Dr. F.S. Martelli: Van Darwin tot het Neo-darwinisme – weerlegging van de evolutietheorie


Van Darwin tot het Neo-darwinisme:

Een moleculair-genetische en theologische weerlegging van de evolutietheorie

INHOUD

  • Presentatie
  • Aanvallen op de Kerk door de eeuwen heen
  • Darwin en De oorsprong der soorten
  • Het neodarwinisme en het evolutionisme
  • De ondergang van de evolutietheorie
  • De genetica heeft moleculaire biologie nodig
  • Het normale menselijke karyotype
  • De weerlegging van de theorie van chromosoomreductie
  • De ontdekking van het DNA
  • De grenzen van het evolutionisme
  • Chromosomale syndromen, chromosomale pathologieën en aandoeningen
  • Overzicht van chromosomale syndromen:
    • Monosomie: het syndroom van Turner (chromosoom X0)
    • Trisomieën:
      • Chromosoom 7 (syndroom van Williams)
      • Chromosoom 13 (syndroom van Patau)
      • Chromosoom 18 (syndroom van Edwards)
      • Chromosoom 21 (syndroom van Down)
    • Polysomieën
  • Grafische weergave van chromosomale syndromen
  • Synthese en samenvatting

Presentatie

Dit werk (Deel 1, 2 en 3) is gebaseerd op de lezing van dr. F.S. Martelli, gehouden op 2 oktober 2012 te Farra d’Alpago ter gelegenheid van de twintigste gedenkdag van het overlijden van don Guido Bortoluzzi.

Over dit DEEL: Een kritische analyse van de evolutietheorie, waarin de onjuistheid van de hypothese van chromosoomreductie op statistische en empirische gronden wordt aangetoond.

Aanvallen op de Kerk door de eeuwen heen

Het lijkt mij nuttig om vooraf enkele korte historische opmerkingen te maken.

De Kerk is vanaf haar oprichting voortdurend van binnenuit en van buitenaf aangevallen. In de eerste eeuwen van het christendom was de kennis van de Heilige Schrift voorbehouden aan een kleine groep, hoofdzakelijk bestaande uit geestelijken en kloosterlingen. De aanvallen op de Kerk waren destijds uitsluitend theologisch van aard. Zo ontstonden de eerste dwaalleerstellingen en ketterijen, die door de Kerk fel werden bestreden, soms zelfs met vervolging en de inzet van inquisitoriale tribunalen.

Met keizer Constantijn en de latere verplaatsing van de keizerlijke zetel werden bovendien de eerste kiemen gelegd voor het latere Oosters Schisma.

Het Humanisme en vervolgens de Renaissance brachten een groeiend vertrouwen in de mens en zijn intellectuele en expressieve vermogens met zich mee. Door de uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg rond het midden van de vijftiende eeuw werd de Bijbel toegankelijk voor iedereen die kon lezen en schrijven. Hierdoor ontstond er onder gelovigen een vurig verlangen naar kennis en een meer kritische benadering van de Heilige Schrift: men wilde begrijpen om te kunnen geloven. Geletterden begonnen zichzelf te zien als bevoegde beoordelaars van theologische kwesties. Onder de intellectuele elite ontwikkelde zich een behoefte aan een individuele Schriftinterpretatie, die niet zelden in strijd was met de officiële kerkleer.

De kwestie rond Galileï maakte de Kerk kwetsbaar voor kritiek vanwege haar starre, letterlijke Schriftinterpretatie. Toen de verdere ontwikkeling van de wetenschap de inzichten van Galileï vervolgens bevestigde, ontstond er binnen de Kerk een psychologische ondergeschiktheid ten opzichte van de rede en de empirische wetenschap — een houding die getuigde van een nauwelijks verhuld minderwaardigheidscomplex. De Kerk bleek niet langer in staat het dwarse geloof vanuit de Schrift overtuigend te verdedigen. Door een te eenzijdige fixatie op de letterlijke interpretatie van de tekst raakte zij soms vervreemd van de werkelijke ‘geest van het Woord’.

In de zestiende eeuw leidde de excommunicatie van Maarten Luther in 1521 tot het ontstaan van de Protestantse Reformatie, waarna in de daaropvolgende eeuwen diverse nieuwe kerkgenootschappen en afsplitsingen zich van de moederkerk losmaakten.

Darwin en De oorsprong der soorten

In het midden van de negentiende eeuw (1859) verscheen Darwins hoofdwerk: De oorsprong der soorten (On the Origin of Species). Zijn studies en deducties haalden het intellectuele klimaat van zijn tijd en de daaropvolgende eeuwen ingrijpend overhoop. Wat ik hier over Darwin schrijf, zal veel lezers verbazen — vooral hen die oprecht in hem geïnteresseerd zijn en recensies of biografieën over hem hebben gelezen. Om Darwin echter werkelijk te begrijpen, moet men zijn volledige oeuvre bestuderen.

Op basis van observaties van talloze soorten in de natuur herneemt Darwin het door de Fransman J.-B. Lamarck geformuleerde concept van de fylogenese, dat uitgaat van een gemeenschappelijke oorsprong van alle soorten. Darwin stelt bovendien dat in de natuur een complexere soort ‘voortkomt uit’ (derive) een minder complexe soort. Aan de top van deze fylogenetische stamlijn staat de mens, die ‘voortkomt uit’ de primaten.

Let wel: hij spreekt expliciet over ‘voortkomen uit’ (deriveren) en niet over ‘afstammen van’! Dit onderscheid is essentieel. Waar ‘afstammen van’ duidt op een continu proces van geleidelijke en vrijwel onmerkbare veranderingen die de ene soort in de andere doen transformeren, verwijst ‘voortkomen uit’ slechts naar de morfologische of taxonomische verwantschap van een soort binnen dezelfde klasse of familie, als afleiding van een voorafgaande vorm. Dit is precies de nuance die Darwin wilde uitdrukken — niets meer dan dat.

Zijn analyse beperkte zich noodzakelijkerwijs tot deducties op basis van macroscopische en uiterlijke waarneming; de wetenschappelijke kennis van zijn tijd stelde hem immers nog niet in staat het genetische aspect te onderzoeken. Darwin beperkte zich er dan ook toe om anatomische verwantschappen en beschrijvende overeenkomsten tussen soorten vast te leggen. Zijn voornaamste onderzoeksveld werd gevormd door de tropische soorten die hij tijdens zijn reizen naar de Galápagoseilanden kon bestuderen. Hij observeerde, beschreef en redeneerde.

Hij bewonderde en onderschreef de studies van de Franse naturalist en paleontoloog Georges Cuvier (1769–1832), de vooraanstaandste fossielenkenner van de negentiende eeuw. Door fossiele planten en dieren te onderzoeken die in verschillende geologische lagen aan het licht kwamen, had Cuvier vastgesteld dat dezelfde soorten in uiteenlopende geologische tijdperken en op verafgelegen continenten vrijwel identiek waren gebleven. Ze varieerden hooguit in grootte en in secundaire details. Op grond daarvan formuleerde hij zijn principe van de soortsfixiteit (de onveranderlijkheid van de soort).

Darwin sluit aan bij Cuvier en beschouwt soorten als ‘gedefinieerd’ — dat wil zeggen: in hun kern onveranderlijk. Transformaties die zich in de natuur voltrekken, betreffen altijd en uitsluitend secundaire kenmerken. Dit is wat wij tegenwoordig aanduiden als micromutaties.

Ten aanzien van het proces van de fylogenese toont Darwin een uiterst scherpe intuïtie. Hij stelt dat er tussen een bestaande soort en de daaruit voortkomende nieuwe soort altijd een ‘plotselinge en kwalitatieve sprong’ plaatsvindt — wat wij een macromutatie noemen. Omdat hij ervan overtuigd is dat soorten ‘gedefinieerd’ zijn, moet een dergelijke soortensprong naar zijn gedachte altijd plaatsvinden door een handelen van de Schepper, voltrokken via een vrouwelijk exemplaar van de reeds bestaande soort. Om deze vrouwelijke stammoeder aan te duiden via wie de soortensprong plaatsvindt, munt Darwin een specifieke term: hij noemt haar de ‘schakel’ (anello di congiunzione / missing link).

Deze ‘schakel’ is uniek voor de twee stamouders van elke nieuwe soort en daardoor als fossiel onvindbaar. Het begrip ‘schakel’ sluit door zijn intrinsieke betekenis — als specifiek instrument voor de soortensprong — automatisch elke hypothese van een langzame, spontane evolutie uit. Het koppelt dit proces impliciet aan een scheppend ingrijpen van God.

Darwin gaat er dus niet van uit dat er in de natuur sprake is van een continue, toevallige mutatiereeks tussen opeenvolgende soorten. In plaats daarvan vergelijkt hij de fylogenetische lijn met een getrapte structuur met sprongen. In dat kader citeert hij het beroemd geworden adagium “Natura non facit saltus” (De natuur maakt geen sprongen). Met deze uitdrukking wil hij benadrukken dat de natuur uit zichzelf niet in staat is autonoom een sprong van de ene soort naar de andere te maken. Hij onderstreept daarmee dat, wanneer de natuur niet de bewerker is van de soortensprongen, alleen God de Schepper daarvan de Auteur kan zijn.

De fylogenese toont in het denken van Darwin slechts aan dat er sprake is van een toenemende complexiteit in de volgorde waarin de verschillende soorten verschijnen, maar zij bewijst geen autonome evolutie binnen de afzonderlijke soorten zelf. De grootheid van Darwin ligt juist in het feit dat hij het bestaan van één leidende fylogenetische stamlijn van de eerste tot de laatste schepping beklemtoonde, de mens daarin zag voortkomen uit de primatenlijn, en bij elke fundamentele soortensprong steeds God — en niet de natuur — als Auteur aanwijst. Deze intuïtie is uitermate waardevol; we zullen zien dat de wetenschap van anderhalve eeuw later — wanneer zij rekening houdt met de openbaring aan don Guido — hem op dit punt gelijk geeft.

Darwin heeft nog een tweede grote verdienste: hij merkte op dat alleen die micromutaties standhouden die gunstig zijn voor de soort in relatie tot de omgeving, en dat de strijd om het bestaan (survival of the fittest) een cruciale rol speelt bij deze selectie. Voordelige micromutaties blijven behouden, terwijl nadelige mutaties verdwijnen. Hij stelt dus dat omgevingsfactoren en selectie invloed uitoefenen op de micromutaties binnen een soort — mutaties die zich overigens altijd binnen de grenzen van die specifieke soort afspelen. Het is van belang te herhalen dat deze micromutaties niet verward mogen worden met macromutaties of soortensprongen.

Desondanks moet het voor Darwin niet eenvoudig zijn geweest om geconfronteerd te worden met paleontologische vondsten die menselijke voorouders lieten zien met sterk aapachtige trekken. Het is precies door een gebrekkig begrip van deze nuances dat latere materialistische en theïstisch-evolutionisten zijn werk naar hun eigen hand zijn gaan interpreteren.

Concluderend:

In de visie van Darwin is de natuur ‘onbekwaam’ om de ene soort autonoom in de andere te doen veranderen. In tegenstelling tot wat vandaag de dag zo tendentieus wordt verkondigd in schoolboeken en documentaires, is Darwin in strikte zin niet de vader van het atheïstisch evolutionisme, aangezien hij vasthield aan het concept van de ‘gedefinieerde soort’ (soortsfixiteit). De micromutaties die het onderwerp vormden van zijn observaties, betreffen uitsluitend variaties die zich altijd binnen de grenzen van dezelfde soort afspelen. Met andere woorden: hoewel hij de sterke morfologische gelijkenis tussen de voorafgaande en de daaruit voortkomende soort erkent, gaat Darwin bij het ontstaan van een nieuwe soort uit van Goddelijk ingrijpen in het scheppingsproces via wat hij de ‘schakel’ noemt.

Dit concept is doorslaggevend om het denken van Darwin correct te interpreteren. We zullen later zien dat zijn zeer vooruitstrevende intuïtie al vooruitloopt op de theologische doctrine van de creatio mediata (de middellijke schepping), waar we later nader op zullen ingaan.

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, stond Darwin bovendien niet vijandig tegenover het geloof en beschouwde hij zichzelf als een gelovig mens. Op latere leeftijd verbaasde hij zich erover dat zijn geschriften zoveel opschudding hadden veroorzaakt, aangezien hij absoluut niet de intentie had om het geloof in de Heilige Schrift te ondermijnen. Hij stierf als een goed christen en ontving de Sacramenten.

Na 1963, met de ontdekking van het DNA en het begin van de ontcijfering van het menselijk genoom, zijn deze nuanceringen stilletjes verdwenen uit populair-wetenschappelijke tijdschriften, boeken en documentaires — inzichten die door de Heer aan don Guido Bortoluzzi zouden worden bevestigd. De Heer zou immers exact hetzelfde basisprincipe bekrachtigen, waarbij Hij de uitdrukking ‘schakel’ (anello di congiunzione) verving door de term ‘bruggenhoofd’ (capo di ponte).

Dit oorspronkelijke, nuancrijke portret van Darwin verdween na de jaren ’50 geleidelijk uit de studieboeken en de wetenschappelijke literatuur, toen men hem steevast begon af te schilderen als de grondlegger van het materialistische evolutionisme.

Laten we deze lijn verder vervolgen.

Het neodarwinisme en het evolutionisme

Het waren de neodarwinisten die, gedreven door een atheïstische ideologie, op oneigenlijke wijze Darwins naam gebruikten om hun eigen opvattingen te legitimeren. Zij gaven aan het begrip ‘evolutie’ de betekenis die wij er heden ten dage nog steeds aan toekennen, maar die absoluut niet overeenstemt met het denkkader van Darwin zelf. Onder evolutie verstonden zij ‘een continu, natuurlijk proces van soorttransformatie’. Zij zagen de soort als een voortdurend, onstuitbaar en spontaan proces van ‘worden’.

Op een weinig wetenschappelijk verantwoorde wijze interpreteerden zij Darwins adagium “Natura non facit saltus” in een simplistische zin die haaks stond op de oorspronkelijke strekking. Zij stelden namelijk dat er in de natuur geen sprongen plaatsvinden, maar uitsluitend ‘continue’ toevallige veranderingen en gestage transformaties. Deze nieuw verworven eigenschappen zouden — mits nuttig voor het organisme — worden doorgegeven aan het nageslacht. Wanneer deze modificaties vervolgens standhielden in de natuurlijke selectie, zouden ze de ene soort geleidelijk in een andere doen overgaan. Dit is echter een ideologische verdraaiing van de feiten.

Volgens de neodarwinisten zouden soorten zich dus geleidelijk wijzigen onder invloed van het toeval, om vervolgens te consolideren door een gunstige omgeving en natuurlijke selectie. Op deze wijze zou de overgang van de ene soort naar de andere geheel spontaan verlopen — een uiterst willekeurige herinterpretatie van de fylogenetische theorie zoals Darwin die oorspronkelijk had geformuleerd.

De empirische werkelijkheid laat echter zien dat mieren, zeebrasems, haaien en talloze andere organismen, hoewel zij al honderden miljoenen jaren vóór het verschijnen van de mens bestonden, door de geologische tijdperken heen in de kern onveranderd zijn gebleven. Alleen de mens vertoont een ingrijpende verandering. De oorzaken van deze transformatie zijn — zo weten wij nu — echter niet te wijten aan spontane evolutie, maar aan de hybridisatie van de menselijke soort. Dit leidde tot een biologische devolutie (involutie), gevolgd door een her-evolutie (ri-evoluzione) die door God werd ondersteund en gestuurd.

Dit ideologische bedrog was — en is nog steeds — een van de grootste misleidingen in de intellectuele geschiedenis van de afgelopen eeuw. In het geglobaliseerde, geseculariseerde klimaat van de late Verlichting en het positivisme zagen ongelovigen in het neodarwinisme en het atheïstisch evolutionisme een uitgelezen instrument om het geloof te bestrijden. Het bood de geknipte gelegenheid om de wetenschap te ontworstelen aan de invloed van de joods-christelijke traditie, die aan God de rol van Schepper van elke afzonderlijke soort toeschreef.

De naam van Darwin werd door de neodarwinisten als een trofee rondgedragen om een visie te verkondigen die zij wensten, maar waar Darwin zelf nooit aan had gedacht. Het was een manier — al dan niet te goeder trouw — om de Heilige Schrift, en daarmee de Kerk, in een kwaad daglicht te stellen.

Het meest tragische was dat deze theorie ook kerkelijke autoriteiten betoverde: hoge prelaten, geestelijken, hoogleraren in de theologie en academici. Zij bezaten weliswaar geen specifieke deskundigheid op het gebied van de genetica, maar vonden deze verklaring fascinerend. Zo werd een pseudowetenschap verheven tot filosofie. De bekendste vertegenwoordiger onder deze denkers is de jezuïet en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955), die het concept van de ‘geleide evolutie’ introduceerde.

Deze theorie vond ingang bij vrijwel de gehele geestelijkheid, die hierin een vermeend ontmoetingspunt en compromis zag tussen geloof en wetenschap. Maar deze opvatting — die niet meer dan een hypothese was en bleef — werd fel bestreden door don Guido. Hij onderkende het grote theologische gevaar ervan, omdat het God ontdaan zou hebben van Zijn rol als directe Schepper.

Ondertussen zochten in de Verenigde Staten diverse genetici — onder wie Francis Collins, de bekende geneticus die leidinggaf aan het Human Genome Project en auteur van het werk Het DNA van God (The Language of God) — eveneens naar een synthese tussen wetenschap en geloof. Uiteindelijk vervielen ook zij in een subtiel compromis dat de deur wijd openliet voor de evolutiegedachte.

Dit zijn de zogenaamde theïstisch-evolutionisten (of neo-creationisten van dit type). Ook volgens hen zou God het universum en het leven zo hebben geïnitieerd dat het in staat is zichzelf op natuurlijke en autonome wijze te laten evolueren. Dit is echter niets anders dan een variant op de eerdere theorieën: het blijft een hypothese, een filosofisch-ideologisch construct dat haaks staat op de joods-christelijke doctrine — een doctrine die de gehele schepping opvat als voortdurend onderhouden en gewild door de Schepper.

Onder de Italiaanse vertegenwoordigers bevinden zich enkele hoogleraren met een leerstoel Antropologie. Volgens hen zou God zich hebben beperkt tot het geven van een ‘initiële impuls’ aan de schepping, om het proces vervolgens spontaan te laten verlopen. Dergelijke opvattingen zijn voor de theologie gevaarlijker dan een natuurramp: ze ontwrichten het orthodoxe denkkader, leiden af van de fundamentele principes en dragen inhoudelijk niets positiefs bij aan de wetenschap. Bovendien ontbreekt elk empirisch of wetenschappelijk bewijs voor deze hypotheses.

Ieder weldenkend mens begrijpt dat de grootste dwaalleer erin bestaat God te beroven van Zijn meest fundamentele attribuut: dat van Schepper. En waarvoor wordt Hij vervangen? Voor het ‘toeval’. Deze materialistische visie was al aanwezig in de klassieke Griekse filosofie. Toen Dante sprak over de filosoof Democritus, omschreef hij hem niet voor niets als “degene die de wereld aan het toeval toeschrijft” (“colui che ‘l mondo a caso pone”), en hij plaatste hem in de Hel omdat hij van het toeval zijn centrale stelregel had gemaakt.

Laten we analyseren waarom het evolutionisme en de afgeleide varianten daarvan haaks staan op de joods-christelijke geloofsleer.

Wanneer men de hypothese van een autonome, spontane evolutie aanvaardt, storten de dragende pijlers van de theologische doctrine onvermijdelijk in:

  1. De creatio ex nihilo (schepping uit niets): Het principe van de rechtstreekse schepping van energie (en dus materie), het universum, het leven, de afzonderlijke soorten in het algemeen, en de Man en de Vrouw in het bijzonder.
  2. De schepping van de volmaakte mens: Het gegeven dat de mens oorspronkelijk volmaakt is geschapen, diens daaropvolgende zondeval, de biologische en spirituele degeneratie van het nageslacht uit de gecorrumpeerde lijn, en de absolute noodzaak van de Verlossing (Redemptio).

Op deze wijze wordt de gehele geloofsleer uitgehold. De mens zou immers uit zichzelf in staat zijn te evolueren. God is daarin niet langer noodzakelijk; Hij verwordt tot een loutere projectie van de menselijke geest, een existentiële behoefte die bevredigd dient te worden.

In tegenstelling tot het dogmatische geloof brengt de empirische wetenschap voortdurend nieuwe inzichten met zich mee, omdat zij wél continu in beweging is. Wat gisteren een onoverkomelijk raadsel leek, is dat vandaag niet meer; wat vandaag een absolute zekerheid lijkt, kan morgen achterhaald blijken. Dat is precies wat er na 1963 gebeurde met de ontdekking en verdere ontrafeling van het DNA.

Het — aanvankelijk nog fragmentarische — inzicht in de moleculaire structuur van de cel gaf onderzoekers de illusie dat zij het mechanisme van de evolutie definitief hadden doorgrond. Datgene wat men destijds nog niet kon aflezen of duiden, werd eufemistisch als ‘junk-DNA’ (‘junk-DNA’ / rommel-DNA) terzijde geschoven.

De sterke genetische overeenkomst tussen menselijke genen en die van mensapen voedde de veronderstelling dat er tussen beide taxa een directe genetische continuïteit bestond. Dit versterkte de hypothese dat de natuur in haar geheel evolueert naar een steeds hogere complexiteit. Tegenwoordig tonen vrijwel alle studieboeken en natuurdocumentaires hoe de mens zich geleidelijk uit een dierlijke staat zou hebben ontwikkeld naar een bipedale (rechtopstaande) houding en een toegenomen hersenvolume. Zelfs in de digitale naslagwerken worden Darwins oorspronkelijke concepten, zoals de ‘missing link’ (anello di congiunzione) en het adagium “Natura non facit saltus”, niet langer in hun authentieke context geciteerd. Het eerste begrip wordt nu simpelweg gedefinieerd als een hypothetische stamouder waaruit twee afzonderlijke takken ontspruiten, terwijl het tweede zijn oorspronkelijke theïstische strekking heeft verloren. Alles werd ingepast in een radicaal, materialistisch evolutionisme. Zo ontstond een rigide dogma, en wee degene die het waagt af te wijken van dit ideologische paradigma.

De aanhangers van de evolutietheorie hadden echter buiten een fundamenteel biologisch obstakel gerekend: het probleem van de verandering in het aantal chromosomen tussen een bestaande soort en een daaruit veronderstelde volgend organisme. Precies op dit genetische punt lijdt de evolutietheorie schipbreuk. Men dient immers te bedenken dat het evolutionisme altijd een ‘theorie’ is gebleven — dat wil zeggen een hypothese — en niet een ‘natuurwet’. Een natuurwet vereist immers een harde experimentele verificatie of ten minste een sluitend statistisch en empirisch bewijs.

Pas geruime tijd na de eerste ontdekkingen rond de DNA-structuur wisten diverse wetenschappers de wetenschappelijke onhoudbaarheid van het spontane evolutionisme aan te tonen.

De waarschijnlijkheidsrekening had reeds uitgewezen hoe mathematisch verwaarloosbaar — zo niet volstrekt onmogelijk — de spontane overgang is van anorganische materie naar organisch leven. Laat staan de ontwikkeling van complexe, georganiseerde structuren zoals die van een bacterie, het menselijk oog of het voortplantingsstelsel. Specifieker nog: men stelde vast dat natuurlijke mutaties nooit betrekking hebben op een verandering van het basisaantal chromosomen (karyotype), maar beperkt blijven doeltreffend tot variaties in omvang, pigmentatie of secundaire kenmerken. Dit betreft dus uitsluitend micromutaties.

Helaas bezitten tot op de dag van vandaag slechts weinigen de wetenschappelijke moed om het heersende evolutionaire paradigma openlijk ter discussie te stellen.

[Tot zover de vertaling op academisch niveau. – Red.]

De genetica heeft moleculaire biologie nodig om bestudeerd te worden

En zo komen we bij de laatste fase: de studie van de ‘werking’ van chromosomen en genen. De studie van deze uiterst delicate materie kan alleen plaatsvinden via de moleculaire biologie. En hier is de verrassing schokkend: geen enkel resultaat biedt de minste hoop voor de evolutietheorie, die als veronderstelling de chromosoomreductie heeft — oftewel de overgang van het ene aantal chromosomen naar het andere! Waarneming bevestigt juist dat het aantal chromosomen voor elke soort ‘stabiel’ is. Toeval, omgeving, selectie of een combinatie van deze drie factoren is niet voldoende om een verandering in het aantal chromosomen teweeg te brengen.

Pas door de werking van chromosomen te observeren, ondersteund door een onpartijdige statistische studie, kon worden aangetoond dat er in de natuur geen enkele mogelijkheid is tot overgang van de ene soort naar de andere en, specifiek, van aap naar mens. In tegendeel: chromosoomreductie zou onmisbaar zijn geweest om de theorie van de evolutie van de menselijke soort uit een onmiddellijk lagere soort te ondersteunen. Daarom blijft de evolutietheorie slechts een hypothese die door de natuur zelf wordt weersproken!

Waar de geneticus zich vroeger beperkte tot het observeren en bestuderen van de cel om daar conclusies uit te trekken, heeft hij vandaag de dag de samenwerking met de moleculair bioloog nodig om de ‘werking’ te begrijpen en te snappen hoe chromosomen zich gedragen. Alleen als deze twee wetenschappers samenwerken, zijn zij bevoegd om over deze zaken te spreken. Niemand anders! In plaats daarvan gebeurt het vaak dat degenen die erover spreken geen adequate wetenschappelijke achtergrond hebben, maar eerder gebonden zijn aan een ideologie.

Het normale menselijke karyotype

Om nu rechtstreeks te komen tot het onderwerp dat definitief een einde maakt aan elke overgebleven ambitie om te beweren dat het evolutionisme een wetenschappelijke basis kan hebben, gaan we proberen te begrijpen wat de structuur van het menselijk DNA is. Dit inzicht stelt ons immers in staat om vast te stellen dat zowel chromosoomreductie (in het specifieke geval van de mens, maar evenzeer bij welke soort dan ook) als de toename van slechts één chromosoom altijd onverenigbaar zijn met het leven of met de voortplantingscapaciteit. Dit stelt ons ook in staat te begrijpen wat een chromosomaal syndroom is.

Het menselijke chromosomenstelsel, of karyotype, is diploïd. Dat wil zeggen dat het bestaat uit 23 paren chromosomen, wat een totaal maakt van 46. Deze worden bij de bevruchting voor de helft ter beschikking gesteld door de mannelijke geslachtscel en voor de helft door de vrouwelijke. Van deze 23 paren coderen er 22 voornamelijk voor de somatische (lichamelijke) kenmerken — deze worden autosomen genoemd. Het laatste paar codeert voornamelijk voor de geslachtskenmerken en bestaat uit twee X-chromosomen bij vrouwen en een X- en een Y-chromosoom bij mannen.

De versmelting van de twee geslachtscellen (de gameten) — die van de vader en die van de moeder, elk met 23 chromosomen — tot een nieuwe cel herstelt het complete genetische materiaal van 46 chromosomen en doet zo een nieuw individu ontstaan.

Voor niet-ingewijden is het van fundamenteel belang te onthouden dat chromosomen worden aangeduid met een oplopende nummering die omgekeerd evenredig is aan hun grootte. Chromosoom 1 bevat dus veel meer genen en DNA dan chromosoom 22, wat het kleinste is. We weten niet waarom de Schepper heeft besloten de informatie op deze manier te verdelen door chromosomen van verschillende grootte te gebruiken, in plaats van 23 paartjes van identieke afmetingen te ontwerpen en te kiezen voor een kwantitatief ongelijkmatige verdeling van het genmateriaal over de 23 paren. Noch is de keuze voor de mens van een numeriek lager karyotype (met 46 chromosomen) begrijpelijk of logisch, terwijl de chromosomen van de mens veel geavanceerdere informatie en in grotere hoeveelheden moeten bevatten vergeleken met het apengenoom (dat er 48 bezit). Het lijkt er bijna op dat God met deze keuze elke hypothese van evolutionaire aard al in de kiem heeft willen smoren!!!

Op deze afbeelding zien we wat wordt gedefinieerd als een ‘normaal menselijk karyotype’. Vanuit dit uitgangspunt kunnen we verduidelijken en begrijpen wat een chromosomaal syndroom is, oftewel een ernstige afwijking van een of meer chromosomen.

In elke cel van het menselijk lichaam van de huidige mens, evenals in die van de oorspronkelijke mens, bevindt zich een reeks chromosomen van in totaal 46 stuks. Let goed op, want dit aantal is heel belangrijk.

De chromosomen zijn twee aan twee gekoppeld en geordend gerangschikt langs een spiraal. In totaal hebben we dus 23 paren chromosomen in elke cel van het lichaam.

Vanaf het eerste paar tot en met het tweeëntwintigste worden de chromosomen ‘autosomen’ genoemd en ze zijn allemaal verschillend van elkaar qua grootte en vorm. Ze zijn verschillend omdat ze een verschillende hoeveelheid informatie bevatten. In chromosoom 21, dat het kleinste is, zit bijvoorbeeld veel minder informatie dan in chromosoom 1 of 2, die erg groot zijn.

In de geslachtscellen van de moeder en de vader hebben we slechts één enkele reeks chromosomen, dus niet meer 46, maar 23. Deze vormen ‘de gameet’: bij de vader de zaadcel, bij de moeder de eicel. Het 23e chromosoom bepaalt het geslacht van het ongeboren kind. Bij de bevruchting verenigen de 23 chromosomen van de vader zich met de 23 chromosomen van de moeder. De 23 paren hervormen zich, worden er weer 46 in totaal, en vormen de eerste cel die het ontstaan geeft aan het individu.

In de eerste cel die uit deze combinatie ontstaat, bevindt zich dus het gehele genetische materiaal van zowel het lichaam als de psyche van een individu: alle 46 chromosomen zijn er aanwezig.

Volgens de moraal van de Kerk is er vanaf het moment van de bevruchting al in nuce (in de kiem) een individu aanwezig. Zodra de eerste cel er is, groeit er binnen enkele maanden een mens uit. Voor de Kerk is die eerste cel dus al een individu! En dat individu is uniek. Er zullen er in het hele universum nooit twee identiek zijn, omdat er miljarden en miljarden mogelijke combinaties bestaan in de moleculaire structuren van deze chromosomen. Het is een statistisch feit dat het onmogelijk is dat er twee mensen met exact dezelfde eigenschappen ontstaan. We zijn allemaal uniek en onherhaalbaar in het plan van God.

Dat is de reden waarom de Kerk terecht zo strikt is over anticonceptie: omdat veel anticonceptiemethoden — ook al weten we dat vaak niet omdat het ons niet verteld wordt — feitelijk echte vroege abortussen zijn, doordat ze mechanismen in werking stellen die een micro-abortus veroorzaken. Het spiraaltje bijvoorbeeld doet niets anders dan het innestelen van de reeds bevruchte eicel verhinderen, die op dat moment niet meer uit één enkele cel bestaat, maar al een klompje cellen is dat een ‘morula’ wordt genoemd.

De nederlaag van de theorie van Chromosoomreductie

Wat is nu het feit dat tot op heden is ontgaan aan iedereen die in de fabel van de evolutietheorie is getrapt? Dat is dat het normale genetische materiaal van de aap uit 48 chromosomen bestaat en dat van de mens uit 46. Als wij van de aap zouden afstammen, zouden we in de aap een wetenschappelijk bewezen mechanisme moeten vinden dat uitlegt hoe we van 48 chromosomen naar 46 zijn gegaan. Als we deze overgang niet aantonen, is de hele evolutietheorie een sprookje.

Darwin, die ten tijde van de publicatie van zijn boek niet op de hoogte was van de structuur en de precieze functie van chromosomen, kon niet weten dat chromosoomreductie een utopie was. Pas in 1959, exact een eeuw na de publicatie van zijn boek ‘De oorsprong der soorten’, werd het DNA bekend — waarvan de chromosomenset overigens tot op de dag van vandaag nog niet volledig is gedecodeerd. Toch had hij de intuïtie dat de natuur niet in staat was tot een geleidelijke overgang van de ene soort naar de andere. Dit blijkt wel uit het feit dat hij de bekende ‘ontbrekende schakel’ (‘l’anello di congiunzione’) te hulp roept, die met één enkele, definitieve overgang het begin zou hebben gemarkeerd van een nieuwe soort. Aangezien hij de natuur als veroorzaker uitsloot — want ‘Natura non facit saltus’ (de natuur maakt geen sprongen) — bleef door uitsluiting de goddelijke tussenkomst stilzwijgend verondersteld.

Ik vraag me af: waarom zou men in de wetenschappelijke wereld God nooit mogen noemen, zelfs wanneer Hij overduidelijk aanwezig is? Misschien om ongelovigen niet voor het hoofd te stoten. Maar de waarheid is de waarheid! Hoe het ook zij, de verdienste van Darwin was groot, hoewel deze beperkt blijft tot de beschrijvende studie van de zichtbare aspecten, oftewel de micro-mutaties.

Zoals we hebben gezien, bracht hij op basis van de observatie van vele exotische soorten de overeenkomsten tussen soorten aan het licht, waarmee hij de theorie van de fylogenese documenteerde, en leidde hij af dat er een nauwe relatie bestond tussen hun kenmerken en de omgeving. Van dit inzicht naar de evolutietheorie is echter nog een heel lange weg…!

Bovendien, ik herhaal het, was het absoluut niet Darwins bedoeling om met zijn beweringen alles te zeggen wat de neodarwinisten in hun theorie hebben beweerd. Zij hebben zich een hypothese toegeëigend die voor Darwin juist alleen betrekking had op micro-mutaties — oftewel mutaties die optreden binnen ‘een en dezelfde soort’ — en zijn verder gegaan door zowel ‘de theorie van de mutatie van soorten’ (de spontane overgang van de ene soort naar de andere) te formuleren als die van de ‘chromosoomreductie’. Dit zijn theorieën die, zoals we zullen zien, in het licht van de huidige kennis niet langer houdbaar zijn. Ondanks het feit dat er honderden boeken zijn gepubliceerd ter ondersteuning van de evolutionistische stelling, hebben de evolutionisten er nog nooit een wetenschappelijk bewijs voor geleverd!

Mijn laatste woordenwisseling met een collega hierover was op een recent congres. Hij zat naast mij en had zelfs de moeite genomen mij een boek over biochemie te sturen om te bewijzen dat Darwin en de neodarwinisten gelijk hadden — een boek dat echter niets bewees. Van wetenschappelijke bewijzen die de juistheid van de hypothese van de neodarwinisten bevestigen, is tot op de dag van vandaag geen sprake!

Met de ontdekking van het DNA

Pas aan het begin van de 20e eeuw werden de resultaten bekend van het genetisch onderzoek van Gregor Mendel, een Boheemse augustijner abt die drie wetten over de erfelijkheid formuleerde. Pas met Mendel, die met recht wordt beschouwd als de vader van de genetica, begon een grondige studie van de erfelijkheidswetten, voornamelijk gebaseerd op experimenten en statistiek. Maar zelfs met de latere ontdekking van het DNA was de kennis van de structuur van chromosomen en hun werking nog gebonden aan niet erg geavanceerde instrumenten.

In 1963 werd het DNA ontdekt. Het is dus een vrij recente ontdekking die bijna de 50 jaar bereikt. Pas in de allernieuwste tijd begint men de ‘werking’ van celstructuren te begrijpen. En er zijn heel wat nieuwe ontdekkingen!

De werking van de streng en van alles wat er aan levende materie omheen zit, begrijpen we vandaag de dag alleen door de moleculaire biologie. Daarom is degene die bevoegd is om over deze dingen te spreken niet de natuurkundige, de antropoloog, een andere wetenschapper, de theoloog of de filosoof, maar uitsluitend de geneticus samen met de moleculair bioloog. Het is niet iets wat met röntgenstralen bestudeerd kan worden. Hoewel we met röntgenstralen beelden kunnen zien van hoe een chromosoom eruitziet, kunnen we daar vanuit biologisch oogpunt geen conclusies aan verbinden. We kunnen hooguit een beschrijvende studie doen; we kunnen de twisting zien die de dubbele helix vormt, maar verder gaan we niet. Daarom heeft de geneticus de moleculaire biologie nodig om te begrijpen hoe de structuren in elkaar zitten en hoe ze werken.

En wat zien de geneticus en de moleculair bioloog? Zij zien dat de wetenschap vandaag de dag vordert in de tegenovergestelde richting van de neodarwinistische postulaten. Dit zijn de belangrijkste vernieuwingen:

Beperkingen van het evolutionisme door het onwetenschappelijke karakter van de theorie van Chromosoomreductie

Evolutionisten baseren hun theorie op het feit dat 98% van het genetisch materiaal van apen en mensen vergelijkbaar is. Vanuit deze waarneming stappen zij, alsof het een logisch gevolg is, over naar de veronderstelling dat chromosoomreductie een vaststaand feit is. Zij denken dat de mens afstampt van de aap omdat in een ver verleden een of meer individuen door spontane evolutie, via een proces van ‘fusie’ van twee chromosomen, toevallig zouden zijn overgegaan van de 48 chromosomen van de apen naar de 47 en vervolgens naar de 46 van de huidige mens. Daarom beschouwen zij, naïef genoeg, het probleem van de chromosoomreductie als irrelevant.

Maar technisch gezien is de overgang van 48 naar 46 chromosomen onmogelijk! Statistisch gezien is het onmogelijk! Ieder die zich aan deze discussie wil waagden, leg ik een TABEL voor van de statistische gevallen waarin er één chromosoom minder is, en het resultaat zal hij zelf zien. Het resultaat is helder! Hij zal zien dat deze overgang in de werkelijkheid ‘onmogelijk is’! ‘Technisch’ is het onmogelijk! Ik daag iedereen uit om mij het tegendeel te bewijzen! Als men mij dat niet bewijst, luister ik niet eens. Ik luister niet omdat die theorie niet alleen niet te bewijzen is, maar omdat de statistische studie van chromosomale syndromen mij precies het tegendeel bewijst.

Om te begrijpen waarom de natuur de theorie van de chromosoomreductie afwijst, moeten we eerst verduidelijken wat chromosomale syndromen zijn.

Chromosomale Syndromen, Chromosomale Pathologieën en Ziektes

De studie van chromosomale syndromen, uitgevoerd vanuit het perspectief van deze nieuwe inzichten, werpt weliswaar een duister licht op de oorsprong van de menselijke soort zoals wij die nu kennen, maar opent voor de wetenschap en de religie ook onderzoeksscenario’s en verdiepingen die tot enkele decennia geleden ondenkbaar waren.

Laten we immers niet vergeten dat voordat Watson en Crick de Nobelprijs ontvingen voor hun onderzoek naar de molecuul van desoxyribonucleïnezuur (DNA), en voordat de wetenschappelijke horizonten immens werden verbreed door de recente technologische verworvenheden die Craig Venter en zijn team in staat stelden het menselijk genoom te sequentiëren, de mogelijkheden om te bestuderen wat we vanuit informatisch oogpunt als de “Taal van God” zouden kunnen beschouwen, praktisch nul waren.

Pas na 1963 heeft men de ziekte in verband kunnen brengen met het genetisch materiaal. Pas vanaf dat moment is de aandacht gericht op chromosomale syndromen en chromosomale pathologieën.

Chromosomale syndromen onderscheiden zich van chromosomale pathologieën, en deze weer van ziektes in het algemeen, door hun ernst en doordat ze gelijktijdig heel veel organen treffen. Chromosomale syndromen zijn dus een verzameling van pathologieën die zich bij individuen ‘vanaf de bevruchting’ manifesteren en waarbij gelijktijdig organen, gebieden en stelsels betrokken zijn, en ze onderscheiden zich juist door hun ernst.

Chromosomale pathologieën zijn eveneens aangeboren, maar ‘ontstaan op een bepaald moment in het leven, en alleen wanneer er een genetische aanleg is’.

Als er slechts één orgaan bij betrokken is, spreek ik van een ziekte. Als ik bijvoorbeeld cirrose heb, is de lever ziek; als ik diabetes heb, is de alvleesklier ziek; als ik ziende ben voor dichtbij (of juist bijziend/verziend), is het oog ziek… Dit zijn ziektes.

Soms zijn er pathologieën die niet het fysieke gedeelte raken, maar de psyche van het individu. We kunnen ons niet blinden op alleen wat we als extern resultaat zien, oftewel op het feit dat sommige mensen — hoewel ze ernstig getroffen zijn door psychische gebreken, en hier zou ik ‘syndromen’ gebruiken — geen lichamelijke afwijkingen vertonen die we kunnen zien. Het kan gebeuren dat wij hen waarnemen als normale mensen terwijl ze dat niet zijn, puur omdat ze geen syndroom hebben dat op het lichaam heeft gedrukt. Deze patiënten kunnen veel zieker zijn dan velen die dat wel zichtbaar zijn.

Van al de materie die de oorsprong van chromosomale syndromen betreft, weten we op de dag van vandaag praktisch niets! De wetenschap weet praktisch niets! Maar we beelden ons in dat we het weten, en vanuit die aanmatiging ontwikkelen we grootheidswaanzin, zoals die welke we steeds vaker in kranten lezen of in de media horen: dat… men erin zal slagen alle ziektes uit te roeien, inclusief syndromen,… en dat men op een dag veel langer zal leven,… misschien wel eeuwig…

De ernstigste chromosomale syndromen kunnen, met een uiterste vereenvoudiging, worden gecategoriseerd in:

  • Monosomieën, wanneer ze één chromosoom minder hebben;
  • Trisomieën, wanneer ze één chromosoom meer hebben;
  • Polysomieën, wanneer ze meerdere chromosomen te veel hebben ten opzichte van het normale karyotype.

Nu zullen we ze in detail bekijken in een TABEL met statistische gegevens die we in veel Amerikaanse geneticaboeken terugvinden.

Tabel van Chromosoom-syndromen

De TABEL die we gaan analyseren is het resultaat van een studie uitgevoerd op 100.000 gevallen. Een studie uitgevoerd op 100.000 gevallen heeft op wetenschappelijk gebied een statistische kracht waar niemand iets tegenin kan brengen: het is ‘wet’. Niemand kan die gegevens betwisten. Omdat wetenschappelijke studies, wanneer ze op 1.000 gevallen worden uitgevoerd, normaal gesproken al studies zijn die statistisch zwaar wegen.

De Chromosoom-syndromen die tot nu toe zijn ontdekt, zijn talrijk en betreffen alle chromosomen. Hier tonen we, ter illustratie, slechts enkele voorbeelden.

TABEL VAN DE BEKENDSTE CHROMOSOOM-SYNDROMEN OPGESTELD OP BASIS VAN EEN STEEKPROEF VAN 100.000 CONCEPTIES, UITGEDRUKT IN ABSOLUTE AANTALLEN

In onderstaan betoog ontbreken de juiste tabellen, ga daarvoor naar de Italiaanstalige pdf van prof Martelli, adres;

Spontane abortussen (Miskramen) | Levendgeborenen met Chromosoom-syndroom

MONOSOMIEËN (met 1 chromosoom minder) Chr. 23 X0 Turner-syndroom 1350 | 8

TRISOMIEËN (met 1 chromosoom extra) Chr. 1: 0 | 0 Chr. 2: 159 | 0 Chr. 3: 53 | 0 Chr. 4: 95 | 0 Chr. 5: 0 | 0 Chr. 6: 0 | 0 Chr. 7 Williams-syndroom: 561 | 0 Chr. 8: 0 | 0 Chr. 9: 0 | 0 Chr. 10: 0 | 0 Chr. 11: 0 | 0 Chr. 12: 0 | 0 Chr. 13 Patau-syndroom: 128 | 17 Chr. 14: 275 | 0 Chr. 15: 318 | 0 Chr. 16: 1229 | 0 Chr. 17: 10 | 0 Chr. 18 Edwards-syndroom: 223 | 13 Chr. 19: 52 | 0 Chr. 20: 10 | 0 Chr. 21 Down-syndroom: 350 | 113 Chr. 22: 424 | 0

Chr. 23 Geslachtschromosomen

POLYSOMIEËN (hebben 2 of meer extra geslachtschromosomen) 1725 Klinefelter-syndroom met 48 chr. of meer. XYY: 4 | 46 XXY: 4 | 44 XXX: 21 | 44

Laten we kijken wat de statistieken van de onderzochte gevallen ons vertellen.

Als we deze TABEL analyseren, zien we dat wanneer er aan het aantal chromosomen wordt gekomen, het individu óf helemaal niet wordt geboren óf, als het wel wordt geboren, misvormd wordt geboren. Het wordt geboren met een Chromosoom-syndroom. En het wordt geboren met het onvermogen om zich voort te planten. Dit toont ons aan dat we niet eens kunnen veronderstellen dat de overgang van aap naar mens in de natuur heeft plaatsgevonden via een Chromosoom-reductie.

We zien bovendien dat wanneer de grotere chromosomen worden aangetast, de zygote zich niet eens innestelt of, als de zwangerschap begint, vlak daarna sterft en wordt uitgestoten via een spontane abortus (miskraam). In geen enkel geval wordt het levend geboren.

Een andere waarneming die hieruit volgt, is dat syndromen zich altijd voordoen bij de kleinere chromosomen, omdat deze taken hebben die minder onmisbaar zijn voor het leven. Deze zijn echter evenzeer verwoestend en tasten meerdere organen tegelijk aan. Het Down-syndroom wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een afwijking van Chromosoom 21, dat een van de kleinste autosome chromosomen is. Maar zelfs een kleine onregelmatigheid is voldoende om grote schade aan te richten. Onder de Down-gevallen vinden we een grote variatie in ernst. Sommige gevallen zijn vrijwel onopgemerkt en deze individuen hebben een goede mate van leervermogen en zelfstandigheid. Ze hebben echter allemaal een hoge mate van affectiviteit en sociaal gevoel. Over het algemeen hebben individuen met dit syndroom ook een hoge mate van onvruchtbaarheid.

Heeft u zich ooit afgevraagd waarom we tegenwoordig geen ernstige gevallen van Chromosoom-syndromen meer zien? Dit komt doordat vruchtwateronderzoek (amniocentese) of vlokkentest (villocentese) in de eerste maanden van de zwangerschap worden uitgevoerd, waardoor foetussen met syndromen kunnen worden herkend en geëlimineerd. Dit betekent niet dat de samenleving een hogere mate van ‘normaliteit’ heeft. Er wordt simpelweg voor gezorgd dat ze geaborteerd worden, terwijl de ernstigste gevallen spontaan worden geaborteerd.

De Monosomieën. Gevallen waarin er één chromosoom minder is vergeleken met het normale karyotype worden monosomieën genoemd. Er zijn geen gevallen van monosomie tussen de chromosomenparen 1-22, oftewel de paren die voornamelijk de somatische kenmerken coderen en ‘autosomen’ worden genoemd. Autosomen zijn dus de paren die ‘niet’ het geslacht bepalen, maar andere genetische kenmerken.

Alle gevallen van monosomie betreffen ‘alleen’ paar nummer 23, het paar dat voornamelijk de geslachtskenmerken bepaalt. Hier ontbreekt een chromosoom: ofwel het Y-chromosoom ontbreekt (of het andere X-chromosoom ontbreekt). Er blijft dus alleen het X-chromosoom over. Het is dus een syndroom dat alleen vrouwen treft. Deze monosomie wordt X0 (x-nul) genoemd, omdat er alleen het X-geslachtschromosoom is en het andere ontbreekt.

De enige bekende monosomie is het Turner-syndroom. De vrouwen die overleven vertonen bij de puberteit een kleiner dan gemiddelde lengte, weinig ontwikkelde borsten en onrijpe interne geslachtsorganen.

Maar let goed op wat geneticus in deze studie hebben gezien! Ze hebben gezien dat op de steekproef van 100.000 onderzochte gevallen er slechts 1.358 gevallen van monosomie waren. En van deze zijn er slechts 8 levend geboren, terwijl de overige 1.350 gevallen met het Turner-syndroom doodgeboren zijn of spontaan geaborteerd.

Individuen met 45 chromosomen, omdat op chromosoom 23 de Y of de X ontbreekt, sterven vrijwel meteen. En als ze er al in slagen enkele jaren te overleven — wat om een zeer klein percentage gaat (8/100.000) — zijn ze voorbestemd om te sterven voordat ze de vruchtbare leeftijd bereiken! Geen van deze individuen met een chromosoom minder heeft ooit de vruchtbare leeftijd bereikt! Het rapport zegt alles wat er te begrijpen valt! Ze zullen nooit nageslacht voortbrengen!

Maar als het ‘ontbrekende’ chromosoom betrekking heeft op een van de andere chromosomenparen, namelijk van 1 tot 22, wordt de foetus vóór de geboorte geaborteerd. Altijd! Dat zegt alles! Ik daag iedereen uit om mij te bewijzen dat een chromosoomreductie in de natuur mogelijk is!

Alle andere gevallen van een chromosoom-syndroom hebben een chromosoom extra. Deze overleven soms, maar het zijn altijd gehandicapte individuen.

De logische stap voor een evolutionist zou zijn om te kunnen bewijzen dat een numerieke reductie van chromosomen mogelijk is. Ik wil niet eens discussiëren over de vraag of het ontbreken van een chromosoom een verbetering of verslechtering is, want zelfs bij het ontbreken van een heel klein stukje van één enkel chromosoom staat het individu op het spel. Het verwoest het! Er komt iets afschuwelijks uit voort! Technisch gezien, als er één ontbreekt, overleeft het individu niet of leeft het maar heel even!

Dit is het bewijs dat een chromosoomreductie in numerieke zin onmogelijk is! Daarom zei ik dat ik iedereen daag die het bewijs van deze statistiek wil betwisten! Ik daag elke geneticus, arts, bioloog, antropoloog, dierenarts… uit om mij het tegendeel te bewijzen! Maar wel met harde feiten en gegevens! Hij zou mij moeten bewijzen dat er in de menselijke soort gevallen bestaan van individuen met 45 chromosomen die in staat zijn om nageslacht voort te brengen en… op een verbeterde manier! Het zou gaan om het bewijzen van precies dezelfde omstandigheden als wat zij veronderstellen dat er is gebeurd bij de overgang van aap naar mens. Hij zou mij moeten bewijzen dat in een casuïstiek van nog eens 100.000 gevallen ten minste enkele gevallen van monosomie de vruchtbare leeftijd hebben bereikt en met 45 chromosomen kinderen hebben gekregen. En op een verbeterde manier. Want dat is het probleem!

Daarom heb ik gezegd dat zolang niemand mij een andere studie van nog eens 100.000 gevallen brengt en laat zien dat er daartussen een — hoe klein ook — percentage is dat de vruchtbare leeftijd heeft bereikt door van 46 naar 45 chromosomen te gaan en zich vervolgens heeft voortgeplant door kinderen te krijgen met een ander individu van 45 chromosomen ‘op een verbeterde manier’, ik niet luister. Want dat zou de stap zijn geweest die volgens hen had moeten plaatsvinden: van 48 naar 47 chromosomen gaan en vervolgens van 47 naar 46, op een verbeterde manier, aangezien wij superieure eigenschappen hebben ten opzichte van apen.

De chromosoomreductie die de evolutietheorie beweert, is praktisch onmogelijk! Als we deze redenering volgen die voortkomt uit wetenschappelijke observatie en we kijken naar apen, moeten we constateren dat een ‘levende’ aap met 47 chromosomen, dus met een ontbrekend chromosoom, nog nooit is gevonden! Vooral een volwassen vrouwelijke aap die zich kan voortplanten, is nog nooit gevonden! Dit is de ‘missing link’!

Dus de conclusie die we vanuit wetenschappelijk oogpunt kunnen trekken door monosomieën te bestuderen en de verkregen gegevens te vergelijken met evolutiehypothesen, is dat deze ketters en revolutionair zijn. Ketters omdat ze een leugen verkopen die op wereldschaal wordt gepresenteerd als wetenschappelijk bewezen, want hoewel het inmiddels zowel biologisch, biochemisch als statistisch-mathematisch duidelijk is dat het neo-darwiniaanse evolutionisme elke grondslag mist, wordt deze theorie in schoolboeken, musea en congressen als waarheid gepresenteerd, en worden dissiderende wetenschappers verstoten en het zwijgen opgelegd.

Ik ben slechts een eenvoudige arts, maar ik wil erop wijzen dat de oplossing die wordt voorgesteld door wetenschappers die zeggen: “De meest waarschijnlijke hypothese om deze verschillen in het aantal chromosomen te verklaren, is die van een ‘end-to-end’ fusie tussen twee kleine chromosomen die zou kunnen hebben plaatsgevonden in een ‘ancestrale pre-hominide’, wat een belangrijk verschil opleverde tussen het karyotype van de mensapen en dat van de mens”, simpelweg belachelijk is!

Concluderend:

ik zie niet hoe men, in het licht van wat hierboven is uiteengezet over chromosoom-syndromen, een overgang van 48 naar 46 chromosomen kan veronderstellen, aangezien de loutere afwezigheid van zeer kleine fragmenten van een chromosoom (deletie) in 100% van de gevallen overduidelijk pathologisch is.

De Trisomieën. In het geval van slechts één extra chromosoom spreken we van Trisomieën, oftewel 3 chromosomen in een paar in plaats van 2. Van alle chromosoomafwijkingen komen Trisomieën het vaakst voor en zijn ze het best waarneembaar. De levensverwachting is echter zeer beperkt.

Trisomieën kunnen betrekking hebben op alle chromosomenparen, zowel de geslachtschromosomen als de overige.

Alle gevallen van ‘geslachts’-chromosomale Trisomie met betrekking tot chromosoom nummer 23 zijn gevallen waarin er een extra ‘geslachts’-chromosoom is: dit kan XYY, XXY of XXX zijn.

Onder de ‘niet-geslachtelijke’ (autosome) afwijkingen is het Down-syndroom het meest frequent, dat betrekking heeft op chromosoom nummer 21. Op de steekproef van 100.000 onderzochte gevallen zijn er 463 Down-gevallen, maar daarvan overleven er slechts 113. Vrijwel slechts 1 op de 3 Down-kinderen overleeft. De overige 350 worden spontaan geaborteerd tijdens de zwangerschap.

Wat we vandaag de dag constateren, is dat de Trisomieën die verenigbaar zijn met het leven alleen die van kleine chromosomen zijn met een hoger nummer. We zien bijvoorbeeld dat het Down-syndroom enerzijds de hoogste numerieke incidentie heeft vergeleken met andere autosome Trisomieën zoals 7, 13 of 18, maar anderzijds ook degene is met de laagste mate van syndromale aantasting.

Individuen met 47 chromosomen kunnen dus alleen overleven en de volwassen leeftijd bereiken — hoewel ze over het algemeen onvruchtbaar zijn en een aanzienlijk lagere levensverwachting hebben dan gezonde mensen — als de Trisomie betrekking heeft op een klein chromosoom. De andere Trisomieën hebben weinig kans om te overleven en eindigen vaak al in de eerste dagen of weken van de zwangerschap in een miskraam.

Laten we kijken wat er gebeurt met de andere Trisomieën, afgezien van die op chromosoom 21.

Tot de weinige Trisomieën die kunnen overleven behoren:

  • die op chromosoom 7, genaamd het ‘Williams-syndroom’,
  • op chromosoom 13, genaamd het ‘Patau-syndroom’, en
  • die op chromosoom 18, genaamd het ‘Edwards-syndroom’.

Maar hun levensverwachting is altijd zeer beperkt.

Als we alle syndromen tussen chromosoom 7 en 20 bij elkaar optellen, zijn er op de 100.000 gevallen in de steekproef slechts 30 levend geboren: een vrijwel verwaarloosbaar aantal en altijd met diverse beperkingen. Van alle andere Trisomieën is er geen enkel geval bekend van een individu dat levend is geboren.

Hebben we ons ooit afgevraagd waarom het Down-syndroom bestaat, oftewel waarom de Trisomie van chromosoom nummer 21 bestaat, en bijvoorbeeld niet de Trisomie van chromosoom 1 of 2? Omdat, als een zeer kleine afwijking van een zo klein chromosoom als chromosoom 21 (het kleinste van de chromosomen) al zulke verwoestende gevolgen kan hebben, stel je voor wat de afwijkingen op chromosoom nummer 1 of 2 zouden doen, die veel groter zijn! Als we chromosoom 21 uitrollen, wie weet hoe lang die draad is! Maar de informatie in chromosoom 21 is sowieso onvoorstelbaar groot van omvang! Dat is waarom er geen Trisomieën van chromosoom 1 of 2 zijn: omdat ze onmiddellijk sterven. Het zijn de zogeheten ‘spontane abortussen’.

Hoe groter de chromosomen dus zijn, hoe strenger de selectie van de natuur is, die ingrijpt met een miskraam. Soms overleven ze niet eens lang genoeg om zich aan de baarmoederwand te hechten. Wanneer er een conceptie plaatsvindt waarbij er een afwijking is in de grotere chromosomen, nestelt de eicel zich niet eens in. Wanneer de vrouw een menstruatie heeft die net even anders is en ze denkt dat het routine is, of omdat de bloeding iets overvloediger is, of misschien omdat het een paar dagen te laat is, gaat het zeer waarschijnlijk om een spontane abortus. Vaak zijn dit miskramen die verband houden met afwijkingen aan de grotere chromosomen!

Onder de minder ernstige chromosoomveranderingen vinden we de zogeheten ‘Zeldzame ziektes’, wat in werkelijkheid genetische aandoeningen zijn, maar die niet onverenigbaar zijn met het leven of met vruchtbaarheid. Er worden er tegenwoordig meer dan 370 geteld en dit aantal neemt voortdurend toe omdat de onderzoeken steeds grondiger worden.

De Polysomieën. Tot slot zijn er de Polysomieën. Polysomieën doen zich voor wanneer er 48 en, in bepaalde uitzonderlijke gevallen, zelfs 49 chromosomen of meer zijn. Dit is het Klinefelter-syndroom. Het is een afwijking van paar 23, oftewel de geslachtschromosomen. Het treft alleen mannen, die vaak langer zijn dan gemiddeld. Ze vertonen onderontwikkelde teelballen, gedeeltelijke borstontwikkeling en hebben soms een lager dan gemiddelde intelligentie. Ze kunnen voorkomen als XXY, XXXY of XXYY.

Over het algemeen worden Polysomieën in de natuur meteen afgekeurd, nog vóór de geboorte.

Om hier meer over te weten te komen, is het mogelijk om instituten te raadplegen die uitsluitend het genoom bestuderen. Een bijzonder geavanceerd moleculair genetisch laboratorium is bijvoorbeeld het ‘Centro Genoma’ in Rome, maar tegenwoordig zijn er ook andere bij de grotere medische faculteiten, zoals in Florence, Milaan, Padua… Daar vinden we tal van andere syndromen vermeld die ik, om het eenvoudig te houden, in deze uiteenzetting niet zal noemen.

Enkele afbeeldingen van Chromosoom-syndromen

In onderstaan betoog ontbreken de afbeeldingen, ga daarvoor naar de Italiaanstalige pdf van prof Martelli, adres;

Laten we nu kijken wat er gebeurt als er sprake is van een Trisomie, oftewel een extra chromosoom. Van het syndroom op chromosoom 21 toon ik u geen gevallen, omdat ik ervan uitga dat u deze kent. Het zijn de Down-kinderen. Pas in de jaren 60 was het mogelijk om dit syndroom in verband te brengen met het genetisch erfgoed. Kennis over de oorzaak ervan is dus zeer recent.

Laten we in plaats daarvan kijken wat voor individuen er voortkomen uit Trisomieën 7, 13 en 18. Bij het Williams-syndroom is chromosoom 7 betrokken. Uit een zeer kleine afwijking, of micro-deletie — wat betekent dat er een piepklein Stukje van chromosoom 7 ontbreekt — is dit wat eruit voortkomt bij deze arme kinderen! Het zijn beelden waar ik niet eens commentaar op geef! Hier is er geen extra chromosoom en ontbreekt er ook geen heel chromosoom, maar er is alleen een deletie, er ontbreekt slechts een klein stukje! Het individu komt er verwoest uit. Ik laat het aan ieder voor zich om hierover na te denken. Het zijn afbeeldingen die ik gekopieerd heb uit studieboeken.

Deze laatste is de foto van een kind van kleur, een teken dat de syndromen voorkomen in alle rassen van de menselijke soort.

De afbeeldingen die volgen zijn van het Patau-syndroom: de Trisomie van chromosoom 13. Laten we ook hier kijken: het is genoeg dat er in paar 13 een extra chromosoom is en dit is wat eruit voortkomt! Uiteraard overleven deze kinderen niet.

Hier zien we hoe een afwijking van het genetisch erfgoed op verwoestende wijze werkt en tot een miskraam leidt. Deze kinderen konden niet levend geboren worden.

Ik herinner me nog met afgrijzen de glazen potten gevuld met formaldehyde die in het Museum van het Instituut voor Gerechtelijke Geneeskunde en Pathologische Anatomie van de Universiteit van Florence op stoffige planken opgesteld staan. In die potten worden de monsterlijke lichamen bewaard, getekend door Chromosoom-syndromen, van arme kinderen die het niet overleefd hebben vanwege een karyotype dat onverenigbaar is met het leven. Ze zien eruit als echte monsters! Ik ging er kijken zodra ik me voor Geneeskunde had ingeschreven. Ik ging er al in de eerste maand naartoe. Daar lagen, geclassificeerd als in een museum, de geaborteerde foetussen van die kinderen die voortkwamen uit spontane zwangerschapsonderbrekingen in de 4e, 5e, 6e en zelfs 7e maand. Ik zie al die planken nog voor me met die grote potten vol formaline, groot genoeg om een foetus te bevatten. En al deze foetussen op een rij waren perfect bewaard gebleven. Voor mij was het shockerend! Een schouwspel als dat is meer dan genoeg! Valtorta heeft ons duidelijk uitgelegd wat ‘monsters’ waren. We zullen dat later zien. En deze zien er niet uit als kinderen, ze lijken op monsters!

Laten we nu een micro-deletie zien, eveneens van Trisomie 13.

Nu zien we een geval van het Edwards-syndroom: de trisomie van chromosoom 18. Kijk eens wat hier gebeurt! Dit is een geval van Anencefalie: een kind zonder hersenen.

We hebben vandaag de dag op wetenschappelijk niveau geen realistische gegevens om aan te dragen. De gegevens die we hebben zijn altijd onnauwkeurige schattingen aan de lage kant. Bepaalde onderzoeken zijn nog niet uitgevoerd. Men zou alle miskramen moeten nemen, bestuderen en catalogiseren. Omdat het merendeel van de spontane abortussen niet eens als zodanig wordt opgemerkt. Als het in de eerste week gebeurt en er alleen wat vertraging in de cyclus is, van 28 tot 32 dagen, gaat het vaak om een spontane abortus die onopgemerkt blijft. Hoe kunnen we in deze gevallen wetenschappelijke gegevens hebben als we het materiaal niet hebben? Deze worden niet eens geclassificeerd. We zouden het genetisch erfgoed moeten hebben van die paar cellen die natuurlijk zijn uitgestoten en die bestuderen.

Het aantal spontane abortussen wordt schromelijk onderschat. Dat is de realiteit. We hebben niet eens een idee van hoe talrijk ze zijn! En gynaecologen weten dit en zeggen het ook. Veel concepties komen niet tot een goed einde. In deze gevallen is er een conceptie en vrijwel direct daarna een abortus. Daarom worden ze dood geboren.

Hier maken we een grove telling, maar laten we niet vergeten dat wanneer er aan de grotere chromosomen wordt gekomen, ze zich niet eens hechten óf worden uitgestoten als miskraam, en als er ook maar een heel klein fragment ontbreekt — als er dus een zogeheten ‘deletie’ is — het individu er verwoest uit komt!

Hier zijn 2 voorbeelden van een deletie bij het Edwards-syndroom.

Deze kindjes zijn levend geboren, maar je ziet wat er gebeurt door een extra chromosoom in paar nummer 18! Het kind wordt, als het geboren wordt, in deze omstandigheden geboren! Ik ga niet de lijst af van alle aandoeningen waaraan deze kinderen lijden!

De volgende is nog een afbeelding van trisomie 18 of het Edwards-syndroom. Hier is het kind aangetast aan de ledematen.

De hier verzamelde beelden spreken voor zich.

Samenvattend

De stelling die evolutionisten en neo-darwinisten uitdragen, is dat de chromosoomreductie van 48 naar 46 chromosomen ‘aan het toeval’ en aan spontane chromosoomveranderingen te wijten is. Maar door die tabel te bestuderen hebben we gezien wat er gebeurt wanneer er sprake is van een spontane mutatie. Bij monosomie van chromosoom 23, oftewel het syndroom waarbij één chromosoom minder wordt vastgesteld, is het percentage overlevenden 8 op de 100.000, wat neerkomt op 0,08 per 1.000. Dan rekenen we nog niet eens mee dat de beperking van seksuele aard is en dat dit het onmogelijk maakt om zich voort te planten. De hoop op een mogelijke geldigheid van de hypothese van een chromosoomreductie is dus praktisch nul. Er bestaan geen andere typen monosomie.

Bovendien, los van alle mogelijke logica en overwegingen over het feit dat een chromosomaal tekort bij de paren 1-22 overleving niet toelaat, blijft het feit dat er informatie op chromosomaal niveau verloren zou gaan, en dit verlies zou individuen verwoesten, altijd. Immers, ook het verlies van slechts een deel van een chromosoom, hoe klein ook — oftewel een ‘deletie’ — is nooit een verbetering, maar altijd een verslechtering. En dan is er nog die numerieke statistiek, simpelweg een kwestie van optellen en aftrekken, die de knoop definitief doorhakt.

Concluderend: men kan niet veronderstellen dat de mens van de aap afstamt! Dit is niet alleen niet te bewijzen, maar als we naar deze wetenschappelijke gegevens kijken, kan het niet eens worden verondersteld! De analyse van de bekende chromosoom-syndromen en het onderzoek naar die syndromen die als cryptogenetisch worden gedefinieerd — waarvan er vele nog onbekend zijn — vormen de voorwaarde om steeds beter te begrijpen hoe een overgang tussen mensapen en de mens op genetisch niveau technisch onmogelijk is.

Het ontbreken van een chromosoom, oftewel monosomie, is ALTIJD ONVERENIGBAAR MET HET LEVEN. Tot op de dag van vandaag bestaan er geen wetenschappelijke verklaringen die dit aspect kunnen bewijzen ter ondersteuning van de evolutietheorie, die uitgaat van een numerieke reductie van niet één, maar liefst twee chromosomen om van het apenkaryotype (48 chromosomen) over te gaan naar het menselijke karyotype (46 chromosomen).

Concluderend: een chromosoomreductie in de natuur bestaat niet, omdat de natuur deze bij voorbaat afkeurt!

Wat betreft de trisomieën, oftewel de syndromen van die individuen met een extra chromosoom: zij hebben hooguit een grotere kans op leven vergeleken met de personen die door monosomie zijn getroffen, maar met een levensverwachting die altijd beperkt is in de tijd en met steeds verslechterende kenmerken. Vrijwel alle trisomieën, of bijna alle, zijn bestemd om te eindigen in een spontane abortus.

In de kolom van levendgeborenen hebben de zwaarste, de grootste chromosomen als waarde: 0. Bij chromosoom 1 is er zelfs onder de abortussen of doodgeborenen geen enkel positief gegeven! Bij het afwijkende chromosoom nummer 2 zijn 159 abortussen gevonden en ‘nul’ overlevenden. Trisomieën die betrekking hebben op grote chromosomen zijn altijd bestemd voor een abortus en nooit voor overleving. In de chromosomenparen van nummer 1 tot 12 zijn er namelijk overal 0 levendgeborenen. Er worden alleen levendgeborenen aangetroffen bij drie trisomische syndromen die betrekking hebben op kleinere chromosomen, en de effecten daarvan zijn schrikbarend.

Vandaag de dag kennen we de verwoestende effecten die de aanwezigheid van een trisomisch karyotype (47 chromosomen) of polysomisch karyotype (48 chromosomen) op mensen heeft. En degenen die overleven, doen dat altijd voor een zeer beperkte periode vergeleken met een normaal persoon.

Toen ik een jonge geneeskundestudent was, leerden ze ons dat moeder natuur eugenetische beschermingsmechanismen voor de soort had. In de wereld van huisdieren, die overigens vaak genetisch worden gekruist om rassen met bepaalde kenmerken te verkrijgen, wordt de incidentie van chromosoom-syndromen pas duidelijk wanneer er sprake is van blootstelling aan zeer hoge doses ioniserende straling (bijv. de dieren in het gebied rond Tsjernobyl).

Dit komt doordat het gaat om kruisingen van ‘rassen’ die allemaal tot de ‘soort’ hond behoren, waardoor kruisingen mogelijk zijn zonder chromosoomafwijkingen te veroorzaken. Maar waar het niet gaat om verschillende rassen maar om verschillende soorten, bestaat er een onoverbrugbare genetische barrière tussen de ene soort en de andere. Per conventie spreekt men immers van een ‘soort’ om een ‘genetisch geïsoleerde’ groep individuen aan te duiden, oftewel niet vruchtbaar met individuen van andere soorten.

Zo hebben we geconstateerd dat chromosoomreductie in de natuur onmogelijk is.

Ondanks wat de theo-evolutionisten beweren — die, om God als Schepper op de een of andere manier in de evolutietheorie te doen passen, veronderstellen dat God de schepping in een nog pril stadium een ‘input’ heeft gegeven zodat de natuur vanzelf zou evolueren zonder verdere creatieve ingrepen — lost hun theorie de relatie tussen geloof en wetenschap niet op. Deze vervalt immers in het evolutionisme en wordt om dezelfde redenen bij voorbaat afgekeurd. We zouden eerder kunnen zeggen dat het deze theorie aan zowel geloof als wetenschap ontbreekt. Het is een compromis dat zelfs het verstand niet bevredigt.

De waarheid is dat als we een logische oplossing willen, de enige die geloof en wetenschap eerbiedigt, we de chromosoomreductie moeten uitsluiten en de noodzaak moeten erkennen van oneindig veel ingrepen van God — net zoveel als er soorten zijn — en, om precies te zijn, ‘twee’ directe ingrepen voor de schepping van de twee stamvaders van elke afzonderlijke soort: het vrouwtje en het mannetje. De enige oplossing is dus deze: om van de ene soort naar de andere over te gaan, en in het bijzonder van een apensoort naar de mens, was noodzakelijkerwijs de scheppende ingreep van God nodig!

Tot slot denk ik dat we moeten ophouden ons zo onderworpen te gedragen wanneer we stellen dat ‘God elke soort afzonderlijk heeft geschapen’ volgens een lijn van steeds grotere complexiteit. We moeten ophouden te accepteren dat de eerste de beste pseudowetenschapper op de katheder gaat zitten en bewijzen van ons eist, terwijl hij er zelf niet één aandraagt! Laten we elkaar als gelijken behandelen: “Jij zegt me dat het evolutionisme gelijk heeft? Leg mij dan technisch uit hoe het is gebeurd dat we van 48 chromosomen naar 46 zijn gegaan!”. Want uit wat we hebben gezien, is het niet alleen ondenkbaar dat het ontbreken van een chromosoom een verbetering brengt, maar ook de aanwezigheid van een extra chromosoom niet. De individuen die aan een chromosoom-syndroom lijden, zijn allemaal beperkt!

Bron

Dr. Francesco Saverio Martelli, WANNEER GELOOF EN VERSTAND HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN (IN DE TAAL VAN DE CHROMOSOMEN) – Guido Bortoluzzi – De Middelijke Schepping | Biologie, Theologie en Evolutie

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑