De schepping is herschepping: een historiografische interpretatie


PDF


De Schepping is Herschepping: Een Historiografische Interpretatie (geschiedkundige interpretatie)

(Dit artikel is deels gebaseerd op een ongepubliceerd manuscript van Jacqueline Wels uit 1986.)

Bronverwijzing: guidobortoluzzi.org/2013/03/07/de-schepping-is-herschepping-hubert_luns/

Samenvatting

Schepping of evolutie? Dit artikel biedt een diepgaande historiografische (geschiedkundige) interpretatie van Genesis. Aan de hand van de Hiaat-Theorie (de theorie dat er een enorm tijdsgat zit tussen het eerste en tweede vers van Genesis), de sleutelbegrippen bara (scheppen uit niets) en asah (het bewerken of herschikken van reeds bestaand materiaal), en inzichten van Don Guido Bortoluzzi wordt de vóórschepping belicht: hoe een ontspoorde oerwereld door God werd herschikt tot een menswaardige woonstee met een gezalfd eerste mensenpaar.

Schepping of evolutie? Twee kampen bestrijden elkaar: de darwinisten en de creationisten. De darwinisten schrijven alles toe aan het toeval — een onhoudbaar standpunt. Het is immers absurd om het ontstaan van nieuwe levensvormen toe te schrijven aan blind toeval, waarbij soorten in een soort afvalrace op hun merites worden beoordeeld. Maar ook de creationisten hebben ongelijk; het tegenovergestelde van een onjuist standpunt hoeft immers nog geen juist standpunt te zijn.

Christenen hoeven niet langer huiverig te zijn om te geloven in wat de vóórschepping (de wereld en levende wezens die al vóór het scheppingsverhaal van Adam bestonden) wordt genoemd. Hoe kunnen wij immers volhouden dat God de mensheid slechts 4.000 jaar vóór Christus schiep, terwijl er toen al langere tijd volkeren bestonden? Het is een mysterie wanneer de Bijbel verhaalt dat Adam de eerste mens was. Net zo goed kunnen we stellen dat Christus de eerste mens was, hoewel niemand zal beweren dat Hij ook genetisch de eerste mens was. Zeker, aanpassing en natuurlijke selectie in de darwinistische zin bestaan en bezitten een gewelddadige en duistere natuur, maar zij bieden geen verklaring voor het oorspronkelijke ontstaan der soorten. Trouwens, waar zijn de ontelbare overgangsvormen gebleven?

In de sedimenten (aardlagen) is daar niets van terug te vinden, ondanks de uitzonderlijke rijkdom van het fossielenarchief. Er is veeleer sprake van een uitbarsting van evolutionaire drift op de drempel van elk geologisch tijdperk, wat in tegenspraak is met het idee van geleidelijke mutatie en natuurlijke selectie. De beginstadia worden steeds gekenmerkt door een explosie van vele nieuwe soorten — hoe kan dat anders dan via een vooraf bepaald traject?[^1]

1. Een Herschikking van het Reeds Bestaande

Een voornaam struikelblok om tot een juist begrip van het Bijbelse scheppingsverhaal te komen, is de gebrekkige uitleg van het woord maken. Dit vinden we in Genesis 1:7: “En God maakte het uitspansel”, maar ook in Exodus 20:11: “Want in zes dagen heeft God de hemel en de aarde gemaakt, en Hij rustte op de zevende.”

De oppervlakkige lezer is geneigd maken op dezelfde lijn te plaatsen als scheppen. Zo staat in het eerste vers immers: “In het begin schiep God de hemel en de aarde” — oftewel: “maakte God de hemel en de aarde.” Echter, de Hebreeuwse woorden voor scheppen en maken verschillen fundamenteel. In het eerste vers wordt het werkwoord bara (scheppen ex nihilo, uit niets) gebruikt, en in het zevende vers het werkwoord asah (het bewerken, vormen of aanstellen van reeds bestaand materiaal).

Wat is de precieze betekenis van asah in vergelijking tot bara? Asah kent verschillende betekenissen, waaronder beschikken of aanstellen, maar nooit ‘scheppen’ in de zin van ex nihilo (uit niets). Het woord asah wordt bijvoorbeeld ook gebruikt voor kleding die God voor de mens maakte, en kleding die mensen voor zichzelf maken (Gen. 3:21; Ex. 28:2). Het gaat altijd om de bewerking van iets dat reeds bestaat, meestal om de vorm te wijzigen — zoals bij het knippen van iemands snor of nagels (2 Sam. 19:24; Deut. 21:12). Het is een transformatie van reeds voorhanden materiaal.

Als we vernemen dat God de hemel en de aarde maakte, hoeft dat dus niet te worden opgevat als een schepping ‘in het begin’. We mogen dit opvatten als de bewerking van iets dat al lang bestond. Dit geldt eveneens voor de zon, de maan en de sterren, die heel goed reeds lang hadden kunnen bestaan voordat ze werden aangesteld om voor het nieuwe mensenras de tijden en seizoenen te bepalen. De exodustekst wijst op het zesdaagse maken — “In zes dagen maakte God de hemel en de aarde (…) en rustte op de zevende” — niet in de zin van scheppingen uit het niets, maar als een werk van God waarin een gedegradeerde cosmos (wereldorde) werd herschikt om weer dienst te doen als een menswaardige woonstee. Nadat deze herschikking was volbracht, rustte God van zijn ‘creatieve werk’ (Hebreeuws: melachah [het fysieke scheppende of ambachtelijke werk]) en droeg Hij zijn taak over aan de nieuwe mens.

2. “Zij zijn een Rook in Mijn Neus”

De meesten hebben een geromantiseerd beeld voor ogen wanneer zij lezen over de schepping van Adam, de nieuwe mens. De werkelijke feiten zijn echter verre van romantisch. De Hebreeuwse bewoordingen geven aan dat God wist wat er stond te gebeuren; het zijn donderende woorden. Meestal biedt het Hebreeuws alternatieve interpretaties, en in dit geval is elk woord zo beladen dat de oude Masoreten (de Joodse schriftheleerden die de Hebreeuwse tekst van klinkers en traditie voorzien hebben) hun uiterste best moesten doen om er een geromantiseerde tekst van te maken. Zie in dit verband Jeremia 4:19–27 (verkort):

“Krijgsgeschal! Ramp op ramp! Hoe dwaas is mijn volk. Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig (tohu wa bohu [volkomen chaotisch, geruïneerd en leeg]), en er was geen licht aan het uitspansel. Er was geen mens en alle vogels waren gevlucht. Het vruchtbare land was een woestenij — wegens Yahweh, om zijn ziedende toorn.”

Er is in het scheppingsverhaal geen sprake van het teder inblazen van Gods ziel of adem (Hebreeuws: neshama [de goddelijke ademhaling of levensgeest]) in de neusgaten van de stof, wat Adam moest worden (Gen. 2:7; Ps. 104:29). Het roept veeleer het beeld op van ingehouden woede die — met trillende neusvleugels — dwingt tot een verontwaardigd naar binnen snuiven, wat onmiddellijk daarna wordt gevolgd door een heftig uitblazen. Vergelijk dit met Psalm 18:15 en 2 Samuël 22:16:

“Zichtbaar werd de bedding der wateren en de grondslag van de wereld werd ontbloot, door uw dreigen, o Heer, door het snuivend gebries van uw neus.”

De uitblazing daarentegen — om de ziel in te blazen — komt uit Gods mond en niet uit zijn neusgaten, want de Bijbel zegt: “De mens (Hebreeuws: ‘adam’) leeft bij alles wat uit de mond des Heren komt” (Deut. 8:3).

Op de eerste Bijbelpagina’s vernemen we dat de ‘beesten’ op het veld ter plekke aanwezig waren en dat er een ‘dauw’ of ‘damp’ vanuit de aarde opsteeg. Het betreft hier echter geen gewone dauw. De tekst duidt erop dat de reeds bestaande volken allerlei vormen van occultisme (verborgen, duistere geestesdemonie) bedreven en geen mens waren in de oorspronkelijke, ideële betekenis van het woord; zij misten de eigenschappen en morele standaard van de oorspronkelijk geschapen menselijke natuur.

Het Hebreeuwse woord ad (damp of walm) voor damp is hier een sleutelwoord. Het wordt nadien nog slechts eenmaal gebruikt, in Job 36:27, waar het zonder bijbetekenis een waternevel voorstelt. In Genesis wijst het echter op gelijksoortige woordbetekenissen, zoals in Zacharia 3, waar Jozua vergeleken wordt met een uit het vuur gered stuk brandhout (het Hebreeuws voor brandhout is ad, met een klinkerloze letter vav in het midden). David zegt in een psalm dat hij zich als een lederen zak (Hebreeuws: noad [een leren kruik of zak]) voelt in de rook. Ad is damp, maar damp met een verwoestende werking — eigenlijk een walm.

Dit hoeft uiteraard niet te worden opgevat als een gewone weersgesteldheid. Een verwoestende walm houdt verband met vuur, zoals in Handelingen 2:19, waar het Griekse atmis (rookwalm of damp) wordt gebruikt: “Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen in de aarde beneden: bloed en vuur en rookdamp.” Atmis komt nog eenmaal voor, in Jakobus 4:14: “Wat is het leven van een mens? Een walm die even verschijnt en dan weer verdwijnt.” Inderdaad, weinig complimenteus, en daarom wordt de vertaling meestal afgezwakt tot ‘nevel’, maar zo hoeft het niet te worden opgevat.

Vuur en hitte gaan in religieuze riten samen met een demonische aanwezigheid. De Joden maken hun voedsel heilzaam (Hebreeuws: kosher [ritueel rein en toegestaan volgens de Wet]) volgens Bijbelse voorschriften die spreken over kookgerei “dat het vuur kan weerstaan”, volgens het principe dat hitte iedere vorm van demonie overwint. Ad of walm bevestigt dat de volken van de vóórschepping reeds initiatieriten (geheime inwijdingsrituelen) en dergelijke gruwelijkheden bedreven. Kijk naar Jesaja 65:3–5: “Een volk dat Mij tergt (…) dat bij de graven zit (…) zij zijn een rook in mijn neus.” De meeste religies kennen hun eigen paradijsverhaal; het Bijbelse verhaal is bedoeld als een tegenbeeld daarvan.

3. De Hiaat-Theorie

Nee, de wereld van de vóórschepping was geen aangename plaats. De Bijbel rapporteert in de eerste regel van het scheppingsrelaas dat God hemel en aarde maakte. De volgende regel concentreert zich vervolgens op het gedeelte dat over de aarde gaat, terwijl de hemel zelf geheel buiten beschouwing blijft. Getweeën werden ze ‘in het begin’ geschapen, maar de aarde werd op een moment — door een zekere gebeurtenis en een onvermelde oorzaak — “woest en ledig” (in het Hebreeuws: tohu wa bohu [een staat van totale verwoesting, chaos en leegte]).

Reeds uit tohu alleen blijkt dat de aarde verkeerde in een desolater toestand die in het prille begin, waarvan in het eerste vers sprake is, niet kan hebben bestaan. De schepping was — zo blijkt — tot iets verworden dat nooit in de oorspronkelijke bedoeling kan hebben gelegen. Zegt Jesaja 45:18 niet nadrukkelijk dat “God de aarde ‘niet’ heeft geschapen opdat zij woest (tohu) zou zijn”?

Opmerkelijk in dit verband is dat het tweede Genesisvers eindigt met: “En de Geest Gods zweefde over de wateren.” Dat ‘zweven’ kan ook worden vertaald als ‘broeden’ (als op een ei), wat wijst op een nieuw begin: een herschapping! Vanuit deze invalshoek kan het scheppingsverhaal als volgt worden geïnterpreteerd:

“Miljarden jaren geleden was het dat God hemel en aarde schiep.”

Dit zelfde ‘scheppen’ komt terug in de opening van het in het Grieks geschreven Johannes-evangelie:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.”

Na Genesis 1:1 plaatsen we in de vertaling het eerste deel van vers 2 tussen haakjes:

(“De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de afgrond.”)

Deze zin zouden we een hiaat (een gat of onderbreking in de tijd) kunnen noemen dat buiten ons blikveld ligt. Omdat het bijkomstig is voor de hoofdbedoeling van de goddelijke schrijver, wordt het tussen haakjes geplaatst. Over die episode zouden we graag meer willen weten, maar God wenst de lezer op iets anders te focussen. Het gaat immers niet om wetenswaardigheden op zich, maar om de hersteloperatie van het maaksel van zijn hand.

Het plaatsen van die haakjes werkt verhelderend. Desbetreffende zin kan als volgt worden uitgelegd: in de geschiedkundige evolutie sinds het allereerste BEGIN — waar we verder niet bij stil zullen staan — geraakten de wereld en haar inwoners in een erbarmelijke toestand.

Deze benadering kan theologisch revolutionair worden genoemd, maar dat is niet zonder grond. Helaas heeft de voor-Christelijke Septuagintvertaling (de invloedrijke Griekse vertaling van het Oude Testament) alle latere Bijbelvertalers in dit opzicht op het verkeerde been gezet. De gezaghebbende Septuagint is weliswaar een belangrijke bron om te achterhalen hoe het Hebreeuws moet worden vertaald, maar zij is niet feilloos. Zo vertaalt de Septuagint het Hebreeuwse werkwoord hajah (zijn of worden) in Genesis 1 met een verbuiging van het Griekse ginomai (gebeuren, ontstaan, worden), behalve in vers 2, waar het met een passief koppelwerkwoord wordt aangeduid, zodat er in het Grieks staat: “de aarde was woest”.

Indien het om een passieve zijnstoestand gaat, is de gebruikelijke oplossing in het Hebreeuws om het werkwoord simpelweg weg te laten. “Ik ben ziek” of “ik was ziek” wordt dan simpelweg “Ik ziek”. Niet meer dan dat. Het werkwoord hajah voor een handelend optreden mag dus niet zomaar met een statisch ‘was’ worden vertaald. In het Frans zou er hebben moeten staan: “La terre fut informée” (de aarde was misvormd/geruïneerd geraakt), en in het Nederlands: “De aarde was woest geworden.”

In Genesis 1:2 staat daarom een voltooiingstijd (was geworden), echter zónder het verbindende koppelteken van de Hebreeuwse letter vav (het Hebreeuwse voegwoord ‘en’, ‘maar’ of ‘doch’) ervóór. Dit impliceert dat het in de eerste twee verzen van dit hoofdstuk niet om een logisch-ordelijke vertelling gaat waarbij werkwoorden opeenvolgend aan elkaar worden gekoppeld, zoals verderop in het scheppingsverhaal het geval is. Taalkundig gezien bevinden we ons hier niet in een situatie waarin de schepping en de woestheid in elkaars verlengde liggen; er is sprake van een contrast, ja, een onoverbrugbare tegenstelling.

De vav aan het begin van vers 2 kan daarom het best worden vertaald met nochtans, en niet met het woordje nu, zoals sommige vertalingen doen: “De aarde nu was woest en ledig.” Een juistere vertaling is: “Nochtans was de aarde tot een woestenij geworden.” Hoe anders was het geweest als er had gestaan “watehi ha-arets”, voorzien van een vav vóór de onvoltooide tijd! Maar dat staat er niet. Mocht dat er wel hebben gestaan, dan zou de vertelling van het scheppingsgebeuren ongeveer als volgt luiden: “In het begin schiep God hemel en aarde. En dan komt ineens die aarde tevoorschijn, die nog helemaal ongevormd en leeg was, net als bij een pottenbakker die de klei nog moet bewerken om tot een creatie te komen.” Maar nogmaals, dat staat er niet![^2]

Na de lezing “Nochtans was de aarde tot een woestenij geworden, waarbij duisternis op de afgrond lag”, belanden we bij het laatste deel van vers 2, dat we bij vers 3 trekken (aangezien de indeling in verzen arbitrair (willekeurig) is). We lezen dan: “De Geest Gods zweefde over de wateren en God zei: Daar zij licht! En het werd licht.” Dit leggen we als volgt uit:

« De Geest Gods aanzag deze ellende. Duizenden jaren geleden, toen de dingen ontspoorden — ten opzichte van Mozes, die dit door Gods Geest gedreven neerschreef — begon thans Gods verlossingsplan voor de wereld. Daarom zei God: Daar zij licht! En zie, het licht scheen in de duisternis! »

Deze uitleg sluit naadloos aan bij Johannes 1:5: “Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.”

Het begrip ‘zonder vorm’ of ‘woest en ledig’, zoals in de meeste vertalingen luidt, is in het Hebreeuws Tohu wa Bohu. Deze desolatie (totale ontreddering en verwoesting) is opgebouwd uit twee termen. De afgrijselijke hoer uit de Openbaring van Johannes, gezeten op het beest, vormt de werkelijke diepere betekenis van deze begrippen; zij fungeren als twee beesten die uit de afgrond opstijgen. Bohu staat nooit op zichzelf en wordt altijd in één adem met Tohu geschreven. Samen horen zij thuis in het scheppingsverhaal, omdat ze daar wijzen op het zeemonster dat onvermijdelijk in de waterdiepten huist. Het is in de onpeilbare diepte van dat kwaad dat de tegen God gerichte ‘doop’ wordt toegediend.

De andere term, bohu, bezit dezelfde betekenis als Behomat of Bafomet (een middeleeuws occulte/symbolische figuur die vaak geassocieerd wordt met Lucifer of Satan). Het is eveneens de leviathan of de draak: hetzelfde verschrikkelijke monster dat in de diepste zeeën schuilt, tevens tweeslachtig van aard (man en vrouw tegelijk). Bohu komt overeen met de mythische opvatting van de chaos. Tohu en Bohu vormen samen de religieuze, tweevoudige chaos van de alleroudste initiatieriten (geheime inwijdingsrituelen).

De Joodse traditie geeft aan dat zij een staat van totale verbazing, verwarring en verbijstering omvatten. Het menselijk onderbewustzijn wordt in de psychologie soms op een vergelijkbare wijze omschreven. In de beeldspraak voert de initiatie naar deze chaos terug, welke toebehoort aan de draak en de hoerige godin. De allegorische (symbolische) draak en de godin uit het Boek Openbaring maken deel uit van een primitieve religieuze filosofie genaamd de gnosis (een oude stroming die gelooft in een geheime, verheven ‘goddelijke kennis’ voor ingewijden). Het is dus een beeld van puur heidendom.

De chaos, het beest en de hoer vormen het angstwekkende gezelschap van de doden en confronteren degene die wordt geïnitieerd. De symbolische terugkeer naar deze chaos — de Eerste Oorzaak — komt overeen met de afgodische doop om in contact te treden met de doden, die ons onze voorouderlijke rekeningen presenteren. Het zijn juist deze rekeningen die in het kruislijden van Jezus zijn vereffend, waarmee de garantie voor herstel is geboden.

De terugkeer naar het beest en de hoer, en naar de chaos in het bijzonder, wordt in Bijbelse taal gecodeerd als het terugkeren, de afzondering, het teruggaan of het terugvallen. Bevat de Bijbel niet tal van genezende allegorieën (symbolische verhalen) die precies daartegen waarschuwen?

4. De Eenheid van het Gezalfde Paar

We keren terug tot het eerste mensenpaar, dat door God werd geschapen uit het stof der aarde (Gen. 2:7). Bij uitzondering en passend bij zijn bijzondere missie kende Adam — evenals Melchisedek — geen voorgeslacht (Gen. 14:18; Hebr. 5:5–6). Het betrof hier geen schepping ex nihilo (uit niets), maar een eclatante (schitterende, opvallende) omvorming van zodanige aard dat het een scheppen mocht heten. Wat de Vrouw betreft, vermeldt de Hebreeuwse tekst niet dat God haar uit Adams rib maakte, maar dat Hij haar daaruit schiep. Het Hebreeuwse woord voor rib (Hebreeuws: tsela [kan naast rib ook ‘zijds’, ‘helft’ of ‘ovule’ betekenen]) kan immers ook andere betekenissen dragen, waaronder ‘ovule’ of eicel. (Tussen haakjes: het Hebreeuws is de oertaal waaruit geen andere talen zijn afgeleid, waardoor deze specifieke vertaling gepermitteerd is.)

Omdat de verbondenheid van het paar een volstrekte eenheid in denken en handelen betrof op een wijze die ons begrip te boven gaat, wordt in de Schrift soms de enkelvoudige vorm gebruikt voor ‘Adam en Eva’. Zo verwijst het woord ‘hem’ in Psalm 8:6 naar hen beiden: “U maakte hem heerser over de werken van Uw handen.”

Renza Giacobbi schrijft in haar commentaar op de geschriften van Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) over de bijzondere scheppingswijze van dit gezalfde paar:[^3]

« Het is van belang in te zien dat God, om de eerste Mens te kunnen scheppen, de twee gameten (geslachtscellen) schiep van zowel man als vrouw. Maar later, om de eerste Vrouw te scheppen, creëerde Hij uitsluitend de ovule in de baarmoeder van de voorouderlijke moeder, aangezien de spermatozoa (zaadcellen) door de Jongeman (Adam) reeds waren voortgebracht. We herinneren ons dat de Almachtige de mens Adam in een diepe slaap liet vallen, zoals de Mozaïsche Genesis aangeeft, zodat hij zich later niet meer kon herinneren wat er met dat vrouwtje was gebeurd en deze vereniging daarom niet zou willen herhalen. Op deze wijze vestigde God tevens een hiërarchie (rangorde): eerst de Man als hoofd van de familie en hoofd der mensheid, en daarna de Vrouw. De voorouderlijke incubator-vrouw [een dierlijke soort] behield na deze twee directe en uitzonderlijke ingrepen van God al haar eigenschappen en genen. Zij bleef derhalve in staat om via de voorouderlijke lijn nageslacht te verwekken van het pure oerras, en via de Man hybride (kruising) nakomelingen volgens de erfelijkheidswetten van Mendel. Dit verklaart tevens waarom zij geen gemeenschap meer mocht hebben met enig lid van de verheven menselijke soort, nadat zij eenmaal als instrument Gods had gefungeerd om het menselijke ras voort te brengen. »

Het Hebreeuwse woord voor stof is ‘afar (fijn stof, aarde of klei). Zowel ‘afar als ‘ofra zijn hiermee verwant. De engel die Gideon bezocht, kon in Ofra worden waargenomen, en de koningin van Sjeba bracht goud uit Ofir of Ofra (in het Hebreeuws anders gespeld dan het Ofra van Gideon). Stofgoud kan de betekenis hebben van ‘afar of stof met een gouden glans — een zinspeling op wat het uiteindelijke doel zou moeten zijn. De slang in het paradijs wordt daarentegen veroordeeld tot het eten van stof, om aards te blijven en voorgoed in vorm gevangen te zijn; zij kan nimmer de hogere hemelsferen bereiken.

Waar stof duidt op het aardse lichaam, verwijst stofgoud naar het verheerlijkte hemelse lichaam dat niet is onderworpen aan de kringloop van dood en geboorte. De paradijsvloek openbaart dat Adam en zijn Mannin uit stof kwamen en tot stof zouden wederkeren — voorlopig althans…[^4] Het wekt bevreemding dat de zending van dit paar na hun val onaangetast bleef. Terecht wordt de Messias — de Zoon des mensen — daarom de tweede Adam genoemd, en de Maagd Maria de tweede Eva, om aldus te volbrengen waarin de eersten waren gefaald.

(Zie 1 Corinthiërs 15:47)

Opmerkelijk is dat Jezus slechts één menselijke ouder kende; daardoor was de eenheid tussen Maria en Jezus — evenals tussen Adam en zijn zuivere eerste nageslacht — inniger dan die tussen een doorsnee kind en diens moeder. In Genesis 1:26–27 staat in de meervoudigheid van de goddelijke Drie-eenheid geschreven: “Laat Ons de Mens maken naar Ons beeld, volgens Onze gelijkenis. (…) Naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem” (hier wordt de gelijkenis niet genoemd).

De Griekse kerkvaders plegen doorgaans onderscheid te maken tussen het beeld en de gelijkenis: de mens is geschapen naar het beeld, en diens levensbestemming bestaat eruit om in vrijheid toe te groeien naar de gelijkenis met God (Origenes, Over de eerste beginselen 3:6:1). Omdat de herhaling in de tekst voorbijgaat aan de exacte betekenis van de term ‘gelijkenis’, kan dit niet anders betekenen dan dat deze gelijkenis was beschikt (asah) als een doel dat door het individu moest worden nagestreefd en in het leven bevochten. In de eerste plaats diende dit te geschieden door trouw te blijven aan het gebod: “Van de boom van de kennis van goed en kwaad zult gij niet eten” (Gen. 2:17).

Na de overtreding van dit gebod bleef het gezalfde paar weliswaar beelddrager, maar het verloor de gelijkenis die bestond in de volstrekte wilsovereenstemming met God. Het is die wilsovereenstemming — het universele FIAT (een onvoorwaardelijke instemming of ‘het geschiede’), het fiat voluntas tua (‘Uw wil geschiede’) — dat sindsdien op een pijnlijker en dramatischer wijze bevochten moest worden dan God aanvankelijk voor ogen stond. Toen het paar uit het paradijs neerdaalde, behield zij de zalving (Klaagl. 4:20). Daardoor bleef Gods beeld in het nageslacht behouden, maar onze gelijkenis met God raakte steeds dieper beschadigd door een neerwaartse spiraal van menselijke eigenzinnigheid en buitensporig egoïsme. Terwijl God Adam naar Zichzelf maakte, werden Adams kinderen naar hun vaders menselijke beeld en gelijkenis geboren (Gen. 5:1–3). Aldus droegen zij de gevolgen van de gebodsovertreding in zich, hetgeen we de erfzonde noemen.

Wat betreft de menselijke soort — de kroon der schepping — zien wij geen seculiere (wereldse/aardse) evolutie, maar veeleer een involutie (een teruggang of innerlijke ineenzinking) of degeneratie, zij het niet zonder uitwerking op de lagere scheppingsorde, aangezien alles met elkaar verbonden is binnen één enkele familie. De ontluistering van de schepping mogen wij God niet in de schoenen schuiven, alsof Zijn scheppingswerk onvolmaakt zou zijn geweest. Het Bijbelse scheppingsverhaal is dan ook in de kern een herscheppingsverhaal.

De Joodse schriftgeleerde Rashi verhaalt in een bekende uitleg dat de mens met een stempel (de kleivorm) is gemaakt, vergelijkbaar met een muntstempel, maar dat desondanks alle replica’s uniek zijn. Jezus merkte over de munt in Zijn hand op dat de daarop gestempelde vorstelijke afbeelding betekent dat deze aan de Romeinse keizer toebehoort. Het in de mens gegrifte goddelijke beeld betekent derhalve dat hij aan God toebehoort — sterker nog, dat hij van God zou moeten zijn zoals een zoon aan zijn vader toebehoort. God is niet de vader van Zijn schepselen enkel omdat Hij hen gemaakt heeft, want Hij heeft immers ook de dieren geschapen, en die zijn geen zonen.

Anders dan de dieren werd ‘Adam en Adamah’ naar Gods beeld gemaakt. Wat het aspect van de gelijkenis betreft, moest dit in de opeenvolgende generaties worden verheven door de school van pijnlijke ervaringen, zij het niet zonder Gods zegeningen na de verdrijving uit het paradijs. Het was uitsluitend Christus — en wij met Hem en in Hem — die dit ten volle kon volbrengen, waarmee Hij ons een spiegel voorhoudt van waar de afval toe heeft geleid.

De kracht van Satans eerste verleiding lag in de suggestie dat de mens het begripsstadium, dat bij de gelijkenis hoort, op eigen kracht zou kunnen bereiken; immers, hij sprak: “Als u van de vrucht eet, zult u als God zijn.” In wijsheid was het gezalfde paar volmaakt. Intuïtief wist het altijd wat goed was, maar het was nog niet volmaakt in het doorgronden daarvan — waartoe eveneens de kennis behoort van de spiraal van het kwaad (waarbij kwaad tot volgend kwaad leidt). Dat inzicht zou hun op de door God beschikte tijd als een vrije gave zijn geschonken.[^5] Zoals Luisa Piccarreta opmerkt: “Als Adam (…) zich Gods liefde op het moment van de verzoeking in herinnering had gebracht, waren zij daaraan niet bezweken.” Dan hadden zij Satans leugen doorzien, wetende dat God de gulle gever aller gaven is.

De twee die in het paradijs werden geschapen, waren niet de allereerste menselijke wezens op aarde. Zij waren de eerste ‘mensen’ in de zin van hun verheven roeping — zoals zij volgens Gods ideaal hoorden te zijn, of liever gezegd hadden moeten worden: op een niveau dat oneindig veel hoger lag dan ooit tevoren.

Dit moge vergezocht klinken, maar het is geenszins on-Bijbels. Kaïn werd immers een vluchteling onder de volkeren, die naar elke logische maatstaf geen familie van hem konden zijn.[^6] Adam en de Mannin werden geschapen omdat zij een roeping hadden ten aanzien van de reeds bestaande mensachtigen (zoals pygmeeën en bosjesmannen), met wie zij zich later hebben vermengd.

Het paradijsverhaal handelt over een mens: de Ene Gezalfde van de God Die Eén is. In het scheppingsplan maakte God die persoon samen met de Mannin tot Zijn partner. Psalm 8 zegt niet voor niets: “U hebt hem [het menselijke paar] een weinig minder dan God gemaakt.” Verbluffend genoeg werden Adam en de Mannin haast aan God gelijk gemaakt; Hij schiep hen als majestueuze wezens die over het werk Zijner handen moesten heersen.

Ten slotte diende de eenheid van dat parenpaar een antitype (een profetisch tegenbeeld dat de vervulling vormt van een eerdere voorafschaduwing) te vormen tegenover de verdorven slang. Deze symboliseert de zich ontvouwende tweestrijd van kwaad tot erger, die uiteindelijk uitmondt in de atoombom en het eigenmachtig beschikken over leven en dood — denk aan de door de wet gesanctioneerde abortushecatombe (een massale slachting) en geassisteerde zelfmoord. Eva wordt in de Schrift eveneens Adamah genoemd in plaats van Isha of vrouw, omdat zij uit de Mens of Ish werd genomen (Gen. 2:23). De Adamah die uit Adams zijde ontsproten is, vormt een voorafschaduwing van de Kerk, de bruid van Christus, die uit Zijn zijde voortkwam toen Hij op Golgotha werd doorstoken.

God, Die Eén is, zalfde deze dualiteit van Man en Mannin, die één vlees waren, tot de ene Mens. Toen Adam zijn Mannin ontving, werd hun eenheid kracht bijgezet — een eenheid naar Gods beeld en gelijkenis, bestaande uit een alomvattende en liefdevolle harmonie van denken, voelen en handelen, niet alleen tussen Adam en Adamah onderling, maar eveneens tussen dit sublieme paar en God. Vanwege deze verheven eenheid mag dit paar met recht goddelijk worden genoemd.

Doorgaans schenkt men te weinig aandacht aan de eenheid van de drie-ene God (“Laat Ons maken”), welke de grondslag vormt voor Zijn schepping naar beeld en gelijkenis, evenals voor de mystieke eenheid tussen Christus en Zijn Kerk. Dit wordt prachtig verwoord in het hogepriesterlijk gebed:

“Dat zij allen Eén mogen zijn, gelijk U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons Eén zijn. (…) Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij geschonken hebt, opdat zij Eén zijn, gelijk Wij Eén zijn: Ik in hen en U in Mij, opdat zij volmaakt Eén zijn” (Joh. 17:21–23).

Alhoewel deze verheven eenheid binnen de wereldlijke kerk in de huidige bedeling (tijdperk) nog dikwijls verstek laat gaan, kan men haar wel herkennen in de gelovige die deze eenheid samen met zijn of haar Christus doorleeft.

In hun roeping fungeerden Adam en Adamah in een tabernakeldienst — een uitdrukking om aan te geven dat zij aangesteld waren om het menselijke nageslacht nabij de tegenwoordigheid van God te brengen. Tevens moesten zij een bemiddelende taak vervullen tussen het Allerheiligste en de pré-gecreëerde (al eerder geschapen) humanoïden (mensachtigen), wat enigszins vergelijkbaar is met het gewijde priesterschap uit latere tijden dat een brug sloeg tussen beide werelden. Met de kreet “Heer, spaar Uw erfdeel!” (Joël 2:17) moesten zij instaan voor de heiligheid van hun opdracht om het geweten van de mensen en humanoïden in de rangorde van koningen toe te rusten.

Thans zijn er geen humanoïden meer; om precies te zijn: “heeft een ieder gezondigd en derven zij de heerlijkheid Gods” (Rom. 3:23–24). Hun roeping was om Eén te zijn, waarbij zij voornamelijk de Ene Zalving van de Ene God moesten uitdragen. Zij moesten Gods liefde openbaren aan een wereld die verdeeld is in tweeheden — of, zoals Darwin het formuleerde, een wereld die verwikkeld is in een strijd om het bestaan. Daarom behoefde God een vertegenwoordiger om Zijn eenheid uit te dragen. Adam en Adamah werden gezalfd om in deze roeping te treden.

De Rangorde der Koningen

Deuteronomium 16:18 tot 21:9 beschrijft de rangorde van koningen. Deuteronomium 17:8–13 behandelt de goddelijke constitutionele (grondwettelijke) wet en de centrale priesterlijke autoriteit. Vervolgens behandelt Deuteronomium 17:14–20 de door God gekozen koning, die in de uitoefening van zijn taak godvrezend dient te zijn. Hij vertegenwoordigt de hoogste politieke autoriteit en behoort als zodanig God te vrezen en onbevreesd te zijn voor de mensen — een plicht die treffend werd verwoord door de geliefde koningin van Frankrijk, Marie Leszczynska (1703–1768): “Het menselijke opzicht, dat voor alle christenen uit de boze is, betekent een ware geloofsafval bij hen die leiding moeten geven en onderrichten.”

Daarnaast bespreekt Deuteronomium 18:19–22 het profetische gezag, waarop zowel het politieke als het priesterlijke domein zich dienen te richten. Dit zijn de drie Bijbelse categorieën van gezalfden. Bij de profeten legt de Bijbel minder de nadruk op het zalvingsritueel dan wel op de gave van de Geest. In Adam en Adamah werden al deze drie functies in het ‘ene’ paar verenigd in een innige geest van eenheid en liefelijkheid.

Wanneer de Bijbel benadrukt dat Adam “een levende ziel werd” (Gen. 2:7), krijgen we een inkijk in wat de oude volkeren geloofden. Wanneer een koning stierf, trachtte men destijds zijn zalving te bewaren via zijn uitgeblazen laatste adem.[^7] Dit sluit aan bij de zogenaamde ‘primitieve gnosis’, waarin adem, zalving en ziel aan elkaar gelijk worden gesteld. Op die wijze hoopte men de ziel van een gewone sterfelijke — die van de volle kennis van God was afgescheiden — naar een hoger plan te tillen om daarmee het koningschap ‘bij de gratie Gods’ veilig te stellen!

Adam en Adamah vormden daarentegen één levende ziel als tegenbeeld van de dode ziel![^8] In hen rustte de Zalving van de Heilige, en doordat zij alle dingen intuïtief wisten en God kenden, bezaten zij het eeuwige leven. Staat er immers niet geschreven: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God” (Joh. 17:3; 1 Joh. 2:13, 20–25)?

En toch geschiedde het bijkans onmogelijke. Zij traden van het leven naar de dood, van de kennis van God naar de onwetendheid. Zo is er sprake van een dode ziel: een ziel die omtrent God en Zijn wegen in het duister tast.[^9]

Wanneer de Schrift vermeldt dat Eva — wier naam ‘levengevende’ betekent — ‘de moeder van alle levenden’ werd genoemd (Gen. 3:20), duidt dit er simpelweg op dat zij de geestelijke aartsmoeder is geworden van allen die God liefhebben en kennen. Vanuit dat perspectief is het volkomen logisch dat Jezus al Zijn kinderen aan Zijn moeder — het evenbeeld van Adamah — toevertrouwde. Hangende aan het kruishout, bakkend op Maria en Zijn geliefde leerling Johannes, sprak de Heiland de woorden: “Vrouw, zie, uw zoon” en vervolgens: “Zie, uw moeder.” Daarmee gaf Hij als het ware te kennen: “Moeder, Ik vertrouw U al Mijn kinderen toe. Schenk al de liefde die u Mij toedraagt ook aan hen; geef hun al de toewijding en tederheid van een moeder. U zult hen allen voor Mij veiligstellen.”

5. In Christus Meer dan Overwinnaar

Het kan niet genoeg worden benadrukt dat het alledaagse menselijke in Christus de toegangspoort tot het goddelijke vormt. Om door die poort te gaan, dienen wij geestelijke mensen te zijn, ontrukt aan de dwang van het vlees. Vlees versus geest staat immers als vorm tegenover inhoud. Anders gezegd: zijn wij slechts uiterlijk vormelijk, of waarachtig? Het zijn niet de rigide regeltjes die tellen; immers, de letter doodt, maar de geest maakt levend (2 Kor. 3:6).

Men zou geneigd kunnen zijn te concluderen dat op deze weg naar God toe de transcendente (het bovenzinnelijke, uitstijgend boven het aardse) ervaring een goede typering is van wat de apostel Paulus in de hoofdstukken 7 en 8 van de brief aan de Romeinen ‘de geest’ noemt — en dat dit zelfs een betere, eigentijdse term is om de christelijke religieuze ervaring aan te duiden. Dat is echter onjuist. Het transcendente veronderstelt een uitstijgen boven het menselijke, voorbij de beklemmingen van onze aardse conditie. Indien dat juist zou zijn, zouden Christus’ opstanding en hemelvaart immers ijdel zijn geweest!

Christus is vlees geworden, en Hij is dat in Zijn opstanding gebleven, juist om in het menselijke de godservaring te bereiken zoals God die — ja, óók voor ons — heeft bestemd. Wij moeten niet boven het menselijke willen uitstijgen, maar moeten in het menselijke door de Geest worden bewogen. Dat kan alleen vanuit de ontmoeting met Jezus Christus. Het christendom is, zonder enige zweem van schijnheiligheid, een ten gronde relationele godsdienst. Christus heeft Zich op menselijke wijze aanspreekbaar gemaakt. Dat is een fundamenteel gegeven: dat God, die inderdaad transcendent is, Zich in het menselijke heeft laten omsluiten en ons Zijn broers en zusters noemt. Waar dat in de toekomst toe voert, onttrekt zich aan ons bevattingsvermogen, want de groeicurve van het menselijke is — met het goddelijke aaneengekleefd — oneindig. De menselijke ziel, de afspiegeling (het beeld) van het goddelijke, draagt immers het potentieel van het oneindige in zich.

Doordat God het menselijke in de Godmens heeft ingelijfd, is Hij voor eenieder toegankelijk gemaakt, zodat ieder mens die Christus’ zoenoffer aanvaardt, wordt uitgenodigd om dieper in Gods wezen binnen te dringen. Aldus is de scheidslijn tussen slaaf en heer, tussen vreemdeling en inheemse, omvergehaald.

In zijn toespraak tot het Kerkelijk Congres van het bisdom Rome op 26 mei 2009 merkte paus Benedictus XVI onder meer op:

« Het Tweede Vaticaans Concilie, dat de zuivere en volledige leer aan de Kerk wenste door te geven die in de loop van tweeduizend jaar tot rijpheid is gekomen, gaf haar “een beter doordachte definitie” waarbij haar geheimzinnige natuur werd belicht, dat wil zeggen een “realiteit die doordrenkt is met de goddelijke aanwezigheid en daarom altijd nieuwere en diepere verkenningen toelaat”. In dezen is de Kerk, die haar oorsprong vindt in de trinitaire (drie-ene) God, een mysterie van gemeenschap. De Kerk als gemeenschap is niet uitsluitend een geestelijke realiteit, maar zij leeft in de geschiedenis, dat wil zeggen in vlees en bloed. Het Tweede Vaticaans Concilie beschrijft haar in Lumen Gentium “als een sacrament, of teken en instrument van de intieme vereniging met God en van de vereniging met het gehele menselijke ras” (Lumen Gentium 1). De essentie van het [eucharistisch] sacrament is hierin gelegen dat daarin het onzichtbare door het zichtbare wordt geraakt, dat het tastbare en het zichtbare de deur naar God zelf opent. De Kerk is, zoals gezegd, een vereniging van mensen die door de werking van de Heilige Geest het Volk van God vormt, dat terzelfdertijd het Lichaam van Christus is. (…) Terwijl ‘Volk van God’ de continuïteit in de geschiedenis van de Kerk uitdrukt, drukt het ‘Lichaam van Christus’ de universaliteit uit die op het Kruis en in de verrijzenis van de Heer werd volbracht. Voor ons christenen is het Lichaam van Christus daarom niet slechts een beeld, maar een waar werkelijkheid, omdat Christus ons daarin het geschenk van Zijn ware Lichaam geeft en dus niet slechts een metafoor. »

Een treffende overweging over de intieme eenheid van Christus en Zijn Kerk is afkomstig van de norbertijner pater Basiel Vanmaele:

« Dáár op de Calvarieberg was Jezus helemaal alleen om het Offer op te dragen, zoals Hij ook alleen was om geofferd te worden: “De wijnpers heb ik alleen getreden, en van de volkeren stond niemand Mij bij” (Jes. 63:3). Jezus’ Kerk bestond toen nog niet; eerst op het Kruis zou zij geboren worden. Om haar in het leven te roepen en te heiligen, moest Jezus eerst sterven (cf. Ef. 5:25–27). Heel anders is het gesteld met het Heilig Misoffer. Nu is Jezus met Zijn Kerk verbonden zoals de tempel op de hoeksteen rust (cf. Ef. 2:20–21), zoals de bruidegom verenigd is met zijn bruid (cf. Ef. 5:23), en zoals het hoofd één lichaam vormt met zijn ledematen (cf. Kol. 1:18). (…) Wanneer nu in de Heilige Mis het Calvarieoffer tegenwoordig wordt gesteld, is Jezus niet meer alleen. De Kerk bevindt zich trouw aan Jezus’ zijde, als mede-offeraar en tegelijk als mede-offerande in het eucharistische offerleven van haar Bruidegom. »

Is dit geen schitterende afsluiting van dit hoofdstuk, waarin het glansrijke herstel van de schepping en de herwinning van onze paradijselijke staat aan de orde zijn gekomen?

APPENDIX (Aanhangsel)

Een Nieuwe Soort Waarbij de Uterus als Incubator Dient… — Door Renza Giacobbi

(Noot bij § 96 van de Genesis-uitgave uit 2007 van de geschriften van Don Guido Bortoluzzi)

Het bruggenhoofd symboliseert het vrouwtje van een willekeurige soort dat door goddelijke tussenkomst het eerste paar van een nieuwe soort ter wereld brengt. Dit vrouwtje ontving deze aanduiding van de Heer omdat zij symbolisch kan worden beschouwd als een bruggenhoofd: de rest van de brug ontbreekt immers (het is een halve boog). Zij gelijkt daardoor meer op een trampoline dan op een brug, aangezien er na de springplank een leegte gaapt — het ontbreken van wat het natuurlijk gevolg van haar genetisch erfdeel had moeten zijn. In de plaats daarvan bevindt zich daar, dankzij Gods creatieve ingrijpen, het begin van een andere soort, die haar baarmoeder als incubator (broedstoof/draagbaarmoeder) gebruikt.

In de praktijk betekent dit dat zich vanuit dit bruggenhoofd een nieuwe, autonome soort voltrekt die geen chromosomale continuïteit bezit met de soort waaruit zij is voortgekomen. Met andere woorden: de individuen van deze nieuwe soort hebben geen mogelijkheid om zich vruchtbaar te kruisen met de soort waartoe het bruggenhoofd zelf behoort. Samenvattend heerst er vanaf het moment van het bruggenhoofd een eenrichtingsverkeer langs een weg die geen terugkeer toelaat — de algemene regel waarnaar God een nieuwe soort schept.

Een brug duidt gewoonlijk op een structuur die een overtocht in twee richtingen toelaat van de ene oever naar de andere. In dit specifieke geval, of in de terminologie van de Heer, betreft het een vrouwtje dat is begiftigd met een zodanig aantal chromosomen dat een overtocht in beide richtingen tijdelijk werd gepermitteerd; dit schiep de unieke mogelijkheid om genen van de ene naar de andere groep over te dragen en vice versa. Dit vrouwtje, dat bij hoge uitzondering als schakel fungeerde tussen twee verschillende soorten, bracht een hybride populatie voort.

In deze openbaring is de brug het specifieke vrouwtje dat de oorsprong vormt van de kruising tussen twee verschillende groepen — te weten de voorzaten en de Zonen van God. In de natuur is het fenomeen van een interspecifieke kruising (kruising tussen verschillende species / soorten) onmogelijk op grond van de biologische soortdefinitie, die een soort omschrijft als “een groep individuen die genetisch geïsoleerd is”, waardoor elke relatie buiten de eigen groep per definitie steriel blijft vanwege incompatibiliteit (onverenigbaarheid). (Vruchtbare kruisingen zijn slechts mogelijk binnen dezelfde soort; men kan twee hondenrassen kruisen, maar een kruising tussen een hond en een kat — of tussen een mens en een aap, een zogenaamde humanzee — is biologisch uitgesloten.)

In deze openbaring [van Don Guido] worden wij derhalve geconfronteerd met een uitzonderlijk vrouwelijk individu, het bruggenhoofd, dat in een unieke constellatie de rol van brug op zich neemt. Zij bezat bij uitzondering de potentiële capaciteit om, op grond van het aantal en de aard van haar chromosomen, compatibel te zijn met individuen van twee verschillende categorieën: zowel de mensen als haar voorouders van de vóórschepping. Derhalve kon zij door beide worden bevrucht. Dit verklaart waarom dit symbool als aanduiding wordt gebruikt voor dat vrouwelijke individu dat het leven schenkt aan een hybride soort.

Hierom concludeert Don Guido dat uitsluitend dit betreffende vrouwtje de noodzakelijke 47 chromosomen bezat, dienend als intermediaire overgang tussen de voorvaderlijke soort en de soort van de Kinderen van God. (In 1959 identificeerde de Franse arts Jérôme Lejeune het syndroom van Down als een chromosomale aandoening; in plaats van de gebruikelijke 46 chromosomen in elke cel, observeerde Lejeune er 47 in de cellen van patiënten met het syndroom van Down.)

Dit interfertiele vrouwtje was een door de Heer beschikte unieke uitzondering, die uiterlijk meer op een menselijke vrouw geleek dan op haar zusters. Dit was vermoedelijk een vaderlijke attentie van God, opdat zij voor de eerste mens een intelligentere verzorgster zou zijn die dichter bij de kenmerken van de menselijke aard stond. Vanwege haar specifieke functie had dit vrouwtje na voltooiing van haar taak van de mens moeten worden gescheiden, opdat de mens niet in de gelegenheid zou worden gesteld om langs natuurlijke weg via haar hybriden te blijven voortbrengen. Helaas is door de ongehoorzaamheid van de Jonge Man (Adam) precies dat wel gebeurd, waardoor zij feitelijk een permanente brug werd tussen twee werelden — de hybride soort en de nieuwe mens — in plaats van uitsluitend een tijdelijk bruggenhoofd te blijven.

De Hiaat-Theorie vanuit een Traditioneel Joods Perspectief

De hiaat-theorie — of de ruïne-reconstructie-interpretatie — is een theologische exegese (uitleg) die aanzienlijk ouder is dan Darwins evolutietheorie. Zij rust op het schriftuurlijke gegeven dat Genesis 1:2 op eenvoudige en heldere wijze stelt dat de planeet aarde reeds bestond, doch in een geruïneerde toestand, alvorens het zevendaagse scheppingsproces aanving.

Deze theorie is eveneens geworteld in de Joodse traditie (Judaïca). Rabbijn Aryeh Kaplan licht dit toe in zijn geschrift Kabbalah en de Leeftijd van het Universum:

« De volgende benadering is afkomstig uit de Ma’areches Elokus. Het eerste vers van de Torah vertelt ons: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” Het vermeldt echter niet wat er in de daaropvolgende periode gebeurde alvorens te vervolgen met: “De aarde nu was tohu en bohu…” De Midrash (traditionele Joodse commentaarliteratuur op de Bijbel) legt uit dat het hier gaat om “de aarde die reeds bestond”, omdat er immers sprake is van “een voorafgaande tijdsordening”. Aangezien er tussen “In het begin schiep God…” en “Gods Geest zweefde over de wateren” een onbepaald aantal jaren kan liggen — misschien wel vijftien miljard jaar — is dit tijdsperspectief open. Het beginsel dat er een tijdelijk hiaat bestaat tussen opeenvolgende gebeurtenissen komt vaker voor in de Torah. Zo worden in Parashat Chukat de wet van de Rode Vaars (Parah Adumah) en de dood van Mirjam direct naast elkaar in de tekst geplaatst, hoewel er een hiaat van veertig jaar ligt tussen beide gebeurtenissen (Num. 20:1). Hoewel het hier geen vijftien miljard jaar betreft, blijft het onderliggende principe identiek. Er kan nog een ander argument worden aangevoerd: de masoreten brachten direct na Genesis 1:1 een klein leesteken aan, bekend als de rebia (een traditioneel cantillatieteken dat een rust of pauze aangeeft), om de lezer te waarschuwen dat er op dit punt een pauze in de vertelling is en dat de lezer even moet stilstaan alvorens over te gaan tot het volgende vers. Op grond van deze rebia dient het begin van vers 2 te worden ingezet met “maar” of “echter”. » (pp. 37–38)

Voetnoten bij de tekst:

[^1]: De gerenommeerde paleontoloog George Gaylord Simpson (†1984) schreef hierover: “De vroegst bekende en meest primitieve leden van iedere orde bezitten al de fundamentele karaktertrekken van die orde, en in geen enkel geval is een bij benadering continue opeenvolging bekend van de ene orde naar de volgende. De breuk is in de meeste gevallen zo scherp en de afstand zo groot dat de oorsprong van de orde speculatief is en zeer omstreden.” En voorts: “Deze stelselmatige afwezigheid van overgangsvormen beperkt zich niet tot zoogdieren, maar is een bijna universeel fenomeen…” Let wel: Simpson spreekt niet van een simpele afwezigheid, maar van een stelselmatige afwezigheid. Een uitzondering op het ontbreken van een overgangsarchief schijnt de trapsgewijze ontwikkeling van allerlei soorten weekdieren te zijn tijdens een miljoenen jaren durend proces. (Zie Tempo and Mode in Evolution door George G. Simpson, Columbia University Press, New York, 1944, onder “Major Systematic Discontinuities of Record”, pp. 105 en 107).

[^2]: Deze twee alinea’s zijn ontleend aan een essay uit 2009 van dominee Roelof Strijker (1925–2013), getiteld: “De Bijbel letterlijk leren lezen, een bijdrage aan de Darwindiscussie”.

[^3]: Aantekening bij § 94 van de Engelse Genesis-editie van 2007 van de geschriften van Don Guido Bortoluzzi. Zie: “Een Evaluatie van de Bijbelse Ontstaansgeschiedenis – Uit de geschriften van Don Guido Bortoluzzi, met commentaar van Renza Giacobbi” (oorspronkelijke tekst in het Italiaans); alsmede: “De Schepping – Boek Genesis – Ophelderingen betreffende de oorsprong van de Mens”, uit de geschriften van Don Guido Bortoluzzi met kritische opmerkingen van Hubert Luns, verluchtigd met citaten uit de geschriften van de zalige Anna Katharina Emmerick, Jasher, Henoch en Maria Valtorta.

[^4]: In dit geschrift wordt de lezer geconfronteerd met termen als “Man-Mannin”, soms “Adam-Mannin” en eveneens “Adam-Adamah”, als poging om het Hebreeuwse ish-isha te vertalen (gewoonlijk vertaald als man-vrouw). Naar verluidt was Luther de eerste die isha met ‘mannin’ vertaalde. In het Engels volstaat “man-woman” en in het Frans “l’homme et la haoma”. De haoma is een boom in Iran waarvan het melkachtige sap als levenselixer wordt beschouwd; tevens symboliseert dit het algemeen voorkomende motief van de levensboom, in het Hebreeuws de etz ha-chayyim.

[^5]: Er worden traditioneel drie stadia van begrijpend weten onderscheiden: wijsheid, intellectueel begrijpen en kennis. Runderen zullen bij de keuze tussen genetisch gemodificeerd voedsel (GMO) en regulier voer altijd instinctief voor het gewone voedsel kiezen en er zelfs omheiningen voor doorbreken, terwijl de wetenschap geen uiterlijk verschil kan ontdekken. Begrijpen koeien wat zij doen? Nee, maar zij handelen wel wijs. Kennis is op te slaan in een encyclopedie, maar een encyclopedie begrijpt niets en bezit geen wijsheid. Waarom zijn deze drie vermogens exclusief aan de mens voorbehouden? Omdat God onze ziel heeft begiftigd met herinnering, wil en intellect. Het is door de vrije wil dat de mens op God kan gelijken, aangezien de eenstemmigheid van de onderlinge wil de grondslag vormt van de goddelijke Drie-eenheid.

[^6]: Na de moord op Abel wordt Kaïn door God vervloekt en veroordeeld tot een zwerversbestaan. Kaïn antwoordt daarop: “Al wie mij vindt, zal mij doodslaan; mijn leven is uitzichtloos.” Een Joodse interpretatie luidt dat “al wie” op de dieren des velds doelt; dit is echter in tegenspraak met het daaropvolgende vers, waarin staat dat wie Kaïn doodt, zevenvoudig zal worden gewroken. De schriftgeleerde Rashi verklaart dit in lijn met vers 24: “Kaïn zal gewroken worden als zeven generaties zijn gepasseerd.” Hoe dan ook: waarom zou God wraak nemen op een dier dat slechts zijn instinct volgt? De uitdrukking “al wie” slaat derhalve op de mensen van de vóórschepping.

[^7]: In verband met het denkbeeld dat de laatst uitgeblazen ademtocht van een koning diens zalving bevatte, moge worden gewezen op de woorden van de Heilige Maagd van 3 juli 1999 aan J.N.S.R. (Je Ne Suis Rien / ik ben niets), weergegeven in de uitgave Handelingen van de Apostelen:

« Nadat ik het levenloze goddelijke lichaam van mijn kind in mijn armen had ontvangen, heb ik mij over Zijn aanbiddelijk gelaat gebogen tot aan Zijn heilige lippen om Hem mijn moederlijke kus te geven. Toen hield mijn hart op met kloppen en proefde ik de dood van mijn Zoon, van mijn God, mijn geliefde kind dat aan de zonde gestorven was. God heeft mij heel even aan de bitterheid van Zijn heilige dood laten drinken tot op het ogenblik dat ik Zijn zeer heilige mond naderde en ik de goddelijke ademtocht ontving van Zijn onsterfelijke ziel, die mij het leven teruggaf. Het leven van de mens begint met een ademtocht; evenzo eindigt het met een ademtocht, die daarmee het eeuwige leven in God wordt. Waar bemerkt men stilstand? Het is immers dezelfde ademtocht. God schenkt het leven; God neemt het leven niet terug, maar verlengt het in Zijn eigen Leven: het eeuwige leven in God. Toen Jezus met de woorden “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest” de laatste adem uitblies, vertrouwde de Mensenzoon zijn geest in die ademtocht aan God Zijn Vader toe, en het geschiedde dat in diezelfde ademtocht de Zoon van God zich in Zijn onsterfelijke ziel ten gunste van Zijn Heilige Moeder openbaarde, aan wie Hij Zijn eerste levensvonk overgaf. »

[^8]: Don Guido Bortoluzzi schrijft in een notitie:

« Op 8 juni 1972 woonde ik in de aula van het seminarie een conferentie bij over genetische microbiologie en de wijze waarop erfelijke gebreken het menselijk gedrag kunnen beïnvloeden. De spreker, professor Giambattista Marson (hoofd dermatologie van het hospitaal te Belluno), legde uit hoe genetisch onderzoek in de Verenigde Staten bij levenslang veroordeelde gevangenen had aangetoond dat sommigen, naast de normale XY-chromosomen, een kleiner Y-chromosoom bezaten. De wetenschappelijke vraag luidde hoe die extra ‘Y’ in het menselijk erfelijk materiaal was terechtgekomen, waardoor de betrokkenen een labiele persoonlijkheid hadden opgelopen. Ik greep toen in en merkte op: “Wij zijn gelovigen en voor ons staat vast dat Hij Die de evolutie van de levenden heeft geleid tot aan de kruin van het phylum, een volmaakt menselijk schepsel in het zijne heeft geplaatst, dat de kampioen van al zijn afstammelingen moest worden. Wanneer men tegenwoordig gevallen ontdekt van uitzonderlijke kenmerken bij voorlopers, dient dat te worden toegeschreven aan het feit dat de kampioen die in het aardse paradijs wandelde onder de naam van de genealogische ‘Boom des Levens’, voortplantingsrelaties is aangegaan met de ‘Wilde Boom’, welke door Gods ingrijpen goede vruchten kon dragen, doch slechte zonder dat ingrijpen — met als gevolg hybriden, bastaarden…” Ik kon niet verder uitweiden omdat een oudere professor in de bijbelse exegese, Don Angelo Santin, mij in de rede viel met de woorden: “Wij zijn op deze denkrichting niet voorbereid!” »

(Noot bij § 28 van de Engelse Genesis-uitgave van de geschriften van Don Guido Bortoluzzi onder redactie van Renza Giacobbi, 2007; zie: http://www.genesibiblica.eu).

[^9]: De door God gegeven waarborg om Zijn weg te kennen, is de in ieder mens ingegoten kennis van de Tien Geboden. De gedetailleerde toepassing daarvan verloopt echter niet zonder complicaties.

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑