Mijn herinnering aan Don Guido
door Renza Giacobbi
Ik ontmoette Don Guido in 1986, toen ik de kapel van het Huis van de Geestelijkheid in Belluno bezocht. Op een dag arriveerde daar deze 79-jarige priester. Hij verbaasde mij meteen door het bijzondere enthousiasme en de diepe overtuiging waarmee hij de Heilige Mis droeg. Zijn blik en zijn hele wezen waren zo gericht op wat hij uitsprak en deed, dat het een diepe indruk op mij maakte. Zijn korte preken — altijd geïnspireerd en nooit van papier afgelezen — bezaten een grote diepgang en vernieuwing. Bijna altijd eindigden ze met woorden van bewondering en liefdevolle devotie voor de Maagd Maria.
Na verloop van tijd benaderde Don Guido mij met de vraag of ik hem wilde helpen bij het ordenen en uittypen van een manuscript dat hij wilde publiceren. Zelf kon hij dat niet meer, omdat hij moeite had met schrijven door een scheur in de banden van zijn rechterschouder, opgelopen een paar maanden daarvoor. Zo begon hij mij te vertellen over zijn boek. Hij legde uit dat de ‘erfzonde’ een zonde van hybridisatie was: een vermenging van het zuivere ras van de ‘Zonen van God’ — die volmaakt waren geschapen, zoals de Bijbel beschrijft — met de pre-humane soort waaruit zij waren voortgekomen, waardoor zij direct daarna gecorrumpeerd raakten.
Toen ik deze woorden hoorde, keek ik hem verbijsterd aan. Hij had echter een blik van zo’n zuivere onschuld en oprechtheid, dat ik hem vroeg:
“Hoe kunt u zoiets zeggen?”
Hij keek omhoog naar de hemel en antwoordde eenvoudig:
“Wie het mij heeft verteld, kán geen ongelijk hebben!”
Op dat moment, geschokt maar ook geïntrigeerd door zo’n ontwapenend antwoord, besefte ik na enkele ogenblikken dat het onverstandig zou zijn om me er direct voor af te sluiten zonder de feiten te kennen. Ik kon mij immers altijd de vrijheid voorbehouden om de zaken later te wegen en me alsnog terug te trekken. Dus stemde ik toe.
In de vijf jaar die volgden, tot aan zijn overlijden, kreeg ik de gelegenheid om vele uren door te brengen met het luisteren naar het verslag van zijn buitengewone, bovennatuurlijke ervaringen.
Hij sprak eenvoudig en zonder enige opschik. Zelfs de meest complexe concepten werden door zijn manier van vertellen gemakkelijk te begrijpen. Als scherpe denker wist hij de essentie van elke vraag te vatten, waarbij hij blijk gaf van een verrassend analytisch vermogen. Hij was oprecht geïnteresseerd in alles om zich heen, of het nu ging om de natuur of de menselijke ziel. Hij bezat een zeer opmerkzame geest: in het dagelijks leven vielen hem de kleinste details op die anderen ontgingen. Dit verklaart ook de uiterst nauwkeurige beschrijvingen in zijn visioenen.
In zijn ogen zag ik een immense vrede, een volmaakt evenwicht en een grote nederigheid tegenover de grootsheid van de boodschap die hij had ontvangen. Hij zei vaak:
– Denk toch eens in, dat de Heer juist mij heeft gekozen… mij, die zo onwaardig is! –
In zijn woorden bespeurde ik nooit een spoor van zelfgenoegzaamheid over het feit dat God hem voor deze taak had uitgekozen. Hij voelde eerder een voortdurende verwondering dat God Zich had neergebogen naar zijn kleinheid.
Tegelijkertijd voelde ik zijn verdriet over het feit dat hij niet werd geloofd. Maar hij droeg dit met het waardige besef dat dit kruis al veel eerder was gedragen — door Jezus Zelf, toen Hij werd afgewezen, bespot en gekruisigd door de mensen van Zijn tijd. Don Guido voelde zich alleen en onbegrepen, maar nooit ongelukkig. Het gebed was voor hem een authentieke toevlucht waarin hij voortdurend nieuwe kracht vond. Ik werd diep geraakt door zijn doorleefde manier van bidden en zijn volkomen vertrouwen in Gods barmhartigheid. Wat een rust, overgave en zeggingskracht straalden die gebeden uit — waarvan er vele spontaan in hem opwelden!
Hij vertrouwde er rotsvast op dat de Heer, vroeg of laat, de schijnbaar onoverkomelijke muren van wantrouwen zou afbreken. Het was noodzakelijk om via deze openbaring aan iedereen een nieuw bewijs van Zijn oneindige barmhartigheid te tonen. Zo wilde Hij de mensheid uitleggen welke ontsporingen zoveel leed op aarde hebben gebracht, en tegen welke prijs hetgeen onherroepelijk verloren leek, toch is verlost. Don Guido zei dat dit bewustzijn velen zou aansporen om hun leven niet te verdoen, maar het Woord van redding te zoeken in de Heilige Schrift.
Don Guido behield altijd een levendige spontaniteit en een jonge geest, gevangen in een lichaam dat onder de last van de jaren gebukt ging.
Hij behandelde iedereen met grote welwillendheid en goedheid. Mild voor menselijke zwakheden, wist hij juist de goede eigenschappen in iemand aan te wakkeren. In de biechtstoel was hij helder en objectief in het aanwijzen van de eigen verantwoordelijkheid, maar tegelijkertijd toonde hij vertrouwen en gaf hij moed om opnieuw te beginnen. Hij vleide niet, maar schonk echte troost. Onvermoeibaar herhaalde hij: “Pro posse, petere ut possis” — als je het gevoel hebt dat je het niet kunt opbrengen om te veranderen, vraag God dan om de kracht om het wél te kunnen.
Wat mij bijblijft, is de herinnering aan zijn goedheid en zijn rechtschapenheid als mens en als priester. Zijn meest opvallende karaktertrek was zijn oprechte nederigheid: het diepe besef slechts een klein instrument in Gods handen te zijn. Hij bezat de zuiverheid van een kind. Nooit was er sprake van een leugentje om bestwil, nooit een compromis uit eigenbelang, nooit een spoortje trots.
Ik heb deze karaktertrekken zo nauwkeurig opgeschreven, opdat het de lezer van deze pagina’s duidelijk mag zijn dat zijn pen nooit is opholgeslagen door eigen fantasie.
Omdat ik in de laatste vijf jaar van zijn leven zijn vaste getuige was, vertrouwde Don Guido mij al zijn geschriften toe om ze te bewaren en te publiceren. En aangezien ik van hem niet alleen vele inzichten, maar ook ontelbaar veel wijze woorden heb ontvangen, vervult het mij met dankbaarheid om mijn belofte aan hem na te komen.
Uit het Archief Archive.org
