De Schepping is Herschepping
(Een historiografische en ontologische interpretatie)
Schepping of evolutie? Twee onverzoenlijke kampen bestrijden elkaar: de orthodoxe darwinisten en de klassieke creationisten.
De darwinisten schrijven het ontstaan van het leven en de mensheid toe aan het blinde toeval. Dit is een wetenschappelijk en filosofisch onhoudbaar standpunt; het is absurd om het ontstaan van complexe organische structuren en het menselijk bewustzijn toe te schrijven aan een louter mechanische afvalrace.
Maar ook de traditionele creationisten schieten tekort. Het tegenovergestelde van een dwaalleer is immers niet automatisch de volle waarheid. Gelovigen moeten niet langer schromen om de realiteit van de voorschepping te onderkennen. Hoe kunnen we volhouden dat de gehele werkelijkheid en de mensheid pas vierduizend jaar vóór Christus zijn ontstaan? Archeologisch en geologisch staat vast dat er reeds mensachtigen en bewoonde werelden waren. Het blijft een goddelijk mysterie wanneer de Schrift spreekt over Adam als de eerste mens. We kunnen Christus immers eveneens aanduiden als de ‘Eerste Mens’ (de nieuwe Adam), zonder dat iemand zal beweren dat Hij genetisch de allereerste bewoner van deze aarde was.
Zeker, biologische aanpassing en natuurlijke selectie in darwinistische zin bestaan – zij dragen vaak het stempel van een gewelddadige, vervallen natuur – maar zij bieden geen verklaring voor het ontstaan der soorten (speciatie). Trouwens, waar is het veronderstelde overgangsarchief? In de geologische sedimenten vindt men daar niets van terug, ondanks de rijkdom van het fossielenbestand. In plaats van een geleidelijke accumulatie van mutaties toont het fossielenarchief telkens een plotselinge uitbarsting van evolutionaire drift op de drempel van elk geologisch tijdperk. De beginstadia van nieuwe groepen worden gekenmerkt door een explosie van nieuwe vormen. Dit wijst niet op blind toeval, maar op het ingrijpen van de Schepper langs een vooraf bepaald biologisch en ontologisch traject.
1. Een herschikking van het reeds bestaande
Een voornaam struikelblok voor het juiste begrip van het Genesisverhaal is het onnauwkeurige begrip van het werkwoord ‘maken’. We lezen in Genesis 1:7: “En God maakte het uitspansel”, en in Exodus 20:11: “Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, en Hij rustte op de zevende dag.”
De oppervlakkige lezer stelt ‘maken’ gelijk aan ‘scheppen’. In het openingsvers van de Bijbel staat echter: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” De Hebreeuwse grondtekst gebruikt hier twee fundamenteel verschillende werkwoorden: voor scheppen gebruikt de auteur bara (בָּרָא), maar voor maken gebruikt hij asah (עָשָׂה).
Het linguïstisch onderscheid tussen Bara en Asah:
- Bara (בָּרָא): Duidt op een goddelijke daad van schepping uit het niets (creatio ex nihilo) of het tot stand brengen van een volstrekt nieuwe ontologische werkelijkheid.
- Asah (עָשָׂה): Betekent ordenen, formeren, herschikken of aanstellen. Het woord wordt gebruikt wanneer God kleding maakt voor de mens, of wanneer de mens kleding voor zichzelf vervaardigt (Gen. 3:21, Ex. 28:2). Het betreft steeds de bewerking of transformatie van materiaal dat al aanwezig is. Het heeft ook de betekenis van ‘bestemmen’ of ‘een nieuwe functie geven’.
Wanneer de Schrift vermeldt dat God de hemel en de aarde ‘maakte’ (asah), duidt dat niet op de primordiale schepping ‘in het begin’. Het verwijst naar de bewerking en ordening van een reeds bestaande, doch in verval geraakte kosmos. De zon, de maan en de kosmische lichamen bestonden reeds lang binnen de voorschepping, maar werden tijdens de zesdaagse werkperiode van het herstel aangesteld (asah) om voor het nieuwe, volmaakte mensenras de tijden en seizoenen te bepalen.
De Zes Dagen duiden dus niet op de kosmogonie uit het niets, maar op het goddelijke herstelwerk waarin de gedegradeerde werkelijkheid van de voorschepping werd geherstructureerd om tot een menswaardige woonstede te dienen voor Adam. Nadat deze ordening voltooid was, rustte God van zijn ‘creatieve werk’ (melachah) en droeg Hij het beheer over aan de volmaakte Mens.
2. “Zij zijn een rook in Mijn neus”
Veel lezers hanteren een romantisch beeld van de schepping van Adam. De Bijbelse werkelijkheid en de linguïstische analyse van de grondtekst zijn echter verre van romantisch. De profetische teksten lichten een tipje op van de grimmige staat van de planeet voorafgaand aan de komst van Adam. Zo beschrijft Jeremia (4:23-26) in schokkende beelden de toestand van de aarde:
“Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig (tohu wa bohu), en het licht aan de hemel was verdwenen. Er was geen mens meer, en alle vogels waren gevlucht. Het vruchtbare land was een woestenij – vanwege de Heer, om Zijn ziedende toorn.”
In Genesis 2:7 is bij de formatie van Adam geen sprake van een lieflijk blazen van Gods ziel (neshama) in de menselijke neusgaten. Het Hebreeuwse idioom duidt eerder op een heilige verontwaardiging – een ingehouden goddelijke toorn die zich uit in een krachtig naar binnen snuiven en een daaropvolgend krachtig uitblazen. Vergelijk dit met Psalm 18:16: “Zichtbaar werd de bedding der wateren (…) door Uw dreigen, o Heer, door het snuivend gebries van Uw neus.” De levensadem die de Mens tot een levende ziel maakt, komt voort uit de mond van God, want: “De mens leeft bij alles wat uit de mond des Heren komt” (Deut. 8:3).
Op de eerste pagina’s van de Bijbel ontmoeten we de reeds aanwezige ‘beesten des velds’ en een ‘damp’ (ad) die uit de aarde opsteeg. Deze aarde van de voorschepping werd bewoond door voormenselijke en gedegradeerde wezens. Zij bedreven primitieve vormen van occultisme en bezaten niet de morele en spirituele status van de ideële Mens. Zij waren beestachtig en ontbeerden de volmaakte natuur waarmee de Mens oorspronkelijk in de goddelijke gedachte geconcipieerd was.
Het Hebreeuwse woord voor deze ‘damp’ – ad (אֵד) – is een sleutelbegrip. Het wijst niet op een onschuldige meteorologische nevel, maar op een verwoestende walm of rook, verbonden met vuur en degradatie (vgl. het Griekse atmis in Handelingen 2:19 en Jakobus 4:14). Vuur en verstikkende rook staan in de bijbelse symboliek voor demonische aanwezigheid en verwoesting. Jesaja (65:3-5) typeert de afgodische en gedegradeerde mensachtigen van de voorschepping met de woorden: “Een volk dat Mij voortdurend tergt (…) zij zijn een rook in Mijn neus.” Het Bijbelse paradijselijke herstel is geplaatst als het goddelijke antwoord en tegenbeeld op deze duistere werkelijkheid.
3. De Hiaat-theorie: De breuk tussen Schepping en Herschepping
De wereld van de voorschepping was vervallen tot chaos. De Bijbel vermeldt in Genesis 1:1 dat God in het absolute begin de hemel en de aarde schiep (bara). Het daaropvolgende vers concentreert zich uitsluitend op de aarde. Tussen vers 1 en vers 2 ligt een diepe historische en geologische breuk – een hiaat.
In Genesis 1:2 staat dat de aarde “woest en ledig” was. Het Hebreeuwse Tohu wa Bohu (תֹּהוּ וָבֹהוּ) beschrijft een toestand van desolate verwoesting, vernietiging en ontregeling. Jesaja 45:18 zegt uitdrukkelijk dat God de aarde niet geschapen heeft om een tohu (woestenij) te zijn. De aarde is tot die toestand vervallen.
Taalkundig is dit helder: het Hebreeuwse werkwoord hajah (הָיְתָה) in vers 2 moet niet passief vertaald worden als “de aarde WAS woest”, maar dynamisch als “de aarde WAS WOEST GEWORDEN”. De syntaxis ondersteunt dit: het voegwoord vav aan het begin van vers 2 heeft hier een adversatieve functie. De juiste vertaling luidt:
“In het begin schiep God de hemel en de aarde. Nochtans was de aarde tot een woestenij geworden, en duisternis lag op de afgrond.”
Als de auteur had willen uitdrukken dat de aarde vanaf het allereerste begin een ongevormde klomp klei was, zou er het Hebreeuwse va-tehi ha-aretz hebben gestaan. Er is echter sprake van een catastrofale breuk. In het onmeetbare tijdperk van de voorschepping – miljoenen jaren die buiten het directe religieuze zoeklicht van de auteur vallen – geraakten de planeet en haar voormenselijke bewoners in een staat van diepe ontsporing.
Genesis 1:2b vormt de scharnier naar de goddelijke hersteloperatie: “En de Geest van God zweefde [broedde] over de wateren.” Zoals een vogel broedt op een ei om nieuw leven voort te brengen, zo schijnt de Geest over de chaos van de gezonken werkelijkheid. God spreekt Zijn scheppend Woord: “Daar zij licht!” Dit is de start van het goddelijke verlossings- en herstelplan; het Licht breekt door in de duisternis (vgl. Johannes 1:5).
De termen Tohu wa Bohu dragen daarnaast een diepe kosmologische en profetische lading. Bohu is etymologisch verwant aan de primordiale chaotische machten en de afgodische mysteries van de diepte (de Leviathan, de zeemonsters, het beest uit de afgrond). In het heidendom van de voorschepping zochten wezens door middel van occulte initiatieriten een terugkeer naar deze primordiale chaos. De goddelijke Herschepping stelt de Mens daarentegen aan in een geordende, volmaakte Hof van Eden, beschut tegen de machten van de afgrond.
4. De unieke status en de eenheid van het Menselijk Paar
Binnen deze geherstructureerde Hof plaatste God het unieke, volmaakte menselijk paar: Adam en de Vrouw.
God schiep Adam uit het ‘stof der aarde’ (Gen. 2:7). Volgens de hypothetische synthese houdt dit in dat God niet werkte vanuit een absolute creatio ex nihilo, maar middels een Middellijke Schepping: Hij prepareerde de biologische bouwstenen uit de voorschepping (een voormenselijke matrix of draagmoeder), maar schiep daarin rechtstreeks en zonder genetische overerving van de voormens de volmaakte, bevruchte eicel van de Eerste Mens. Adam had – evenals Melchisedec – geen menselijk of voormenselijk voorgeslacht. Hij was een directe, volmaakte schepping van God.
Wat de formatie van de Vrouw betreft, vermeldt de Hebreeuwse tekst niet dat God haar simpelweg ‘maakte’ uit een ribbe van Adam. Het woord dat dikwijls met ‘rib’ wordt vertaald – tsela (צֵלָע) – betekent letterlijk ‘zijde’, ‘flank’ of ‘geheime kamer’ (biologisch te duiden als de genetische component of ovule / eicel). De Vrouw werd rechtstreeks geprepareerd uit het genetisch patrimonium van Adam zelf, waardoor zij van exact dezelfde volmaakte menselijke natuur was.
Dit eerste Mensenpaar bezat een absolute, harmonieuze eenheid in geest, wil en intellect. Zij waren zo volkomen één in hun handelen en denken dat de Schrift hen in ontologische zin als eenheid aanduidt. Waar de Psalmist spreekt in Psalm 8:6: “U hebt hem heerser gemaakt over de werken van Uw handen”, verwijst ‘hem’ naar het ene, onverdeelde Menselijke Paar dat door God was aangesteld om te heersen over de herstelde schepping.
5. De Hiaat-theorie vanuit Traditioneel Joods en Ontologisch Perspectief
De Hiaat-theorie – ook bekend als de ruïne-reconstructie-interpretatie – is een theologische exegese die de darwinistische evolutieleer ruimschoots voorafgaat. Zij stoelt op de schriftuurlijke vaststelling dat Genesis 1:2 expliciet stelt dat de planeet Aarde reeds bestond alvorens de Zes Dagen van het herscheppingsproces aanvingen, zij het in een desolate en verwoeste staat (Tohu wa Bohu).
In haar commentaar op de openbaringen van Don Guido Bortoluzzi (Sintesi della Genesi Biblica) belicht Renza Giacobbi de unieke, goddelijke biologie achter de formatie van het Gezalfde Paar:
“Om de eerste Mens (Adam) te scheppen, vormde God rechtstreeks de twee gameten voor zowel de mannelijke als de vrouwelijke component. Om vervolgens de eerste Vrouw te scheppen, creëerde de Almachtige uitsluitend de ovule [eicel] in de baarmoeder van de voormenselijke draagmoeder, aangezien de spermatozoïde reeds door de Jongeman (Adam) beschikbaar was gesteld. God liet Adam in een diepe slaap vallen – zoals Mozes in Genesis vermeldt – opdat hij zich geen herinnering zou bewaren aan wat zich met dat voormenselijke wezen had voltrokken en hij deze vereniging niet uit eigen beweging zou herhalen.
Langs deze weg stelde God een ontologische hiërarchie in: eerst de Man als hoofd van de mensheid, en uit hem de Vrouw. Het biologische instrument – het voormenselijke vrouwtje dat als ‘incubator’ diende – behield na deze twee unieke, directe goddelijke ingrepen haar zuiver dierlijke genoom. Zij bleef in staat om via haar eigen soort kleintjes van het voorouderlijke ras voort te brengen, maar zou bij een eventuele gemeenschap met de Man hybride exemplaren verwekken volgens de wetten van de erfelijkheid. Om die reden was het haar strikt verboden nog gemeenschap te hebben met de Mens, nadat zij als instrument van God had fungerend voor de geboorte van het verheven menselijk ras.”
Van ‘Stof’ (Afar) tot de Celestiale Natuur
Het Hebreeuwse woord voor stof is afar (עָפָר), dat linguïstisch verwant is aan Ofra en Ofir. Waar afar in alledaagse zin op aarde en gruis duidt, verwijst het in de context van de oorspronkelijke schepping eerder naar ‘stofgoud’ – een substantie met een hemelse glans. Stofgoud is de bijbelse metafoor voor het primordiale, onverderfelijke menselijke lichaam dat nog niet onderworpen was aan de cyclus van de dood.
Wanneer de slang in de Hof van Eden veroordeeld wordt tot het “vreten van stof”, betekent dit dat dit duastere principe gevangen blijft in de louter materiële, biologische vorm en nooit kan opklimmen tot de hemelse sferen. De latere paradijsvloek verklaart dat de mens, door de schending van het goddelijk gebod, zijn celestiale status verloor: hij kwam voort uit het verheven stof, maar zou door verval tot het materiële stof van de aarde terugkeren.
Beeld (Tzelem) en Gelijkenis (Demut)
Toen God sprak: “Laat Ons de Mens maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis” (Gen. 1:26), gebruikt de tekst in vers 27 uitsluitend het begrip beeld (tzelem): “God schiep de mens naar Zijn beeld.” De ‘gelijkenis’ (demut) wordt hier weggelaten. Onder de vroegchristelijke kerkvaders (zoals Origenes) en binnen de Joodse exegese wordt een essentieel onderscheid gemaakt:
- Het Beeld van God: De onuitwisbare, constitutionele structuur van de menselijke ziel (voorzien van intellect, vrije wil en herinnering). Dit stempel maakt de mens tot eigendom van God, zoals de afbeelding van de keizer op een Romeinse munt zijn eigenaar verraadt.
- De Gelijkenis met God: Het dynamische doel dat de mens in vrijheid en gehoorzaamheid moest bereiken: de totale wilsovereenstemming met de Schepper (het goddelijke FIAT).
De kracht van Satans verleiding lag in de belofte dat het Mensenpaar deze ontologische status van ‘gelijkenis’ op eigen kracht en buiten God om kon grijpen (“Gij zult als God zijn”). In hun oorspronkelijke staat bezaten Adam en de Vrouw een volmaakte, intuïtieve wijsheid, maar zij moesten nog rijpen in het doorgronden van de dynamiek van het kwaad.
Door de overtreding en de daaropvolgende gemeenschap van Adam met het voormenselijke wezen (de aapachtige Eva/Adamah) trad de erfzonde in: het zuivere goddelijke stempel bleef in de menselijke ziel aanwezig, maar de gelijkenis ging verloren in een neergaande spiraal van biologische hybridisatie en moreel verval (Gen. 5:1-3).
De Priesterlijke Roeping van het Gezalfde Paar
Adam en de Vrouw waren niet de eerste hominiden op aarde; zij waren de eerste mensen in de verheven, goddelijke zin van het woord. Zij worden geplaatst te midden van een reeds bestaande wereld van voormenselijke populaties.
Het Gezalfde Paar ontving een tabernakelroeping: zij waren aangesteld als koning-priesters om te bemiddelen tussen de Tegenwoordigheid van God en de reeds aanwezige voormenselijke wezens. Hun opdracht was om het heidendom en de beestachtige staat van de voorschepping te transformeren en te heiligen.
In de Schrift wordt het Mensenpaar aandeduid als “één levende ziel” (Gen. 2:7). Zij droegen de integrale Zalving van de Heilige Geest. Met de val ontspoorde deze missie echter rampzalig:
- De verheven eenheid tussen Adam en zijn Vrouw werd verbroken.
- Adam zocht ongeoorloofde gemeenschap met de biologische matriarch van het voormenselijke ras (het vrouwtje dat Kaïn voortbracht).
- Het afgodische en ontregelde principe – in de mythologie gecodeerd als Tehom of Tiamat – trachtte de goddelijke macht van het Gezalfde Paar naar zich toe te trekken (“de hand op de troon des Heren”).
Herstel door de Tweede Adam en de Tweede Eva
De historische breuk die in de Hof van Eden ontstond, wordt pas definitief hersteld in het Verlossingswerk van Jezus Christus en de Maagd Maria.
Zoals Adam de eerste mens van het herstelde ras was, zo is Christus de Tweede Adam (1 Kor. 15:47). En zoals de oorspronkelijke Vrouw gevormd werd uit het genetisch patrimonium van Adam alleen, zo werd Christus geboren uit een Maagd, zonder menselijke vaderlijke inbreng.
De mystieke eenheid tussen Christus en Maria – en via haar de Kerk – is het herstel van de oorspronkelijke, volmaakte eenheid waarin het eerste Mensenpaar voor de val wandelde. Waar Adam faalde door zich te vermengen met de voormenselijke chaos van de wereld, volbracht Christus het goddelijke FIAT: de volkomen wilsovereenstemming met de Vader.
Door de Mensheid opnieuw op te nemen in deze goddelijke eenheid (“Opdat zij allen Eén zijn”, Joh. 17:21), baant de Herschepping de weg terug van het aards verval naar het hemelse stofgoud van de verrijzenis.
6. De Paradijsvloek en de Biologie van de Val
Het Mysterie van de Gezalfde Ziel en het Bloed
De adem die God de mens in de neusgaten blies, was geen neutrale levenskracht, maar de gezalfde adem van de Schepper. Door deze goddelijke inspiratie werd Adam een levende ziel (nefesj chajah). Ontologisch laat de naam Adam zich ontleden als Aleph-Dam (א-דם) – de Aleph in het bloed. De letter Aleph (א) vertegenwoordigt het goddelijke Beginsel. Aangezien de ziel van het vlees zich in het bloed bevindt (Lev. 17:11), betekent Adam letterlijk: de Zalving in de mens, oftewel de Gezalfde.
Het spiegelbeeld van Aleph in het Hebreeuws is Pala (פלא), wat duidt op het verborgene, het geheimzinnige mysterie. Jesaja spreekt in dit verband over de Messias als Pala Yoetz – de Wonderbare Raadsman (Jes. 9:5).
De Klieving van het Paar en de Kosmische Dualiteit
Oorspronkelijk vormden Adam en zijn Mannin (Adamah) getweeën de Gezalfde des Heren. De metafysische aaneenkleving waarvan Genesis 2:24 spreekt, werd door de zondeval meedogenloos gekloven. Dat kleven en klieven in de grondtekst door hetzelfde Hebreeuwse woord dabak (דָּבַק) worden uitgedrukt, openbaart het mysterie van de paradijsvloek: met het klieving van de mens werd ook de Zalving gekloven.
| Oorspronkelijke Staat | Gekloven Toestand na de Val |
|---|---|
| Het Gezalfde Paar (Één Vlees) | Gesplitst in Hoofd (Adam) en Lichaam (Adamah) |
| Harmonizouïsche Eenheid | Dualiteit van Verstand vs. Intuïtie, Man vs. Vrouw |
| Co-creatie met God | Heerschappij en Uitbuiting (“Hij zal over u heersen”) |
De Genese van de Mensheid: Bruggenhoofd en Incubator
Om de biologie van de val en de erfzonde te begrijpen binnen de hypothetische synthese, dient de rol van de voormenselijke schepping nader te worden ontleed:
[ Voormenselijke Soort ] (48 chromosomen) │ ▼ [ HET BRUGGENHOOFD ] ──► Goddelijke ingreep (47 chromosomen / Uterus als Incubator) │ ├──► Zuivere Lijn: Oorspronkelijk Mensenpaar / Adam (46 chromosomen) │ └──► Ongeoorloofde Vermenging (De Val) ──► Hybriden & Genetische Degeneratie
- De Incubator: God gebruikte een vrouwelijk individu uit een voormenselijke hominidensoort (48 chromosomen) als Bruggenhoofd. Zij diende louter als een biologische ‘incubator’ (draagmoeder). Via directe creatieve ingrepen bracht zij het eerste menselijke paar (46 chromosomen) ter wereld.
- De Brug en de Hybriden: Het Bruggenhoofd bezat uitzonderlijkerwijs 47 chromosomen (vergelijkbaar met het mechanisme bij chromosomale mozaïekstructuren). Zij was daardoor een eenmalige, interfertiele overgangsvorm.
- De Overtreding: Het was het Mensenpaar strikt verboden om gemeenschap te hebben met deze voormenselijke draagmoeder. Door de ongehoorzaamheid van Adam vond deze vermenging echter wél plaats. Het Bruggenhoofd werd zo een actieve ‘Brug’ naar het ontstaan van hybride mensengeneraties.
Appendices en Excursussen
A. Paleontologische Discontinuïteit
De gerenommeerde paleontoloog George Gaylord Simpson (Tempo and Mode in Evolution, 1944) wijst op de stelselmatige afwezigheid van overgangsvormen in het fossielenarchief:
“De vroegst bekende en meest primitieve leden van iedere orde bezitters al de fundamentele karaktertrekken van die orde (…) De breuk is in de meeste gevallen zo scherp en de afstand zo groot dat de oorsprong van de orde speculatief en zeer omstreden is.”
Dit wetenschappelijke gegeven bevestigt dat het ontstaan van de mens geen geleidelijk evolutionair proces was, maar een sprongsgewijze, goddelijke interventie via het principe van het Bruggenhoofd.
B. Linguïstische Nuancering: Ish en Isha
Het gebruik van de aanduiding Man-Mannin is een rechtstreekse weergave van het Hebreeuwse woordpaar Ish (אִישׁ) en Isha (אִשָּׁה) (Genesis 2:23), in navolging van de vertaaltraditie van Maarten Luther. Het benadrukt dat de vrouwelijke partner wezenlijk uit het substantiële wezen van de Man is genomen, in tegenstelling tot de latere vervallen toestand van de aarde (Adamah).
C. Drie Stadia van het Kennen
Het menselijk bewustzijn onderscheidt zich van het dierlijke instinct door drie vermogens van de ziel: intellect, wil en herinnering. Dieren bezitten een natuurlijke, door God ingeplante wijsheid. Enkel de mens beschikt over het intellectuele begrijpen en de kennis die het mogelijk maken om via de vrije wil te komen tot de volkomen wilsovereenstemming met God.
D. Exegetische Noot bij Kaïn en de Voorschepping
Wanneer Kaïn na de moord op Abel uitroept: “Al wie mij vindt, zal mij doodslaan” (Genesis 4:14), slaat dit in de context van de hypothetische synthese en de antieke Joodse exegese op de reeds bestaande hominiden van de voorschepping. Het antwoord van God – dat Kaïn zevenvoudig gewroken zal worden – bevestigt dat het hier om toerekeningsvatbare mensachtigen gaat en niet om redeloze roofdieren.
E. Devolutie en Degeneratie van de Schepping
Wat de menselijke soort betreft – de Kroon der Schepping – getuigt de geschiedenis niet van evolutie, maar van devolutie en degeneratie. Deze ontluistering beperkt zich niet tot de mens alleen, maar werkt diep in op de gehele lagere scheppingsorde. De schending en de ontreddering van de natuur mogen wij in geen geval aan God in de schoenen schuiven. De Schepper formeerde de mens en de kosmos in absolute harmonie. Het Bijbelse scheppingsverhaal in Genesis is daarom in essentie een herscheppingsverhaal: het beschrijft de goddelijke herstelactie van een reeds beschadigde en in chaos vervallen aarde (Tohu wa Bohu).
F. Geest, Adem en het Priesterlijk Koninkrijk
In het Boek Job staat geschreven: “Zolang mijn adem nog in mij is en de geest van God in mijn neusgaten…” (Job 27:3). Deze passage werpt een fel licht op de aloude primordiale tradities waarin de neus het instrument bij uitstek is dat het goddelijke leven en de zalving overdraagt.
- Het Opvangen van de Ziel: Bij het overlijden van een gewijde vorst ademde de beoogde troonopvolger diens allerlaatste ademtocht rechtstreeks via de neus in.
- Overdracht van de Zalving: Door deze goddelijke inspiratie op te vangen, werd de opvolger niet alleen versterkt in zijn aanspraak op de troon, maar ontving hij het charisma – de Zalving – om de dubbele functie van het koning-priesterschap uit te oefenen.
- Universele Sporen: Dit fenomeen is door Sir James Frazer gedocumenteerd op het eiland Nias (The Golden Bough). Het vormt een overblijfsel van de primordiale gnosis waarin adem, neus, ziel en koninklijke zalving onverbrekelijk met elkaar verbonden waren.
Eindnoot over de Uterus als Incubator
Naar aanleiding van de Geschriften van Don Guido Bortoluzzi (red. Renza Giacobbi, 2007)
Het BRUGGENHOOFD symboliseert het vrouwtje van om het even welke voormenselijke soort dat door goddelijke tussenkomst het eerste paar van een nieuwe soort ter wereld brengt. Zij wordt zo genoemd omdat zij kan worden gezien als een bruggenhoofd waarvan de rest van de brug ontbreekt. Dankzij Gods creatieve werk dient haar uterus uitsluitend als een incubator voor het ontstaan van een nieuwe, autonome menselijke soort, zonder dat er sprake is van chromosomale continuïteit met haar eigen soort.
Een BRUG duidt daarentegen op het specifieke vrouwtje dat, doordat zij door de zondeval van de Mens interfertiel werd gebruikt, de oorsprong vormde van een hybride ras. Don Guido Bortoluzzi concludeert dat het specifieke vrouwtje van het Bruggenhoofd de noodzakelijke 47 chromosomen moet hebben gehad als intermediaire overgang tussen de voorvaderlijke soort (48 chromosomen) en de mens (46 chromosomen).
Door deze ongehoorzaamheid van Adam werd wat enkel een goddelijk ‘Bruggenhoofd’ voor de schepping van de mens had moeten zijn, noodlottig een ‘Brug’ naar de biologische vermenging en degeneratie van het menselijk geslacht – een val die pas in de Tweede Adam, Jezus Christus, wordt opgeheven en hersteld.
Bron: https://pastoorgeudens.com/2013/03/06/de-schepping-is-herschepping-hubert_luns/ ; https://www.scribd.com
