tussen man en vrouw, vanuit een gezin dat uit elkaar is gevallen?

Ik weet niet of we hier ooit over hebben nagedacht.

Ik zie opnieuw dat zeer krachtige beeld waarin don Guido vertelt dat Adam zijn zaad, zijn DNA, zijn potentiële nageslacht, als een daad van uitdaging naar de Vader werpt.

Hoe kunnen we vandaag dan compromisstandpunten over voortplanting aanvaarden en doen wat de Kerk duidelijk verbiedt: dat gameten in een reageerbuis worden samengebracht en voortplanting buiten haar natuurlijke proces kan plaatsvinden?

Vandaag zijn wij zo arrogant omdat we toegang hebben gekregen tot een klein beetje kennis!

En vooral degenen die wetenschappelijke boeken schrijven zijn zo vol van zichzelf! Omdat zij iets weten, denken zij alles te weten.

Wij zijn vandaag niet in staat te begrijpen welke problemen voortplanting in een reageerbuis kan veroorzaken voor het ongeboren kind, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk.

Het Geloof als middel tot verlossing

Volgens mij kwam don Guido juist als een reddingsboot, als een anker van redding, als een reddingsboei die wordt toegeworpen aan mensen die aan het verdrinken zijn, zoals ik, die dertig jaar lang een christen van de buitenkant was.

Ik heb mijn kinderen laten dopen omdat mijn ouders dat ook met mij hadden gedaan, maar zonder de kracht van het Doopsel als sacrament en de betekenis van het Doopsel te begrijpen.

Dat begreep ik toen ik don Guido las: wij zijn allemaal hybriden en hybriden waren uitgesloten van het legitieme zoonschap van God, niet door hun eigen schuld, maar vanwege ongeschiktheid, vanwege het niet geschikt zijn.

Zij hadden een daad van ‘aanneming tot kinderen’ nodig om opnieuw onder Zijn Kinderen te worden opgenomen.

En deze formele en wezenlijke daad is het Doopsel.

De andere vraag die wij ons moeten stellen is dus deze: is het voor ons gelovigen mogelijk om deze normen vandaag niet als bekrompen verplichtingen te beleven, maar als ‘tegengif’ tegen de natuurlijke menselijke neiging tot zonde, omdat deze natuur, deze neiging om fouten te maken, in ons zit, en ze te beleven als een ernstige en bewuste poging om ons als ‘geadopteerde kinderen’ aan te sluiten bij het oorspronkelijke plan van volmaaktheid dat door de Vader is gewild?

Ik wil niet over de zonde spreken zoals de jezuïeten of de dominicanen spraken, of zoals Savonarola sprak.

Maar het feit dat we begrijpen dat de neiging om fouten te maken, om ons te gedragen op een manier die niet overeenkomt met de Wil van de Vader, voortdurend naar voren komt omdat we die in ons DNA hebben, is zeer belangrijk om deze normen en raadgevingen te aanvaarden.

Laten we niet vergeten dat Jezus zegt: “Doe zoals Ik, wees nederig van hart, neem Mijn juk op je; als je begrijpt waarom, is het niet langer zwaar, maar een licht juk dat je helpt groeien, dat je helpt deze sprong te maken van de natuurlijke naar de bovennatuurlijke wereld om de ‘aanneming tot kinderen’ te ontvangen.”

Maar als wij dit juk ervaren als iets wat ons beperkt, aanvaarden wij het niet.

Ook het volharden in bepaalde fouten ontstaat vanzelf wanneer wij niet begrijpen waarom wij door onze eigen natuur worden geconditioneerd.

Als wij niet weten waarom, zijn wij niet in staat ons traject te veranderen en een ander pad te volgen dan het pad waarop wij fouten hebben gemaakt.

We gaan biechten en vervolgens maken we dezelfde fouten opnieuw.

De zonde wordt beleefd als een abstract begrip, niet als iets dat verband houdt met de biologie.

Daarom is het moeilijk om een oprechte en ernstige poging te vinden om ons als geadopteerde kinderen aan te sluiten bij het oorspronkelijke plan van de Vader.

Maar als we weten dat wij de Zonde in onze natuur dragen, begrijpen we dat alleen de kracht van de sacramenten ons daarvan bevrijdt.

De geadopteerde kinderen en de Kinderen van God

De Openbaring zegt ons dat de schepping in het begin volmaakt was.

God heeft alles volmaakt geschapen.

En die volmaaktheid was zo groot dat Hijzelf er behagen in schepte en gelukkig was met wat Hij had voortgebracht.

Maar na de Val waren de zaken niet langer zo.

En door Jezus roept God ons — degenen onder ons die zich bij dit plan willen aansluiten — om samen met Hem dit oorspronkelijke plan te verwezenlijken.

Hij roept ons door het Doopsel, de daad van ‘aanneming tot kind van God’.

Als wij het Doopsel niet via de snelweg bereiken, dat wil zeggen via de Kerk, kan God besluiten ons op een andere manier zelf te dopen.

De Kerk zegt dit uitdrukkelijk: er is niet alleen het waterdoopsel, dat aan kinderen wordt gegeven wanneer hun ouders hen naar de kerk brengen.

Er bestaan ook andere vormen van Doopsel.

Er kan ook sprake zijn van het doopsel van verlangen van rusteloze agnostici wanneer hun zoektocht naar God oprecht is: de Heilige Vader heeft dit gezegd.

En dan vraag ik mij af, aangezien wij weinig nadenken over dit detail van de geadopteerde kinderen: wie waren die Kinderen die de Openbaring ‘Kinderen van God’ noemt, zoals Genesis zegt (Gn. 6,1), wanneer wordt verteld dat “de Kinderen van God zich verenigden met de dochters van de mensen”?

En als er al Kinderen waren, betekent dat dan niet dat iedereen adoptie nodig had?

Als wij adoptie nodig hebben om ‘geadopteerde kinderen’ te worden, op voorwaarde dat wij ons bij het plan van de Verlossing willen aansluiten, dan lijkt het mij duidelijk dat er Kinderen zijn die geen Doopsel nodig hadden om kinderen te worden.

Het is daarom duidelijk dat niet iedereen door de Oerzonde is besmet.

Daaronder bevinden zich degenen die zich niet hebben aangesloten bij en niet hebben volhard in de rebellie aan het begin van de mensheid.

De Bijbel spreekt hier en daar over hen, maar tot nu toe was hun identiteit niet uitgelegd.

En omdat God volmaakte mensen heeft geschapen en onze natuur niet volmaakt is, is dit verval volgens deze visie te wijten aan de Oerzonde.

Dan vraag ik mij af: wat zijn de verschillen tussen ons en die Kinderen die geen adoptie nodig hadden?

En welke ‘afwijkingen’ dragen wij met ons mee als gevolg van die Zonde?

Zijn het alleen de syndromen en chromosomale aandoeningen die ons lichaam en onze psyche hebben aangetast?

Of gaat het ook om het verlies van andere eigenschappen, zoals bovennatuurlijke en voorbovennatuurlijke gaven?

Wat zijn wij toch arm!

De heilige Paulus en Genesis

Laten we nu proberen dit betoog te verbinden met de tekst die we op zondag in de Mis lezen.

Neem bijvoorbeeld de Brief aan de Romeinen.

De heilige Paulus spreekt hier vaak over, maar een van de interessante passages is wanneer hij zegt (Rom. 8,19-21):

Rom. 8,19: “De schepping wacht op de openbaring van de Kinderen van God …”

Dit is iets wat we normaal gesproken lezen, maar wat nooit wordt uitgelegd.

En men onderzoekt evenmin wie de Kinderen van God zijn.

Ook wordt niet in twijfel getrokken dat de Kinderen van God die geopenbaard moeten worden niet degenen zijn die geadopteerd zijn of moeten worden geadopteerd, maar degenen die niet ten val zijn gekomen als gevolg van de Oerzonde.

En hij vervolgt:

Rom. 8,20: “Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, maar door de wil van hem die haar daaraan heeft onderworpen.”

De verwijzing naar Adam is duidelijk.

En de heilige Paulus zegt niet dat alleen de mensheid aan de vergankelijkheid is onderworpen, maar spreekt over de hele schepping.

Dus planten, dieren, vissen …

Het getuigenis van de heilige Paulus is zeer belangrijk!

Rom. 8,21: “En de schepping zelf hoopt bevrijd te worden uit de slavernij van de vergankelijkheid om binnen te gaan in de glorieuze vrijheid van de Kinderen van God.”

Hoe kan het dat de natuur, die volmaakt werd geschapen, ook in de vergankelijkheid is gevallen?

Dit maakt deel uit van het mysterium iniquitatis, het mysterie van de ongerechtigheid.

Laten we echter niet vergeten dat de mens aan de top van de schepping was geplaatst en macht over de hele natuur had gekregen.

En deze macht heeft hij na de Zonde niet verloren.

Rom. 8,22: “Want wij weten dat tot nu toe heel de schepping zucht en in barensweeën verkeert”, omdat de gevolgen nog steeds voortduren.

Rom. 8,23: “En niet alleen zij, maar ook wij, die de eerstelingen van de Geest bezitten, zuchten in onszelf terwijl wij wachten op de aanneming tot kinderen van God, de verlossing van ons lichaam.”

Hebben wij deze passage van de heilige Paulus ooit aandachtig gelezen?

Als we haar vanuit dit perspectief lezen, krijgt zij een andere diepgang!

Ik heb haar juist onderstreept omdat Paulus de ‘gelijkwaardigheid’ wil benadrukken tussen het geadopteerd worden en het ‘ook’ van ons lichaam ontvangen van de verlossing.

Gegeadopteerd worden betekent dat de Heer ‘ook’ de verlossing van ons lichaam bewerkt.

Paulus spreekt hier niet over de verlossing van onze Geest, want dat heeft hij eerder al gezegd.

‘De eerstelingen van de Geest’ hebben we al!

Maar desondanks zuchten wij in onszelf, net als de hele schepping, omdat ‘wij wachten op de verlossing van ons lichaam’.

Dit vers verklaart volgens deze lezing wat wordt bedoeld met ‘de verrijzenis van het vlees’: wij wachten op genezing van alle lichamelijke en psychische ziekten en misvormingen die door de Oerzonde zijn veroorzaakt.

In dit geval zijn ‘verlossing’ en ‘verrijzenis van het vlees’ hier gelijkwaardige termen.

In beide gevallen verwijzen zij naar de daadwerkelijke, volledige ‘genezing’ van de gevallen mens.

Wij weten niet waarom de Vader het geestelijke deel heeft verbonden met het materiële of psychische deel, dat soms zo verwoest is.

Hij beschouwt het herstel- of verlossingsplan vervolgens niet als voltooid totdat er sprake zal zijn van de volledige ‘verrijzenis van de lichamen’, oftewel ‘het terugbrengen van deze lichamen naar hun oorspronkelijke volmaaktheid’.

Daarom genieten wij, zoals de heilige Paulus zei, wel van de eerstelingen van de Geest, maar zolang wij de aanneming tot kinderen niet hebben voltooid met ook de verlossing van ons lichaam en onze psyche, dat wil zeggen de volledige genezing van alle gevolgen van de Oerzonde, zijn wij nog niet aan het einde van dit herstelplan gekomen.

Er is vervolgens in het Evangelie de betekenis van ‘verrijzenis’ in strikte zin.

Er zijn episoden van opstanding die in het Evangelie zeer goed worden beschreven, zoals die van Lazarus.

Een andere is die van Tabita, of die van de zoon van de weduwe van Naïn.

In de context van deze laatste gebeurtenis wordt in enkele regels uitgelegd waarom Jezus is gekomen.

De verrijzenis van het vlees, of genezing, in de evangeliën van Matteüs en Lucas

Jezus heeft veel gewerkt rond het thema van de ‘verrijzenis van het vlees’, opgevat als synoniem voor ‘genezing’, lang voordat Hij tot Zijn eigen Verrijzenis kwam.

Slechts twee evangeliën vertellen over de gebeurtenis waarbij de leerlingen van Johannes de Doper Jezus ondervragen: Matteüs en Lucas. Laten we beide teksten samen lezen.

Lucas

We beginnen met Lucas 7,18-23.

Lc. 7,18
‘Ook Johannes de Doper werd door zijn leerlingen op de hoogte gebracht van al deze gebeurtenissen.’

Die gebeurtenissen waren de volgende: overal waar Jezus kwam, genas Hij allen die naar Hem toe kwamen om genezen te worden omdat zij in Hem geloofden. En Hij had zelfs de zoon van de weduwe opgewekt.

Lc. 7,19
Johannes riep twee van hen bij zich en stuurde hen naar de Heer met de vraag:

“Bent U degene die komen moet of moeten wij op een ander wachten?”

Lc. 7,20
Toen die mannen bij Hem waren gekomen, zeiden zij:

“Johannes de Doper heeft ons naar U gestuurd om te vragen: ‘Bent U degene die komen moet of moeten wij op een ander wachten?’”

Laten we ons in het tafereel verplaatsen en ons voorstellen wat er gebeurde en wat Jezus als antwoord deed.

Jezus hield geen redevoering. Hij handelde eenvoudigweg.

Lc. 7,21
‘Op datzelfde moment genas Jezus velen van ziekten, kwalen en boze geesten en gaf Hij aan veel blinden het gezichtsvermogen terug.’

Lc. 7,22
Daarna, nadat Hij velen had genezen, gaf Hij hun dit antwoord:

“Ga Johannes berichten wat jullie hebben gezien: blinden zien weer, lammen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt de goede boodschap verkondigd.”

Wat zegt Jezus hier in drie regels?

‘Alles wat jullie als gevolg van de Oerzonde hebben ondergaan, ben Ik gekomen om weg te nemen.’

Hij hield geen conferentie, maar genas van kwalen, bevrijdde van boze geesten, wekte de doden op, zowel lichamelijk als geestelijk, en gaf hun vervolgens dit antwoord:

“Ga Johannes berichten wat jullie hebben gezien: blinden zien weer, lammen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt.”

En Hij eindigt met de doden. Daarmee worden hier niet alleen degenen bedoeld die lichamelijk gestorven zijn, maar ook allen die geestelijk dood zijn omdat zij erfgenamen zijn van de Oerzonde en wachten op het ‘leven’ van de Geest.

Zoals Jezus zegt in Johannes 5,24, worden zij ‘opgewekt’ op het moment dat zij de gave van het geloof aanvaarden. Vervolgens wordt aan de armen de goede boodschap verkondigd: de boodschap van de eeuwige verlossing.

En Hij besluit:

Lc. 7,23
“En zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt!”

Maar velen namen wel aanstoot aan Hem. Wat vervolgens gebeurde en het volk van Israël in tweeën splitste, was dat de Farizeeën, zelfs tegenover openbare gebeurtenissen die iedereen kon vaststellen, begonnen te zeggen dat Hij een satanist was en Zijn macht van Satan, van Beëlzebul, kreeg.

De meerderheid van de Joden liet zich daarin meeslepen en bleef buiten de Verlossing.

En toch zagen zij deze dingen met eigen ogen!

Hoeveel moeilijker is het dan voor ons, die tweeduizend jaar later moeten geloven zonder te zien?

Matteüs

Laten we nu bekijken hoe dezelfde gebeurtenis wordt weergegeven in het andere Evangelie, dat van Matteüs (Mt. 11,2-5).

Mt. 11,2-3
‘Toen Johannes in de gevangenis over de werken van Christus hoorde, stuurde hij via zijn leerlingen een boodschap naar Hem:

“Bent U degene die komen moet, of moeten wij op een ander wachten?”’

Jezus antwoordde hun:

“Ga Johannes berichten wat jullie horen en zien: blinden krijgen het gezichtsvermogen terug en lammen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, de doden worden opgewekt en het Evangelie wordt aan de armen verkondigd.”

Hierbij worden onder de ‘doden’ niet alleen degenen verstaan die lichamelijk gestorven zijn, zoals de zoon van de weduwe van Naïn, maar ook de ‘geestelijk doden’, die als gevolg van de Oerzonde van Gods Geest beroofd zijn (vgl. Gn. 6,3). Zij worden door het geloof opgewekt. Aan de armen — degenen die van het eeuwige Leven zijn onterfd — wordt het Evangelie verkondigd.

De essentie, het hart van de openbaring, is dus dit:

Toen Jezus Zich publiekelijk moest identificeren, omdat dat op dat moment was wat werd gezien door de ‘rustelozen’ of ‘agnostici’ van de tijd van Israël die de komst van de Messias verwachtten, identificeerde Hij Zich aan de hand van deze feiten en stelde Hij Zich met deze weinige woorden voor.

In wezen zei Hij:

“Ik kom de schade te herstellen die door de Oerzonde is veroorzaakt.”

De waarheid zal u vrijmaken

Ik wil nu de woorden van een ander Evangelie aanhalen, ditmaal van Johannes (Joh. 8,30-32):

Joh. 8,30-32
‘Terwijl Hij zo sprak, kwamen velen tot geloof in Hem. Jezus zei toen tot de Joden die in Hem geloofden:

“Als jullie trouw blijven aan Mijn woord, zijn jullie werkelijk Mijn leerlingen; jullie zullen de waarheid kennen en de waarheid zal jullie vrijmaken.”’

Let er goed op hoe Jezus de toekomende tijd gebruikt.

Wat is de waarheid waarop Jezus doelt?

De waarheid is juist deze: de waarheid over onze ‘vergankelijkheid’ nadat de mens volmaakt was geschapen.

Met don Guido worden wij ons hiervan bewust.

Als wij ons dit niet bewust worden, draaien we in cirkels, geloven we in het evolutionisme, het neodarwinisme, het theïstisch evolutionisme of het evolutionistisch-theïsme, en slikken we alle verschillende verhaaltjes die ons worden verteld:

dat de mens aan de top staat van een voortdurende evolutie en dat hij niet nu, maar misschien over honderd of tweehonderd jaar zichzelf ‘alleen’ zal redden.

Misschien wordt hij ingevroren. Ondertussen gaat de wetenschap vooruit en maakt zij vorderingen. Vervolgens wordt hij ontdooid, krijgt hij nieuwe genen ingebracht en wordt hij daarna eeuwig.

Hij redt zichzelf.

Het zijn geen grappen! Er zijn Amerikaanse bedrijven die goud geld verdienen met deze zaken.

En ik wil afsluiten met deze uitspraak van Johannes, waarin Jezus tegen de Zijnen zegt:

Joh. 16,12
“Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen het nu nog niet dragen.”

En hoe had Jezus aan de apostelen DNA en hybridisatie kunnen uitleggen als wij pas na 1960 zijn gaan begrijpen dat sommige zeer ernstige erfelijke afwijkingen verband hielden met veranderingen in de chromosomen en met DNA?

Wat had Jezus tegen die mensen kunnen zeggen?

Daarom gebruikte Jezus de toekomstige tijd: ‘jullie zullen kennen’.

Het feit dat wij de waarheid nu kennen, geeft ons de mogelijkheid om met grotere ernst herstel te zoeken door middel van de middelen die Hij ons heeft gegeven.

Daarom blijf ik erop aandringen dat de wetenschap in het Evangelie aanwezig is.

Maar we moeten haar eruit halen!

Genesis en Valtorta

Laten we nu enkele passages van Valtorta bekijken.

Vooraf wil ik zeggen dat ik sinds ik don Guido heb gelezen, mijn persoonlijke leven en mijn werkrelatie onder handen heb genomen. Mijn leven is veranderd.

Ik heb mezelf een regel opgelegd waarvan ik geen uitzonderingen maak: alles wat in strijd is met de Evangeliën, de Brieven van de heilige Paulus en de Apocalyps, gooi ik weg.

Ik doe werk dat naast consequentheid bepaalde principes vereist. En ik heb het Evangelie als maatstaf genomen.

De enige uitzondering is Valtorta, omdat zij het Evangelie niet tegenspreekt.

Toen ik don Guido las, kende ik Valtorta nog niet. Pas daarna heb ik kennis met haar gemaakt.

Valtorta is, naar mijn overtuiging, volledig in overeenstemming met alles wat ik zojuist uit de Evangeliën heb aangehaald en met wat don Guido zegt.

Ik maak deel uit van de parochie van de Basilica della Santissima Annunziata in Florence, waar Valtorta begraven ligt. Het is tweehonderd meter van mijn huis.

De ware mystici komen vroeg of laat altijd naar voren, ook als zij, zoals Pater Pio, zijn bestreden.

Toen ik na het lezen van don Guido Valtorta ging lezen, vond ik aanvankelijk de Quaderni erg moeilijk, terwijl Het Evangelie zoals het mij is geopenbaard zeer duidelijk is: het vertelt, alleen uitgebreider, alles wat we in het Evangelie vinden.

Er is een enkele niet eerder bekende episode, of een gebeurtenis wordt uitgebreider verteld, maar ik heb niets gevonden dat het Evangelie tegenspreekt.

De Quaderni van Valtorta

Wat voor ons interessant is, omdat ze over de oorsprong van het menselijk geslacht spreken, zijn de Quaderni, in het bijzonder die uit 1943 en 1946.

Ik zal slechts twee zeer krachtige citaten van deze mystica geven, omdat ze nauw verbonden zijn met de openbaring die don Guido heeft ontvangen.

Hier spreekt Jezus over de gevolgen van de Oerzonde.

Laten we bedenken dat Valtorta alles onder dictaat heeft geschreven. En we kunnen gerust zijn over de juistheid, want als er ook maar een komma verkeerd stond, corrigeerde Jezus die.

Het is niet zoals bij het verhaal van Emmerich, dat aan iemand werd verteld en vervolgens door die persoon werd opgeschreven.

Ook bij private openbaringen moet men onderscheid maken.

Valtorta heeft het zelf rechtstreeks opgeschreven. En niet alleen dat: de controle van Jezus was voortdurend.

Lichamelijke lelijkheid en de gevolgen van de Schuld

Het eerste citaat dat ik wil geven gaat, van de vele gevolgen van de Oerzonde, over lichamelijke lelijkheid. Het komt uit de Quaderni van ’43, dictaat van 15 oktober 1943, p. 379.

Wij weten dat lichamelijke lelijkheid en schoonheid een beoordelingsmaatstaf hebben die voor iedereen geldt. Iedereen heeft die, de een meer, de ander minder, in zich.

Er zijn Amerikaanse studies die hebben aangetoond dat wij allemaal bepaalde basisparameters in ons hebben die voor iedereen hetzelfde zijn.

Laten we horen wat het eerste fragment zegt:

“De lichamelijke lelijkheid is bij de mens gekomen als een van de vele gevolgen van de Schuld. De Schuld heeft niet alleen de geest beschadigd, zij heeft door deze beschadigingen ook het vlees aangetast. Uit de geest, die de Genade had verloren, zijn tegennatuurlijke instincten voortgekomen die de monsterachtigheden van het ras tot vrucht hebben gehad. Als de mens de zonde niet had gekend, zou hij bepaalde prikkels niet hebben gekend en zou hij geen verwerpelijke en vervloekte verbonden zijn aangegaan die vervolgens door de eeuwen heen als een merkteken van lelijkheid op de oorspronkelijke schoonheid hebben gedrukt.

En zelfs wanneer de mens zichzelf niet zover bracht dat hij zich door bepaalde schuldige daden verlaagde, heeft de slechtheid, wanneer die tot misdadigheid werd doorgevoerd, haar stigmata gedrukt op de gezichten van de slechten en op hun nakomelingen, stigmata die jullie vandaag nog bestuderen om de misdaad te bestrijden.”

Hier wordt waarschijnlijk verwezen naar Cesare Lombroso, die onderzoek heeft gedaan naar gelaatstrekken in relatie tot bepaalde ernstige misdrijven en criminele geschiedenis.

Het citaat gaat verder:

“Maar jullie, wetenschappers die ze bestuderen, zouden moeten beginnen met het wegnemen van het eerste merkteken van misdadigheid uit jullie hart: datgene wat jullie opstandig maakt tegen God, tegen Zijn Wet, tegen Zijn Geloof.

De geest moet worden genezen en niet de schuld van vlees en bloed worden onderdrukt.

Als de mens eerst zichzelf zou genezen en vervolgens de geestelijke opvoeding van zijn broeders zou verzorgen, door deze geest te erkennen die de drijfveer van jullie daden is en hem niet met woorden en nog meer met de daden van jullie hele leven te ontkennen, zou de misdaad afnemen totdat zij een sporadische uiting zou worden van een arme geesteszieke …”

Zoals u kunt zien, wordt lelijkheid verbonden met de Oerzonde.

Nu wij weten hoe de zaken zijn verlopen, begrijpen we dat ook lelijkheid het resultaat is van hybridisatie.

Hybridisatie en de ‘mens-dier’

Het tweede fragment heb ik ontleend aan het boek met de Quaderni tussen 1945 en 1950: dictaat van 30 december 1946, p. 285.

Ik wil u er enkele regels uit voorlezen. Hier zullen we zien dat het resultaat van hybridisatie de mens-dier is.

“Ik hoor het bericht dat men in een grot skeletten van de aapmens heeft gevonden. Ik blijf peinzend en zeg: ‘Hoe kunnen ze dat beweren? Het zullen lelijke mensen zijn geweest. Aapachtige gezichten en aapachtige lichamen bestaan ook nu nog. Misschien waren de primitieve mensen anders dan wij wat hun skelet betreft.’

Er komt een andere gedachte bij mij op:

‘Maar anders in schoonheid. Ik kan niet denken dat de eerste mensen lelijker waren dan wij, aangezien zij dichter stonden bij het volmaakte exemplaar dat God had geschapen en dat zeker prachtig en bovendien zeer sterk was …’

Jezus spreekt tot mij en zegt:

‘Zoek de sleutel in het zesde hoofdstuk van Genesis. Lees het.’

Ik lees het.

Hij vraagt mij:

‘Begrijp je het?’

‘Nee, Heer …’

Jezus glimlacht en antwoordt:”

“Je bent niet de enige die het niet begrijpt. De geleerden begrijpen het niet en de wetenschappers evenmin, de gelovigen niet en de atheïsten niet. … Nadat de Zonen van God zich hadden verenigd met de dochters van de mensen en deze kinderen hadden gebaard, kwamen daaruit die machtige mannen voort, die door de eeuwen heen beroemd zijn geworden.

Dit zijn de mannen wier krachtige skelet jullie wetenschappers treft, waardoor zij concluderen dat de mens aan het begin der tijden veel groter en sterker was dan tegenwoordig, en uit de structuur van hun schedel leiden zij af dat de mens van de aap afstamt. De gebruikelijke vergissingen van mensen tegenover de mysteries van de schepping.”

De tekst vervolgt:

“Begrijp je het nog steeds niet? Ik zal het beter uitleggen. Als de ongehoorzaamheid (van Adam) het kwaad met al zijn verschillende uitingsvormen in de onschuldigen had kunnen inbrengen …, welke veel diepere decadentie en welke veel diepere overheersing door Satan moet deze tweede zonde dan hebben veroorzaakt?

‘Tweede’ ten opzichte van die van Adam: namelijk die van de verbintenis van de Zonen van God met de dochters van de mensen. … Als de eerste zonde van Adam de mens zo sterk heeft doen ontaarden, welke ontaarding moet dan de tweede hebben voortgebracht, waaraan bovendien Gods vloek verbonden was?

Want als Adam vooraf niet wist wat het gevolg van zijn zonde zou zijn, wisten de Zonen van God dit wél toen zij de dochters van de mensen, dat wil zeggen de hybriden, tot bijvrouwen namen! Welke voedingsbodems voor de zonde in het hart van de mens-dier, die van God verstoken is …?

De aftakking van de ene tak (de onwettige), die welke vergiftigd was door het bezit van Satan, hield niet op en kreeg duizend gezichten (duizend varianten, zowel lichamelijk als moreel, volgens de wetten van Mendel).

Waar God niet is, is Satan. Waar de mens geen levende ziel meer heeft (een dode ziel omdat zij niet langer door de Geest van God wordt bezield), daar is de mens-bruut.

De bruut houdt van de bruten. Mooi en verleidelijk lijkt hem wat afschuwelijk is. Het geoorloofde bevredigt hem niet. … En waanzinnig van wellust zoekt hij het ongeoorloofde, het vernederende, het beestachtige.”

De tekst vervolgt met de beschrijving van de nakomelingen die uit deze verboden verbindingen zouden zijn voortgekomen:

“Degenen die geen Zonen van God meer waren (dat wil zeggen de zonen van de mensen), gingen over tot dit ongeoorloofde, vernederende, beestachtige gedrag. En zij kregen ‘monsters’ als zonen en dochters: die ‘monsters’ die nu de wetenschappers treffen en hen op een dwaalspoor brengen.

Die ‘monsters’ …, voortgekomen uit de verbintenis tussen Kaïn en de bruten, tussen de afschuwelijk lelijke zonen van Kaïn en de wilde dieren (de pre-menselijke soort van de voorouders), verleidde de Zonen van God, dat wil zeggen de nakomelingen van Set.

Toen zond God, om te verhinderen dat de tak van de Zonen van God volledig zou worden verontreinigd door de tak van de zonen van de mensen, de algemene Zondvloed om, onder het gewicht van de wateren, de wellust van de mensen te doven en de ‘monsters’ te vernietigen die uit de wellust zonder God waren voortgekomen …”

De tekst keert vervolgens terug naar de moderne mens en diens interpretatie van zijn oorsprong:

“En de mens, de huidige mens, fantaseert over lichamelijke kenmerken en jukbeenhoeken en wil geen Schepper erkennen, omdat hij te hoogmoedig is om te erkennen dat hij gemaakt is; daarom aanvaardt hij de afstamming van de bruten!

Om tegen zichzelf te kunnen zeggen: ‘Wij zijn uit onszelf geëvolueerd van dieren tot mensen.’ (En misschien zullen we ons ook uit onszelf redden …!)

Hij verlaagt zichzelf en degradeert zichzelf, omdat hij zich niet voor God wil vernederen. En hij daalt af. O, wat daalt hij af! Ten tijde van de eerste verdorvenheid had hij het uiterlijk van een dier. …”

Jezus spreekt, net als in andere passages, duidelijk over de geboorte van ‘monsters’.

Waarom legt Jezus de hele dynamiek van de erfzonde niet uitvoeriger aan Valtorta uit?

“Ik zou het onderwerp uitvoeriger hebben behandeld om de theorieën van al te veel pseudo-geleerden te weerleggen.”

Jezus verwijst opnieuw naar de evolutionisten en noemt hen ‘pseudo-geleerden’.

Kennelijk werkt de Heer Zijn uitleg over de dynamiek van de gebeurtenissen die de erfzonde hebben gevormd niet verder uit, omdat Hij al had besloten het onderwerp van de oorsprong uitvoerig met don Guido te behandelen, gezien de omvang van het thema en het feit dat het DNA in 1946 nog niet bekend was. Aan Valtorta beperkt Hij zich dus tot het beschrijven van de gevolgen ervan.

“Ik zou grote mysteries hebben onthuld. Opdat de mens zou weten, nu de tijden rijp zijn.”

‘Rijp’, omdat we ten tijde van dit dictaat in 1946 zijn, zogezegd aan de vooravond van de ontdekking van het DNA.

“Het is niet langer de tijd om de menigten tevreden te stellen met sprookjes.”

De ‘sprookjes’ zijn, zo kunnen we vermoeden, het verhaal van de boom en de appel, de slang en dergelijke, zoals het door velen wordt opgevat. Maar het kunnen ook de theorieën van het evolutionisme en het theïstisch evolutionisme zijn.

De tekst vervolgt:

“Onder de metafoor van de oude verhalen (hier wordt gezinspeeld op de metaforen van de Mozaïsche Genesis) bevinden zich ‘de sleutelwaarheden’ tot alle mysteries van het universum … Opdat de mens door het kennen van de waarheid de kracht zou putten om uit de afgrond omhoog te klimmen.”

Daar ligt het uiteindelijke doel van de kennis!

We zien dus dat de Heer zelf de wetenschappelijke aard van Genesis bevestigt, die ‘de sleutelwaarheden’ van alle mysteries van het universum bevat.

Kennelijk is een van de verschillende redenen waarom de Heer geen andere begrippen aan Valtorta openbaart en deze liever uitvoerig met don Guido behandelt, dat er vijftien jaar moesten verstrijken voordat men het DNA begon te leren kennen. Dat DNA is van het grootste belang, ja essentieel, om te bestuderen wat de gevolgen van hybridisatie zouden zijn geweest.

Ter afsluiting

Daarom heb ik zo sterk de nadruk gelegd op het ‘mysterie van het lijden’ en het ‘mysterie van het kwaad’: omdat wij er allemaal door worden geraakt, de een meer, de ander minder.

Jezus is juist daarom gekomen: om ook deze zaken weer op orde te brengen.

Het is duidelijk dat we vandaag al in een Eden zouden zijn als we ons allemaal zouden hebben bekeerd. Maar dat is niet gebeurd.

En ook degenen die in de statistieken als katholieke christenen worden aangemerkt, begrijpen niet altijd wat het betekent om ter Communie te gaan, wat het betekent om gedoopt te worden, te biechten of het Ziekenolie te ontvangen, dat door velen nog steeds het ‘Laatste Oliesel’ wordt genoemd.

Vroeger wist men dat dit sacrament ook een genezende functie had en dat zieke mensen vaak baat hadden bij deze zalving.

Niemand zag tot nu toe zo’n nauw verband tussen de erfzonde en de sacramenten!

De Verlossing is gekomen om de schade te herstellen die wij zien én die wij niet zien. Het probleem is dat dit niet op deze manier wordt uitgelegd.

Ik kan getuigen dat ik, sinds ik iedere dag naar de Mis ga en iedere dag bewust de Communie ontvang, veel minder vaak ziek word.

Wat telt, is dat men zich hiervan bewust wordt.

Waaruit bestaat dus de ‘Blijde Boodschap’?

Uit de mogelijkheid van een volledige genezing, van het herstel van de menselijke natuur zoals die oorspronkelijk was, en uit de mogelijkheid om toegang te krijgen tot het Koninkrijk der Hemelen.

De eerste twee zullen binnenkort volledig worden verwezenlijkt, wanneer nieuwe aarde en nieuwe hemelen zullen verschijnen; de derde is al verwezenlijkt voor degenen die Jezus vanaf Zijn Verrijzenis hebben aanvaard.

Het begrijpen van de boodschap van deze openbaring betekent dat men het volledige panorama van de mensheid in handen heeft, vanaf haar schepping en val tot aan haar herschepping.

Presentatie van de tekst

Het onderwerp is ontleend aan de voordracht die dr. F. S. Martelli hield ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van het overlijden van don Guido Bortoluzzi, tijdens de herdenking in Farra d’Alpago op 2 oktober 2012.

Het werk is verdeeld in drie delen.

In het eerste deel wordt de nederlaag van het evolutionisme vastgesteld door middel van een statistische en praktische demonstratie van de onjuistheid van de theorie van de chromosomale reductie.

In het tweede deel wordt het mysterie van het kwaad en het lijden behandeld. De openbaring van don Guido, die de oorsprong van de mens bekendmaakt — geschapen in volmaaktheid, zoals de Bijbel zegt — en vervolgens de val, ofwel de hybridisatie van de menselijke soort, geeft volgens deze visie een rationele verklaring voor het ontstaan van chromosomale afwijkingen en ander lijden.

In het derde deel wordt de verhouding tussen de erfzonde en de Verlossing belicht, worden de oneigenlijke manieren beschreven waarop het geloof wordt behandeld, en wordt de wetenschappelijke aard van de Schrift, en in het bijzonder van de evangeliën, verdedigd.

Als uitgangspunt wordt aangenomen dat degene die deze tekst leest nog nooit van don Guido en de ‘Bijbelse Genesis’ heeft gehoord. Hooguit zal hij nieuwsgierig worden en het later zelf willen gaan lezen.

Website http://www.guidobortoluzzi.org

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑