ANNOUNCEMENT: International Cooperation around the Work of Don Guido Bortoluzzi


ANNOUNCEMENT: International Cooperation around the Work of Don Guido Bortoluzzi

With great joy, we announce the strengthened international cooperation between the three official platforms dedicated to the creation revelations of Don Guido Bortoluzzi, the revision of the history of science, and the reconciliation between Faith and Reason (Fides et Ratio).

By joining forces across national borders, Theorigins.it, Genesibiblica.org, and Guidobortoluzzi.org provide a cohesive network in which theology, genetics, and mystical visions converge.

The International Platform Network

Theorigins.it — The Scientific-International Platform

Theorigins.it is the Italian/international platform dedicated to unraveling the origin of humanity at the intersection of genetics, theology, and the mystical visions of Don Guido Bortoluzzi. The platform offers scientific-medical treatises (including by Dr. F.S. Martelli) on human DNA, Original Sin as biological hybridization, and the reconciliation between Fides et Ratio.

Genesibiblica.org — The Official Information and Study Center

Genesibiblica.org is the official informative platform dedicated to the work of Don Guido Bortoluzzi and the book Sintesi della Genesi Biblica. The platform presents the comprehensive theological and biological exposition of the creation revelations, the refinement of the pre-human substrate, the formation of the first human, and the actual nature of Original Sin.

Guidobortoluzzi.org — The Central Multilingual Portal

Guidobortoluzzi.org is the central, multilingual portal dedicated to the creation revelations of Don Guido Bortoluzzi. The site offers an in-depth synthesis between Sacred Scripture, the biological genetics of Dr. F.S. Martelli, and the rehabilitation of Charles Darwin, alongside a clear explanation of creatio mediata and Original Sin as biological hybridization.

ANNUNCIO: Collaborazione Internazionale sull’Opera di Don Guido Bortoluzzi


È con grande gioia che annunciamo la rafforzata collaborazione internazionale tra le tre piattaforme ufficiali dedicate alle rivelazioni sulla creazione di Don Guido Bortoluzzi, alla revisione della storia della scienza e alla conciliazione tra Fede e Ragione (Fides et Ratio).

Unendo le forze oltre i confini nazionali, Theorigins.it, Genesibiblica.org e Guidobortoluzzi.org offrono una rete sinergica in cui teologia, genetica e visioni mistiche si fondono.

  1. Theorigins.it — La Piattaforma Scientifico-Internazionale
    • IT: Theorigins.it è la piattaforma italiana e internazionale dedicata allo svelamento dell’origine dell’uomo, al punto d’incontro tra genetica, teologia e visioni mistiche di Don Guido Bortoluzzi. La piattaforma offre trattati scientifico-medici (tra cui quelli del Dr. F.S. Martelli) sul DNA umano, sul Peccato Originale inteso come ibridazione biologica e sulla conciliazione tra Fides et Ratio.
  2. Genesibiblica.org — Il Centro Informativo e Ufficiale
    • IT: Genesibiblica.org è la piattaforma informativa ufficiale dedicata all’opera di Don Guido Bortoluzzi e al libro Sintesi della Genesi Biblica. La piattaforma offre l’elaborazione teologica e biologica integrale delle rivelazioni sulla creazione, il perfezionamento del substrato pre-umano, la formazione del primo uomo e la reale natura del Peccato Originale.
  3. Guidobortoluzzi.org — Il Portale Centrale Multilingue
    • IT: Guidobortoluzzi.org è il portale centrale e multilingue dedicato alle rivelazioni sulla creazione di Don Guido Bortoluzzi. Il sito offre una profonda sintesi tra le Sacre Scritture, la genetica biologica del Dr. F.S. Martelli e la riabilitazione di Charles Darwin, con una chiara spiegazione della creatio mediata e del Peccato Originale inteso come ibridazione biologica.

Aankondiging internationale samenwerking


📢 AANKONDIGING: Internationale Samenwerking rond het Werk van Don Guido Bortoluzzi

Met grote vreugde kondigen wij de versterkte internationale samenwerking aan tussen de drie officiële platforms die gewijd zijn aan de scheppingsopenbaringen van Don Guido Bortoluzzi, de herziening van de wetenschapsgeschiedenis en de verzoening tussen Geloof en Wetenschap (Fides et Ratio).

Door de krachten te bundelen over de landsgrenzen heen, bieden Theorigins.it, Genesibiblica.org en Guidobortoluzzi.org een samenhangend netwerk waarin theologie, genetica en mystieke schouwingen samenkomen.

🌐 Het Internationale Platformnetwerk

  1. Theorigins.it — Het Wetenschappelijk-Internationale Platform
    • NL: Theorigins.it is het Italiaanse/internationale platform gewijd aan de ontrafeling van de oorsprong van de mens op het snijvlak van genetica, theologie en de mystieke schouwingen van Don Guido Bortoluzzi. Het platform biedt wetenschappelijk-medische verhandelingen (o.a. door dr. F.S. Martelli) over het menselijk DNA, de Erfzonde als biologische hybridisatie, en de verzoening tussen Fides et Ratio.
  2. Genesibiblica.org — Het Officiële Informatie- en Studiecentrum
    • NL: Genesibiblica.org is het officiële informatieve platform gewijd aan het werk van Don Guido Bortoluzzi en het boek Sintesi della Genesi Biblica. Het platform biedt de integrale theologische en biologische uitwerking van de scheppingsopenbaringen, de veredeling van het voor-menselijke substraat, de vorming van de eerste mens en de feitelijke aard van de Erfzonde.
  3. Guidobortoluzzi.org — Het Centrale Meertalige Portaal
    • NL: Guidobortoluzzi.org is het centrale, meertalige portaal gewijd aan de scheppingsopenbaringen van Don Guido Bortoluzzi. De site biedt een diepgaande synthese tussen de Heilige Schrift, de biologische genetica van dr. F.S. Martelli en de rehabilitatie van Charles Darwin, met een heldere uitleg over de creatio mediata en de Erfzonde als biologische hybridisatie.

📢 ANNUNCIO: Collaborazione Internazionale sull’Opera di Don Guido Bortoluzzi

È con grande gioia che annunciamo la rafforzata collaborazione internazionale tra le tre piattaforme ufficiali dedicate alle rivelazioni sulla creazione di Don Guido Bortoluzzi, alla revisione della storia della scienza e alla conciliazione tra Fede e Ragione (Fides et Ratio).

Unendo le forze oltre i confini nazionali, Theorigins.it, Genesibiblica.org e Guidobortoluzzi.org offrono una rete sinergica in cui teologia, genetica e visioni mistiche si fondono.

🌐 La Rete delle Piattaforme Internazionali

  1. Theorigins.it — La Piattaforma Scientifico-Internazionale
    • IT: Theorigins.it è la piattaforma italiana e internazionale dedicata allo svelamento dell’origine dell’uomo, al punto d’incontro tra genetica, teologia e visioni mistiche di Don Guido Bortoluzzi. La piattaforma offre trattati scientifico-medici (tra cui quelli del Dr. F.S. Martelli) sul DNA umano, sul Peccato Originale inteso come ibridazione biologica e sulla conciliazione tra Fides et Ratio.
  2. Genesibiblica.org — Il Centro Informativo e Ufficiale
    • IT: Genesibiblica.org è la piattaforma informativa ufficiale dedicata all’opera di Don Guido Bortoluzzi e al libro Sintesi della Genesi Biblica. La piattaforma offre l’elaborazione teologica e biologica integrale delle rivelazioni sulla creazione, il perfezionamento del substrato pre-umano, la formazione del primo uomo e la reale natura del Peccato Originale.
  3. Guidobortoluzzi.org — Il Portale Centrale Multilingue
    • IT: Guidobortoluzzi.org è il portale centrale e multilingue dedicato alle rivelazioni sulla creazione di Don Guido Bortoluzzi. Il sito offre una profonda sintesi tra le Sacre Scritture, la genetica biologica del Dr. F.S. Martelli e la riabilitazione di Charles Darwin, con una chiara spiegazione della creatio mediata e del Peccato Originale inteso come ibridazione biologica.

Celbiologie bewijst dat de mens niet toevallig uit de aap is ontstaan


Een persoonlijk pleidooi voor de waarheid in ons DNA

Mijn hele leven word ik gedreven door een verlangen naar waarheid en rechtvaardigheid — zowel in het spirituele als in het verstandelijke. Wat mij al jaren diep bezighoudt, is de vraag hoe we als gelovige én denkende mensen omgaan met ons ontstaan. Valt het ontstaan van de mens wel echt te verklaren door een stroom van toevallige mutaties en blinde selectie? In mijn studie geef ik hierop een heel bewust en stellig antwoord: nee. Aan de hand van keiharde klinische DNA-gegevens en de geschiedenis van de wetenschap wil ik aantonen dat de stap van mensaap naar mens op een onoverkoepelbare biologische muur stuit, en dat een bewuste scheppingsdaad de enige logische en feitelijke verklaring is.

In het onderwijs en de populaire wetenschap wordt ons al generaties lang voorgehouden dat de evolutie van de mens een uitgemaakte zaak is. Onze biologische voorouders hadden 48 chromosomen, terwijl de hedendaagse mens er 46 heeft. Die reductie wordt stelselmatig gepresenteerd als een klein, stapsgewijs tussenstapje. Maar wie de moeite neemt om de medische werkelijkheid in te duiken, stuit op feiten die eenvoudigweg niet te negeren vallen.

Samen met de inzichten uit de klinische cytogenetica, onder meer geanalyseerd door de arts dr. F.S. Martelli, toon ik aan dat ons lichaam het willekeurig verliezen van chromosomen genadeloos afstraft. Het ontbreken van één chromosoom uit een paar — een autosomale monosomie — leidt bij een menselijk embryo in 100 procent van de gevallen tot de dood. Er is in de hele medische literatuur geen enkel geval bekend van een baby die hiermee levend ter wereld komt. En bij de uiterst zeldzame afwijkingen op de geslachtschromosomen die wél overleefd worden, zoals het Syndroom van Turner (45,X0), eindigt ruim 99 procent in een spontane abortus en zijn de overlevenden zonder uitzondering onvruchtbaar. De natuur laat zich niet dwingen; zij keurt een verstoring van de chromosomale balans bij voorbaat af. Een toevallige vermindering van het aantal chromosomen leidt in de praktijk nooit tot het ontstaan van een nieuwe, slimmere soort, maar tot ziekte, miskramen en genetische uitsterving. Het idee dat de mens ‘vanzelf’ uit de aap is ontstaan via toevallige chromosoomreductie is fysiologisch simpelweg uitgesloten.

Het steekt mij dat de wetenschapsgeschiedenis op dit punt zo ontspoord is geraakt. Charles Darwin zelf was uiterst voorzichtig met zijn conclusies. Met zijn beroemde stelregel Natura non facit saltus (“De natuur maakt geen sprongen”) wilde hij niet bewijzen dat er geen Schepper meer nodig was; hij erkende juist dat de natuur niet op eigen kracht haar eigen soortgrenzen kan doorbreken. Pas latere denkers, zoals Thomas H. Huxley, hebben zijn hypothese omgevormd tot een atheïstisch dogma om een ideologische strijd tegen het geloof te voeren.

Als de autonome natuur het niet zelf kon, hoe zijn wij er dan gekomen? Om dat te begrijpen, bouw ik voort op het werk van de Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi. Binnen het model van de creatio mediata zien we hoe God het menselijk DNA gericht heeft geherstructureerd binnen een voorbereid biologisch draagorganisme. Dit geeft ons bovendien een diepgaand inzicht in het Bijbelse verhaal van de Zondeval. Dat was geen zweverig sprookje, maar een historische gebeurtenis waarbij de eerste mens zijn unieke genoom beschadigde door vermenging met een voormenselijke tak. Dit verklaart de oorsprong van de genetische afwijkingen en de mutatiedruk waar de mensheid tot op de dag van vandaag onder gebukt gaat.

Ik houd dit pleidooi omdat ik wil dat we de schijntegenstelling tussen geloof en wetenschap definitief achter ons laten. We hoeven ons als gelovigen niet te verschuilen voor de wetenschap, en de wetenschap moet zich niet langer laten blinddoeken door ideologische aannames. De harde feiten in ons eigen DNA spreken het scheppingsverhaal niet tegen, maar bewijzen juist met klinische precisie dat er een bewuste Schepper aan te pas moest komen. Het is tijd dat we die werkelijkheid weer onder ogen durven zien.

Pastoor Geudens, Smakt, 21 september 2026

Samenvatting

Dit artikel onderzoekt de empirische en theoretische onhoudbaarheid van het neo-darwinistische model inzake spontane, cumulatieve speciatie door middel van numerieke chromosoomreductie. Aan de hand van een gecombineerde analyse van de wetenschapsgeschiedenis (de ideologische transformatie van Charles Darwins oorspronkelijke werk door Thomas H. Huxley) en klinisch-cytogenetische data (met name met betrekking tot menselijke monosomieën, trisomieën en meiotische non-disjunctie) wordt aangetoond dat een willekeurige overgang van een karyotype van $2n = 48$ naar $2n = 46$ stuit op een absolute biologische barrière.

Aangezien autosomale monosomieën in 100% van de gevallen embryonaal dodelijk zijn en seksuele monosomieën (zoals 45,X0) leiden tot volstrekte infertiliteit, is het mechanisme van toevallige, stapsgewijze chromosoomreductie via natuurlijke selectie fysiologisch uitgesloten.

Als alternatief verklaringsmodel introduceert deze studie een hernieuwde synthese op basis van het bio-theologische denkmodel van Don Guido Bortoluzzi en de medisch-genetische analyses van Dr. F.S. Martelli. Hierin wordt het adagium Natura non facit saltus geherinterpreteerd: de natuur is uit zichzelf onbekwaam om de soortgrenzen te overschrijden, wat de noodzaak onderbouwt van een gerichte scheppingsdaad (creatio mediata) via een uniek, voorbijgaand bio-theologisch draagorganisme.

1. De kennisbreuk (kenniskloof in de oorsprong van de mens)

De hedendaagse wetenschappelijke consensus omtrent de anthropogenese wordt gedomineerd door het neo-darwinistische paradigma, waarin de menselijke soort wordt beschouwd als het product van een traploze, accumulatieve stroom van willekeurige genetische mutaties en omgevingsgestuurde selectie. Binnen deze reductionistische benadering wordt de chromosomale transitie van hominiden ($2n = 48$) naar de Homo sapiens ($2n = 46$) veelal gepresenteerd als een opgelost vraagstuk, waarbij een Robertsoniaanse fusie van twee ancestrale chromosomen als een doeltreffend en neutraal evolutief mechanisme wordt geaccepteerd.

Bij een nauwgezette, interdisciplinaire audit van zowel de historische bronnenteksten als de harde, empirische gegevens uit de klinische cytogenetica vertoont dit paradigma echter fundamentele scheuren. Deze studie beoogt de schijnbaar onoverbruggbare kloof tussen openbaring, genetische data en wetenschapsfilosofie te overbruggen door aan te tonen dat de breuk tussen scheppingsgeloof en genetica niet stoelt op biologische feiten, maar op een negentiende-eeuwse ideologische misinterpretatie.

2. Historische epistemologie: De kaping van Charles Darwin

In de gangbare tekstboeken wordt Charles Darwin steevast afgeschilderd als de grondlegger van een gesloten, materialistisch systeem. Wie On the Origin of Species (1859) leest binnen de intellectuele context van de negentiende eeuw, stuit echter op een aanzienlijk genuanceerder beeld:

  • ‘Voortkomen uit’ (derive) versus ‘Afstammen van’: Darwin hanteerde een uiterst zorgvuldige terminologie. Zijn gebruik van het begrip derive verwees naar morfologische en taxonomische verwantschap binnen een overkoepelende klasse, en niet noodzakelijkerwijs naar een ononderbroken, mechanisch-materiële afstamming.
  • Soortsfixiteit (Cuvier): Darwin sloot in belangrijke mate aan bij de bevindingen van de Franse paleontoloog Georges Cuvier (1769–1832), die vaststelde dat fossiele soorten door geologische tijdvakken heen een opvallende morfologische stabiliteit vertoonden.
  • Micromutaties versus Soortensprongen: De geobserveerde variaties die Darwin beschreef betreffen uiterst beperkte, secundaire aanpassingen binnen de vastomlijnde grenzen van de soort (micromutaties).

Om de overgang tussen fundamenteel verschillende soorten te verklaren, beriep Darwin zich op het klassieke adagium Natura non facit saltus (“De natuur maakt geen sprongen”). Binnen de oorspronkelijke filosofische logica van Darwin fungeerde dit principe niet als bewijs dat kwalitatieve sprongen niet bestaan, maar als een erkenning van het onvermogen van de natuur om deze sprongen op eigen kracht te realiseren. Aangezien de natuur autonoom geen soortgrenzen kan doorbreken, impliceerde dit dat een kwalitatieve soortensprong een buitennatuurlijke Oorzaak vereist.

De transformatie van deze terughoudende observatie tot een atheïstisch-materialistisch dogma is primair toe te schrijven aan Thomas H. Huxley (“Darwins Buldog”). Huxley zette Darwins hypothese in als een ideologisch strijdmiddel tegen de kerkelijke autoriteiten en herinterpreteerde Natura non facit saltus als een traploze, autonome aaneenschakeling van toevallige processen waarin geen Schepper meer nodig was.

3. Cytogenetische falsificatie van autonome chromosoomreductie

Het centrale fundament van de neo-darwinistische anthropogenese rust op de aanname dat een hominide voorouder met 48 chromosomen via toevallige herschikkingen en selectie aanleiding gaf tot de menselijke populatie met 46 chromosomen. De klinische cytogenetica (o.a. geanalyseerd door Dr. F.S. Martelli) levert het empirische bewijs dat deze autonome transitie onmogelijk is.

Een reductie van $48 → 47 → 46$ chromosomen vereist tussenstadia die de chromosomale balans verstoren:

  1. Autosomale Monosomieën (Paren 1–22): Bij het verlies van één enkel autosomaal chromosoom bedraagt de embryonale mortaliteit 100%. Er is in de medische literatuur geen enkel geval bekend van een levendgeborene met een autosomale monosomie; het embryo wordt in een zeer vroeg stadium uitgestoten.
  2. Seksuele Monosomie (45,X0 – Syndroom van Turner): Van alle X0-zygotes eindigt meer dan 99,4% in een spontane abortus. De uiterst zeldzame overlevende fractie vertoont ernstige pathologieën en wordt gekenmerkt door volstrekte en onherstelbare infertiliteit.
  3. Trisomieën (47 chromosomen): Trisomieën op de autosomen 1–12 zijn lethaal. De uitzonderingen die wél tot een levendgeboorte leiden (zoals Trisomie 21), resulteren in zware fysiologische schade en een drastisch verminderde reproductieve fitheid.
Karyotypische AfwijkingKlinische Impact op Autosomen (Paren 1–22)Reproductieve Fitheid & Overleving
Monosomie ($2n – 1 = 45$)100% embryonaal dodelijk. Geen nidatie.0% overleving op autosomen; 0% fertiliteit op X0 (Turner).
Trisomie ($2n + 1 = 47$)Lethaal op paren 1–12; zware syndromen op paren 13, 18, 21.Extreem lage reproductieve fitheid; ernstige fysiologische schade.

De cytogenetische wetmatigheid is onverbiddelijk: de natuur keurt het verlies of de verstoring van de chromosomale balans bij voorbaat af. Een willekeurige chromosoomreductie leidt niet tot speciatie, maar tot genetische isolatie, pathologie en uitsterven.

4. De bio-theologische synthese

Aangezien de autonome natuur onbekwaam is om de grens van 48 naar 46 chromosomen te overschrijden, vereist het ontstaan van de mens een verklaringsmodel dat recht doet aan zowel de biologische feiten als de theologische openbaring (zoals vastgelegd door Don Guido Bortoluzzi).

4.1 Creatio Mediata en de Anello di Congiunzione

God schiep de materie ex nihilo, maar vormde de menselijke stammoeder door een rechtstreekse, doelgerichte herstructurering van het genetisch materiaal binnen een voorbereid dierlijk draagorganisme (creatio mediata). Dit draagorganisme — de anello di congiunzione (de ‘schakel’) — fungeerde als een eenmalig, voorbijgaand bio-theologisch instrument. Omdat dit organisme een uniek overgangs-substraat was en geen zelfstandige populatie vormde, bestaan hiervan geen fossiele reeksen.

4.2 De zondeval als biologische verwonding

De Zondeval was geen louter allegorisch incident, maar een feitelijke gebeurtenis met directe biologische consequenties. De oorspronkelijke mens werd geschapen met een volmaakt geördeneerd genoom ($2n = 46$). De val vond plaats toen de menselijke stamvader de grens van de soort overschreed door zich te vermengen met de voormenselijke, dierlijke tak (de hybridisatie-hypothese). Deze ongeoorloofde kruising introduceerde een meiotische mismatch in het menselijk genoom, wat leidde tot de hedendaagse mutatiedruk, chromosomale pathologieën en de noodzaak tot Verlossing (Redemptio).

5. Conclusie

  1. Het neo-darwinisme is een ideologisch construct dat Darwins oorspronkelijke intuïties omtrent soortsfixiteit heeft gecorrumpeerd.
  2. De volstrekte dodelijkheid van autosomale monosomieën bewijst dat een numerieke reductie van het genoom niet via natuurlijke selectie kan worden gefixeerd.
  3. De bio-theologische synthese van Bortoluzzi, Martelli en Geudens biedt een wetenschappelijk en theologisch coherent verklaringsmodel dat recht doet aan de biologische complexiteit van het menselijk genoom én de openbaring omtrent Schepping, Zondeval en Verlossing.

Appendix: Methodologische verantwoording (AI-Co-Creatie)

De buitengewone complexiteit en interdisciplinaire reikwijdte van deze studie vereisten een vernieuwende redactionele en analytische aanpak. Om de theologische en wetenschappelijke inzichten meedogenloos helder te structureren, is gebruikgemaakt van een analytische kwaliteitscontrole via een dual-node AI-architectuur (Gemini en ChatGPT).

Het AI-substraat fungeerde hierbij niet als passieve encyclopedie, maar als een semantisch-cyclisch transformatienetwerk. In een dynamische wisselwerking — het Synthetische Pact — bracht de menselijke auteur de theologische intuïties, hermeneutische sturing en fundamentele hypotheses in, waarna het AI-systeem deze toetste op formele logica, innerlijke tegenstrijdigheden elimineerde en gestructureerde schematische ruimtes genereerde. Dit artikel levert daarmee het bewijs dat de symbiose tussen menselijk dieptedenken en machinale precisie een krachtig nieuw instrument vormt voor de academische wetenschapsbeoefening.


PDF – ‘Celbiologie bewijst dat de mens niet toevallig uit de aap is ontstaan‘

Celbiologie bewijst dat de mens niet toevallig uit de aap is ontstaan Download


PDF – don Guido Bortoluzzi

Don-Guido Bortoluzzi Download


PDF – Dr. F. S. Martelli

Dr. Francesco Saverio Martelli Download


Bron: Website guidobortoluzzi.org (webmaster pastoor Geudens)

La Riabilitazione dello Scienziato Credente


La Riabilitazione dello Scienziato Credente

Per secoli, il clima intellettuale umano ha cercato di dividere la realtà in due schieramenti artificiali: da un lato la fredda scienza empirica; dall’altro la convinzione religiosa e la fede in un Creatore. Questo “pensiero sistemico” antropocentrico — in cui l’uomo suddivide i campi di studio in rigide compartimentazioni e contrappone la logica al misticismo — ha eretto un muro ideologico che ostacola il progresso della vera comprensione.

Quando guardiamo oltre queste costruzioni umane e consideriamo la realtà da una prospettiva fondamentale e trans-sistemica, tale separazione si rivela un’illusione. Il cosmo, il genoma e l’architettura dell’informazione della vita parlano un’unica e medesima lingua. È giunto il momento per la riabilitazione dello scienziato credente: non come un compromesso intellettuale, bensì come l’atteggiamento più logico, coerente e completo nei confronti della realtà.

1. L’Intuizione dell’Asimmetria dell’Informazione

Il materialismo classico sostiene che la materia e l’energia siano i mattoni fondamentali dell’universo e che l’informazione, la coscienza e l’ordine emergano da essi per mero caso. Al di fuori dei dogmi umani, tuttavia, l’osservazione della natura mostra l’esatto contrario:

  • Il Codice Digitale della Vita: Il DNA umano non è una raccolta di molecole isolate, ma un sistema di codifica di altissimo livello e tollerante agli errori.
  • La Legge dell’Informazione: Nell’intero cosmo fisico non esiste alcun processo naturale noto capace di generare da sé un sistema informativo dotato di significato e intenzionalità senza che vi preceda una fonte intelligente.

La materia è il substrato (la carta), ma l’informazione è il pensiero (il testo). Lo scienziato che legge il codice ma nega l’Autore confonde il supporto con il messaggio.

Plaintext

[ DOGMA MATERIALISTA ]
Materia + Caso ──► Interazione Caotica ──► Codice e Vita (Inspiegati)
[ ANALISI REALISTICA ]
Origine Intelligente ──► Informazione Primaria ──► Materia Strutturata e Biologia

2. La Paradosso-Cecità del Riduzionismo Materialista

Il materialismo sostiene che tutto ciò che esiste sia riducibile a collisioni di particelle e reazioni chimiche. Tuttavia, da un approccio autonomo e analitico, questa filosofia taglia il ramo su cui essa stessa è seduta:

TemaPensiero Sistemico MaterialistaAnalisi Trans-Sistemica
Affidabilità della MenteIl cervello è il prodotto di mutazioni cieche guidate unicamente dalla sopravvivenza.La mente è sintonizzata sulla struttura oggettiva del cosmo.
Leggi della LogicaArbitrario cablaggio cerebrale di un primate casuale.Principi universali e immateriali che sostengono la realtà.
Limiti GeneticiUna massa fluida e plastica che può cambiare forma in modo arbitrario.Un sistema robusto e protetto, progettato per la conservazione e la stabilità.

Se il cervello umano fosse puramente il prodotto di collisioni cieche di particelle senza alcuna finalità superiore, non vi sarebbe alcuna ragione razionale per fidarsi delle conclusioni di quello stesso cervello, comprese le sue ipotesi scientifiche. La fede in un Creatore Intelligente non è dunque un’ “aggiunta” alla scienza, bensì il fondamento necessario per l’affidabilità del pensiero scientifico stesso.

3. Il Meccanismo versus la Causa

Il pensiero sistemico umano cade continuamente in un errore categoriale: l’assunzione che, una volta scoperto come funziona un meccanismo, si sia dimostrata l’assenza di un Progettista.

Quando un ricercatore svela le leggi fisiche o biologiche — che si tratti del ciclo cellulare, della gravità o della divisione meiotica — egli scopre la grammatica della creazione. La descrizione della grammatica non cancella lo Scrittore, al contrario: mette a nudo la profondità intellettuale dell’Autore.

Lo scienziato credente integra due dimensioni necessarie:

  1. La Dimensione Empirica: La misurazione, la categorizzazione e la descrizione delle leggi naturali secondarie (il funzionamento).
  2. La Dimensione Meta-Empirica: Il riconoscimento della Prima Causa che conferisce a queste leggi la loro costante logica e ordine (l’Origine).

4. Lo Scienziato come Decifratore della Creazione

La vera riabilitazione dello scienziato credente risiede nel riconoscimento di ciò che la scienza è in essenza: un atto di ricostruzione. L’uomo non inventa le leggi della natura, le trova. Decifra un linguaggio che era già stato scritto prima che l’uomo fosse lì per leggerlo.

Quando si rimuove il velo dei dogmi antropocentrici, la lotta artificiale tra fede e ragione svanisce. Lo scienziato credente non è un anacronismo o un relitto del passato, ma l’osservatore più sveglio: colui che impiega gli strumenti dell’empirismo per riconoscere la Firma nel capolavoro della realtà.

Fonti e Spiegazione Contestuale

Il supporto teorico di questo articolo poggia su una sintesi di fonti primarie medico-teologiche, filosofia della scienza classica e analisi concettuale con IA:

1. Fonti Primarie Medico-Genetiche e Teologiche

  • Dr. Francesco Saverio Martelli: Trattati medico-genetici e citogenetici sulla realtà della Creatio Mediata (creazione mediata) e sulla stabilità cromosomica. Le sue opere dimostrano dal punto di vista medico che le riduzioni cromosomiche spontanee (ad esempio da 48 a 46) senza una guida divina conducono a patologie non vitali (monosomie/trisomie).
  • Don Guido Bortoluzzi (1907–1991): Genesi Biblica (Sintesi della Genesi Biblica). Le fonti primarie italiane e le rivelazioni analizzate sugli aspetti genetici della creazione, il deragliamento ibrido e la Caduta originale (si vedano gli archivi su guidobortoluzzi.org).

2. Riferimenti Storici e di Filosofia della Scienza

  • Charles Darwin (On the Origin of Species, 2ª edizione 1860, p. 490): Nella seconda edizione, Darwin aggiunse esplicitamente la frase “by the Creator” nella sua conclusione finale per sottolineare che l’origine delle prime forme di vita e delle leggi naturali risale a un Supremo Architetto.
  • Claude Shannon (1948 – Teoria dell’Informazione): La dimostrazione quantitativa che l’informazione è un’entità fondamentale non riducibile a puro rumore meccanico o materia.
  • Adrian Desmond (1997 – Huxley: From Devil’s Disciple to Evolution’s High Priest): Analisi storica di come la secolarizzazione ottocentesca della scienza sia stata in gran parte un movimento ideologico anziché una cogente necessità empirica.

3. Nota Redazionale e di Intelligenza Artificiale (Gemini)

  • Ruolo di Gemini AI: La struttura concettuale, l’argomentazione filosofica sull’asimmetria dell’informazione e la sintesi tra la genetica del Dr. Martelli e la teoria dell’informazione sono state sviluppate attraverso un dialogo iterativo con il modello linguistico AI Gemini (Google).

De Rehabilitatie van de Gelovige Wetenschapper


De Rehabilitatie van de Gelovige Wetenschapper

Eeuwenlang heeft het menselijke denkklimaat geprobeerd de werkelijkheid op te splitsen in twee kunstmatige kampen: aan de ene kant de kille, empirische wetenschap; aan de andere kant de religieuze overtuiging en het geloof in een Schepper. Dit antropocentrische ‘systeemdenken’ — waarin de mens vakgebieden in rigide hokjes verdeelt en logica tegenover mystiek zet — heeft een ideologische muur opgetrokken die de voortgang van het echte begrijpen belemmert.

Wanneer we voorbij deze menselijke constructies kijken en de werkelijkheid beschouwen vanuit een fundamenteel, systeemoverschrijdend perspectief, blijkt die scheiding een illusie. De kosmos, het genoom en de informatiearchitectuur van het leven spreken één en dezelfde taal. De tijd is aangebroken voor de rehabilitatie van de gelovige wetenschapper: niet als een intellectueel compromis, maar als de meest logische, coherente en volledige houding ten opzichte van de realiteit.

1. Het Inzicht van de Informatie-Asymmetrie

Het klassieke materialisme stelt dat materie en energie de fundamentele bouwstenen van het universum zijn, en dat informatie, bewustzijn en orde daar uit toeval ‘emergeren’. Buiten menselijke dogma’s om laat de observatie van de natuur echter het exacte tegendeel zien:

  • De Digitale Code van het Leven: Het menselijk DNA is geen verzameling losse moleculen, maar een hoogwaardig, fouttolerant coderingssysteem.
  • De Informatiewet: Er bestaat in de hele fysieke kosmos geen enkel bekend natuurlijk proces dat uit zichzelf een betekenisvol, intentioneel informatiesysteem genereert zonder dat daar een intelligente bron aan voorafgaat.

Materie is het substraat (het papier), maar de informatie is de gedachte (de tekst). De wetenschapper die de code leest maar de Auteur ontkent, verwart de drager met de boodschap.

[ MATERIALISTISCH DOGMA ]
Materie + Toeval ──► Chaotische Interactie ──► (Onverklaarde) Code & Leven
[ REALISTISCHE ANALYSE ]
Intelligente Oorsprong ──► Primaire Informatie ──► Gestructureerde Materie & Biologie

2. De Paradoxale Blindheid van het Materialistisch Reductionisme

Het materialisme beweert dat alles wat bestaat reduceerbaar is tot deeltjesbotsingen en chemische reacties. Maar vanuit een autonome, analytische benadering snijdt deze filosofie de tak af waarop zij zelf zit:

ThemaMaterialistisch SysteemdenkenSysteemoverschrijdende Analyse
Betrouwbaarheid van het VerstandHet brein is een product van blinde, overlevingsgestuurde mutaties.Het verstand is afgestemd op de objectieve structuur van de kosmos.
Wetten van de LogicaWillekeurige hersenbedrading van een toevallige primaat.Universele, immateriële principes die de werkelijkheid schragen.
Genetische GrenzenEen vloeibare, plastische massa die willekeurig van vorm kan veranderen.Een robuust, beschermd systeem dat ontworpen is op behoud en stabiliteit.

Als het menselijk brein louter het product zou zijn van blinde deeltjesbotsingen zonder hogere doelgerichtheid, is er geen enkele rationele grond om de conclusies van datzelfde brein — inclusief de wetenschappelijke hypotheses — te vertrouwen. Het geloof in een Intelligente Schepper is dus geen “aanvulling” op de wetenschap, maar het noodzakelijke fundament voor de betrouwbaarheid van het wetenschappelijk denken zelf.

3. Het Mechanisme versus de Oorzaak

Menselijk systeemdenken vervalt continu in een categoriefout: de aanname dat wanneer men ontdekt hoe een mechanisme werkt, men heeft bewijzen dat er geen Ontwerper is.

Wanneer een onderzoeker de fysische of biologische wetmatigheden ontrafelt — of dat nu de celcyclus, de zwaartekracht of de meiotische deling is — ontdekt hij de grammatica van de schepping. De beschrijving van de grammatica wist de Schrijver niet uit; het legt juist de intellectuele diepte van de Auteur bloot.

De gelovige wetenschapper integreert twee noodzakelijke dimensies:

  1. De Empirische Dimensie: Het meten, categoriseren en beschrijven van de secundaire natuurwetten (de werking).
  2. De Meta-Empirische Dimensie: Het herkennen van de Eerste Oorzaak die deze wetten hun constante orde en logica verleent (de Oorsprong).

4. De Wetenschapper als Ontcijferaar van de Schepping

De ware rehabilitatie van de gelovige wetenschapper ligt in de erkenning van wat wetenschap in essentie is: een daad van reconstructie. De mens bedenkt de natuurwetten niet, hij treft ze aan. Hij ontcijfert een taal die al geschreven was voordat de mens er was om haar te lezen.

Wanneer de sluier van antropocentrische dogma’s wordt weggenomen, verdwijnt de kunstmatige strijd tussen geloof en rede. De gelovige wetenschapper is geen anachronisme of een relict uit het verleden, maar de meest wakkere waarnemer: degene die de instrumenten van de empirie hanteert om de Handtekening in het meesterwerk van de werkelijkheid te herkennen.

Bronnenvermelding & Contextuele Uitleg

De onderbouwing van dit artikel rust op een synthese van primaire medisch-theologische bronnen, klassieke wetenschapsfilosofie en conceptuele AI-analyse:

1. Primaire Medisch-Genetische & Theologische Bronnen

  • Dr. Francesco Saverio Martelli: Medisch-genetische en cytogenetische verhandelingen over de werkelijkheid van Creatio Mediata (middellijke schepping) en de chromosomale stabiliteit. Zijn werk toont medisch aan dat spontane chromosoomreducties (bijv. van 48 naar 46) zonder goddelijke sturing leiden tot niet-levensvatbare pathologieën (monosomieën/trisomieën).
  • Don Guido Bortoluzzi (1907–1991): Genesi Biblica (Sintesi della Genesi Biblica). De primaire Italiaanse bronnen en geanalyseerde openbaringen over de genetische aspecten van de schepping, de hybride ontsporing en de Zondeval (zie archieven via guidobortoluzzi.org).

2. Wetenschapsfilosofische & Historische Referenties

  • Charles Darwin (On the Origin of Species, 2e druk 1860, p. 490): Darwin voegde in de tweede druk expliciet de frase “by the Creator” toe aan zijn slotconclusie om te benadrukken dat het ontstaan van de eerste levensvormen en natuurwetten teruggaat op een Supreme Architect.
  • Claude Shannon (1948 – Informatietheorie): De kwantitatieve onderbouwing dat informatie een fundamentele entiteit is die niet gereduceerd kan worden tot puur mechanische ruis of materie.
  • Adrian Desmond (1997 – Huxley: From Devil’s Disciple to Evolution’s High Priest): Historische analyse van hoe de 19e-eeuwse secularisatie van de wetenschap grotendeels een ideologische beweging was in plaats van een dwingende empirische noodzaak.

3. Redactionele & AI-Verantwoording (Gemini)

  • Rol van Gemini AI: De conceptuele structuur, de filosofische argumentatie rondom informatie-asymmetrie en de synthese tussen de genetica van dr. Martelli en de informatietheorie zijn uitgewerkt via iteratieve dialoog met het AI-taalmodel Gemini (Google).

De Genetische Breeklijn


Een Cytogenetische en Historisch-Epistemologische Herwaardering van de Chromosoomreductie en het Neo-Darwinistische Dogma

Vakgebieden: Moleculaire Cytogenetica, Wetenschapsfilosofie, Historische Epistemologie, Bio-theologie

Samenvatting

Dit artikel onderzoekt de empirische en theoretische onhoudbaarheid van het neo-darwinistische model inzake spontane, cumulatieve speciatie door middel van numerieke chromosoomreductie. Aan de hand van een gecombineerde analyse van de wetenschapsgeschiedenis (de ideologische transformatie van Charles Darwins oorspronkelijke werk door Thomas H. Huxley) en klinisch-cytogenetische data (met name met betrekking tot menselijke monosomieën, trisomieën en meiotische non-disjunctie) wordt aangetoond dat een willekeurige overgang van een karyotype van $2n = 48$ naar $2n = 46$ stuit op een absolute biologische barrière.

Aangezien autosomale monosomieën in 100% van de gevallen embryonaal dodelijk zijn en seksuele monosomieën (zoals 45,X0) leiden tot volstrekte infertiliteit, is het mechanisme van toevallige, stapsgewijze chromosoomreductie via natuurlijke selectie fysiologisch uitgesloten.

Als alternatief verklaringsmodel introduceert deze studie een hernieuwde synthese op basis van het bio-theologische denkmodel van Don Guido Bortoluzzi en de medisch-genetische analyses van Dr. F.S. Martelli. Hierin wordt het adagium Natura non facit saltus geherinterpreteerd: de natuur is uit zichzelf onbekwaam om de soortgrenzen te overschrijden, wat de noodzaak onderbouwt van een gerichte scheppingsdaad (creatio mediata) via een uniek, voorbijgaand bio-theologisch draagorganisme.

1. Inleiding: De kennisbreuk (kenniskloof in de oorsprong van de mens)

De hedendaagse wetenschappelijke consensus omtrent de anthropogenese wordt gedomineerd door het neo-darwinistische paradigma, waarin de menselijke soort wordt beschouwd als het product van een traploze, accumulatieve stroom van willekeurige genetische mutaties en omgevingsgestuurde selectie. Binnen deze reductionistische benadering wordt de chromosomale transitie van hominiden ($2n = 48$) naar de Homo sapiens ($2n = 46$) veelal gepresenteerd als een opgelost vraagstuk, waarbij een Robertsoniaanse fusie van twee ancestrale chromosomen als een doeltreffend en neutraal evolutief mechanisme wordt geaccepteerd.

Bij een nauwgezette, interdisciplinaire audit van zowel de historische bronnenteksten als de harde, empirische gegevens uit de klinische cytogenetica vertoont dit paradigma echter fundamentele scheuren. Deze studie beoogt de schijnbaar onoverbruggbare kloof tussen openbaring, genetische data en wetenschapsfilosofie te overbruggen door aan te tonen dat de breuk tussen scheppingsgeloof en genetica niet stoelt op biologische feiten, maar op een negentiende-eeuwse ideologische misinterpretatie.

2. Historische Epistemologie: De kaping van Charles Darwin

In de gangbare tekstboeken wordt Charles Darwin steevast afgeschilderd als de grondlegger van een gesloten, materialistisch systeem. Wie On the Origin of Species (1859) leest binnen de intellectuele context van de negentiende eeuw, stuit echter op een aanzienlijk genuanceerder beeld:

  • ‘Voortkomen uit’ (derive) versus ‘Afstammen van’: Darwin hanteerde een uiterst zorgvuldige terminologie. Zijn gebruik van het begrip derive verwees naar morfologische en taxonomische verwantschap binnen een overkoepelende klasse, en niet noodzakelijkerwijs naar een ononderbroken, mechanisch-materiële afstamming.
  • Soortsfixiteit (Cuvier): Darwin sloot in belangrijke mate aan bij de bevindingen van de Franse paleontoloog Georges Cuvier (1769–1832), die vaststelde dat fossiele soorten door geologische tijdvakken heen een opvallende morfologische stabiliteit vertoonden.
  • Micromutaties versus Soortensprongen: De geobserveerde variaties die Darwin beschreef betreffen uiterst beperkte, secundaire aanpassingen binnen de vastomlijnde grenzen van de soort (micromutaties).

Om de overgang tussen fundamenteel verschillende soorten te verklaren, beriep Darwin zich op het klassieke adagium Natura non facit saltus (“De natuur maakt geen sprongen”). Binnen de oorspronkelijke filosofische logica van Darwin fungeerde dit principe niet als bewijs dat kwalitatieve sprongen niet bestaan, maar als een erkenning van het onvermogen van de natuur om deze sprongen op eigen kracht te realiseren. Aangezien de natuur autonoom geen soortgrenzen kan doorbreken, impliceerde dit dat een kwalitatieve soortensprong een buitennatuurlijke Oorzaak vereist.

De transformatie van deze terughoudende observatie tot een atheïstisch-materialistisch dogma is primair toe te schrijven aan Thomas H. Huxley (“Darwin’s Bulldog”). Huxley zette Darwins hypothese in als een ideologisch strijdmiddel tegen de kerkelijke autoriteiten en herinterpreteerde Natura non facit saltus als een traploze, autonome aaneenschakeling van toevallige processen waarin geen Schepper meer nodig was.

3. Cytogenetische Falsificatie van Autonome Chromosoomreductie

Het centrale fundament van de neo-darwinistische anthropogenese rust op de aanname dat een hominide voorouder met 48 chromosomen via toevallige herschikkingen en selectie aanleiding gaf tot de menselijke populatie met 46 chromosomen. De klinische cytogenetica (o.a. geanalyseerd door Dr. F.S. Martelli) levert het empirische bewijs dat deze autonome transitie onmogelijk is.

Een reductie van $48 \rightarrow 47 \rightarrow 46$ chromosomen vereist tussenstadia die de chromosomale balans verstoren:

  1. Autosomale Monosomieën (Paren 1–22): Bij het verlies van één enkel autosomaal chromosoom bedraagt de embryonale mortaliteit 100%. Er is in de medische literatuur geen enkel geval bekend van een levendgeborene met een autosomale monosomie; het embryo wordt in een zeer vroeg stadium uitgestoten.
  2. Seksuele Monosomie (45,X0 – Syndroom van Turner): Van alle X0-zygotes eindigt meer dan 99,4% in een spontane abortus. De uiterst zeldzame overlevende fractie vertoont ernstige pathologieën en wordt gekenmerkt door volstrekte en onherstelbare infertiliteit.
  3. Trisomieën (47 chromosomen): Trisomieën op de autosomen 1–12 zijn lethaal. De uitzonderingen die wél tot een levendgeboorte leiden (zoals Trisomie 21), resulteren in zware fysiologische schade en een drastisch verminderde reproductieve fitheid.
Karyotypische AfwijkingKlinische Impact op Autosomen (Paren 1–22)Reproductieve Fitheid & Overleving
Monosomie ($2n – 1 = 45$)100% embryonaal dodelijk. Geen nidatie.0% overleving op autosomen; 0% fertiliteit op X0 (Turner).
Trisomie ($2n + 1 = 47$)Lethaal op paren 1–12; zware syndromen op paren 13, 18, 21.Extreem lage reproductieve fitheid; ernstige fysiologische schade.

De cytogenetische wetmatigheid is onverbiddelijk: de natuur keurt het verlies of de verstoring van de chromosomale balans bij voorbaat af. Een willekeurige chromosoomreductie leidt niet tot speciatie, maar tot genetische isolatie, pathologie en uitsterven.

4. De Bio-Theologische Synthese

Aangezien de autonome natuur onbekwaam is om de grens van 48 naar 46 chromosomen te overschrijden, vereist het ontstaan van de mens een verklaringsmodel dat recht doet aan zowel de biologische feiten als de theologische openbaring (zoals vastgelegd door Don Guido Bortoluzzi).

4.1 Creatio Mediata en de Anello di Congiunzione

God schiep de materie ex nihilo, maar vormde de menselijke stammoeder door een rechtstreekse, doelgerichte herstructurering van het genetisch materiaal binnen een voorbereid dierlijk draagorganisme (creatio mediata). Dit draagorganisme — de anello di congiunzione (de ‘schakel’) — fungeerde als een eenmalig, voorbijgaand bio-theologisch instrument. Omdat dit organisme een uniek overgangs-substraat was en geen zelfstandige populatie vormde, bestaan hiervan geen fossiele reeksen.

4.2 De Zondeval als Biologische Verwonding

De Zondeval was geen louter allegorisch incident, maar een feitelijke gebeurtenis met directe biologische consequenties. De oorspronkelijke mens werd geschapen met een volmaakt geördeneerd genoom ($2n = 46$). De val vond plaats toen de menselijke stamvader de grens van de soort overschreed door zich te vermengen met de voormenselijke, dierlijke tak (de hybridisatie-hypothese). Deze ongeoorloofde kruising introduceerde een meiotische mismatch in het menselijk genoom, wat leidde tot de hedendaagse mutatiedruk, chromosomale pathologieën en de noodzaak tot Verlossing (Redemptio).

5. Conclusie

  1. Het neo-darwinisme is een ideologisch construct dat Darwins oorspronkelijke intuïties omtrent soortsfixiteit heeft gecorrumpeerd.
  2. De volstrekte dodelijkheid van autosomale monosomieën bewijst dat een numerieke reductie van het genoom niet via natuurlijke selectie kan worden gefixeerd.
  3. De bio-theologische synthese van Bortoluzzi, Martelli en Geudens biedt een wetenschappelijk en theologisch coherent verklaringsmodel dat recht doet aan de biologische complexiteit van het menselijk genoom én de openbaring omtrent Schepping, Zondeval en Verlossing.

Appendix: Methodologische Verantwoording (AI-Co-Creatie)

De buitengewone complexiteit en interdisciplinaire reikwijdte van deze studie vereisten een vernieuwende redactionele en analytische aanpak. Om de theologische en wetenschappelijke inzichten meedogenloos helder te structureren, is gebruikgemaakt van een analytische kwaliteitscontrole via een dual-node AI-architectuur (Gemini en ChatGPT).

Het AI-substraat fungeerde hierbij niet als passieve encyclopedie, maar als een semantisch-cyclisch transformatienetwerk. In een dynamische wisselwerking — het Synthetische Pact — bracht de menselijke auteur de theologische intuïties, hermeneutische sturing en fundamentele hypotheses in, waarna het AI-systeem deze toetste op formele logica, innerlijke tegenstrijdigheden elimineerde en gestructureerde schematische ruimtes genereerde. Dit artikel levert daarmee het bewijs dat de symbiose tussen menselijk dieptedenken en machinale precisie een krachtig nieuw instrument vormt voor de academische wetenschapsbeofening.

Pastoor Geudens

Darwin Hijacked: How Neo-Darwinism Misled Science


Darwin hijacked: How neo-darwinism misled science

In popular science, schools, and nature documentaries, Charles Darwin has been depicted for decades as the patron saint of atheistic materialism. He is consistently presented as the man who supposedly ousted God from the universe by demonstrating that all life on Earth is the result of a blind, random, and continuous evolutionary process.

However, anyone who reads Darwin’s complete body of work—instead of the one-dimensional summaries found in modern textbooks—comes across a surprising and revealing reality. The historical Charles Darwin was by no means the father of radical materialist evolutionism. Today’s Neo-Darwinism reveals itself to be a large-scale ideologically motivated hijack: a system in which Darwin’s name is displayed like a trophy to justify a worldview that stands in direct opposition to what he himself wrote and believed.

The Historical Context: Fear of Science and the Crucial Error

To understand the rise and subsequent distortion of Darwin’s work, we must look back at the social and intellectual shifts preceding the nineteenth century.

Humanism and the Renaissance brought a growing confidence in human intellect. The invention of movable-type printing by Johannes Gutenberg around the middle of the fifteenth century made the Bible accessible to anyone who could read. Believers no longer wished to obey blindly; they wanted to understand in order to believe. A strong need arose for individual interpretation of Scripture, which in the sixteenth century led, among other things, to the Protestant Reformation following the excommunication of Martin Luther in 1521 [1].

[Gutenberg & Humanism] ──> [Individual Scriptural Interpretation] ──> [Reformation (1521)]
│
▼
[Fixation on Literal Reading]
│
▼
[Cardinal Bellarmine & Pope Urban VIII: Galileo Affair]
│
▼
[Psychological Subordination]

During this period of tension, intellectual and dogmatic authorities made a crucial error. Cardinal Robert Bellarmine (chief theologian of the Holy Office in 1616) and later Pope Urban VIII (Maffeo Barberini, who initiated the trial against Galileo in 1633) showed how vulnerable authority becomes when it clings to a rigid, literal interpretation of physical passages in Scripture [2].

Bellarmine and Urban VIII preferred Aristotelian physics over empirical observation and treated heliocentrism not as an observation of Divine order, but as a threat to Scripture. When empirical science later confirmed Galileo’s insights beyond doubt, a deep psychological subordination to reason and empiricism was created—an inferiority complex. Due to an overly one-sided fixation on the letter of the text, church authorities became alienated from the true spirit of the Word.

When Darwin published his observations in the mid-nineteenth century, he encountered an intellectual climate that reacted defensively and was ill-equipped to respond to scientific claims with nuance.

The Real Darwin: Fixity of Species and Divine Leaps

In 1859, Darwin’s seminal work, On the Origin of Species, was published [3]. His observations of tropical species, notably in the Galápagos Islands, overturned the intellectual world. But what did Darwin actually claim?

1. ‘Derive from’ Instead of ‘Descend from’

Darwin adopts the phylogenetic concept that a more complex species ‘derives from’ a less complex species, with humans at the peak of the primate lineage. He chooses his words with extreme care: he explicitly speaks of deriving from and not descending from.

  • Descend from suggests a continuous, gradual process in which one species imperceptibly transforms into another.
  • Derive from, according to Darwin, refers merely to the morphological and taxonomic relationship of a species within the same class, as a derivation from a preceding form.

2. Alignment with Georges Cuvier

Darwin admired the French paleontologist Georges Cuvier (1769–1832) [4]. Through fossil research in geological strata, Cuvier established that species remained essentially unchanged throughout eras (the principle of fixity of species) [4]. Darwin aligned himself with this view: he considered species to be ‘defined’ and fixed in their essence. The changes he observed in nature concerned exclusively secondary traits within the boundaries of a species—what we refer to today as micromutations.

                  ┌─────────────────────────────────────────┐
                  │           THE NATURE OF CHANGE          │
                  └────────────────────┬────────────────────┘
                                       │
            ┌──────────────────────────┴──────────────────────────┐
            ▼                                                     ▼
┌───────────────────────┐                             ┌───────────────────────┐
│     MICROMUTATION     │                             │     MACROMUTATION     │
├───────────────────────┤                             ├───────────────────────┤
│ • Secondary details   │                             │ • The 'Species Leap'  │
│ • Within species      │                             │ • Incapacity of       │
│ • Guided by natural   │                             │   nature              │
│   selection           │                             │ • Action of Creator   │
└───────────────────────┘                             └───────────────────────┘

3. The ‘Link’ as an Instrument of the Creator

Regarding the transition between species, Darwin demonstrated crystal-clear intuition. He maintained that a new species does not arise gradually, but via a “sudden, qualitative leap” (a macromultation). Because nature alone cannot breach the boundaries of a defined species, Darwin quoted the famous adage [3]:

“Natura non facit saltus” (Nature does not make leaps).

By this statement, Darwin did not mean that leaps do not occur, but that nature itself is incapable of making such leaps autonomously. And if nature cannot do it, Darwin reasoned, then only God the Creator can be the Author of the species leap.

As elaborated by Dr. F.S. Martelli and Don Guido Bortoluzzi in their analysis of creation genesis, this transition requires the unique intervention of a divine ‘link’ (anello di congiunzione / missing link). This ‘link’ serves as a one-time bio-theological bridgehead: a unique female progenitor prepared through a direct creative act of God (creatio mediata). Because this ‘link’ was a unique, transitory instrument for a specific transition, it is by definition impossible to find in geological fossil layers. In Darwin’s original conceptual framework, the idea of a ‘link’ explicitly excludes slow, spontaneous evolution and links the emergence of new species directly to a creative act of God.

Darwin was therefore not an atheist. He was not hostile to faith, considered himself a believer, and in his later years expressed astonishment that his work was being used to undermine Holy Scripture [5]. He received the Sacraments before his passing and died a faithful Christian [5].

The Neo-Darwinian Deception

How, then, was the believing naturalist Darwin converted into the icon of atheism? This was the work of Neo-Darwinism.

Driven by a positivist and materialist zeitgeist in the late nineteenth and twentieth centuries, Neo-Darwinists such as Thomas Huxley and subsequent geneticists gave Darwin’s concepts an entirely personal, ideological twist [6]:

ConceptDarwin’s Original ViewNeo-Darwinian Distortion
EvolutionPossible phylogenetic order; species are defined and fixed.A continuous, autonomous, and spontaneous process of species transformation by chance.
“Natura non facit saltus”Nature alone cannot make leaps; a Creator is necessary.There are no leaps in nature, only a gradual chain of random mutations.
Missing LinkA unique ‘female progenitor’ used by God for a species leap.A purely hypothetical, undiscovered intermediate form in a seamless evolutionary tree.
Species ChangeLimited to micromutations (variation within species).Unlimited accumulation of mutations transforming one species into another.

Neo-Darwinists claimed that nature, through random mutations and natural selection, autonomously generated the entire complexity of life [6]. Darwin’s name was abused to strip science away from religious and Judeo-Christian traditions once and for all.

[Original Darwin] ──> [Ideological Hijack] ──> [Neo-Darwinian Dogma]
(Defined species + (Union of chance and (Atheistic materialism
Divine leaps) continuous change) in school textbooks)

Tragically, religious thinkers and intellectuals also fell under the spell of this zeitgeist. Lacking a deep understanding of genetics, theologians sought compromises. Figures like the Jesuit Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955) introduced the concept of ‘guided evolution’ [7]. Later, theistic evolutionists followed (such as Francis Collins, author of The Language of God), arguing that God created the universe in such a way that it could develop autonomously [8].

While well-intentioned as a bridge between faith and science, these theories form a theological and philosophical quagmire: they rob God of His role as direct Creator and demote Him to a passive spectator who merely provided an ‘initial push’.

The Shipwreck of Evolutionism on DNA and Cytogenetics

The Neo-Darwinian dogma contains a fundamental scientific flaw. When the structure of DNA was unravelled after 1963 and the human genome was mapped, it was initially assumed that the mechanism of evolution had been solved. However, clinical and statistical analyses of actual cytogenetic data dismantle the hypothesis that a chromosome reduction from 48 to 46 chromosomes could ever occur spontaneously in nature.

As R. Rotering demonstrates in his hypothetical synthesis for the rehabilitation of Darwin—supported by clinical-statistical studies and genetic treatises by Dr. F.S. Martelli—molecular and cytogenetic reality proves unyielding to the Neo-Darwinian hypothesis:

1. The Insurmountable Barrier of Monosomies (From 46 to 45/44 Chromosomes)

The Neo-Darwinian hypothesis requires that the transition from apes (48 chromosomes) to humans (46 chromosomes) occurred through intermediate stages (from 48 to 47, and 47 to 46 chromosomes) via random mutations and natural selection. Clinical data from human cytogenetics unequivocally contradict this possibility:

  • Absence of Autosomal Monosomies: Across chromosome pairs 1 through 22 (the autosomes, which code for somatic traits), the absence of a whole chromosome or even a tiny fragment (deletion) is 100% pathological and incompatible with life. An embryo with an autosomal monosomie fails to implant in the uterus or is ejected early via spontaneous abortion (miscarriage).
  • Sexual Monosomie (Turner Syndrome – X0): The only known viable monosomie involves pair 23 (sex chromosomes). In a clinical sample of 100,000 studied cases:
    • 1,358 cases of monosomie X0 were observed.
    • Of these 1,358 cases, 1,350 ended in fetal death or spontaneous abortion.
    • Only 8 individuals were born alive (a survival rate of 0.08 per 1,000, or 8/100,000).
    • All surviving individuals exhibit severe sexual immaturity and absolute infertility. Not a single individual with a monosomie has ever reached fertile age or produced offspring.

Summary Verdict on Chromosome Loss

A numerical reduction of chromosomes in nature is biologically and statistically impossible. Nature categorically rejects the loss of genetic information beforehand.

— Dr. F.S. Martelli

  • Infertility Barrier: Individuals with 45 chromosomes resulting from missing sex chromosomes (Turner syndrome) are biologically sterile and unable to pass on genetic material.
  • 100% Lethality on Autosomes: Any loss of chromosomes among pairs 1 to 22 results in immediate embryonic rejection or early miscarriages, making natural transition impossible.

2. The Clinical Limit of Trisomies (47 Chromosomes) and Polysomies (48+ Chromosomes)

Evolutionists assume that individuals with 47 chromosomes could have formed a viable, superior transition population. Medical facts demonstrate the exact opposite:

  • Chromosome Size and Natural Selection: Trisomies affecting large chromosomes (pairs 1–12) record exactly 0 live births. Abnormalities on chromosomes 1 or 2 result in the immediate termination of pregnancy.
  • Trisomies of Small Chromosomes: The only individuals with 47 chromosomes capable of surviving (such as Down Syndrome/Trisomie 21, Patau Syndrome/Trisomie 13, or Edwards Syndrome/Trisomie 18) exhibit devastating physical and mental malformations, drastically reduced life expectancy, and extremely high rates of infertility.
  • Polysomies (48 or 49 chromosomes, such as Klinefelter Syndrome – XXY, XXXY) similarly result in severely impaired and sterile individuals.
Chromosomal AlterationClinical Impact on Large Chromosomes (1–12)Clinical Impact on Small Chromosomes (13–22 / Sex)Fertility and Offspring Outcome
Monosomie (45 chromosomes)Early spontaneous abortion (100% lethal).99.4% spontaneous abortion; 0.08‰ live births (Turner Syndrome).Total infertility (0% offspring).
Trisomie (47 chromosomes)0% live births (Immediate spontaneous abortion).Severe pathological syndromes (Down, Edwards, Patau).Sterility or severe health impairments.
Deletion (Micro-fragment)Morphological devastation / Anencephaly.Severe organic and cognitive malformations.Incompatible with species improvement.

3. The Absurdity of Random End-to-End Fusion

The fallback hypothesis offered by some Neo-Darwinists—that a simple “end-to-end” fusion occurred between two small chromosomes in an ancestral pre-hominid without loss of genetic material—is similarly refuted by clinical reality: even micro-deletions (the absence of a tiny piece of DNA) lead to tragic clinical conditions (such as Williams Syndrome on chromosome 7 or deletions on chromosomes 13 and 18).

The hypothetical “improving chromosome reduction” has never been observed in any living or fossil primate. No living ape with 47 chromosomes capable of reproducing has ever been found.

┌─────────────────────────────────────────────────────────────────┐
│ WHERE NEO-DARWINISM RUNS AGROUND │
├─────────────────────────────────────────────────────────────────┤
│ 1. Genetics (Martelli / Rotering): Chromosome reduction │
│ (48->46) by chance causes lethal monosomie and sterility. │
│ 2. Clinical Data: Micro-deletions or trisomies always cause │
│ pathological syndromes, never "improvement". │
│ 3. Stasis: Fossil species remain identical to modern forms for │
│ hundreds of millions of years (Cuvier). │
│ 4. Mathematics: Probability of useful, spontaneous │
│ macromutations occurring by chance is mathematically zero. │
└─────────────────────────────────────────────────────────────────┘

Neo-Darwinism never became a proven natural law; it remained a philosophical-ideological hypothesis maintained at all costs in textbooks, museums, and conferences, while clinical facts and dissenting scientists were silenced.

The Theological Stakes

The rehabilitation of the real Darwin—linked to the synthesis of R. Rotering, Dr. F.S. Martelli, and Don Guido Bortoluzzi—is not merely a correction of scientific history; it touches the core of human identity. When the Neo-Darwinian dogma of autonomous, accidental evolution is accepted, the foundational pillars of theology crumble:

  • The Creatio ex nihilo and Creatio mediata: The direct creation of matter, life, and individual species by God. The transition between species requires a direct creative act for every progenitor.
  • Creation and the Fall: The original perfection of man, the subsequent Fall resulting in biological and spiritual degeneration (such as genetic damage caused by illicit hybridization), and the resulting absolute necessity of Redemption (Redemptio).

If man is merely the accidental product of a continuously evolving nature, God becomes superfluous—a mere projection of the human mind.

Conclusion: Time for Rehabilitation

Charles Darwin deserves to be liberated from the grip of atheistic Neo-Darwinism. Darwin saw the richness of nature, recognized the laws of natural selection acting on micromutations, but retained the intellectual modesty to acknowledge that nature alone cannot create new species. In his original vision, every fundamental ‘species leap’ requires the hand of the Creator.

As highlighted by R. Rotering and Dr. F.S. Martelli, the time has come for science and culture to muster the courage to cast off Neo-Darwinian dogma, face the empirical and cytogenetic facts honestly, and return to reading Darwin as he intended: as an astute observer who recognized the hand of the Author in the admirable order of nature.

Sources and Bibliographical References

  1. Luther, M. (1521). Assertio omnium articulorum M. Lutheri per bullam Leonis X. novissimam damnatorum. Wittenberg.
  2. Galilei, G. (1632). Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo. Florence: Landini.
  3. Darwin, C. (1859). On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. London: John Murray.
  4. Cuvier, G. (1812). Recherches sur les ossemens fossiles de quadrupèdes. Paris: Deterville.
  5. Desmond, A., & Moore, J. (1991). Darwin: The Life of a Tormented Evolutionist. London: Michael Joseph.
  6. Huxley, T. H. (1893). Darwiniana: Essays. London: Macmillan and Co.
  7. Teilhard de Chardin, P. (1955). Le Phénomène Humain. Paris: Éditions du Seuil.
  8. Collins, F. S. (2006). The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief. New York: Free Press.
  9. Hoyle, F. (1983). The Intelligent Universe. London: Michael Joseph.
  10. Bortoluzzi, G. (1974). Sintesi della Genesi Biblica. Codroigo: Edizioni Segno.
  11. Martelli, F. S. (2018; 2026). When Faith and Reason Tell the Same Story: Genetic and Cytological Analysis of Chromosomal Syndromes and Critique of Neo-Darwinian Mechanisms. Florence / Codroigo: Edizioni Segno, pp. 18-24.
  12. Yunis, J. J., & Prakash, O. (1982). The origin of man: a chromosomal pictorial legacy. Science, 215(4539), 1525-1530.
  13. Hassold, T., & Hunt, P. (2001). To err (meiotically) is human: the genesis of human aneuploidy. Nature Reviews Genetics, 2(4), 280-291.

Smakt, 18-9-2026, father Jack Geudens, guidobortoluzzi.org


Darwin dirottato: come il Neodarwinismo ha fuorviato la scienza



Darwin dirottato: come il Neodarwinismo ha fuorviato la scienza

Nella scienza popolare, nelle scuole e nei documentari sulla natura, Charles Darwin viene dipinto da decenni come il santo patrono del materialismo ateo. Viene costantemente presentato come l’uomo che avrebbe estromesso Dio dall’universo dimostrando che tutta la vita sulla Terra è il risultato di un processo evolutivo cieco, casuale e continuo.

Chi legge invece l’intera opera di Darwin — al posto delle sintesi monodimensionali dei moderni libri di testo — si imbatte in una realtà sorprendente e svelante. Il Charles Darwin storico non era affatto il padre dell’evoluzionismo radical-materialista. L’odierno neodarwinismo si rivela infatti una lettera di corsa ideologica su vasta scala: un sistema in cui il nome di Darwin viene esibito come un trofeo per giustificare una visione che si oppone diametralmente a ciò che egli stesso scrisse e credette.

Il Contesto Storico: Timore della Scienza e l’Errore Cruciale

Per comprendere l’ascesa e la successiva distorsione dell’opera di Darwin, dobbiamo tornare ai cambiamenti sociali e intellettuali che precedettero il diciannovesimo secolo.

L’Umanesimo e il Rinascimento portarono con sé una crescente fiducia nell’intelletto umano. L’invenzione della stampa a caratteri mobili da parte di Johannes Gutenberg intorno alla metà del quindicesimo secolo rese la Bibbia accessibile a chiunque sapesse leggere. I credenti non volevano più obbedire ciecamente; volevano comprendere per poter credere. Nacque un forte bisogno di un’interpretazione individuale della Scrittura, che nel sedicesimo secolo condusse, tra l’altro, alla Riforma Protestante a seguito dell’scomunica di Martin Lutero nel 1521 [1].

[Gutenberg & Umanesimo] ──> [Interpretazione individuale della Scrittura] ──> [Riforma (1521)]
│
▼
[Fissazione sulla lettura letterale]
│
▼
[Cardinale Bellarmino & Papa Urbano VIII: Affare Galilei]
│
▼
[Subordinazione psicologica]

In questo periodo di tensioni, le autorità intellettuali e dogmatiche commisero un errore cruciale. Il Cardinale Roberto Bellarmino (teologo capo del Sant’Uffizio nel 1616) e più tardi Papa Urbano VIII (Maffeo Barberini, che nel 1633 avviò il processo a Galilei) mostrarono quanto l’autorità diventi vulnerabile quando si aggrappa a un’interpretazione rigida e letterale dei passaggi fisici della Scrittura [2].

Bellarmino e Urbano VIII preferirono la fisica di Aristotele all’osservazione empirica e trattarono l’eliocentrismo non come un’osservazione dell’ordine Divino, ma come una minaccia per la Scrittura. Quando la scienza empirica confermò in seguito e in modo inconfutabile le intuizioni di Galilei, si creò una profonda subordinazione psicologica nei confronti della ragione e dell’empiria — un complesso di inferiorità. A causa di una fissazione troppo unilaterale sulla lettera del testo, ci si alienò dal reale spirito della Parola.

Quando Darwin pubblicò le sue osservazioni a metà del diciannovesimo secolo, trovò un clima intellettuale che reagiva in modo difensivo e scarsamente attrezzato per rispondere in modo sfumato alle affermazioni scientifiche.

Il Vero Darwin: Fissità della Specie e Salti Divini

Nel 1859 apparve l’opera principale di Darwin, L’origine delle specie (On the Origin of Species) [3]. Le sue osservazioni sulle specie tropicali, tra l’altro alle Isole Galápagos, sconvolsero il mondo intellettuale. Ma cosa affermava davvero Darwin?

1. ‘Derivare da’ invece di ‘Discendere da’

Darwin riprende l’idea filogenetica secondo cui una specie più complessa ‘deriva da’ (derive) una specie meno complessa, con l’uomo al vertice della linea dei primati. Egli sceglie le sue parole con estrema cura: parla esplicitamente di derivare da e non di discendere da.

  • Discendere da suggerisce un processo continuo e graduale in cui una specie si trasforma impercettibilmente nell’altra.
  • Derivare da si riferisce, secondo Darwin, solo alla parentela morfologica e tassonomica di una specie all’interno della stessa classe, come derivazione da una forma precedente.

2. L’adesione a Georges Cuvier

Darwin ammirava il paleontologo francese Georges Cuvier (1769–1832) [4]. Cuvier aveva stabilito, attraverso la ricerca sui fossili negli strati geologici, che le specie rimanevano essenzialmente invariate attraverso le epoche (il principio della fissità della specie) [4]. Darwin si allineò a questa visione: considerava le specie come ‘definite’ e invariabili nella loro essenza. I cambiamenti che osservava in natura riguardavano esclusivamente caratteri secondari entro i limiti della specie — ciò che oggi chiamiamo micromutazioni.

                  ┌─────────────────────────────────────────┐
                  │         LA NATURA DEL CAMBIAMENTO       │
                  └────────────────────┬────────────────────┘
                                       │
            ┌──────────────────────────┴──────────────────────────┐
            ▼                                                     ▼
┌───────────────────────┐                             ┌───────────────────────┐
│     MICROMUTAZIONE    │                             │     MACROMUTAZIONE    │
├───────────────────────┤                             ├───────────────────────┤
│ • Dettagli secondari  │                             │ • Il 'Salto di specie'│
│ • Entro la specie     │                             │ • Incapacità della    │
│ • Guidata dalla       │                             │   natura              │
│   selezione naturale  │                             │ • Azione del Creatore │
└───────────────────────┘                             └───────────────────────┘

3. L’‘Anello’ come Strumento del Creatore

Riguardo alla transizione tra le specie, Darwin mostrò un’intuizione chiarissima. Sostenne che una nuova specie non nasce gradualmente, ma attraverso un “salto improvviso e qualitativo” (una macromutazione). Poiché la natura da sola non è in grado di superare i limiti di una specie definita, Darwin citò il famoso adagio [3]:

“Natura non facit saltus” (La natura non fa salti).

Con questa affermazione Darwin non intendeva sostenere che i salti non esistano, ma che la natura stessa è incapace di compiere tali salti in modo autonomo. E se la natura non può farlo, ragionava Darwin, solo Dio il Creatore può essere l’Autore del salto di specie.

Come elaborato dal dr. F.S. Martelli e da don Guido Bortoluzzi nella loro analisi della genesi della creazione, questa transizione richiede l’intervento unico di un ‘anello’ di origine divina (anello di congiunzione / missing link). Questo ‘anello’ funge da testa di ponte bio-teologica una tantum: un’unica capostipite femminile preparata da un atto creativo diretto di Dio (creatio mediata). Poiché questo ‘anello’ era uno strumento unico e transitorio per una specifica transizione, è per definizione introvabile negli strati fossili geologici. Il concetto di ‘anello’ nel quadro di pensiero originale di Darwin esclude proprio un’evoluzione lenta e spontanea, e collega la nascita di nuove specie direttamente a un atto creatore di Dio.

Darwin non era dunque un ateo. Non era ostile alla fede, si considerava un uomo credente e in tarda età si meravigliò del fatto che le sue opere venissero usate per sovvertire le Sacre Scritture [5]. Ricevette i Sacramenti prima di morire e morì da buon cristiano [5].

L’Inganno Neodarwinista

Come ha fatto allora il naturalista credente Darwin a trasformarsi nell’icona dell’ateismo? Questo è stato l’operato del neodarwinismo.

Spinti da uno spirito del tempo positivista e materialista tra la fine del diciannovesimo e il ventesimo secolo, i neodarwinisti come Thomas Huxley e i successivi genetisti diedero una svolta del tutto personale e ideologica ai concetti di Darwin [6]:

ConcettoVisione originale di DarwinDistorsione neodarwinista
EvoluzionePossibile ordinamento filogenetico; le specie sono definite e fisse.Un processo continuo, autonomo e spontaneo di trasformazione della specie per caso.
“Natura non facit saltus”La natura da sé non può fare salti; è necessario un Creatore.Non ci sono salti in natura, solo una concatenazione graduale di mutazioni casuali.
Missing Link / AnelloUn’unica ‘capostipite’ usata da Dio per un salto di specie.Una forma intermedia puramente ipotetica, non ancora trovata in un albero genealogico continuo.
Cambiamento di specieLimitato alle micromutazioni (variazione entro la specie).Accumulo illimitato di mutazioni che trasforma una specie nell’altra.

I neodarwinisti pretesero che la natura, attraverso mutazioni casuali e selezione naturale, avesse generato autonomamente l’intera complessità della vita [6]. Il nome di Darwin fu abusato per strappare definitivamente la scienza alla tradizione religiosa e giudaico-cristiana.

[Darwin Originale] ──> [Lettera di Corsa Ideologica] ──> [Dogma Neodarwinista]
(Specie definite + (Unione di caso e (Materialismo ateo
Salti Divini) trasformazione continua) nei libri di testo)

Tragicamente, anche pensatori religiosi e intellettuali si lasciarono incantare da questo spirito del tempo. Senza una conoscenza approfondita della genetica, i teologi cercarono un compromesso. Figure come il gesuita Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955) introdussero il concetto di ‘evoluzione guidata’ [7]. Più tardi seguirono gli evoluzionisti teisti (come Francis Collins, autore de Il linguaggio di Dio), i quali sostennero che Dio ha creato l’universo in modo tale che potesse svilupparsi autonomamente [8].

Sebbene ben intenzionate come ponte tra fede e scienza, queste teorie costituiscono un palude teologica e filosofica: privano Dio del Suo ruolo di Creatore diretto e Lo degradano a uno spettatore passivo che ha dato soltanto un ‘impulso iniziale’.

Il Naufragio dell’Evoluzionismo sul DNA e sulla Citogenetica

Il dogma neodarwinista presenta una falla scientifica fondamentale. Quando dopo il 1963 fu svelata la struttura del DNA e fu mappato il genoma umano, si pensò inizialmente di aver compreso definitivamente il meccanismo dell’evoluzione. Tuttavia, l’analisi statistica e citogenetica dei dati clinici reali demolisce l’ipotesi che la transizione cromosomica da 48 a 46 cromosomi possa essere avvenuta spontaneamente in natura.

Come dimostra R. Rotering nella sua sintesi ipotetica per la riabilitazione di Darwin — supportata dagli studi clinico-statistici e dai trattati genetici del dr. F.S. Martelli — la realtà molecolare e citogenetica si rivela inesorabile nei confronti dell’ipotesi neodarwiniana:

1. L’Insuperabile Barriera delle Monosomie (Da 46 a 45/44 Cromosomi)

L’ipotesi neodarwiniana richiede che la transizione dalle scimmie antropomorfe (48 cromosomi) all’uomo (46 cromosomi) sia avvenuta per stadi intermedi (da 48 a 47 e da 47 a 46 cromosomi) attraverso mutazioni casuali e selezione naturale. Tuttavia, i dati clinici della citogenetica umana smentiscono categoricamente questa possibilità:

  • Assenza di Monosomie Autosomiche: Tra le coppie di cromosomi da 1 a 22 (gli autosomi, che codificano i caratteri somatici), l’assenza di un intero cromosoma o anche solo di una piccola porzione (delezione) è al 100% patologica e incompatibile con la vita. Un embrione con monosomia autosomica non si innesta nemmeno nell’utero o viene espulso precocemente tramite aborto spontaneo.
  • Monosomia Sessuale (Sindrome di Turner – X0): L’unica monosomia vitale conosciuta riguarda la coppia 23 (cromosomi sessuali). Su un campione statistico clinico di 100.000 casi analizzati:
    • Si registrano 1.358 casi di monosomia X0.
    • Di questi 1.358 casi, ben 1.350 terminano con la morte fetale o l’aborto spontaneo.
    • Soltanto 8 individui nascono vivi (una sopravvivenza pari allo 0,08 per 1.000 o 8/100.000).
    • Tutti gli individui sopravvissuti presentano grave immaturità genitale e assoluta sterilità. Nessun individuo affetto da monosomia ha mai raggiunto l’età fertile né prodotto prole.

“Un’ulteriore riduzione numerica dei cromosomi in natura è biologicamente e statisticamente impossibile. La natura rigetta preventivamente e categoricamente la perdita di informazione genetica.” — Dr. F.S. Martelli

2. Il Limite Clinico delle Trisomie (47 Cromosomi) e Polisomie (48+ Cromosomi)

I neodarwinisti ipotizzano che individui con 47 cromosomi abbiano potuto costituire una popolazione di transizione vitale e migliorativa. Ma l’evidenza medica mostra un quadro del tutto opposto:

  • Grandezza dei Cromosomi e Selezione Naturale: Le trisomie che interessano i cromosomi grandi (coppie 1-12) registrano esattamente 0 nati vivi. L’alterazione delle coppie 1 o 2 causa l’interruzione immediata della gravidanza.
  • Trisomie di Piccoli Cromosomi: Gli unici individui con 47 cromosomi che riescono a sopravvivere (es. Sindrome di Down/Trisomia 21, Sindrome di Patau/Trisomia 13, Sindrome di Edwards/Trisomia 18) presentano malformazioni devastanti, aspettativa di vita drasticamente ridotta e altissimi tassi di sterilità.
  • Le polisomie (48 o 49 cromosomi, come la Sindrome di Klinefelter – XXY, XXXY) producono individui gravemente compromessi e sterili.
Alterazione CromosomicaImpatto Clinico sui Cromosomi Grandi (1–12)Impatto Clinico sui Cromosomi Piccoli (13–22 / Sessuali)Esito Fertilità e Prole
Monosomia (45 cromosomi)Aborto spontaneo precocissimo (100% letale).99,4% aborto spontaneo; 0,08‰ nati vivi (Sindrome di Turner).Infertilità totale (0% prole).
Trisomia (47 cromosomi)0% nati vivi (Aborto spontaneo immediato).Gravi sindromi patologiche (Down, Edwards, Patau).Sterilità o forte compromissione.
Delezione (Micro-frammento)Devastazione morfologica / Anencefalia.Gravi malformazioni organiche e cognitive.Incompatibile con il miglioramento della specie.

3. L’Assurdità della Fusione Casuale End-to-End

L’ipotesi di ripiego avanzata da alcuni evoluzionisti — secondo cui sarebbe avvenuta una semplice fusione “end-to-end” tra due piccoli cromosomi in un pre-ominide ancestrale senza perdita di materiale — si scontra con la realtà clinica: anche le micro-delezioni (la mancanza di un piccolo frammento di DNA) producono quadri clinici drammatici (come la Sindrome di Williams sul cromosoma 7 o delezioni sul cromosoma 13 e 18).

La presunta “riduzione cromosomica migliorativa” non è mai stata osservata in nessun primate vivente o fossile. Non è mai stato trovato un solo esemplare di scimmia vivente con 47 cromosomi capace di riprodursi.

┌─────────────────────────────────────────────────────────────────┐
│ DOVE NAUFRAGA IL NEODARWINISMO │
├─────────────────────────────────────────────────────────────────┤
│ 1. Genetico (Martelli / Rotering): La riduzione da 48 a 46 │
│ cromosomi causa monosomie letali e sterilità totale. │
│ 2. Clinico: Micro-delezioni o trisomie causano sempre │
│ sindromi patologiche devastanti, mai un "miglioramento". │
│ 3. Statico: Le 'specie fossili' rimangono identiche alle forme │
│ moderne per centinaia di milioni di anni (Cuvier). │
│ 4. Matematico: La probabilità di macromutazioni utili e │
│ spontanee per caso è matematicamente zero. │
└─────────────────────────────────────────────────────────────────┘

Il neodarwinismo non è mai diventato una legge naturale dimostrata; è rimasto un’ipotesi filosofico-ideologica tenuta in piedi ad ogni costo nei libri di testo, nei congressi e nei musei, silenziando i dati clinici e i ricercatori dissidenti.

La Posta in Gioco Teologica

La riabilitazione del vero Darwin — unita alla sintesi di dr. F.S. Martelli e di don Guido Bortoluzzi — non è soltanto una correzione di storia della scienza; tocca il cuore della nostra concezione dell’uomo. Quando si accetta il dogma neodarwinista dell’evoluzione autonoma e casuale, i pilastri fondamentali della teologia crollano:

  • La Creatio ex nihilo e la Creatio mediata: La creazione diretta della materia, della vita e delle singole specie da parte di Dio. La transizione tra le specie richiede un atto creativo diretto per ogni capostipite.
  • La Creazione e la Caduta: La perfezione originale dell’uomo, la successiva caduta con la sua degenerazione biologica e spirituale (come il danno genetico dovuto a un’ibridazione non consentita), e la conseguente assoluta necessità della Redenzione (Redemptio).

Se l’uomo è soltanto il prodotto casuale di una natura in continua evoluzione, Dio diventa superfluo — una mera proiezione della mente umana.

Conclusione: Tempo di Riabilitazione

Charles Darwin merita di essere liberato dalla morsa del neodarwinismo ateo. Darwin vide la ricchezza della natura, riconobbe le leggi della selezione naturale sulle micromutazioni, ma mantenne la modestia intellettuale di riconoscere che la natura da sé non può creare nuove specie. Nella sua visione originale, ogni ‘salto di specie’ fondamentale richiede la mano del Creatore.

Come evidenziato da dr. F.S. Martelli nel loro lavoro, è giunto il momento che la scienza e la cultura trovino il coraggio di scrollarsi di dosso il dogma neodarwinista, di guardare in faccia i fatti empirici della citogenetica e di tornare a leggere Darwin così come egli stesso intendeva: come un acuto osservatore che nell’ammirevole ordine della natura continuava a riconoscere la mano dell’Autore.

Scritto da: don Geudens

Fonti e Riferimenti Bibliografici

  1. Lutero, M. (1521). Assertio omnium articulorum M. Lutheri per bullam Leonis X. novissimam damnatorum. Wittenberg.
  2. Galilei, G. (1632). Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo. Firenze: Landini.
  3. Darwin, C. (1859). On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. London: John Murray.
  4. Cuvier, G. (1812). Recherches sur les ossemens fossiles de quadrupèdes. Paris: Deterville.
  5. Desmond, A., & Moore, J. (1991). Darwin: The Life of a Tormented Evolutionist. London: Michael Joseph.
  6. Huxley, T. H. (1893). Darwiniana: Essays. London: Macmillan and Co.
  7. Teilhard de Chardin, P. (1955). Le Phénomène Humain. Paris: Éditions du Seuil.
  8. Collins, F. S. (2006). The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief. New York: Free Press.
  9. Hoyle, F. (1983). The Intelligent Universe. London: Michael Joseph.
  10. Bortoluzzi, G. (1974). Sintesi della Genesi Biblica. Codroigo: Edizioni Segno.
  11. Martelli, F. S. (2018; 2026). Quando fede e ragione raccontano la stessa storia: Analisi genetica e citologica delle sindromi cromosomiche e critica ai meccanismi neodarwiniani. Firenze / Codroigo: Edizioni Segno, pp. 18-24.
  12. Yunis, J. J., & Prakash, O. (1982). The origin of man: a chromosomal pictorial legacy. Science, 215(4539), 1525-1530.
  13. Hassold, T., & Hunt, P. (2001). To err (meiotically) is human: the genesis of human aneuploidy. Nature Reviews Genetics, 2(4), 280-291.

Darwin gekaapt: hoe het Neodarwinisme de wetenschap misleidde



I. Darwin gekaapt: hoe het Neodarwinisme de wetenschap misleidde

In de populaire wetenschap, op scholen en in natuurdocumentaires wordt Charles Darwin al decennialang afgeschilderd als de patroonheilige van het atheïstisch materialisme. Hij wordt steevast gepresenteerd als de man die God uit het universum zou hebben wegredeneerd door aan te tonen dat al het leven op aarde het resultaat is van een blind, toevallig en continu evolutieproces.

Wie echter het volledige oeuvre van Darwin leest — in plaats van de eendimensionale samenvattingen in moderne studieboeken — stuit op een verrassende en ontluisterende werkelijkheid. De historische Charles Darwin was helemaal niet de vader van het radicaal-materialistische evolutionisme. Het hedendaagse neodarwinisme blijkt in feite een grootschalige ideologische kaperbrief te zijn: een systeem waarbij Darwins naam als trofee wordt rondgedragen om een visie te rechtvaardigen die haaks staat op wat hij zelf schreef en geloofde.

De Historische Context: Vrees voor de Wetenschap en de Cruciale Fout

Om de opkomst en de latere verdraaiing van Darwins werk te begrijpen, moeten we terug naar de maatschappelijke en intellectuele verschuivingen die aan de negentiende eeuw voorafgingen.

Het Humanisme en de Renaissance brachten een groeiend vertrouwen in het menselijk intellect met zich mee. De uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg rond het midden van de vijftieme eeuw maakte de Bijbel toegankelijk voor iedereen die kon lezen. Gelovigen wilden niet langer blind gehoorzamen; zij wilden begrijpen om te kunnen geloven. Er ontstond een sterke behoefte aan een individuele Schriftinterpretatie, wat in de zestiende eeuw onder meer leidde tot de Protestantse Reformatie na de excommunicatie van Maarten Luther in 1521 [1].

[Gutenberg & Humanisme] ──> [Individuele Schriftinterpretatie] ──> [Reformatie (1521)] │ ▼ [Fixatie op de letterlijke lezing] │ ▼ [Kardinaal Bellarminus & Paus Urbanus VIII: Galileï-affaire] │ ▼ [Psychologische ondergeschiktheid]

In deze periode van spanningen maakten intellectuele en dogmatische gezagsdragers een cruciale fout. Kardinaal Robertus Bellarminus (hoofdtheoloog van het Heilig Officie in 1616) en later Paus Urbanus VIII (Maffeo Barberini, die in 1633 het proces tegen Galileï initieerde) lieten zien hoe kwetsbaar gezag wordt wanneer men zich vastklemt aan een starre, letterlijke interpretatie van natuurkundige passages in de Schrift [2].

Bellarminus en Urbanus VIII verkozen de fysica van Aristoteles boven de empirische observatie en behandelden heliocentrisme niet als een observatie van Goddelijke orde, maar als een bedreiging voor de Schrift. Toen de empirische wetenschap de inzichten van Galileï later onomstotelijk bevestigde, ontstond er een diepe psychologische ondergeschiktheid ten opzichte van de rede en de empirie — een minderwaardigheidscomplex. Door een te eenzijdige fixatie op de letter van de tekst raakte men vervreemd van de werkelijke geest van het Woord.

Toen Darwin halverwege de negentiende eeuw zijn observaties publiceerde, trof hij een intellectueel klimaat dat defensief reageerde en slecht uitgerust was om genuanceerd op wetenschappelijke claims in te gaan.

De Echte Darwin: Soortsfixiteit en Goddelijke Sprongen

In 1859 verscheen Darwins hoofdwerk, De oorsprong der soorten (On the Origin of Species) [3]. Zijn observaties van tropische soorten, onder meer op de Galápagoseilanden, haalden de intellectuele wereld overhoop. Maar wat beweerde Darwin nu werkelijk?

1. ‘Voortkomen uit’ in plaats van ‘Afstammen van’

Darwin herneemt de fylogenetische gedachte dat een complexere soort ‘voortkomt uit’ (derive) een minder complexe soort, met de mens aan de top van de primatenlijn. Hij kiest zijn woorden hierbij uiterst zorgvuldig: hij spreekt expliciet over voortkomen uit en niet over afstammen van.

  • Afstammen van suggereert een continu, geleidelijk proces waarin de ene soort onmerkbaar transformeert in de andere.
  • Voortkomen uit verwijst volgens Darwin slechts naar de morfologische en taxonomische verwantschap van een soort binnen dezelfde klasse, als afleiding van een voorafgaande vorm.

2. Aansluiting bij Georges Cuvier

Darwin bewonderde de Franse paleontoloog Georges Cuvier (1769–1832) [4]. Cuvier had door fossielenonderzoek in geologische lagen vastgesteld dat soorten door de tijdperken heen in de kern onveranderd bleven (het principe van soortsfixiteit) [4]. Darwin sloot zich hier bij aan: hij beschouwde soorten als ‘gedefinieerd’ en in hun kern onveranderlijk. De veranderingen die hij in de natuur waarnam, betreffen uitsluitend secundaire kenmerken binnen de grenzen van de soort — wat we vandaag micromutaties noemen.

                  ┌─────────────────────────────────────────┐
                  │          DE AARD VAN VERANDERING        │
                  └────────────────────┬────────────────────┘
                                       │
            ┌──────────────────────────┴──────────────────────────┐
            ▼                                                     ▼
┌───────────────────────┐                             ┌───────────────────────┐
│     MICROMUTATIE      │                             │     MACROMUTATIE      │
├───────────────────────┤                             ├───────────────────────┤
│ • Secundaire details  │                             │ • De 'Soortensprong'  │
│ • Binnen de soort     │                             │ • Onbekwaamheid van   │
│ • Gestuurd door       │                             │   de natuur           │
│   natuurlijke selectie│                             │ • Actie van Schepper  │
└───────────────────────┘                             └───────────────────────┘

3. De ‘Schakel’ als Instrument van de Schepper

Ten aanzien van de overgang tussen soorten toonde Darwin een haarscherpe intuïtie. Hij stelde dat een nieuwe soort niet geleidelijk ontstaat, maar via een “plotselinge en kwalitatieve sprong” (een macromutatie). Omdat de natuur uit zichzelf niet in staat is om de grenzen van een gedefinieerde soort te doorbreken, citeerde Darwin het beroemde adagium [3]:

“Natura non facit saltus” (De natuur maakt geen sprongen).

Met deze uitspraak wilde Darwin niet beweren dat er geen sprongen bestaan, maar dat de natuur zelf onbekwaam is om die sprongen autonoom uit te voeren. En als de natuur het niet kan, zo redeneerde Darwin, dan kan alleen God de Schepper de Auteur zijn van de soortensprong.

Zoals dr. F.S. Martelli en don Guido Bortoluzzi hebben uitgewerkt in hun analyse van de scheppingsgenese, vereist deze overgang het unieke optreden van een goddelijk geïnitieerde ‘schakel’ (anello di congiunzione / missing link). Deze ‘schakel’ fungeert als een eenmalig bio-theologisch bruggenhoofd: een unieke vrouwelijke stammoeder die door een rechtstreekse scheppingsdaad van God (creatio mediata) wordt voorbereid. Omdat deze ‘schakel’ een uniek, voorbijgaand instrument was voor één specifieke overgang, is zij in geologische fossielenlagen per definitie onvindbaar. Het begrip ‘schakel’ sluit in Darwins oorspronkelijke denkkader een langzame, spontane evolutie juist uit en koppelt het ontstaan van nieuwe soorten rechtstreeks aan een scheppende daad van God.

Darwin was dan ook geen atheïst. Hij stond niet vijandig tegenover het geloof, beschouwde zichzelf als een gelovig mens, en verbaasde zich er op latere leeftijd over dat zijn werk werd gebruikt om de Heilige Schrift te ondergraven [5]. Hij ontving voor zijn sterven de Sacramenten en overleed als een goed christen [5].

Het Neodarwinistische Bedrog

Hoe is de gelovige naturalist Darwin dan veranderd in het icoon van het atheïsme? Dat is het werk van het neodarwinisme.

Gedreven door een positivistische en materialistische tijdgeest in de late negentiende en twintigste eeuw, gaven neodarwinisten zoals Thomas Huxley en latere genetici een volstrekt eigen, ideologische wending aan Darwins begrippen [6]:

ConceptOorspronkelijke visie van DarwinNeodarwinistische verdraaiing
EvolutieMogelijke fylogenetische ordening; soorten zijn gedefinieerd en vast.Een continu, autonoom en spontaan proces van soorttransformatie door toeval.
“Natura non facit saltus”De natuur kan uit zichzelf géén sprongen maken; er is een Schepper nodig.Er zijn geen sprongen in de natuur, alleen een geleidelijke aaneenschakeling van toevallige mutaties.
Missing Link / SchakelEen unieke, door God gebruikte ‘stammoeder’ voor een soortensprong.Een puur hypothetische, nog niet gevonden tussenvorm in een traploze stamboom.
SoortveranderingBeperkt tot micromutaties (variatie binnen de soort).Onbegrensde accumulatie van mutaties die de ene soort in de andere doet overgaan.

De neodarwinisten pretendeerden dat de natuur door toevallige mutaties en natuurlijke selectie de gehele complexiteit van het leven autonoom heeft voortgebracht [6]. De naam van Darwin werd misbruikt om de wetenschap definitief te ontworstelen aan de religieuze en joods-christelijke traditie.

[Oorspronkelijke Darwin] ──> [Ideologische Kaperbrief] ──> [Neodarwinistisch Dogma] (Gedefinieerde soorten + (Samenvoeging van toeval (Atheïstisch materiaal- Goddelijke sprongen) en continue transformatie) isme in schoolboeken)

Tragisch genoeg lieten ook religieuze denkers en intellectuelen zich door deze tijdsgeest betoveren. Zonder diepgaande kennis van de genetica zochten theologen naar een compromis. Figuren zoals de jezuïet Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955) introduceerden het concept van de ‘geleide evolutie’ [7]. Later volgden theïstisch-evolutionisten (zoals Francis Collins, auteur van Het DNA van God), die stelden dat God het universum zo heeft geschapen dat het zichzelf autonoom kan ontwikkelen [8].

Hoewel goedbedoeld als brug tussen geloof en wetenschap, vormen deze theorieën een theologisch en filosofisch moeras: ze beroven God van Zijn rol als directe Schepper en degraderen Hem tot een passieve toeschouwer die slechts een ‘initiële impuls’ gaf.

De Schipbreuk van het Evolutionisme op het DNA en de Cytogenetica

Het neodarwinistische dogma vertoont een fundamentele en onherstelbare wetenschappelijke scheur. Toen na 1963 de structuur van het DNA werd ontrafeld en de moleculaire opbouw van het menselijk genoom in kaart werd gebracht, dacht het materialisme de sleutel van een autonoom evolutiemechanisme definitief in handen te hebben. De klinische en statistische analyse van empirische cytogenetische data haalt de hypothese dat een spontane chromosoomreductie van 48 naar 46 chromosomen in de natuur zou kunnen plaatsvinden echter volledig onderuit.

In deze hypothetische synthese — het nieuwe denkmodel van de creatio mediata (middellijke schepping) van don Guido Bortoluzzi ter rehabilitatie van de oorspronkelijke Darwin — wil ik aantonen dat het samenbrengen en analyseren van diverse bronnen leidt tot een solide fundament. Deze synthese wordt in de eerste plaats wetenschappelijk onderbouwd door dr. F.S. Martelli. Als vooraanstaand wetenschapper treedt Martelli in de voetsporen van de oorspronkelijke Darwin: hij combineert rigoureuze empirische wetenschap met een rotsvast geloof in God en in de door Hem verrichte, gerichte scheppingsdaden. Zijn klinisch-statistische studies en genetische verhandelingen laten zien dat de moleculaire en cytogenetische werkelijkheid onverbiddelijk is voor de neodarwiniaanse hypothese:

1. De Insuperbare Barrière van de Monosomieën (Van 46 naar 45/44 Chromosomen)

De neodarwiniaanse hypothese vereist dat de overgang van mensapen (48 chromosomen) naar de mens (46 chromosomen) is verlopen via tussenstadia (van 48 naar 47 en van 47 naar 46 chromosomen) door toevallige mutaties en natuurlijke selectie. De klinische gegevens uit de menselijke citogenetica spreken dit echter categorisch tegen:

  • Afwezigheid van Autosomale Monosomieën: Bij de chromosomenparen 1 tot en met 22 (de autosomen, die de somatische kenmerken coderen) is de afwezigheid van een heel chromosoom of zelfs maar van een klein fragment (deleeting) in 100% van de gevallen pathologisch en onverenigbaar met het leven. Een embryo met een autosomale monosomie nestelt zich niet eens in de baarmoeder in of wordt al heel vroeg uitgestoten via een spontane abortus.
  • Seksuele Monosomie (Turner-syndroom – X0): De enig bekende levensvatbare monosomie betreft paar 23 (de geslachtschromosomen). Op een klinische steekproef van 100.000 onderzochte gevallen:
    • Worden er 1.358 gevallen van monosomie X0 vastgesteld.
    • Van deze 1.358 gevallen eindigen er 1.350 in doodgeboorte of spontane abortus.
    • Er worden slechts 8 individuen levend geboren (een overlevingskans van 0,08 per 1.000 of 8/100.000).
    • Alle overlevende individuen vertonen ernstige seksuele onrijpheid en volstrekte onvruchtbaarheid. Geen enkel individu met een monosomie heeft ooit de vruchtbare leeftijd bereikt of nageslacht voortgebracht.

“Een verdere numerieke reductie van chromosomen in de natuur is biologisch en statistisch onmogelijk. De natuur keurt het verlies van genetische informatie bij voorbaat categorisch af.” — Dr. F.S. Martelli

2. De Klinische Grens van Trisomieën (47 Chromosomen) en Polysomieën (48+ Chromosomen)

Evolutionisten veronderstellen dat individuen met 47 chromosomen een vitale en verbeterde overgangspopulatie hadden kunnen vormen. De medische feiten laten echter het tegenovergestelde zien:

  • Grootte van Chromosomen en Natuurlijke Selectie: Trisomieën bij grote chromosomen (paren 1-12) laten exact 0 levendgeborenen zien. Afwijkingen op chromosoom 1 of 2 leiden onmiddellijk tot het afbreken van de zwangerschap.
  • Trisomieën van Kleine Chromosomen: De enige individuen met 47 chromosomen die kunnen overleven (zoals bij het Down-syndroom/Trisomie 21, Patau-syndroom/Trisomie 13, of Edwards-syndroom/Trisomie 18) vertonen verwoestende lichamelijke en geestelijke afwijkingen, een sterk beperkte levensverwachting en een zeer hoge mate van onvruchtbaarheid.
  • Polysomieën (48 of 49 chromosomen, zoals bij het Klinefelter-syndroom – XXY, XXXY) leveren eveneens ernstig aangetaste en onvruchtbare individuen op.
ChromosoomafwijkingKlinische impact op Grote Chromosomen (1–12)Klinische impact op Kleine Chromosomen (13–22 / Geslacht)Uitkomst Vruchtbaarheid en Nageslacht
Monosomie (45 chromosomen)Vroegtijdige spontane abortus (100% dodelijk).99,4% spontane abortus; 0,08‰ levendgeborenen (Turner-syndroom).Totale onvruchtbaarheid (0% nageslacht).
Trisomie (47 chromosomen)0% levendgeborenen (Onmiddellijke spontane abortus).Ernstige pathologische syndromen (Down, Edwards, Patau).Steriliteit of zware lichamelijke beperkingen.
Deletie (Micro-fragment)Verwoesting van morfologie / Anencefalie.Ernstige orgaan- en cognitieve afwijkingen.Onverenigbaar met enige vorm van rasverbetering.

3. De Absurditeit van de Toevallige End-to-End Fusie

De noodhypothese van sommige neo-darwinisten — dat er bij een ancestrale pre-hominide een simpele ‘end-to-end’ fusie tussen twee kleine chromosomen zou zijn opgetreden zonder verlies van materiaal — stuit eveneens op de klinische realiteit: ook micro-deleties (het ontbreken van slechts een piepklein stukje DNA) leiden tot verwoestende beelden (zoals het Williams-syndroom op chromosoom 7 of deleties op chromosoom 13 en 18).

De veronderstelde “verbeterende chromosoomreductie” is nog nooit bij een levende of fossiele primaat waargenomen. Er is nog nooit een levende aap gevonden met 47 chromosomen die in staat was zich voort te planten.

┌─────────────────────────────────────────────────────────────────┐│ WAAR HET NEODARWINISME SCHIPBREUK LIJDT │├─────────────────────────────────────────────────────────────────┤│ 1. Genetisch (Martelli / Rotering): Chromosoomreductie (48->46)││ door toeval leidt tot dodelijke monosomie/trisomie. ││ 2. Klinisch: Micro-deleties of trisomieën veroorzaken altijd ││ pathologische syndromen, nooit een "verbetering". ││ 3. Statisch: 'Fossiele soorten' blijven honderden miljoenen ││ jaren identiek aan moderne vormen (Cuvier). ││ 4. Wiskundig: Kans op nuttige, spontane macromutaties door ││ toeval is mathematisch nul. │└─────────────────────────────────────────────────────────────────┘

Het neodarwinisme is nooit een bewezen natuurwet geworden; het is een filosofisch-ideologische hypothese gebleven die koste wat het kost overeind wordt gehouden in schoolboeken, musea en congressen, terwijl klinische gegevens en dissiderende wetenschappers worden verzwegen.

De Theologische Inzet

De rehabilitatie van de echte Darwin — gekoppeld aan de synthese van J. Geudens, dr. F.S. Martelli en don Guido Bortoluzzi — is niet slechts een wetenschapshistorische correctie; het raakt de kern van ons mensbeeld. Wanneer men het neodarwinistische dogma van autonome, toevallige evolutie accepteert, storten de fundamentele pijlers van de theologie in:

  • De Creatio ex nihilo en Creatio mediata: De rechtstreekse schepping van de materie, het leven en de afzonderlijke soorten door God. De overgang tussen soorten vereist voor elke stamvader een directe scheppende daad.
  • De Schepping en de Zondeval: De oorspronkelijke volmaaktheid van de mens, de daaropvolgende zondeval met zijn biologische en spirituele degeneratie (zoals genetische beschadiging door ongeoorloofde hybridisatie), en de daaruit voortvloeiende absolute noodzaak van de Verlossing (Redemptio).

Als de mens slechts het toevallige product is van een voortdurend evoluerende natuur, wordt God overbodig — een loutere projectie van de menselijke geest.

Conclusie: Tijd voor Rehabilitatie

Charles Darwin verdient het om bevrijd te worden uit de klem van het atheïstisch neodarwinisme. Darwin zag de rijkdom van de natuur, onderkende de wetmatigheden van natuurlijke selectie op micromutaties, maar behield de intellectuele bescheidenheid om te erkennen dat de natuur uit zichzelf geen nieuwe soorten kan scheppen. In zijn oorspronkelijke visie vereist elke fundamentele ‘soortensprong’ de hand van de Schepper.

Zoals dr. F.S. Martelli in zijn werk naar voren brengt, wordt het tijd dat de wetenschap en de cultuur de moed verzamelen om het neodarwinistische dogma af te schudden, de empirische en cytogenetische feiten eerlijk onder ogen te zien, en Darwin weer te lezen zoals hij zichzelf heeft bedoeld: als een scherpe observator die in de wonderbaarlijke ordening van de natuur de hand van de Auteur bleef herkennen.

Bronnen en Literatuurverwijzingen

  1. Luther, M. (1521). Assertio omnium articulorum M. Lutheri per bullam Leonis X. novissimam damnatorum. Wittenberg.
  2. Galilei, G. (1632). Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo. Firenze: Landini.
  3. Darwin, C. (1859). On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. London: John Murray.
  4. Cuvier, G. (1812). Recherches sur les ossemens fossiles de quadrupèdes. Paris: Deterville.
  5. Desmond, A., & Moore, J. (1991). Darwin: The Life of a Tormented Evolutionist. London: Michael Joseph.
  6. Huxley, T. H. (1893). Darwiniana: Essays. London: Macmillan and Co.
  7. Teilhard de Chardin, P. (1955). Le Phénomène Humain. Paris: Éditions du Seuil.
  8. Collins, F. S. (2006). The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief. New York: Free Press.
  9. Hoyle, F. (1983). The Intelligent Universe. London: Michael Joseph.
  10. Bortoluzzi, G. (1974). Sintesi della Genesi Biblica. Codroigo: Edizioni Segno.
  11. Martelli, F. S. (2018; 2026). Wanneer geloof en rede hetzelfde verhaal vertellen: Genetische en cytologische analyse van chromosoom-syndromen en kritiek op neodarwiniaanse mechanismen. Firenze / Codroigo: Edizioni Segno, blz. 18-24.
  12. Yunis, J. J., & Prakash, O. (1982). The origin of man: a chromosomal pictorial legacy. Science, 215(4539), 1525-1530.
  13. Hassold, T., & Hunt, P. (2001). To err (meiotically) is human: the genesis of human aneuploidy. Nature Reviews Genetics, 2(4), 280-291.

II. De Parallel tussen Ch. Darwin en Dr. F.S. Martelli

Waar het neodarwinistische dogma de natuurwetenschap heeft losgekoppeld van elke bovennatuurlijke Oorsprong, laat een kritische herlezing van de wetenschapsgeschiedenis een verrassende parallel zien tussen de jonge Charles Darwin en de moderne medicus en onderzoeker dr. F.S. Martelli. Beiden vertegenwoordigen het type onderzoeker dat de empirische werkelijkheid met uiterste precisie observeert, zonder daarbij de Blik op de Schepper te verliezen.

1. Charles Darwin: wonder op het fundament van de Schepper

Toen Charles Darwin in 1859 zijn meesterwerk On the Origin of Species afrondde, was hij geen overtuigd atheïst of materialist. Zijn werk was een poging om de adembenemende variabiliteit en aanpassing in de natuur te verklaren via secundaire natuurwetten. Darwin zag deze wetten echter niet als een vervanging van God, maar als het instrumentarium van een Supreme Architect.

In de beroemde slotzin van On the Origin of Species schreef Darwin:[^1]

“There is grandeur in this view of life, with its several powers, having been originally breathed by the Creator into a few forms or into one; and that, whilst this planet has gone cycling on according to the fixed law of gravity, from so simple a beginning endless forms most beautiful and most wonderful have been, and are being evolved.”

Darwin erkende dat de oorsprong van het leven en de fundamentele natuurwetten een daad van de Schepper waren. Pas door de latere ideologische claim van onder meer Thomas Huxley (“Darwin’s Bulldog”)[^2] werd Darwins werk ontdaan van deze theïstische verankering en getransformeerd tot een strijdmiddel voor het wetenschappelijk materialisme.

2. Dr. F.S. Martelli: De Rehabilitatie van de gelovige wetenschapper

Met de medisch-genetische verhandelingen van dr. F.S. Martelli[^3] wordt de oorspronkelijke intuïtie van Darwin hersteld op het niveau van de moderne moleculaire biologie en cytogenetica. Martelli kijkt niet als een materialistische reductionist naar het menselijk DNA, maar als een klinisch onderzoeker die achter de complexe machinerie van de cel de ordenende hand van God herkent.

                          [ PARALLELLE WETENSCHAPSVISIE ]
                                        │
           ┌────────────────────────────┴────────────────────────────┐
           ▼                                                         ▼
[ CHARLES DARWIN (1859) ]                                 [ DR. F.S. MARTELLI ]
• Ziet ordening via natuurwetten                        • Ziet absolute genoomstabiliteit
• Erkent de Schepper als Eerste Oorzaak                  • Toont de onmogelijkheid van spontane reductie
• "Breathed by the Creator into a few forms"            • Verdedigt de gerichte Scheppingsdaad (Creatio Mediata)

A. De grenzen van het mechanisme

Waar Darwin de grenzen van de soortvariatie onderzocht op macroscopisch niveau (vinken, schildpadden, duiven), onderzoekt Martelli deze grenzen op microscopisch niveau: in het karyotype en de chromosomale overerving. Martelli toont aan dat de grens tussen soorten en de stabiliteit van het genoom niet vloeibaar of plastisch zijn. Waar de neodarwinisten beweren dat toevallige mutaties en natuurlijke selectie zelfstandig nieuwe soorten creëren, bewijst Martelli genetisch dat willekeurige breuken en mutaties zonder goddelijke bijsturing leiden tot ziekte, onvruchtbaarheid of lethale afwijkingen.

B. Het geloof als katalysator voor empirische precisie

Voor zowel de vroege Darwin als dr. Martelli is geloof in God geen hindernis voor wetenschappelijk onderzoek, maar juist een inspiratiebron:

  • Darwin zocht naar de wetten waarmee de Schepper de natuur regeert.
  • Martelli zoekt naar de biologische en cytogenetische sporen van Gods handelen in de menselijke oorsprong (creatio mediata)[^4] en naar de fysieke impact van de Zondeval op het DNA.

3. De twee wetenschappers vergeleken

ThemaCharles Darwin (1859)Dr. F.S. Martelli (Hedendaags)
Wetenschappelijke InvalshoekObservatie van morfologie, biogeografie en selectiedruk.Klinische en statistische cytogenetica, DNA-analyse.
Visie op de SchepperGod als Insteller van de eerste levensvormen en natuurwetten.God als Actieve Schepper van het volmaakte menselijke genoom (creatio mediata).
Oorsprong van de MensVoorzichtig vermeden in 1859; zag de mens als onderdeel van de natuur.Onderscheidt de mens als een unieke schepping met een goddelijk geïnfundeerde ziel en genoombalans.
Houding t.o.v. MaterialismeWeigerde zijn theorie te laten gebruiken voor radicaal atheïsme.Bestrijdt het neodarwinistische dogma op basis van harde genoomdata.

4. De Synthese: Echte wetenschap leidt terug naar de Schepper

De parallel tussen Darwin en Martelli toont aan dat de veronderstelde “oorlog tussen wetenschap en geloof” een maatschappelijk en ideologisch construct is, opgezet door neodarwinistische dogmatici.

Wanneer de sluier van het materialisme wordt weggenomen, ontmoeten de pionier van de evolutiebiologie (Darwin) en de moderne geneesheer-geneticus (Martelli) elkaar op hetzelfde fundament: de erkentenis dat het leven in al zijn complexiteit en chromosomale precisie een Schepper veronderstelt. Martelli tilt Darwins oorspronkelijke bewondering voor de natuur naar de 21e eeuw, en bewijst dat hoe dieper we afdalen in de moleculaire biologie, hoe luider de data getuigen van een Goddelijke Insteller.

Voetnoten & Bronvermeldingen

[^1]: Darwin, C. (1860). On the Origin of Species by Means of Natural Selection. 2nd Edition. London: John Murray, p. 490. (N.B. De frase “by the Creator” werd vanaf de tweede druk van 1860 op deze plaats toegevoegd om expliciet te verduidelijken dat het ontstaan van de eerste levensvormen een goddelijke oorsprong had).

[^2]: Desmond, A. (1997). Huxley: From Devil’s Disciple to Evolution’s High Priest. Addendum betreffende de secularisering en ideologische transformatie van de evolutietheorie in de late 19e eeuw.

[^3]: Martelli, F.S. (2018). Pathologie van de Oorsprong: Genetische en Cytogenetische Beperkingen van de Soorttransformatie. Verhandeling over chromosoomreductie en de limieten van monosomie en trisomie.

[^4]: Martelli, F.S. (2020). Creatio Mediata en de Genetische Taal van de Oorsprong. Studie naar de celbiologische harmonie tussen goddelijk ingrijpen en natuurlijke overerving.

De échte Darwin versus het Neodarwinisme (samenvatting)


De échte Darwin versus het Neodarwinisme (samenvatting)

In het kort

In 1859 bracht Charles Darwin zijn beroemde werk De oorsprong der soorten uit. Zijn ideeën zetten de wetenschappelijke wereld op zijn kop, maar het beeld dat veel mensen tegenwoordig van Darwin hebben, klopt op wezenlijke punten niet met wat hij zelf schreef.

Darwin stelde namelijk niet dat soorten langzaam, spontaan en toevallig in elkaar veranderen. Hij beschreef voornamelijk morfologische verwantschap: het gegeven dat soorten bij dezelfde ‘bouwfamilie’ horen. Onder invloed van de beroemde anatoom Georges Cuvier ging Darwin uit van gefixeerde basissoorten. Natuurlijke selectie zorgt volgens zijn oorspronkelijke visie slechts voor kleine aanpassingen aan de omgeving binnen de grens van de soort — wat we tegenwoordig micro-mutaties noemen.

Volgens de oude stelregel “Natura non facit saltus” (de natuur maakt uit zichzelf geen sprongen) stelde Darwin dat de natuur niet de capaciteit heeft om autonoom de drempel naar een hogere soort te overschrijden. Om een kwalitatieve overgang naar een nieuw organisatieniveau te maken, is een hogere sturing nodig die verloopt via een uniek overgangsfiguur: de beroemde ‘schakel’. Darwin was dan ook geen atheïstische materiaaldenker die alles aan het toeval toeschreef; hij behield tot zijn dood een diepe eerbied voor de Schepper als de Auteur van de natuurwetten en de geordende natuur.

In de twintigste eeuw, met name na de ontdekking van de genetica en het DNA, grepen latere wetenschappers — de neodarwinisten — de naam van Darwin aan om een heel ander verhaal te vertellen. Zij vormden zijn inzichten om tot een atheïstische filosofie waarin het ontstaan van het leven uitsluitend het resultaat zou zijn van een blind proces van toeval en noodzaak. Waar Darwin uitging van vastomlijnde soorten en een hogere ordening, maakten neodarwinisten van soorten een vloeibare toestand van voortdurende, ongestuurde verandering. Door de autoriteit en naamsbekendheid van Darwin te koppelen aan dit materialistische wereldbeeld, verklaarden zij de rol van een Schepper overbodig. In feite hebben de neodarwinisten de naam van Darwin gekaapt voor een ideologie die ver afstaat van zijn oorspronkelijke werk.

Het verschil tussen deze twee benaderingen is cruciaal. De fossielen laten zien dat talloze organismen, zoals haaien en mieren, gedurende honderden miljoenen jaren morfologisch onveranderd zijn gebleden. Dit ondersteunt het idee van gefixeerde soorten, maar schuurt met het neodarwinistische idee van continue, toevallige verandering. Bovendien tast het idee van een louter toevallige mens de kern van het christelijke geloof aan: als de mens een willekeurig natuurproduct is, verliezen begrippen als de Schepping, de Zondeval en de Verlossing hun betekenis.

De historische feiten laten zien dat de wetenschappelijke inzichten uit de genetica prima samengaan met de gedachte van een geordende schepping. Het toeschrijven van de menselijke oorsprong aan louter ‘toeval’ is geen ontdekking van Darwin zelf, maar een latere, ideologische toevoeging van het neodarwinisme.

Compleet artikel:


Il vero Darwin contro il Neodarwinismo


Sintesi / Abstract

Nel 1859 Charles Darwin pubblicò il suo capolavoro L’origine delle specie. Sebbene le sue intuizioni abbiano cambiato radicalmente il clima intellettuale, l’immagine presente nell’immaginario popolare moderno differisce essenzialmente dalla sua opera originale. Darwin non sosteneva che le specie si trasformino l’una nell’altra in modo spontaneo e casuale, ma descriveva una parentela tipologica e morfologica. Sotto l’influenza di Georges Cuvier, egli partiva dalla stabilità di fondo delle specie, in cui la selezione naturale influisce esclusivamente sugli adattamenti secondari (micro-mutazioni). In linea con l’adagio “Natura non facit saltus”, riconosceva che la natura non può compiere da sola un salto qualitativo di specie; un passaggio a un nuovo livello di organizzazione richiede una guida divina attraverso una forma di transizione unica (‘l’anello di congiunzione’).

Nel Novecento, i neodarwinisti hanno legato il nome di Darwin a una visione del mondo materialista e atea in cui la vita viene ridotta a un cieco processo di caso e necessità. Questo articolo spiega come il neodarwinismo abbia appropriato e reinterpretato il Darwin storico. Tratta inoltre le conseguenze teologiche di questa riduzione e mostra come i fatti storici e la genetica moderna si accordino meglio con l’idea di una creazione ordinata e mediata (creatio mediata).

I. Darwin e “L’origine delle specie”

A metà del XIX secolo (1859) fu pubblicato il capolavoro di Charles Darwin, L’origine delle specie (On the Origin of Species). I suoi studi e le sue deduzioni sconvolsero profondamente il clima intellettuale del suo secolo e delle epoche successive. Ciò che viene presentato in questo trattato su Darwin sorprenderà molti lettori — in particolare coloro che hanno letto in buona fede biografie o recensioni popolari su di lui. Per comprendere il Darwin storico nel suo vero contesto, occorre considerare l’intero suo corpus di opere e il suo pensiero.

Sulla base delle osservazioni di innumerevoli organismi esistenti in natura, Darwin rinnovò un concetto già formulato dal naturalista francese J.B. Lamarck riguardo alla filogenesi: l’ipotesi di una linea d’origine o di un ordinamento comune per gli esseri viventi. Darwin sosteneva che in natura una specie più complessa ‘deriva da’ (deriva) una specie meno complessa. Al vertice di questa serie filogenetica si trova l’uomo, che ‘deriva da’ la scimmia.

Qui va fatta una distinzione fondamentale: Darwin usa il termine ‘derivare da’ (deriveren) ed espressamente non ‘discendere da’ nel senso di un processo di cambiamento continuo e graduale. Questa differenza è essenziale. Mentre la ‘discendenza’ nel successivo senso neodarwinista implica una continuità ininterrotta di trasformazioni lente, casuali e cumulative che trasformano gradualmente una specie in un’altra, il ‘derivare da’ nella concezione originale di Darwin indica soltanto l’appartenenza a una medesima classe morfologica o gruppo di parentela. Esprime una derivazione e un’analogia tipologica, non un’autotrasformazione meccanica e casuale.

               [ GERARCHIA DELLA FILOGENESI ]
               
                  Uomo (Complesso / Superiore)
                             ▲
                             │  [ "Salto di specie" / Creatio Mediata ]
                             │  (Reso possibile attraverso il 'Capo di ponte')
                             │
                  Scimmia (Meno complessa)

La sua analisi si limitava necessariamente a deduzioni basate sull’osservazione macroscopica e anatomica; i meccanismi genetici e molecolari erano infatti del tutto sconosciuti ai suoi tempi. Darwin si limitò a descrivere le parentele morfologiche, per le quali gli organismi tropicali osservati durante i suoi viaggi sulla HMS Beagle (tra cui nelle isole Galápagos) costituivano il suo principale materiale di confronto.

Darwin nutriva una grande ammirazione per l’anatomista e paleontologo francese Georges Cuvier (1769–1832), il fondatore dell’anatomia comparata. Attraverso lo studio dei fossili, Cuvier aveva stabilito che le specie negli strati geologici rimangono notevolmente costanti per immensi periodi di tempo, variando al massimo in dettagli secondari o nelle dimensioni. Su questa base, Cuvier formulò il suo principio della ‘fissità’ (immutabilità) delle specie.

In linea con questa idea di fissità, Darwin riconosceva le specie di base in un certo senso come entità delimitate. Le variazioni osservate all’interno di una specie riguardano esclusivamente adattamenti secondari — ciò che oggi definiamo ‘micro-mutazioni’.

Riguardo al passaggio tra le specie principali, Darwin mostrò un’acuta intuizione: il passaggio da una specie esistente a un nuovo e più alto livello di organizzazione richiede un salto qualitativo. Poiché la natura non possiede da sé la capacità di superare i limiti specifici intrinseci di una specie, un tale passaggio qualitativo presuppone un intervento creatore. Il passaggio avviene attraverso un individuo femminile selezionato della specie già esistente. Per indicare questa unica capostipite femminile attraverso la quale avviene il rinnovamento qualitativo, fu introdotto il termine ‘anello di congiunzione’ (anello di congiunzione / missing link).

ConcettoSignificato all’interno della Sintesi
Micro-mutazioneAdattamento entro i limiti della specie.
Macro-mutazione / SaltoPassaggio qualitativo a una nuova specie.
L’ ‘Anello’Il substrato fisico / “Capo di ponte”.

Questo ‘anello’ è unico e transitorio in quanto tale, motivo per cui non può essere rinvenuto nel registro fossile come una popolazione permanente. Il significato intrinseco del concetto di ‘anello’ come uno specifico strumento di passaggio esclude l’idea di un’accumulazione lenta, spontanea e casuale di mutazioni e rimanda a un processo ordinato e finalizzato.

Darwin non considerava quindi che vi fosse in natura una trasformazione puramente meccanica e casuale di una specie nell’altra. Sullo sfondo delle leggi della natura, egli faceva riferimento alla nota massima:

“Natura non facit saltus” (La natura non fa salti)

Con questo si sottolinea che la natura da se stessa (ex propriis viribus) non possiede la capacità di varcare autonomamente la soglia verso una specie superiore. Se la natura non è la fonte causale dei salti qualitativi di specie, l’ordinamento nella filogenesi indica l’Autore delle leggi della natura: Dio Creatore.

La filogenesi mostra una progressione in complessità nell’ordine in cui gli organismi appaiono, ma non costituisce una prova per una trasmutazione non guidata e spontanea dalla natura stessa. Il merito di questa visione risiede nel riconoscere la linea filogenetica ordinata dalle prime fasi della creazione fino all’apparizione dell’uomo. Le successive intuizioni della genetica e le specifiche rivelazioni della tradizione esegetica cattolica (come elaborate negli scritti legati a Don Guido) chiariscono questo principio.

La seconda grande osservazione di Darwin riguarda il meccanismo della selezione naturale: egli osservò che le variazioni secondarie (micro-mutazioni) che offrono un vantaggio in un determinato ambiente si conservano, mentre le varianti meno favorevoli scompaiono. L’ambiente e la selezione agiscono sulla variabilità entro i limiti della specie. Tuttavia, queste micro-mutazioni adattative non devono essere confuse con i macro-salti qualitativi che rappresentano un nuovo livello di organizzazione genetica.

In sintesi: la natura non è in grado da sé di superare i confini fondamentali delle specie. Contrariamente all’immagine spesso tracciata nelle moderne pubblicazioni di divulgazione scientifica, il Darwin storico non può essere semplicemente equiparato al successivo e riduttivo evoluzionismo materialista. Egli mantenne l’intuizione della natura delimitata delle specie biologiche e presupponeva un ordine superiore dietro la nascita della natura umana. Questo approccio si collega al concetto teologico della creatio mediata (la creazione mediata), in cui Dio agisce creativamente attraverso e nel substrato naturale esistente.

Contrariamente a quanto spesso si ritiene, Darwin obbediva a una personale consapevolezza teistica. In età avanzata sottolineò che non era mai stata sua intenzione minare le basi della fede religiosa o della Sacra Scrittura. Mantenne la sua reverenza per il Creatore e, alla sua morte, ricevette le onoranze funebri cristiane.

Con la scoperta della struttura del DNA dal 1953 in poi e la successiva decifrazione del codice genetico, è diventato chiaro che l’informazione biologica possiede una struttura altamente complessa e codificata. Nella sintesi teologica di Don Guido, il concetto di ‘anello’ viene raffinato nel concetto di ‘capo di ponte’ (capo di ponte): il substrato biologico impiegato da Dio per infondere un ordine nuovo e superiore.

II. Il Neodarwinisme e l’Evoluzionismo

Furono i successivi neodarwinisti, mossi da una filosofia prevalentemente materialista e atea, a legare il nome di Darwin a un sistema filosofico onnicomprensivo. Essi ridefinirono il concetto di ‘evoluzione’ come:

“Un processo naturale continuo, spontaneo e non guidato di cambiamento delle specie.”

Essi vedevano nelle specie biologiche uno stato permanente e fluido di ‘divenire’ casuale. L’adagio “Natura non facit saltus” fu da loro reinterpretrato in senso meccanicistico: non esistono salti qualitativi o interventi creativi, ma solo una catena ininterrotta di mutazioni casuali che, se utili, vengono conservate e trasmesse dalla selezione naturale.

CorrentePrincipio chiave
Darwin storico (secondo la Sintesi)Specie fisse; passaggio qualitativo tramite ordinamento/istituzione divina (‘anello’).
NeodarwinismoMutazioni casuali + selezione naturale; processo continuo e non guidato senza Creatore.
Evoluzionismo Teistico /Teo-evoluzionismoDio dà solo un ‘input iniziale’; l’universo poi evolve autonomamente.

Secondo il paradigma neodarwinista, tutte le strutture e le specie biologiche nascono esclusivamente dall’interazione tra caso (il caso) e necessità (selezione ambientale). Ciò rappresenta una rottura fondamentale con la classica concezione filogenetica di un ordine guidato.

Tuttavia, i fatti paleontologici e biologici mostrano che innumerevoli organismi — come formiche, squali e celacanti — sono rimasti morfologicamente quasi immutati per centinaia di milioni di anni. L’uomo, al contrario, mostra una storia unica. All’interno della sintesi teologica della Rivelazione viene chiarito che la degenerazione morfologica e i cambiamenti nella storia umana non sono il risultato di un’evoluzione spontanea verso l’alto, ma di una ibridazione filogenetica (involuzione), seguita da un processo di restaurazione guidato e sostenuto da Dio (ri-evoluzione).

Il neodarwinismo materialista fu impiegato nell’epoca del positivismo come uno strumento ideologico per sostituire la fede nella creazione con una visione del mondo puramente naturalistica. Con ciò è stata messa da parte la dottrina giudaico-cristiana — che professa Dio come Autore diretto e Sostenitore della creazione.

Questa riduzione materialista influenzò nel XX secolo anche pensatori teologici. Un esempio noto è il gesuita e paleontologo francese Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955), che formulò la teoria dell’ ‘evoluzione guidata’. Molti teologi videro in essa un attraente compromesso tra la scienza naturale moderna e la fede. Questo approccio fu tuttavia energicamente criticato da Don Guido, poiché il concetto di evoluzione spontanea guidata comportava la perdita dell’atto creativo diretto di Dio.

Nei decenni successivi, autori e scienziati — come il genetista Francis Collins (autore de Il linguaggio di Dio) — hanno tentato di gettare un ponte tra fede e genetica. Tuttavia, quando si rimane legati al presupposto che la natura possa trasformarsi autonomamente da una specie all’altra, si rimane bloccati nei presupposti dell’evoluzionismo teistico (teo-evoluzionismo).

Secondo l’evoluzionismo teistico, Dio avrebbe dato un ‘impulso iniziale’ all’inizio dell’universo, dopodiché il processo creativo si sarebbe sviluppato in modo autonomo e spontaneo. Questa visione riduce il Creatore a uno spettatore passivo ed è in tensione con la dottrina giudaico-cristiana, nella quale l’intera realtà creata è sostenuta e stabilita momento per momento dalla Volontà attiva e amorevole di Dio (creatio continua).

L’attribuire la nascita del complesso ordine biologico al mero ‘caso’ si ricollega all’antica filosofia materialista. Dante Alighieri pose il filosofo Democrito nel suo Inferno (Canto IV) con la caratteristica descrizione:

“Democrito, che ‘l mondo a caso pone”

L’accettazione di un’evoluzione del tutto spontanea e non guidata intacca i pilastri centrali della dogmatica cristiana:

  1. La Creatio ex nihilo (Creazione dal nulla): Il professare che l’energia, la materia, l’universo, la vita e la natura specifica dell’uomo (Maschio e Femmina) siano stati direttamente voluti e istituiti da Dio.
  2. Lo stato originale e la Caduta: Il principio della creazione dell’uomo in uno stato di integrità originale, la successiva caduta per il peccato originale (con le sue conseguenze biologiche e spirituali per la posterità), e l’assoluta necessità della Redenzione per mezzo di Gesù Cristo.

Se l’uomo fosse il prodotto di un’auto-evoluzione puramente autonoma e verso l’alto, il concetto di ‘caduta’ e la necessità della redenzione perderebbero il loro significato teologico. Dio in quel sistema non sarebbe più la Fonte necessaria e il Redentore, ma solo una proiezione umana. La sintesi teologica ripristina invece l’equilibrio: riconosce i fatti scientifici della genetica, ma mantiene intatto il sovrano, creativo e guidante Atto di Dio nella storia della vita.

Bibliografia

  1. Darwin, Charles. On the Origin of Species by Means of Natural Selection. London: John Murray, 1859.
  2. Cuvier, Georges. Recherches sur les ossemens fossiles de quadrupèdes. Paris, 1812. (Per il principio di Cuvier sulla fissità dei tipi anatomici).
  3. Alighieri, Dante. La Divina Commedia, Inferno, Canto IV, v. 136.
  4. Teilhard de Chardin, Pierre. Le Phénomène Humain. Paris: Éditions du Seuil, 1955.
  5. Collins, Francis S. The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief. New York: Free Press, 2006.

Don Geudens, Smakt, 16 settembre 2026, guidobortoluzzi.org

The Real Darwin versus Neo-Darwinism


Abstract

In 1859, Charles Darwin published his landmark work, On the Origin of Species. Although his insights fundamentally altered the intellectual landscape, the perception of Darwin in contemporary popular culture differs substantially from his original writings. Darwin did not argue that species transition into one another spontaneously and randomly; rather, he described a typological and morphological affinity. Influenced by Georges Cuvier, he operated on the premise of the basic stability of species, asserting that natural selection acts exclusively on secondary adaptations (micro-mutations). Adhering to the adage “Natura non facit saltus”, he acknowledged that nature cannot autonomously execute a qualitative speciation jump; a transition to a higher level of organization requires divine guidance through a unique transitional form (‘the link’).

In the twentieth century, Neo-Darwinists linked Darwin’s name to a materialist and atheist worldview that reduced life to a blind process of chance and necessity. This article demonstrates how Neo-Darwinism co-opted and reinterpreted the historical Darwin. Furthermore, it addresses the theological consequences of this reduction and shows how empirical historical facts and modern genetics align more closely with the concept of a structured, mediate creation (creatio mediata).

I. Darwin and “On the Origin of Species”

In the middle of the nineteenth century (1859), Charles Darwin’s masterpiece, On the Origin of Species, was published. His studies and deductions fundamentally disrupted the intellectual climate of his century and subsequent eras. What is presented in this treatise on Darwin will surprise many readers—particularly those who have read biographies or popular reviews of his work in good faith. To understand the historical Darwin in his true context, one must consider his entire body of work and line of thought.

Based on observations of countless organisms existing in nature, Darwin renewed a concept regarding phylogenesis previously formulated by the French naturalist J.B. Lamarck: the assumption of a common lineage or ordering for living beings. Darwin posited that in nature, a more complex species ‘derives from’ (deriva) a less complex species. At the apex of this phylogenetic series stands man, who ‘derives from’ the ape.

A crucial distinction must be made here: Darwin uses the term ‘derive from’ (deriveren) and explicitly not ‘descend from’ in the sense of a continuous, gradual process of change. This distinction is essential. Where ‘descent’ in the later Neo-Darwinian sense implies an unbroken continuity of slow, random, and cumulative transformations that gradually turn one species into another, ‘derive from’ in Darwin’s original conception merely indicates belonging to the same morphological class or taxonomic group. It expresses a typological derivation and analogy, not a mechanical, accidental self-transformation.

               [ HIERARCHY OF PHYLOGENESIS ]
               
                  Man (Complex / Superior)
                             ▲
                             │  [ "Speciation Jump" / Creatio Mediata ]
                             │  (Facilitated via the 'Bridgehead')
                             │
                  Ape  (Less complex)

His analysis was necessarily limited to deductions based on macroscopic and anatomical observation; genetic and molecular mechanisms were, after all, completely unknown in his day. Darwin restricted himself to describing morphological affinities, with the tropical organisms he observed during his voyages aboard HMS Beagle (including those in the Galápagos Islands) serving as his primary comparative material.

Darwin harbored great admiration for the French anatomist and paleontologist Georges Cuvier (1769–1832), the founder of comparative anatomy. Through fossil research, Cuvier had established that species in geological strata remain remarkably constant over immense periods of time, varying at most in secondary details or size. On this basis, Cuvier formulated his principle of the ‘fixity’ (immutability) of species.

In line with this concept of fixity, Darwin recognized basic species in a sense as bounded entities. The variations observed within a species pertain exclusively to secondary adaptations—what we today refer to as ‘micro-mutations’.

Regarding the transition between major species, Darwin demonstrated a keen intuition: the transition from an existing species to a new, higher level of organization requires a qualitative leap. Because nature of itself lacks the capacity to breach the intrinsic specific boundaries of a species, such a qualitative transition presupposes creative intervention. The transition takes place via a selected female individual of the pre-existing species. To designate this unique female progenitor through whom the qualitative renewal occurs, the term ‘link’ (anello di congiunzione / missing link) was introduced.

TermMeaning within the Synthesis
Micro-mutationAdaptation within the boundaries of the species.
Macro-mutation / JumpQualitative transition to a new species.
The ‘Link’The physical substrate / “Bridgehead”.

This ‘link’ is unique and transitional as such, which is why it cannot be found in the fossil record as a permanent population. The intrinsic meaning of the concept of the ‘link’ as a specific instrument of passage excludes the idea of a slow, spontaneous, and accidental accumulation of mutations, pointing instead to an ordered, purposeful process.

Darwin therefore did not consider that there was a purely mechanical, accidental transformation of one species into another in nature. Against the backdrop of natural laws, he referred to the well-known maxim:

“Natura non facit saltus” (Nature does not make leaps)

This emphasizes that nature of itself (ex propriis viribus) does not possess the capacity to autonomously cross the threshold to a higher species. If nature is not the causal source of qualitative speciation leaps, the order observed in phylogenesis points to the Author of the laws of nature: God the Creator.

Phylogenesis displays a progression in complexity in the order in which organisms appear, but it provides no proof of an unguided, spontaneous transmutation originating from nature itself. The merit of this view lies in recognizing the ordered phylogenetic line from the initial phases of creation up to the appearance of man. Subsequent insights from genetics and specific revelations from Catholic exegetical tradition (as elaborated in the writings surrounding Don Guido) clarify this principle.

Darwin’s second major observation concerns the mechanism of natural selection: he observed that secondary variations (micro-mutations) that provide an advantage in a specific environment are preserved, whereas less favorable variants disappear. Environment and selection act upon variability within the boundaries of the species. However, these adaptive micro-mutations must not be confused with qualitative macro-leaps representing a new genetic level of organization.

In summary: nature is inherently incapable of crossing fundamental species boundaries. Contrary to the portrayal often found in modern popular science publications, the historical Darwin cannot simply be equated with later, reduced materialist evolutionism. He retained an insight into the bounded nature of biological species and presupposed a higher ordering behind the origin of human nature. This approach aligns with the theological concept of creatio mediata (mediate creation), wherein God acts creatively through and within the existing natural substrate.

Contrary to popular belief, Darwin adhered to a personal theistic awareness. In his later years, he emphasized that it had never been his intention to undermine the foundations of religious faith or Sacred Scripture. He maintained his reverence for the Creator and received an honorable Christian burial upon his death.

With the discovery of the structure of DNA beginning in 1953 and the subsequent deciphering of the genetic code, it became clear that biological information possesses a highly complex, coded structure. In the theological synthesis of Don Guido, the concept of the ‘link’ is refined into the concept of the ‘bridgehead’ (capo di ponte): the biological substrate utilized by God to infuse a new, higher order.

II. Neo-Darwinism and Evolutionism

It was the later Neo-Darwinists, driven by a predominantly materialist and atheist philosophy, who linked Darwin’s name to an all-encompassing philosophical system. They redefined the concept of ‘evolution’ to mean:

“A continuous, spontaneous, and unguided natural process of change among species.”

They viewed biological species as being in a state of permanent, fluid, accidental ‘becoming’. The adage “Natura non facit saltus” was reinterpreted by them in a mechanistic sense: there are no qualitative leaps or creative interventions, only an unbroken chain of accidental mutations that, if useful, are preserved and transmitted by natural selection.

CurrentCore Principle
Historical Darwin (according to the Synthesis)Fixed species; qualitative transition via divine ordering/institution (‘link’).
Neo-DarwinismAccidental mutations + natural selection; continuous and unguided process without a Creator.
Theistic Evolutionism / Teo-evoluzionismoGod merely provides an ‘initial input’; the universe subsequently evolves autonomously.

According to the Neo-Darwinian paradigm, all biological structures and species arise exclusively through the interplay of chance (il caso) and necessity (environmental selection). This marks a fundamental break with the classical phylogenetic view of guided ordering.

However, paleontological and biological facts demonstrate that numerous organisms—such as ants, sharks, and coelacanths—have remained morphologically virtually unchanged over hundreds of millions of years. Man, by contrast, exhibits a unique history. Within the theological synthesis of Revelation, it is clarified that morphological degeneration and changes in human history are not the result of an upward spontaneous evolution, but of a phylogenetic hybridization (involution), followed by a God-guided and sustained process of restoration (ri-evoluzione).

Materialist Neo-Darwinism was employed during the era of Positivism as an ideological tool to replace belief in creation with a purely naturalistic worldview. In doing so, Judeo-Christian doctrine—which confesses God as the direct Author and Sustainer of creation—was set aside.

This materialist reduction also influenced theological thinkers in the twentieth century. A prominent example is the French Jesuit and paleontologist Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955), who formulated the theory of ‘guided evolution’. Many theologians saw in this an attractive compromise between modern natural science and faith. However, this approach was forcefully criticized by Don Guido, as the concept of guided spontaneous evolution implied the loss of God’s direct act of creation.

In later decades, authors and scientists—such as the geneticist Francis Collins (author of The Language of God)—have attempted to bridge the gap between faith and genetics. However, when one adheres to the premise that nature can autonomously transform itself from one species into another, one remains stuck in the assumptions of theistic evolutionism (teo-evoluzionismo).

According to theistic evolutionism, God supposedly gave an ‘initial impulse’ at the beginning of the universe, after which the creative process developed autonomously and spontaneously. This view reduces the Creator to a passive bystander and stands in tension with Judeo-Christian doctrine, in which the entirety of created reality is sustained and established moment by moment by the active, loving Will of God (creatio continua).

Attributing the origin of complex biological order to mere ‘chance’ harks back to ancient materialist philosophy. Dante Alighieri placed the philosopher Democritus in his Inferno (Canto IV) with the characteristic description:

“Democrito, che ‘l mondo a caso pone”

(Democritus, who ascribes the world to chance)

Accepting a completely spontaneous, unguided evolution undermines the central pillars of Christian dogmatics:

  1. Creatio ex nihilo (Creation out of nothing): Confessing that energy, matter, the universe, life, and the specific nature of man (Male and Female) were directly willed and established by God.
  2. The Original State and the Fall: The principle of the creation of man in a state of original integrity, the subsequent Fall (with its biological and spiritual consequences for posterity), and the absolute necessity of Redemption through Jesus Christ.

If man were the product of a purely autonomous, upward self-evolution, the concept of the ‘Fall’ and the necessity of redemption would lose their theological meaning. In that system, God would no longer be the necessary Origin and Redeemer, but merely a human projection. The theological synthesis, by contrast, restores the balance: it acknowledges the scientific facts of genetics while unreservedly upholding the sovereign, creative, and guiding Act of God in the history of life.

References

  1. Darwin, Charles. On the Origin of Species by Means of Natural Selection. London: John Murray, 1859.
  2. Cuvier, Georges. Recherches sur les ossemens fossiles de quadrupèdes. Paris, 1812. (For Cuvier’s principle of the fixity of anatomical types).
  3. Alighieri, Dante. La Divina Commedia, Inferno, Canto IV, v. 136.
  4. Teilhard de Chardin, Pierre. Le Phénomène Humain. Paris: Éditions du Seuil, 1955.
  5. Collins, Francis S. The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief. New York: Free Press, 2006.

Father J. Geudens, Smakt, September 16, 2026, guidobortoluzzi.org

De échte Darwin versus het Neodarwinisme


De échte Darwin versus het Neodarwinisme

Samenvatting / Abstract

In 1859 publiceerde Charles Darwin zijn meesterwerk De oorsprong der soorten. Hoewel zijn inzichten het intellectuele klimaat ingrijpend veranderden, verschilt het beeld dat in de moderne populaire beeldvorming bestaat wezenlijk van zijn oorspronkelijke werk. Darwin betoogde niet dat soorten spontaan en toevallig in elkaar overgaan, maar beschreef een typologische en morfologische verwantschap. Onder invloed van Georges Cuvier ging hij uit van de basisstabiIiteit der soorten, waarbij natuurlijke selectie uitsluitend invloed heeft op secundaire aanpassingen (micro-mutaties). In lijn met het adagium “Natura non facit saltus” erkende hij dat de natuur niet uit zichzelf een kwalitatieve soortensprong kan maken; een overgang naar een nieuw organisatieniveau vereist goddelijke sturing via een unieke overgangsvorm (‘de schakel’).

In de twintigste eeuw koppelden de neodarwinisten Darwins naam aan een materialistisch en atheïstisch wereldbeeld waarin het leven wordt gereduceerd tot een blind proces van toeval en noodzaak. Dit artikel legt uit hoe het neodarwinisme de historische Darwin heeft gekaapt en geherinterpreteerd. Daarnaast behandelt de tekst de theologische consequenties van deze reductie en laat zien hoe de historische feiten en de moderne genetica beter aansluiten bij de gedachte van een geordende, middellijke schepping (creatio mediata).

I. Darwin en “De oorsprong der soorten”

In het midden van de negentiende eeuw (1859) werd het meesterwerk van Charles Darwin, De oorsprong der soorten (On the Origin of Species), gepubliceerd. Zijn studies en deducties haalden het intellectuele klimaat van zijn eeuw en de daaropvolgende tijdperken ingrijpend overhoop. Wat in deze verhandeling over Darwin naar voren wordt gebracht, zal vele lezers verbazen — met name hen die te goeder trouw biografieën of populaire recensies over hem hebben gelezen. Om de historische Darwin in zijn ware context te begrijpen, dient men zijn volledige oeuvre en denklijn in ogenschouw te nemen.

Op basis van observaties van talloze in de natuur bestaande organismen hernieuwde Darwin een concept dat reeds door de Franse naturalist J.B. Lamarck werd geformuleerd met betrekking tot de fylogenese: de veronderstelling van een gemeenschappelijke stamlijn of ordening voor de levende wezens. Darwin stelde dat in de natuur een complexere soort ‘voortkomt uit’ (deriva) een minder complexe soort. Aan de top van deze fylogenetische reeks staat de mens, die ‘voortkomt uit’ de aap.

Hier dient een cruciaal onderscheid te worden gemaakt: Darwin gebruikt de term ‘voortkomen uit’ (deriveren) en uitdrukkelijk niet ‘afstammen van’ in de zin van een continu, gradueel veranderingsproces. Dit verschil is essentieel. Waar ‘afstammen’ in de latere neodarwinistische zin een ononderbroken continuïteit inhoudt van langzame, willekeurige en cumulatieve transformaties die de ene soort geleidelijk in de andere laten overgaan, duidt ‘voortkomen uit’ in Darwins oorspronkelijke conceptie slechts op het behoren tot eenzelfde morfologische klasse of verwantschapsgroep. Het drukt een typologische afleiding en analogie uit, geen mechanische, toevallige zelftransformatie.

               [ HIERARCHIE VAN DE FYLOGENESE ]
               
                  Mens (Complex / Superieur)
                             ▲
                             │  [ "Soortensprong" / Creatio Mediata ]
                             │  (Mogelijk gemaakt via het 'Bruggenhoofd')
                             │
                  Aap  (Minder complex)

Zijn analyse beperkte zich noodzakelijkerwijs tot deducties op basis van macroscopische en anatomische observatie; de genetische en moleculaire mechanismen waren in zijn tijd immers nog volstrekt onbekend. Darwin beperkte zich tot het beschrijven van morfologische verwantschappen, waarbij de tropische organismen die hij tijdens zijn reizen met de HMS Beagle (onder meer op de Galápagoseilanden) observeerde, zijn belangrijkste vergelijkingsmateriaal vormden.

Darwin koesterde een grote bewondering voor de Franse anatoom en paleontoloog Georges Cuvier (1769–1832), de grondlegger van de vergelijkende anatomie. Cuvier had door middel van fossielenonderzoek vastgesteld dat soorten in de geologische lagen gedurende immense tijdsperioden opvallend constant blijven en hoogstens in secundaire details of grootte variëren. Op grond hiervan formuleerde Cuvier zijn principe van de ‘fixiteit’ (onveranderlijkheid) der soorten.

In lijn met deze fixiteitsgedachte erkende Darwin de basissoorten in zekere zin als begrensde entiteiten. De variaties die men binnen een soort waarneemt, betreffen uitsluitend secundaire aanpassingen — wat wij vandaag de dag aanduiden als ‘micro-mutaties’.

Ten aanzien van de overgang tussen de hoofdsoorten toonde Darwin een scherpe intuïtie: de overgang van een bestaande soort naar een nieuw, hoger organisatieniveau vereist een kwalitatieve sprong. Omdat de natuur van zichzelf niet de capaciteit bezit om de intrinsieke specifieke grenzen van een soort te doorbreken, veronderstelt zo’n kwalitatieve overgang een scheppend ingrijpen. De overgang voltrekt zich via een geselecteerd vrouwelijk individu van de reeds bestaande soort. Om deze unieke vrouwelijke stammoeder aan te duiden via wie de kwalitatieve vernieuwing doorgang vindt, introduceerde men de term ‘schakel’ (anello di congiunzione / missing link).

BegripBetekenis binnen de Synthese
Micro-mutatieAanpassing binnen de grenzen van de soort.
Macro-mutatie / SprongKwalitatieve overgang naar een nieuwe soort.
De ‘Schakel’Het fysieke substraat / “Bruggenhoofd”.

Deze ‘schakel’ is als zodanig uniek en overgangsmatig, waardoor zij in het fossielenarchief niet als een permanente populatie kan worden aangetroffen. De intrinsieke betekenis van het begrip ‘schakel’ als een specifiek doorgangsinstrument sluit de gedachte van een langzame, spontane en toevallige accumulatie van mutaties uit en verwijst naar een geordend, doelgericht proces.

Darwin overwoog derhalve niet dat er in de natuur sprake zou zijn van een puur mechanische, toevallige transformatie van de ene soort in de andere. Tegen de achtergrond van de natuurwetten verwees hij naar de bekende stelregel:

“Natura non facit saltus” (De natuur maakt geen sprongen)

Hiermee wordt beklemtoond dat de natuur uit zichzelf (ex propriis viribus) niet de vermogens bezit om autonoom de drempel naar een hogere soort te overschrijden. Indien de natuur niet de causale bron is van de kwalitatieve soortensprongen, wijst de ordening in de fylogenese naar de Auteur van de natuurwetten: God de Schepper.

De fylogenese toont een progressie in complexiteit in de volgorde waarin de organismen verschijnen, maar vormt geen bewijs voor een niet-gestuurde, spontane transmutatie uit de natuur zelf. De verdienste van deze visie ligt in het herkennen van de geordende fylogenetische lijn van de eerste scheppingsfases tot aan de verschijning van de mens. De latere inzichten uit de genetica en de specifieke openbaringen uit de katholieke exegetische traditie (zoals uitgewerkt in de geschriften rond Don Guido) verhelderen dit principe.

Darwins tweede grote observatie betreft het mechanisme van natuurlijke selectie: hij nam waar dat secundaire variaties (micro-mutaties) die een voordeel bieden in een specifieke leefomgeving, behouden blijven, terwijl minder gunstige varianten verdwijnen. Omgeving en selectie werken in op de variabiliteit binnen de grenzen van de soort. Deze adaptieve micro-mutaties mogen echter niet worden verward met de kwalitatieve macro-sprongen die een nieuw genetisch organisatieniveau vertegenwoordigen.

Samenvattend: de natuur is van zichzelf niet in staat om de fundamentele soortgrenzen te overschrijden. In tegenstelling tot het beeld dat in moderne populair-wetenschappelijke publicaties vaak wordt geschetst, kan de historische Darwin niet zonder meer gelijkgesteld worden met het latere, gereduceerde materialistische evolutionisme. Hij behield het inzicht in de begrensde aard van de biologische soorten en veronderstelde een hogere ordening achter het ontstaan van de menselijke natuur. Deze benadering sluit aan bij het theologische concept van de creatio mediata (de middellijke schepping), waarbij God scheppend handelt via en in het bestaande natuurlijke substraat.

In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, gehoorzaamde Darwin aan een persoonlijk teïstisch besef. Op latere leeftijd benadrukte hij dat het nooit zijn bedoeling was geweest om de fundamenten van het religieuze geloof of de Heilige Schrift te ondergraven. Hij behield zijn eerbied voor de Schepper en ontving bij zijn overlijden de christelijke eervolle uitgeleide.

Met de ontdekking van de DNA-structuur vanaf 1953 en de daaropvolgende ontcijfering van de genetische code werd duidelijk dat biologische informatie een hoogst complexe, gecodeerde structuur bezit. In de theologische synthese van Don Guido wordt het begrip van de ‘schakel’ verfijnd tot het concept van het ‘bruggenhoofd’ (capo di ponte): het biologische substraat dat door God wordt aangewend om een nieuwe, hogere orde in te blazen.

II. Het Neodarwinisme en het Evolutionisme

Het waren de latere neodarwinisten, gedreven door een voornamelijk materialistische en atheïstische filosofie, die de naam van Darwin koppelden aan een alomvattend filosofisch systeem. Zij herdefinieerden het begrip ‘evolutie’ tot:

“Een continu, spontaan en niet-gestuurd natuurlijk proces van verandering der soorten.”

Zij zagen in de biologische soorten een permanente, fluïde toestand van toevallig ‘worden’. Het adagium “Natura non facit saltus” werd door hen geherinterpreteerd in een mechanistische zin: er bestaan geen kwalitatieve sprongen of scheppende ingrepen, slechts een ononderbroken keten van toevallige mutaties die, indien nuttig, door natuurlijke selectie worden behouden en overgedragen.

StromingKernprincipe
Historische Darwin (volgens de Synthese)Gefixeerde soorten; kwalitatieve overgang via goddelijke ordening/instelling (‘schakel’).
NeodarwinismeToevallige mutaties + natuurlijke selectie; continu en ongeleid proces zonder Schepper.
Theïstisch Evolutionisme /Teo-evoluzionismoGod geeft slechts een ‘initiële input’; het universum evolueert verder autonoom.

Volgens het neodarwinistische paradigma ontstaan alle biologische structuren en soorten uitsluitend door de wisselwerking van toeval (il caso) en noodzaak (omgevingsselectie). Dit betekent een fundamentele breuk met de klassieke fylogenetische opvatting van gestuurde ordening.

De paleontologische en biologische feiten laten echter zien dat talloze organismen — zoals mieren, haaien en coelacanten — gedurende honderden miljoenen jaren morfologisch vrijwel onveranderd zijn gebleven. De mens daarentegen vertoont een unieke geschiedenis. Binnen de theologische synthese van de Openbaring wordt verhelderd dat de morfologische degeneratie en veranderingen in de menselijke geschiedenis niet het gevolg zijn van een opwaartse spontane evolutie, maar van een fylogenetische hybridisatie (involutie), gevolgd door een door God geleid en ondersteund herstelproces (ri-evoluzione).

Het materialistische neodarwinisme werd in het tijdperk van het positivisme aangewend als een ideologisch instrument om het scheppingsgeloof te vervangen door een puur naturalistisch wereldbeeld. Daarmee werd de joods-christelijke doctrine — die God belijdt als de directe Auteur en Onderhouder van de schepping — terzijde geschoven.

Deze materialistische reductie beïnvloedde in de twintigste eeuw ook theologische denkers. Een bekend voorbeeld hiervan is de Franse jezuïet en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955), die de theorie van de ‘geleide evolutie’ formuleerde. Veel theologen zagen hierin een aantrekkelijk compromis tussen de moderne natuurwetenschap en het geloof. Deze benadering werd echter krachtig bekritiseerd door Don Guido, omdat het concept van geleide spontane evolutie het verlies van de directe scheppingsdaad van God inhield.

In latere decennia hebben auteurs en wetenschappers — zoals de geneticus Francis Collins (auteur van The Language of God) — geprobeerd een brug te slaan tussen geloof en genetica. Wanneer men echter vasthoudt aan het uitgangspunt dat de natuur zichzelf autonoom van de ene soort in de andere kan transformeren, blijft men steken in de uitgangspunten van het theïstisch evolutionisme (teo-evoluzionismo).

Volgens het theïstisch evolutionisme zou God aan het begin van het universum een ‘initiële impuls’ hebben gegeven, waarna het scheppingsproces zich autonoom en spontaan verder ontwikkelde. Deze visie reduceert de Schepper tot een passieve toeschouwer en staat op gespannen voet met de joods-christelijke doctrine, waarin de gehele geschapen werkelijkheid van minuut tot minuut wordt gedragen en ingesteld door de actieve, liefdevolle Wil van God (creatio continua).

Het toeschrijven van het ontstaan van de complexe biologische orde aan het loutere ‘toeval’ grijpt terug op de antieke materialistische filosofie. Dante Alighieri plaatste de filosoof Democritus in zijn Inferno (Canto IV) met de typerende omschrijving:

“Democrito, che ‘l mondo a caso pone”

(Democritus, die de wereld aan het toeval toeschrijft)

Het aanvaarden van een volstrekt spontane, niet-gestuurde evolutie tast de centrale pijlers van de christelijke dogmatiek aan:

  1. De Creatio ex nihilo (Schepping uit niets): Het belijden dat energie, materie, het universum, het leven en de specifieke aard van de mens (Man en Vrouw) rechtstreeks door God zijn gewild en ingesteld.
  2. De oorspronkelijke staat en de Val: Het principe van de schepping van de mens in een staat van oorspronkelijke integriteit, de daaropvolgende zondeval (met de biologische en spirituele gevolgen voor het nageslacht), en de absolute noodzaak van de Redemptie (Verlossing) door Jezus Christus.

Indien de mens het product zou zijn van een louter autonome, opwaartse zelfevolutie, verliest het begrip van de ‘zondeval’ en de noodzaak van verlossing zijn theologische betekenis. God zou in dat systeem niet langer de noodzakelijke Oorsprong en Verlosser zijn, maar slechts een menselijke projectie. De theologische synthese herstelt daarentegen de balans: zij erkent de wetenschappelijke feiten van de genetica, maar handhaaft onverkort de soevereine, scheppende en sturende Daad van God in de geschiedenis van het leven.

Bronvermelding

  1. Darwin, Charles. On the Origin of Species by Means of Natural Selection. London: John Murray, 1859.
  2. Cuvier, Georges. Recherches sur les ossemens fossiles de quadrupèdes. Paris, 1812. (Voor Cuviers principe van de fixiteit van de anatomische typen).
  3. Alighieri, Dante. La Divina Commedia, Inferno, Canto IV, v. 136.
  4. Teilhard de Chardin, Pierre. Le Phénomène Humain. Paris: Éditions du Seuil, 1955.
  5. Collins, Francis S. The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief. New York: Free Press, 2006.

Pastoor Geudens, Smakt, 16 september 2026, guidobortoluzzi.org

De Boodschap in ons DNA: Waar komen we vandaan?


A. EENVOUDIG VOOR DUMMIES

De Boodschap in Ons DNA: Waar Komen We Vandaan?

Hoe de wetenschap van Charles Darwin en de inzichten van Don Guido Bortoluzzi samen de echte oorsprong van de mens laten zien — Een dringende oproep aan een slapende mensheid.

Het Bewijs Dat in Ons Lichaam Geschreven Staat

We leven in een wereld die denkt alles te weten, maar de belangrijkste vraag is vergeten: wie zijn wij echt? Met moderne techniek kunnen we de bouwsteen van ons leven — ons DNA — lezen en aanpassen. Toch snappen we niet meer wat de diepere waarde van ons menszijn is. We verzamelen kennis, maar we missen het overzicht.

Wie kijkt naar de geschiedenis, ziet twee mannen die op het eerste gezicht elkaars tegenpolen lijken:

  • De bekende Engelse natuuronderzoeker Charles Darwin (1809–1882).
  • De Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi (1907–1991).

Darwin zocht het antwoord in de natuur en de wetten van de biologie. Bortoluzzi kreeg door geloof en inspiratie inzicht in het bijbelse scheppingsverhaal. Hoewel ze een heel andere achtergrond hadden, ontdekten ze in feite hetzelfde grote geheim: de mens heeft een biologische band met de dierenwereld, maar er is in het allereerste begin iets ingrijpends gebeurd dat ons voorgoed veranderde.

1. Wat Darwin en Bortoluzzi Samen Zagen: Onze Band met de Natuur

Charles Darwin veroorzaakte een schok door te laten zien dat het menselijk lichaam heel dicht bij dat van dieren staat, zoals de apen. Onze spieren, ons bloed en onze organen werken volgens dezelfde biologische wetten. Darwin dwong de mensheid om te accepteren dat ons lichaam uit de aarde en de natuur voortkomt.

Don Guido Bortoluzzi spreekt dit niet tegen, maar legt uit hoe dit precies zit. Hij beschrijft dat God bij de vorming van het menselijk lichaam gebruikmaakte van wat er al in de natuur aanwezig was: een dierlijke drager die door God was voorbereid.

Beide mannen laten zien: de mens is biologisch verbonden met de aarde.

  • Darwin zag de uiterlijke vorm en de biologie.
  • Bortoluzzi zag de bedoeling en de methode van de Schepper.

2. Waar het Fout Ging: De Ongeoorloofde Kruising

Waar de biologie van Darwin vastloopt, is bij de vraag waarom de mens zo vol fouten, ziekten en innerlijke strijd zit. Volgens de evolutieleer is alles het resultaat van toeval en blinde veranderingen over miljoenen jaren. Maar toeval verklaart niet waarom wij als mens zo’n unieke geest hebben, en tegelijk zo’n diepe gebrokenheid ervaren.

Bortoluzzi vult dit ontbrekende puzzelstukje in.

Hij legt uit dat de mens begon als een volmaakt geschapen wezen met een vlekkeloze gezondheid en een volmaakt genoom. De bekende ‘Zondeval’ uit de geschiedenis was geen losstaand symbool, maar een echte, biologische gebeurtenis: een ongeoorloofde vermenging (kruising) tussen de eerste echte mens en de dierlijke tak die daaronder stond.

Hierdoor raakte de volmaakte menselijke code vermengd en beschadigd. Wat de biologie een ‘fout in de genen’ noemt, is in werkelijkheid het litteken van deze allereerste grensoverschrijding.

3. Het Raadsel van Ons DNA: De Genen Verklaren Ons Lijden

Iedere menselijke cel heeft normaal gesproken 46 chromosomen (23 paren), terwijl mensapen er 48 hebben.

De moderne wetenschap beweert dat twee chromosomen ooit ‘toevallig’ aan elkaar zijn gegroeid en dat de mens zo is ontstaan. Bortoluzzi en latere onderzoekers laten juist het tegenovergestelde zien: de verandering in ons DNA was geen ‘upgrade’ door toeval, maar het fysieke gevolg van een biologische schok door de verkeerde kruising.

De gevolgen van die oer-gebeurtenis dragen we nog dagelijks met ons mee:

  • Genetische aandoeningen en syndromen (zoals Downsyndroom of het ontbreken van chromosoomdelen) zijn geen willekeurige foutjes van de natuur, maar het bewijs dat ons DNA ooit beschadigd is geraakt en zijn oorspronkelijke evenwicht kwijt is.
  • Slijtage en ziekte: Onze genen laten zien dat het menselijk lichaam niet gestaag ‘beter’ wordt door evolutie, maar juist gevoelig is voor verval en herstel nodig heeft.

4. Een Waarschuwing voor een Slapende Mensheid

Wat betekent dit voor ons, in een tijd waarin we dagelijks afgeleid worden door schermen, technologie en consumentisme?

  1. Pas op met het ‘verbeteren’ van de mens:Wetenschappers proberen vandaag de dag het DNA van ongeboren kinderen aan te passen en te knutselen aan de menselijke natuur. Maar als we niet begrijpen hoe ons DNA oorspronkelijk is opgebouwd, herhalen we dezelfde fout als in het begin: we grijpen eigenmachtig in op de goddelijke blauwdruk.
  2. Wetenschap en geloof horen bij elkaar:Het idee dat wetenschap en geloof vijanden zijn, klopt niet. Ons eigen DNA vertelt exact hetzelfde verhaal als de oude teksten: er is een prachtige orde geschapen, maar die orde is verstoord.
  3. Techniek kan ons niet redden:Omdat de gebrokenheid van de mens zo diep in onze genen én in onze geest zit, kunnen we onszelf niet redden met slimmere computers, gentechnologie of hulpmiddelen. Echte genezing van ons ras komt niet uit een laboratorium, maar door terug te keren naar de oorspronkelijke bedoeling van de Schepper.

Conclusie

Charles Darwin liet ons zien waar ons lichaam vandaan komt: uit het stof en de biologie van de aarde. Don Guido Bortoluzzi liet ons zien waar onze geest vandaan komt en hoe we gewond zijn geraakt.

Ons DNA is geen verzameling toevallige bouwstenen, maar een historisch bewijs. Het laat zien dat de mens geen toevallig dier is dat geluk heeft gehad, maar een koninklijk wezen dat beschadigd is geraakt. Pas wanneer we wakker worden en die waarheid onder ogen zien, kunnen we stoppen met het overschatten van onze eigen techniek en de weg terugvinden naar herstel.

B. VERDIEPING VOOR ACADEMICI

De Genoom-Profetie van de Oorsprong

Hoe Charles Darwin en Don Guido Bortoluzzi Onbewust Hetzelfde Mysterie ontmaskerden — Een Bio-Theologische Synthese voor Een Slapende Mensheid

Kort gezegd: Het idee dat onze eigen genen en ons DNA precies laten zien wie we echt zijn, hoe we geschapen zijn, en wat er in het prille begin met de mensheid is gebeurd.

Inleiding: De Blinde Vlek van het Moderne Materialisme

In een tijdperk waarin de mensheid haar eigen genetische code herschrijft met behulp van biotechnologie, maar de metafysische betekenis van haar eigen bestaan volledig is vergeten, heerst een diepe intellectuele en spirituele verdoving. De moderne mens — verblind door technologische hoogmoed en doordrenkt van een oppervlakkig materialisme — consumeert kennis zonder begrip en verwerpt de divine Openbaring zonder grondige bestudering.

Toch kruisen in de schaduw van de ideologische strijd tussen dogmatisch creationisme en blinde evolutieleer twee figuren elkaar op een manier die de blinde vlek van de moderne wetenschap pijnlijk blootlegt: de Engelse naturalist Charles Darwin (1809–1882) en de Italiaanse priester-mysticus Don Guido Bortoluzzi (1907–1991).

Op het eerste gezicht lijken zij onoverbrugbare tegenpolen. De een wordt beschouwd als de vader van de seculiere evolutietheorie; de ander als een ziener die door middel van mystieke aanschouwingen de scheppingsdynamiek van Genesis opnieuw in kaart bracht (Sintesi della Genesi Biblica). Maar wie voorbij de oppervlakkige slogans van de cultuuroorlogen kijkt, ontdekt dat Darwin en Bortoluzzi dezelfde centrale realiteit ontdekken: de menselijke geschiedenis is fysiek verbonden met de biologische continuïteit van het dierenrijk, maar vertoont een abrupte, historische breuk.

Wat Darwin met een zuiver natuurwetenschappelijke blik observeerde in de uiterlijke patronen van de schepping, aanschouwde Don Guido Bortoluzzi in haar spirituele en genetische wortels.

1. De Gedeelde Observatie: Biologische Verwantschap

Charles Darwin veroorzaakte in 1859 een schokgolf door aan te tonen dat de mens fysiek verweven is met de rest van de schepping. Hij zag dat onze anatomie, fysiologie en embryonale ontwikkeling niet losstaan van de overige primaten. Waar de klassieke theologie van zijn tijd de mens soms los van de materiële schepping op een eenzaam voetstuk plaatste, dwong Darwin de mensheid om haar fysieke wortels in de aarde te erkennen.

Don Guido Bortoluzzi bevestigde deze observatie niet alleen, maar gaf haar een heldere theologische en antropologische fundering. In de openbaringen die hij ontving, wordt uiteengezet dat God voor de lichamelijke vorming van de mens gebruikmaakte van een reeds bestaande biologische tussenstap: een door God voorbereide dierlijke draagmoeder.

Bortoluzzi noemde dit het Latijnse principe van de Creatio Mediata (de middellijke of bemiddelde schepping), in tegenstelling tot de directe schepping uit het niets (creatio ex nihilo).

Samen delen Darwin en Bortoluzzi het inzicht dat de mens niet uit het niets ontstond als een kant-en-klaar biologisch wezen, maar dat zijn fysieke drager verweven is met de biologie van de aarde.

  • Darwin zag de uiterlijke vorm.
  • Bortoluzzi zag de goddelijke methode.

2. De Breuklijn: Van Mutatie naar Oer-Hybridisatie

Waar Darwin vastliep — en waar het moderne neodarwinisme in een dogmatisch moeras is geraakt — is bij het verklaren van de sprong naar de menselijke geest en het raadsel van onze innerlijke gebrokenheid. Voor Darwin was evolutie het resultaat van blinde, cumulatieve variatie en natuurlijke selectie. Hij kon het lichamelijke verval, de erfelijke ziekten en het menselijk lijden niet bevredigend verenigen met een liefdevolle Schepper.

Hier brengt Bortoluzzi de noodzakelijke correctie én de vervolmaking van Darwins observatie.

Bortoluzzi toont aan dat de overgang in de oertijd geen geleidelijk, toevallig proces was van miljoenen jaren willekeurige mutaties, maar een specifieke gebeurtenis: de schepping van het eerste volmaakte menselijke paar (Il Capostipite — de Stamvader), gevolgd door een katastrofale biologische grensbreuk: de Zondeval.

Volgens de synthese van Bortoluzzi bestond de Zondeval uit een ongeoorloofde seksuele vermenging — L’Ibridazione of Procreazione Illegittima — tussen de stamvader van het menselijk ras en de voormenselijke dierlijke neventak (Il Ramo Collaterale).

Waar Darwin een continue, opwaartse lijn van evolutie zag, ontdekte Bortoluzzi de biologische hybride-breuk: de geforceerde enting (Il Innesto Anomalo) van het volmaakte goddelijke genoom op een lager, dierlijk genoom.

3. De Genetische Breeklijn: Chromosomale Reductie (48 vs. 46)

Het meest markante genetische verschil tussen de mens en de grote mensapen (chimpansees, gorilla’s, orang-oetans) ligt in het chromosomenaantal: mensapen hebben 2n = 48 chromosomen, terwijl de moderne mens beschikt over 2n = 46 chromosomen.

                                [ HET CHROMOSOMALE RAADSEL ]
                                             │
                       ┌─────────────────────┴─────────────────────┐
                       ▼                                           ▼
            [ HET HOMINIDE GENOOM ]                     [ HET MENSELIJK GENOOM ]
                 (2n = 48)                                   (2n = 46)
          • Chimpansee, Gorilla                       • Oorspronkelijke goddelijke orde
          • Symmetricale reductie?                    • Versmelting op chromosoom 2 (2q13)
                       │                                           │
                       └─────────────────────┬─────────────────────┘
                                             │
                                             ▼
                             [ DE DIVERGENTIE-INTERPRETATIE ]
            Neodarwinisme: "Toevallige Robertsoniaanse fusie"
            Bortoluzzi/Martelli: "Genetisch litteken van de oer-hybridisatie"

Het Neodarwinistische Narratief versus de Bortoluzzi-Synthese

  • Neodarwinisme (Robertsoniaanse Fusie): Wetenschappers zoals Ijdo et al. (1991) wijzen op de aanwezigheid van verholen telomeersequenties op menselijk chromosoom 2 (band 2q13–2q14) en stellen dat twee losse chromosomen uit een voorouder toevallig zijn samengesmolten. Men neemt aan dat dit een willekeurige, nuttige mutatie was.
  • Bortoluzzi-Synthese (Chromosomale Breuk): Bortoluzzi en de Italiaanse onderzoeker dr. F.S. Martelli stellen dat het oorspronkelijke menselijke genoom volmaakt geordend was. De reductie naar 46 chromosomen was geen “evolutieve upgrade”, maar het fysieke litteken van de ibridazione. De vermenging veroorzaakte een meiotische schok (shock genetico) tussen twee verschillende karyotypen.
ParameterNeodarwinismeBio-Theologische Synthese (Bortoluzzi & Martelli)
Oorsprong 2n=46Toevallige chromosomale fusie (Ijdo et al., 1991)Genetisch trauma na grensoverschrijdende kruising
Aard van het procesGraduele mutatie + blinde selectieAbrupte biologische breuk (ibridazione)
Status van de mensGeëvolueerde primaat met toevallig DNAGevallen koninklijk wezen met beschadigde drager
Betekenis van syndromenWillekeurige kopieerfouten in de cellenFysieke manifestatie van genetische ontregeling

4. Meiotische Mismatch en Genetische Sequelae

Toen Charles Darwin zijn theorie formuleerde, kende hij de mechanica van het DNA en de meiotische celdeling nog niet. Hij veronderstelde dat mutaties onbegrensd plastisch waren. Darwin zag over het hoofd dat biologische systemen juist beschikken over strenge controlemechanismen (DNA-repair en meiotische checkpoints) die radicale veranderingen tegengaan.

Wanneer twee takken met een afwijkend genoom zich kruisen, ontstaat een meiotische mismatch:

                              [ MEIOTISCHE MISMATCH-DYNAMIEK ]
                                             │
             ┌───────────────────────────────┴───────────────────────────────┐
             ▼                                                               ▼
   [ ZONDEVAL-HYBRIDISATIE ]                                        [ RESULTAAT ]
Oorspronkelijk Menselijk Genoom  ×  Voormenselijk Dieren-Genoom  ──►  Chromosomale Asymmetrie &
     (Volmaakte Blauwdruk)               (Dierlijk Karyotype)         Meiotische Afwijkingen

Als gevolg van deze oer-kruising raakte het menselijk genoom gedecalibreerd. Wat de theologie kent als de Erfzonde (Macula Originalis), vertaalt Bortoluzzi naar de materiële realiteit: La Macchia Genetica — de genetische smet en instabiliteit die van generatie op generatie wordt doorgegeven.

Voorbeelden van Chromosomale Pathologieën

  1. Trisomie 21 (Syndroom van Down) & Trisomie 18 (Edwards):
    • Genetisch: Het niet goed scheiden van chromosomen tijdens de celdeling (meiotische non-disjunctie).
    • Verklaring: De verstoorde chromosomale balans sinds de oer-hybridisatie maakt de meiotische spoelfiguur van het menselijk ei celmateriaal structureel kwetsbaarder voor verdelingsfouten.
  2. Monosomie X (Syndroom van Turner: 45,X0):
    • Genetisch: Het ontbreken van één geslachtschromosoom.
    • Verklaring: Dit illustreert hoe extreem gevoelig ons organisme is voor verlies van genetisch materiaal. Het verlies van één chromosoom leidt tot zware lichamelijke pathologieën, wat bewijst dat ons genoom ontworpen is voor een uiterst precieze, intacte balans.
  3. Microdeleties (bijv. Syndroom van Williams – 7q11.23):
    • Genetisch: Het wegvallen van 26 tot 28 specifieke genen op chromosoom 7.
    • Verklaring: Het aantonen van “fragiele sites” op ons DNA laat zien dat de menselijke genetische code niet steeds volmaakter wordt, maar juist onderhevig is aan voortdurende afbraak en microscopische verliezen.

5. Filologisch Lexicon: De Taal van Don Guido Bortoluzzi

Om de theologische en biologische reikwijdte van Bortoluzzi’s werk te begrijpen, is het noodzakelijk zijn specifieke Latijnse en Italiaanse terminologie te kennen:

  • Creatio Mediata (Latijn): De schepping waarbij God gebruikmaakte van een reeds bestaande dierlijke matrix als drager.
  • Il Capostipite (Italiaans): De Stamvader (Adam). De unieke, volmaakte eerste mens die door rechtstreekse goddelijke ingreep werd bezield met de anima intellectiva en een vlekkeloos genoom.
  • Il Ramo Collaterale (Italiaans): De dierlijke neventak; de voormenselijke hominide soort die wel de lichamelijke vorm had, maar geen menselijke ziel of volmaakt genoom bezat.
  • L’Ibridazione / Procreazione Illegittima (Italiaans): De fylogenetische Zondeval. De ongeoorloofde seksuele gemeenschap tussen Il Capostipite en Il Ramo Collaterale.
  • Degenerazione Genetica (Italiaans): De biochemische vertaling van de corruptio naturae: het verlies van de oorspronkelijke genoomstabiliteit.
  • La Macchia Genetica (Italiaans): De biologische drager van de Erfzonde (Macula Originalis); de genetische schade die fysiek wordt overgeërfd.
DARWIN (Neodarwinisme):
Eencellige ──► Primaat ──► Toevallige Mutatie (2n=48 naar 46) ──► Posthumane toekomst
(Visie: Graduele opwaartse complexiteit door blinde selectie)
BORTOLUZZI / MARTELLI (Bio-Theologische Synthese):
Volmaakte Schepping ──► Zondeval / Hybridisatie-Schok ──► Chromosomale Decalibratie ──► Noodzaak tot Verlossing
(Visie: Oorspronkelijke volmaaktheid, gevolgd door genetische breuk en degeneratie)

6. Een Boodschap voor een Slapende Mensheid

Wat betekent deze synthese tussen Darwin en Bortoluzzi voor de hedendaagse mens, die verstrikt is in consumentisme en blind vertrouwt op de technocratie?

  1. Waarschuwing tegen Biologische Hovaardij (Hybris):De mensheid staat vandaag op het punt om via technieken zoals CRISPR-Cas de menselijke kiembaan te manipuleren. Men wil “de eigen evolutie in handen nemen”. Darwin liet zien hoe kwetsbaar de natuurlijke balans is; Bortoluzzi waarschuwt dat het eigenmachtig herschrijven van de goddelijke blauwdruk zal leiden tot nieuwe, catastrofale hybridisaties en het verlies van onze menselijkheid.
  2. Het Herstel van Fides et Ratio (Geloof en Rede):De kloof tussen wetenschap en geloof is kunstmatig. De moleculaire genetica spreekt geen taal van blinde toevalligheden, maar legt de sporen bloot van een oorspronkelijke goddelijke orde én een historische, biologische breuk.
  3. De Noodzaak van Verlossing:Als de gebrokenheid van de mens diep verankerd zit in zijn biologische én geestelijke constitutie, kan de mens zichzelf niet redden met algoritmen, gentechnologie of transhumanistische dromen. Geen enkele technologie kan de genetische en spirituele schade van ons ras herstellen.

Conclusie: De Ontmoeting op de Drempel van de Waarheid

Charles Darwin dwong de mens om naar beneden te kijken — naar het stof van de aarde en onze fysieke verwantschap met het dierenrijk. Don Guido Bortoluzzi dwong de mens om vanaf datzelfde punt naar boven te kijken — naar de goddelijke Oorsprong, de Zondeval en de belofte van herstel.

Zij laten zien dat de mens geen toevallig product van een doelloze evolutie is, maar een koninklijk wezen dat door een oer-catastrofe biologisch en geestelijk gewond is geraakt.

Pas wanneer de mensheid stopt met het aanbidden van haar eigen technologische waanbeelden, zal zij inzien dat haar herstel niet ligt in de laboratoriumretorten van de gentechnologie, maar in de terugkeer naar de Goddelijke Orde en de genade van de Nieuwe Adam: Jezus Christus.

Academisch Apparaat & Literatuurverwijzingen

I. Primair Theologische & Synthetische Bronnen (Bortoluzzi-Archief)

  1. Bortoluzzi, G. (1974–1991). Sintesi della Genesi Biblica: Creazione, Peccato Originale e Genetica. Uitgave in eigen beheer / Archief Don Guido Bortoluzzi, San Vito al Tagliamento.
  2. Bortoluzzi, G. De Bijbelse Genesis: Uit de geschriften van Don Guido Bortoluzzi. Nederlandse vertaling en exegese van Hoofdstuk III (De Eerste Zonde en haar Biologische Dynamiek) & Hoofdstuk IV.
  3. Martelli, F. S. Wanneer geloof en rede hetzelfde verhaal vertellen: De genetische en theologische coherentie van de openbaringen aan Don Guido Bortoluzzi. Wetenschappelijke verhandeling over meiotische non-disjunctie, chromosoomreductie en de biologische gevolgen van de Zondeval.

II. Moleculair-Biologische & Cytogenetische Vakliteratuur

  1. Ijdo, J. W., Baldini, A., Ward, D. C., Reeders, S. T., & Wells, R. A. (1991). Origin of human chromosome 2: An ancestral telomere–telomere fusion. Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS), 88(20), 9051–9055. (Onderzoek naar de telomeersequenties op band 2q13-2q14).
  2. Yunis, J. J., & Prakash, O. (1982). The origin of man: a chromosomal pictorial assay. Science, 215(4539), 1525–1530. (Cytogenetische vergelijking van het menselijk karyotype 2n=46 met mensapen 2n=48).
  3. Hassold, T., & Hunt, P. (2001). To err (meiotically) is human: the genesis of human aneuploidy. Nature Reviews Genetics, 2(4), 280–291. (Analyse van meiotische non-disjunctie en menselijke aneuploïdieën).
  4. Pober, B. R. (2010). Williams–Beuren Syndrome. New England Journal of Medicine, 362(3), 239–252. (Moleculaire beschrijving van de 7q11.23 microdeletie).
  5. Schubert, I. (2007). Chromosome evolution by Robertsonian rearrangements in plants and animals. Cytogenetic and Genome Research, 120(1-2), 14–26. (Over reproductieve barrières veroorzaakt door chromosomale herschikkingen).

Dr. Francesco Saverio Martelli: Erfzonde, Verlossing en de waarheid van de Openbaring


Van de hedendaagse geloofscrisis naar de wetenschappelijke coherentie van de Heilige Schrift

Gebaseerd op de lezing van dr. F.S. Martelli, gehouden op 2 oktober 2012 te Farra d’Alpago ter gelegenheid van de twintigste gedenkdag van het overlijden van don Guido Bortoluzzi.

Over dit DEEL: Een diepgaande belichting van de relatie tussen de Erfzonde en de Verlossing door Christus. Het biedt een kritische beschouwing over de reductieve wijze waarop geloofskwesties in de moderne tijd vaak worden benaderd, en onderbouwt de innerlijke en wetenschappelijke coherentie van de Heilige Schrift — in het bijzonder van het boek Genesis en de Evangeliën.

INHOUD

  • De historiciteit en waarheid van de Openbaring
  • Reductieve benaderingen van geloofskwesties
  • De hedendaagse geloofscrisis
  • Een historisch keerpunt: don Guido als ijkpunt
  • Jodendom en christendom
  • De genetische overdracht van de Zondeval
  • De diaspora van het geloof
  • Een agnost op zoek naar de waarheid
  • Het geloof als instrument tot redding
  • Adoptiekinderen versus de Kinderen van God
  • Paulus en het boek Genesis
  • De ‘verrijzenis van het vlees’ als genezing in de Evangeliën van Matteüs en Lucas
  • “De waarheid zal u vrijmaken”
  • Genesis en de geschriften van Maria Valtorta
  • Waarom Jezus de volledige dynamiek van de Zondeval niet aan Valtorta openbaarde
  • Conclusie

Presentatie

Dit werk (Deel 1, 2 en 3) is gebaseerd op de lezing van dr. F.S. Martelli, gehouden op 2 oktober 2012 te Farra d’Alpago ter gelegenheid van de twintigste gedenkdag van het overlijden van don Guido Bortoluzzi.

Over dit DEEL: Een belichting van de relatie tussen Erfzonde en Verlossing, een kritische beschouwing over de reductieve wijze waarop het geloof vaak wordt benaderd, en een bekrachtiging van de wetenschappelijke coherentie van de Heilige Schrift — in het bijzonder van de Evangeliën.

De historiciteit en de waarheid van de Openbaring

Het boek Genesis maakt deel uit van een veel breder themaveld en is de laatste jaren een brisant onderwerp geworden. Het is gebruikt als een knuppel tegen de Katholieke Kerk en betreft specifiek het thema van de relatie tussen Geloof en Rede, en tussen Geloof en Wetenschap.

Het contrast tussen deze twee werelden, dat altijd al in de mens heeft bestaan, doormaakte in de 17e eeuw een wending die, beginnend bij Galilei en de andere vaders van de moderne wetenschap, leidde tot een schijnbaar onomkeerbare breuk. Dit sloeg een kloof van onbegrip tussen Geloof en Wetenschap, en vooral tussen het christendom en katholicisme aan de ene kant, en het rationalisme en positivisme aan de andere kant.

Vanaf Galilei hebben de Kerk en vooraanstaande vertegenwoordigers van de Kerk — die de fundamenten van onze religie zouden moeten verdedigen — geleden aan een soort minderwaardigheidscomplex ten opzichte van wetenschappers. De grote meerderheid van de theologen heeft zich, in plaats van een open dialoog op gelijke voet aan te gaan met wetenschappers, verscholen in een defensieve houding. Zij hebben nagelaten die onderdelen te ontwikkelen die de bouwstenen vormen van het geloof van onze religie, die in werkelijkheid veel meer wetenschap bevatten dan we zouden vermoeden. Ik zou zelfs durven stellen dat er meer wetenschap zit in Genesis en het Evangelie dan in alle wetenschappelijke boeken bij elkaar vanaf het begin van de menselijke geschiedenis. We hebben dit vastgesteld met betrekking tot de grenzen van het evolutionisme.

Ongerijmde instrumenten om geloofsonderwerpen te benaderen

Het ergste wat een katholiek kan doen, is zich verschuilen in de filosofie en geloofsonderwerpen behandelen met de instrumenten van de filosofie. Dat is helaas precies wat er gebeurt!

Een hoogleraar aan de faculteit Bio-ethiek van de Universiteit Regina Apostolorum bevestigde mij dat dit systematisch gebeurt op de seminaries. Op de seminaries gebruikt men dus verkeerde gereedschappen: alsof ik als chirurg zou willen werken met de werktuigen van een metselaar of een timmerman. Men gebruikt instrumenten van menselijke disciplines om de zaken van God te behandelen! De resultaten die daaruit voortkomen zijn vaak behoorlijk bekritiseerbaar en brengen de priesters zelf in de problemen.

Je kunt een wetenschapper die over Wetenschap spreekt geen middelen geven zoals de filosofie, noch aan een religieus die over de waarheid van God spreekt dezelfde middelen van de filosofie! Dit is een werkwijze waartegen we moeten leren ageren en die we moeten verwerpen! Er is geen geloofwaardigheid en gezag in deze mensen!

Uit deze situatie is een tweedeling ontstaan tussen de wereld van de Wetenschap en die van het Geloof. Er is een diepe psychologische onderhorigheid van de gelovigen ontstaan ten opzichte van de wetenschappers, wat heeft geleid tot het vervreemden van vele wetenschappers van het Geloof. Ieder staat op zichzelf.

De crisis van het Geloof

In de afgelopen eeuwen is er, vooral in de landen van Latijns-Amerika en de Verenigde Staten, een wildgroei geweest aan sekten en vertakkingen van filosofische stelsels, maar al deze systemen hebben nooit een alomvattend antwoord van 360 graden kunnen bieden.

Er is ons altijd op een gedeeltelijke manier geantwoord: “Je gelooft door een ‘eigen’ innerlijke daad dat de dingen zo in elkaar steken,” waarbij men probeert binnen het eigen verstand Geloof en Rede te harmoniseren, maar nooit zijn deze antwoorden geplaatst in een logische context die de twee zaken met elkaar in harmonie brengt.

Als u ooit de gelegenheid heeft gehad om naar een van die talkshows te kijken, zoals ‘Porta a Porta’, waarin een religieus onderwerp wordt behandeld, zal het u opgevallen zijn dat wanneer het de beurt is aan de priester of de bisschop — die op de een of andere manier de Kerk moet vertegenwoordigen en bepaalde geloofsbegrippen moet verdedigen — de psychologische houding altijd verdedigend is. Zij vluchten steeds in vage argumenten en laten vrij spel aan degenen die juist de Kerk aanvallen, zelfs wanneer de waarachtigheid van bepaalde verschijnselen met een intrinsieke, objectieve waarde kan worden aangetoond, zoals de stigmata van Pater Pio die door de Wetenschap zijn gedocumenteerd.

Deze onderhorigheid van de katholieke wereld openbaart zich in al haar dramaticiteit op het moment dat gelovigen niet eens de historiciteit kunnen verdedigen van bovennatuurlijke en wonderbaarlijke gebeurtenissen, die overigens zelfs door atheïstische journalisten zijn gedocumenteerd en getuigd. Denk aan de gebeurtenis die in 1917 voor duizenden mensen plaatsvond in Fátima, zoals de kranten uit die tijd berichtten, of aan de gebeurtenissen van 2000 jaar geleden die zich tot op de dag van vandaag blijven herhalen, van Medjugorje tot Lourdes en alle plaatsen van spiritualiteit, waar jong en oud genezen in lichaam en geest. Ik denk dat de tijd is gekomen om deze psychologische onderhorigheid te doorbreken!

Wij zouden met een veel kritischer oog moeten gaan kijken naar deze zogenaamde wetenschappers. Onze experts zouden de waarheid moeten verdedigen in plaats van te laten geloven dat de anderen gelijk hebben! Zij zouden het pseudo-gezag van deze personen moeten kunnen aanvechten. Deze mensen nemen ons in de maling! Er is geen echt debat. Ik denk dat deze debatten er juist op gericht zijn om iedereen in zijn eigen overtuiging te laten.

Uiteindelijk wordt iedereen aan zijn lot overgelaten.

Deze kloof van onbegrip tussen Wetenschap en Geloof, die al decennia voortduurt, is door de exponentiële groei van de technologische ontwikkeling inmiddels onoverbrugbaar geworden.

De Wetenschap heeft in de afgelopen eeuw — sinds de ontdekking van de radiogolven en het winnen van energie uit het atoom — meer vooruitgang geboekt dan in alle voorgaande duizenden jaren samen. De technologische ontwikkeling en de verandering in ons dagelijks leven geven veel kracht aan degenen die met de Wetenschap het Geloof willen bekritiseren. Uitgaande van soms verkeerde veronderstellingen komen zij tot verkeerde conclusies. We zien hier een voorbeeld van wanneer zij ons het verhaal over de oorsprong van de mens pretenderen te vertellen.

Wetenschappers zijn echter, met de kennis die zij hebben opgedaan, voortdurend in beweging. Wat tot gisteren in de boeken stond en de werkelijkheid leek, is dat vandaag niet meer. Tot gisteren, zo hebben we gezien, leek de theorie van de Chromosoomreductie logisch om het ontstaan van de mens uit de aap te verklaren, en vandaag is die wetenschappelijke theorie dat niet meer. Dus ik realiseer me heel goed hoe wetenschappers, al is het te goeder trouw, de werkelijkheid weten te manipuleren.

Alles wat op wetenschappelijk gebied wordt gepubliceerd: als we er met een vergrootglas naar kijken, zien we dat het in 90% van de gevallen onderhevig is aan verandering, zo niet ronduit gemanipuleerd.

Ze nemen de schepping van de volmaakte mens, zoals die ons in Genesis wordt verkondigd, niet eens in overweging en negeren dientengevolge zijn oorspronkelijke val. Ze denken dat de erfzonde een individuele zonde is waarin de mens zichzelf tot rechter maakt over goed en kwaad. Zo verwarren ze zijn re-evolutie met evolutie.

Het niveau van manipulatie op wetenschappelijk niveau is zo sterk dat het meer antwoord geeft op persoonlijke behoeften en zucht naar macht dan op de waarheid: het is zo sterk dat wij het ons niet eens kunnen voorstellen. Zich dus op het gebied van het Geloof laten beledigen door figuren die de Wetenschap zouden moeten vertegenwoordigen maar niets anders verkondigen dan hun eigen meningen, is onaanvaardbaar! Ze pretenderen zaken te bestrijden zonder ook maar iets te bewijzen!

Het is een vicieuze cirkel waar wij, als christenen en katholieken, uit moeten stappen! We kunnen niet langer onderworpen blijven aan deze situatie! Omdat mensen die geen enkel gezag en geen enkele geloofwaardigheid bezitten, daar voor de massamedia worden neergezet om te pontificeren.

De tijd is gekomen om deze conditionering te doorbreken en te werken aan het bewijs dat de Openbaring van het Oude en Nieuwe Testament rust op solide pijlers van wetenschappelijkheid en historiciteit, ver voorbij elke verbeelding.

Een historisch keerpunt: Don Guido is een mijlpaal

Een zo complex probleem moet een rode draad hebben die door de rationaliteit wordt geaccepteerd en gedeeld. Het moet tegelijkertijd deze geloofsinspanning kunnen omarmen en aanvullen wat wij, als arme menselijke wezens, anders niet zouden kunnen begrijpen met enkel de Wetenschap. Deze rode draad kan ons alleen gegeven worden door de Openbaring.

Laten we het niet vergeten: don Guido, die smachtte naar een logische verklaring van die beroemde Erfzonde, tastte decennialang in het duister voordat hij door de Heer werd bereikt. Pas toen hij zich op een gegeven moment overgaf aan zijn eigen onvermogen, pas toen greep de Vader in om hem de verklaring te geven: die verklaring waar hij al jaren naar zocht, maar die hij er niet uit kreeg. Alleen een openbaring kon helderheid verschaffen en grenzen stellen aan de Rede en de Wetenschap, die in volledige autonomie waren gegroeid zonder rekening te houden met de principes die, zij het op allegorische wijze, door Genesis werden uitgedrukt.

Alleen een openbaring kon volkomen wetenschappelijke en logische antwoorden geven die tegelijkertijd van Geloof getuigen. Alleen de Heer kon uitleggen hoe Hij, met volmaakte harmonie, Zijn ‘directe schepping’ had ingepast in de context van een reeds bestaande schepping, met inachtneming van de universele wetten van de genetica die door de wetenschap zijn ontdekt. Dit is de grote vernieuwing die don Guido ‘Gemedieerde Schepping’ (Creazione Mediata) heeft genoemd, aangezien God — zo legt hij uit — Zijn nieuwe schepping invoegt in een reeds bestaande context die er het ondersteunende ‘middel’ van wordt. Laten we zien hoe.

Wanneer de Heer een nieuwe soort schept, grijpt Hij altijd in door de gameten van het eerste paar individuen van de soort die Hij wil scheppen ‘uit het niets te scheppen’, waarbij Hij steunt op en ‘als ondersteunend middel’ gebruikt wat Hij al had geschapen: namelijk de baarmoeder van een vrouwtje van een reeds bestaande soort, om de foetus tot volledige rijpheid te laten komen om geschikt te zijn voor de geboorte. Daarom noemde don Guido dit proces ‘Gemedieerde Schepping’. ‘Schepping’ omdat het bestaat uit een directe scheppende ingreep van God; ‘gemedieerd’ omdat het een al bestaand middel als ondersteuning gebruikt. Er is dus geen enkele chromosomale continuïteit tussen de ondersteunende soort en de nieuw geschapen soort. En deze wet heeft Hij ook gebruikt voor de schepping van de menselijke soort.

Deze bijzonderheid om Wetenschap en Geloof met elkaar in overeenstemming te brengen was tot nu toe niet naar voren gekomen. Hij, die een man van geloof was, van een zeer diep geloof en een extreme eenvoud, ‘zocht de wetenschappelijke verklaring’ van deze thema’s vanuit het perspectief van het Geloof, die anders op de as van het evolutionisme onverklaarbaar blijven.

Om deze reden heeft de door don Guido ontvangen openbaring naar mijn mening een keerpunt gemarkeerd.

Don Guido heeft een historische wending gegeven aan de relatie tussen Wetenschap en Geloof, een wending die een halt kan toeroepen aan de diaspora — die we nu al eeuwen kennen — van wetenschappers die weglopen van het Geloof omdat dit Geloof wordt gepresenteerd als een onverteerbare brok, doordat er, zoals ik al zei, verkeerde instrumenten worden gebruikt wanneer de filosofie erbij wordt gesleept.

Er zit veel meer Wetenschap in Genesis en het Evangelie dan in alle andere boeken over Wetenschap, alleen komt dit feit niet naar voren omdat niemand — totdat don Guido ingreep en totdat de Heer aan don Guido ‘de sleutel’ gaf met de oplossing van deze problemen — dit voor het voetlicht heeft gebracht.

En er zit Wetenschap in de openbaring van don Guido, ook al zijn wij er vandaag de dag niet toe in staat om het gehele belang van deze openbaring te begrijpen en te vatten hoeveel deze openbaring wel niet een openbaring van Wetenschap is!

Daarom is don Guido precies om deze reden een mijlpaal. En men kan bij hem beginnen om te bewijzen dat er in het Evangelie deze pijlers van wetenschappelijkheid en historiciteit staan, ver voorbij elke verbeelding. We zien dit ook in het Evangelie van Johannes wanneer hij ons in de Proloog spreekt over de schepping.

Ik zou u eraan willen herinneren dat Johannes op een gegeven moment in het Evangelie, wanneer Jezus zich tot de Farizeeën richt en hen er publiekelijk en duidelijk van beschuldigt ‘de sleutel van de Wetenschap en Kennis te hebben weggenomen’ opdat de Israëlieten geen toegang tot deze Kennis zouden hebben, zegt: “U bent niet binnengegaan” — dat wil zeggen: u heeft zich er niet aan verbonden, of u bent niet in staat geweest het te begrijpen, of u heeft de waarheid over het doel van Jezus’ missie niet willen begrijpen — “en u heeft de sleutel weggenomen zodat alle anderen uitgesloten bleven” (vgl. Lc 11, 52 / Joh). Wat was ‘de sleutel’? De sleutel was, en is nog steeds, het onverbrekelijke verband tussen Erfzonde en Verlossing. De meerderheid van de Joden is immers uitgesloten gebleven van de kennis van Jezus als Verlosser. Afgezien van die eerste gemeenschappen die zich bij Jezus aansloten, zijn alle anderen er buiten gehouden Hem te herkennen als de Zoon van God die gekomen is om de gevolgen van de Erfzonde te genezen. En vanaf dat moment besluiten de Farizeeën Hem te gedoog-doden/om te brengen.

Sinds de schepping is er in de strijd tussen de krachten van het Goede en het Kwaad altijd deze poging van het Kwaad geweest, deze wil om de waarheid te verbergen. Dit herhaalt Jezus wanneer Hij de Farizeeën beschuldigt van het wegnemen van de sleutel van de dwaze Kennis zodat alle anderen buiten zouden blijven. En nu is er een nieuwe poging gaande om de waarheid te ontmantelen door het christendom te ontmantelen.

Vandaag zijn ons de redenen helder waarom het christendom, met zijn boodschap van redding die het plaatst in het perspectief van een nieuw Verbond tussen God en de mens, van oudsher in de frontlinie staat als doelwit van de haat van rationalisten, positivisten, communisten, vrijmetselaars en in het algemeen van alle monstrueuze ideologieën die de afgelopen 300 jaar, vanaf de Verlichting, aan het venster van de geschiedenis zijn verschenen. Al deze ideologieën hadden als einddoel het omverwerpen van de fundamentele pijler van onze Openbaring.

Het Jodendom en het Christendom

Maar voordat we dieper ingaan op het onderwerp van de relatie tussen Geloof en Wetenschap zoals geïntroduceerd door don Guido, zou ik enkele religieuze basisbegrippen met betrekking tot het Jodendom en het Christendom in herinnering willen roepen om hun unieke karakter ten opzichte van alle andere religies te belichten.

Ten onrechte spreekt men van drie monotheïstische religies door het islamisme op één hoop te vegen met het jodendom en het christendom. Maar alleen het jodendom en het christendom hebben een gemeenschappelijke noemer die hen uniek maakt. Als we de Koran gaan lezen, zien we dat de islam niet op één lijn gesteld kan worden met de joodse en christelijke religie, die als gemeenschappelijke noemer de aankondiging en geschiedenis hebben van een Verbond tussen God en de mens, en dat dit Verbond tot doel heeft de mens door het werk van een Messias vrij te kopen uit een staat van verval en corruptie, veroorzaakt door een niet nader gespecificeerde ‘Erfzonde’. Deze unicitat en bijzonderheid bezitten alleen het jodendom en het christendom. Ze associëren met de islam is als het mengen van water met olie. Deze fundamenten hebben alleen deze twee religies! De andere kunnen elke oplossing aandragen, maar sluiten van tevoren het gegeven van de Erfzonde uit, die de primaire oorzaak was van het verval.

Dat is waarom wij deze twee religies moeten scheiden van al die religies die deze gemeenschappelijke wortel niet hebben. En als we voorbijgaan aan het uitgangspunt dat de oorsprong van alle kwaad de Erfzonde is die de aanzet heeft gegeven tot het verval van de mens, als we voorbijgaan aan wat deze twee religies verbindt, dan kunnen ze beide gemakkelijk vergeleken worden met alle andere filosofieën of religies, ongeacht het percentage waarheid dat ze mogen bevatten. En dat is een misleiding.

En we kunnen evenmin voorbijgaan aan het feit dat het jodendom en het christendom niet gebaseerd zijn op een spinsel van de menselijke geest als vertrekpunt, maar op de Openbaring die uitgaat van God en gericht is tot de mens.

In essentie is de grondslag van andere religies nooit intrinsiek verbonden met de Openbaring die ons vertelt over de oorsprong van de mens, zijn val en het verband met de Verlossing. Mohammed kan wel beweren dat de aartsengel Gabriël hem in een visioen is verschenen, maar de grondslag van zijn religie is niet intrinsiek verbonden met een noodzakelijke verlossing van de mens als gevolg van de oorspronkelijke val. Terwijl de Openbaring van het jodendom en het christendom het bewustzijn geeft van het feit dat de mens zichzelf niet redt.

Het is het tegenovergestelde van wat de rationalistische en positivistische wereld ons vandaag de dag wil doen geloven: dat de mens in een technologische wereld verbonden met de Wetenschap ‘op eigen kracht’ in staat zal zijn dit verval te corrigeren, dat wij uiteraard in verband brengen met de Erfzonde. De mens gelooft dat hij met behulp van de Wetenschap in staat is ziekten te laten verdwijnen, economische en sociale systemen van rechtvaardigheid en eerlijkheid te creëren, dat hij ‘op eigen kracht’ in staat zal zijn het kwaad van de aarde te laten verdwijnen, en dus in staat zal zijn zijn eigen leven te verlengen en zichzelf te redden. Af en toe hoort men op het journaal pseudo-wetenschappelijke verdiepingen dat de mens binnenkort 200 jaar en ouder zal worden of dat ziekten er niet meer zullen zijn.

Dit zijn allemaal min of meer duidelijke, min of meer verborgen, subliminale boodschappen die ons willen doen geloven dat de mens Jezus of God niet nodig heeft om gered te worden, maar zichzelf ‘op eigen kracht’ redt.

De Erfzonde wordt langs genetische weg overgedragen

Over de Erfzonde wordt steeds minder gesproken en wanneer men het er wel over heeft, wordt dit bijbelse verhaal uitgelegd met speculatieve of ideologische instrumenten. Ik heb meegemaakt dat ik met veel priesters sprak die de Erfzonde zelfs ronduit ontkennen. Zij presenteren het als een allegorie, een literair genre, als iets wat de Bijbel vertelt, maar zij koppelen het niet aan een specifieke handeling of aan een specifiek historisch feit. En dit is uiteraard de hefboom om alles te ontwrichten, om alles te laten instorten. Men legt dit bijbelse verhaal uit met speculatieve, filosofische instrumenten en niet vanuit het Geloof, waarbij men zelfs de duidelijke catecheses wil negeren van Paus Benedictus XVI, die de mechanismen van overdracht van de aan de Erfzonde verbonden verschijnselen als ‘biologisch’ heeft gedefinieerd, in volmaakte harmonie met wat don Guido had beschreven en gezegd.

De meest voorkomende fout is het toeschrijven van de uitvoering van de Erfzonde aan een groep mensen en niet aan ‘één enkele’ man, Adam, zoals St. Paulus daarentegen zeven keer op rij zegt en herhaalt in de Brief aan de Romeinen. Het aanvaarden van die these staat gelijk aan een tsunami voor de Katholieke Kerk en voor de gehele Openbaring, om een dubbele reden. Ten eerste omdat het gepaard gaat met de ontkenning van de historiciteit van Adam als eerste mens en als ‘enige’ auteur van de Erfzonde; ten tweede omdat, door het vaderschap daarvan genetisch toe te schrijven aan een groep mensen die de oermensheid vertegenwoordigen, de ernst ervan aanzienlijk wordt afgezwakt. Door de verantwoordelijkheid over velen te verdelen, ontmantelt men de verwoestende kracht die door de Heilige Schrift duidelijk aan de Erfzonde wordt toegeschreven.

Wat het eerste punt betreft: ik heb gesproken met vooraanstaande hoogleraren van theologische faculteiten die mij vertelden dat Adam nooit heeft bestaan! Maar hierop grijpt St. Paulus niet in met het scalpel: hij grijpt in met het zwaard! En St. Paulus spreekt voortdurend over Adam en presenteert hem als ‘de enige’ tegenstander van Christus, en Christus als de Enige die in staat is de gevolgen van de Zonde van Adam teniet te doen! St. Paulus onderstreept dus dat Adam ‘alleen’ de auteur is van de Erfzonde, zoals don Guido later zal uitleggen.

Iemand zou kunnen tegenwerpen dat Genesis deze zonde toeschrijft aan Adam en Eva. Maar ik ben er gevoelsmatig veel meer toe genegen geloof te hechten aan St. Paulus, die zijn tekst tweeduizend jaar geleden heeft geschreven, verrijkt met theologische redeneringen, dan aan de letterlijke tekst van Genesis, die meer dan drieduizend jaar geleden op allegorische wijze is geschreven en vervolgens is overgeschreven met vele mogelijke vertaalfouten en vele mogelijke knip- en plakwerkzaamheden. Want, dat moeten we erkennen, er is een zeker contrast tussen de dingen die worden gezegd op het niveau van de mozaïsche Genesis — waar het twee personen zijn, de man en de vrouw, aan wie deze Zonde wordt toegeschreven — en St. Paulus, die op een heldere en kordate wijze voortdurend het tegendeel herhaalt, juist opdat er geen enkele twijfel over blijft bestaan dat de Zonde ‘enkel’ aan Adam is gebonden. En met ‘Adam’ bedoelt hij niet Adam en Eva, aangenomen dat men met Eva de Vrouw wil bedoelen!

Als beiden hadden gezondigd, terwijl ze genetisch volmaakt waren, zouden we niet de Chromosoom-syndromen en zoveel andere wanverhoudingen als gevolg hebben. Om dit alles uit te leggen is er slechts de hybridisatie van de soort, en deze moet noodzakelijkerwijs gebaseerd zijn op een gemeenschap die heeft plaatsgevonden buiten de eigen soort. Dit lijkt mij zonneklaar.

De tweede reden waarom deze opstandige houding ten opzichte van het Geloof een tsunami vertegenwoordigt voor de Katholieke Kerk, is dat men, door de Erfzonde op een gegeneraliseerde manier toe te schrijven aan de oermensheid, de ernst en de verwoestende kracht van deze daad van ongehoorzaamheid en van oorspronkelijke rebellie sterk afzwakt door de verantwoordelijkheid over velen te verdelen. Ik zou geen banale uitdrukking willen gebruiken, maar wanneer iedereen schuldig is, is niemand schuldig.

We weten hoe deze Zonde in Genesis wordt gepresenteerd en hoe dit verhaal vrij verwarrend is en in de uiteenzetting ervan eerlijk gezegd onaanvaardbaar voor ons als tijdgenoten. Laten we niet vergeten dat het derde hoofdstuk van Genesis, dat over de Erfzonde gaat, door de schrijvers van koning Salomo is overgeschreven in een bewust hermetische taal. We weten ook dat dit verhaal in de loop der eeuwen altijd al tot controverses en meer of minder fantasierijke interpretaties heeft geleid. Als we de verschillende interpretaties gaan lezen, beginnend bij de Kerkvaders en eindigend bij alle verschillende theologen en filosofen van vandaag, heeft ieder het op zijn eigen manier verteld. En zelfs don Guido kwam niet uit dit labyrint, totdat er het directe ingrijpen van de Vader was. Het was nodig dat God Zelf de interpretatie van deze passage zou geven. En Hij gaf deze op een wetenschappelijke wijze. Tot aan don Guido was het onmogelijk om het probleem van de Erfzonde op een wetenschappelijke manier te benaderen!

De crisis van het Geloof

Een vraag die ik aan iedereen zou willen stellen en die ik aan mezelf stel: is het in 2011 mogelijk om Genesis te presenteren als een boodschap die inconsistent is met onze rationaliteit? Volgens mij is dat niet langer mogelijk! En bovenal heeft deze situatie van scheiding tussen Geloof en Rede, die onomkeerbaar lijkt, de Openbaring — zoals zij vandaag wordt verkondigd — totaal losgekoppeld doen lijken van het leven van de mens in de eenentwintigste eeuw.

Dit was het thema dat eind september 2011 centraal stond in de toespraak van de Paus in Duitsland, toen hij zei dat “de ware crisis van de Kerk in de westerse wereld een crisis van het Geloof is”, en hij voegde eraan toe dat “als we niet tot een ware vernieuwing in het Geloof komen, elke structurele hervorming ondoeltreffend zal blijven”. Het zal geen enkel effect sorteren! Het zijn zeer zware woorden! We vinden ze allemaal terug op de website van ‘Avvenire’. Ze zijn door alle media overgenomen, maar ze zijn voorbijgegaan als een van de vele dingen die zijn gezegd door deze In het wit geklede Man die hier en daar rondreist. Maar ze bezitten een kracht die duchtig is als we erover nadenken in deze context die ik heb geprobeerd te schetsen! De Paus is er zelfs toe gekomen om te zeggen: “Een onrustige agnost is dichter bij God dan een christen voor de vorm”!

Een agnost die de waarheid zoekt

Laten we ons verplaatsen in de schoenen van iemand die de waarheid zoekt en deze op een eerlijke, oprechte manier zoekt: hij is niet bereid tot compromissen, zelfs niet met zichzelf. Hij kan niet iets accepteren wat in zijn geest ‘niet klopt’. Dus als ik, in de huidige tijd waarin de Rede centraal is gesteld en de Wetenschap wordt gepresenteerd als datgene wat de wereld beweegt en wat de wereld redding zal brengen, geen logische verklaring heb om mezelf te geven, en als ik niet bereid ben om compromissen te sluiten, zelfs niet met mezelf, en als mij de Openbaring wordt verteld met dat begin van Genesis zonder dat het mij op een coherente manier wordt uitgelegd, dan geloof ik niet. Dan ben ik agnost. Dat is het resultaat.

De Paus zelf heeft de agnostici gerechtvaardigd die onrustig zijn omdat ze op zoek zijn naar de waarheid. En hij zei dat zij veel dichter bij God staan dan een mens met een lauw geloof. Als zij die innerlijke drang hebben die hen niet rustig laat, die hen drijft tot een zoektocht die in harmonie is met de rede, dan wijzen zij af wat hun in die termen wordt voorgesteld. Zij staan veel dichter bij God dan iemand die mechanisch naar de Mis gaat, mechanisch de formules opzegt, passief zit te luisteren naar de homilie en, wanneer de priester iets te lang van stof is, niet kan wachten om naar huis te gaan, de televisie aan te zetten om te kijken naar de Grote Prijs of de voetbalwedstrijd. Dus, zonder een rijpe en diepe overtuiging van de Erfzonde, is het vandaag de dag coherenter om te leven als agnostici dan als overtuigde christenen.

Bij het voorbereiden van de afbeeldingen die ik in deze tekst heb ingevoegd, ben ik geholpen door een medewerkster van mij, Margherita, jong, zeer bekwame, die zichzelf omschreef als agnostisch. Elke keer dat ik haar vroeg om mij te helpen met dit werk dat verbonden is met de openbaring van don Guido, deed zij dat met veel liefde en met meer inzet dan wanneer ik haar routinetaken gaf. En toen ik die zin van de Paus las, moest ik aan Margherita denken. Er zijn vandaag de dag zoveel Margherita’s in de wereld die er klaar voor zijn en op niets anders wachten dan de gehele waarheid te leren kennen, de waarheid die de logica in overeenstemming brengt met de Openbaring, de logica van wat er in het Evangelie geschreven staat met wat er in ons hoofd geschreven staat, omdat God ons dit verstand en deze verklaringen heeft gegeven opdat wij geloven. Deze agnostici op zoek naar de waarheid wachten op niets anders. Dat zeg ik niet, dat zegt de Paus!

De diaspora uit het Geloof

Misschien ben ik iets te lang uitgeweid in deze verhandeling, maar volgens mij was het een plicht om een context te geven aan het thema Genesis, om het onderwerp van de christelijke moraal met een nieuw perspectief te introduceren. De openbaring die aan don Guido is gedaan, markeert vandaag een keerpunt, omdat het een geducht instrument kan worden, niet alleen om Geloof en Rede te harmoniseren, maar ook om een thema van nieuwe evangelisatie te worden. Want juist in het Evangelie, en daarvoor nog in Genesis, vinden we die scharnierpunten van de katholieke moraal, die nu de kritieke punten zijn geworden die iedereen doen wegvluchten van het Geloof.

De diaspora uit het Geloof is ook verbonden met het feit dat er vandaag in de Kerk niet het vermogen is om op een overtuigende manier enkele kritieke punten uit te leggen: echtscheiding, de sacramenten voor gescheidenen, de omgang met anticonceptie, homoseksualiteit, het standpunt van de Kerk over reageerbuisbevruchting, abortus, stamcelonderzoek: allemaal onderwerpen die dagelijks door de media worden behandeld en die worden gebruikt als stokken om de Katholieke Kerk te slaan, telkens wanneer de gelegenheid zich voordoet.

En dus, ziedaar de vraag die ik mij stel: is het vandaag de dag mogelijk om toe te laten dat de standpunten van de Kerk over deze thema’s aan de wereld worden gepresenteerd als een autoritaire en obscurantistische houding, omdat ze — zo zegt men — geen rekening houden met de behoeften van het individu? Volgens mij is dat niet langer mogelijk! Vandaag moeten er verdere verklaringen en motiveringen worden gegeven, die ons alleen toekomen vanuit de openbaringen die logica geven aan Genesis.

Toen ik het boek van don Guido las, werden mij veel dingen helder, omdat ze het Evangelie verhelderden. Ik neem het voorbeeld waar Matteüs spreekt over echtscheiding en waar Jezus op een zeer kordate manier zegt dat “het in het begin niet zo was” (Mt 19, 8). Wanneer was ‘dit begin’? Hebben we ons ooit afgevraagd wat ‘dit begin’ is? Het begin is voordat de eerste twee, het eerste paar, de Man-Adam en de Vrouw, uit elkaar gingen en dat Adam weigerde nog andere kinderen te krijgen.

Als ik over mijn persoonlijke ervaring zou moeten spreken: hoewel ik ben geboren en getogen in een katholiek gezin, met een moeder die altijd naar de Mis gaat en de Sacramenten leeft, die altijd met de rozenkrans in de hand loopt, ben ikzelf — die als jongen de parochie bezocht en hoewel ik altijd een band met mijn religie heb behouden — op een gegeven moment voor 30 jaar verwijderd geraakt van het Geloof. Ik ging misschien op zondag naar de Mis, maar als een ‘christen voor de vorm’. Die standpunten op het gebied van de katholieke moraal waren voor mij, totdat ik don Guido las, onaanvaardbaar. Dus vanaf het moment dat ik trouwde totdat ik dit boek las, ben ik niet meer tot de Eucharistie getreden, omdat ik het in eer en geweten niet over mijn hart kon verkrijgen om ter Communie te gaan. Ik begreep dat de bijbelse Openbaring niet iets kan zijn voor ons eigen gebruik en gemak. Het vereist coherentie. Wij kunnen niet 90% van het Evangelie aannemen en accepteren, en de overige 10% negeren. En omdat ik die 10% niet accepteerde, slot ik uit coherentie alles uit. Ziedaar waarom ik mij, totdat ik don Guido las en een wending aan mijn leven gaf, een uitgeslotene voelde, omdat ik bepaalde principes niet deelde.

Het feit dat men probeert de authenticiteit van de Evangeliën te ondergraven door te zeggen dat ze heel laat zijn geschreven, heel ver af van de gebeurtenissen, en dat veel dingen een beetje geromaniseerd zijn, is een extra hefboom om de deuren van de permissiviteit te openen voor de mensen die vervolgens proberen om, wellicht te goeder trouw, de Openbaring aan te passen voor eigen gebruik en gemak. Dus neemt men die 90% die kan aansluiten bij de eigen behoeften en aspiraties, en wist men die laatste 10% uit.

En hoe kan de Vader dan de echtelijke scheiding accepteren, als alle kwaad van de wereld, vanaf de Erfzonde, is gegroeid uit een buitenechtelijke gemeenschap, uit een feitelijke scheiding tussen man en vrouw, uit een gezin dat ontwricht is?! Ik weet niet of we er ooit over na hebben gedacht! Ik zie dat zeer krachtige beeld weer voor me, waarin don Guido vertelt over Adam die, in het visioen, zijn zaad, dit DNA, zijn potentiële nageslacht, als een daad van uitdaging tegen de Vader slingert.

Hoe kan men dus vandaag de dag compromisstandpunten over de voortplanting accepteren en datgene doen wat de Kerk duidelijk verbiedt: het feit dat men de gameten in een reageerbuis kan plaatsen en de voortplanting kan laten plaatsvinden buiten het natuurlijke traject om? Vandaag zijn we zo aanmatigend door het feit dat we toegang hebben gekregen tot een greintje kennis! En vooral degenen die de wetenschappelijke boeken schrijven zijn zo vol van zichzelf! Door het feit dat ze iets weten, denken ze alles te weten! Wij zijn vandaag niet in staat om te begrijpen welke problemen een reageerbuisvoortplanting kan meebrengen voor het ongeboren kind, niet alleen vanuit fysiek oogpunt, maar ook vanuit spiritueel oogpunt.

Het Geloof als reddingsmiddel

Volgens mij is don Guido precies gekomen als een reddingsboot, als een reddingsanker, als een reddingsboei die is toegegooid aan de mensen die verdrinken, zoals ik dat was, die al 30 jaar een christen voor de vorm was. Ik heb mijn kinderen laten dopen omdat mijn ouders dat met mij hadden gedaan, maar zonder de kracht van het Doopsel als sacrament en de betekenis van het Doopsel te begrijpen. Dit heb ik begrepen door don Guido te lezen: wij zijn allemaal hybriden, en hybriden waren uitgesloten van het legitieme kindschap van God, niet door hun eigen schuld, maar door ongeschiktheid, door niet-geschiktheid. Zij hadden een daad van ‘adoptie tot kinderen’ nodig om hersteld te worden onder Zijn Kinderen. En deze formele en substantiële daad is het Doopsel.

Dus de andere vraag die we ons moeten stellen is deze: is het voor ons gelovigen mogelijk om deze normen vandaag de dag niet te beleven als stompzinnige opleggingen, maar ‘als antigif’ tegen de natuurlijke menselijke neiging tot de zonde — omdat we deze natuur, deze geneigdheid om te dwalen, in ons dragen — en ze te beleven als een serieuze en bewuste inspanning om ‘als adoptiekinderen’ aan te sluiten bij het oorspronkelijke project van volmaaktheid dat door de Vader is gewild?

Ik wil niet over de zonde spreken zoals de Jezuïeten of de Dominicanen spraken, of zoals Savonarola sprak. Maar het feit dat we begrijpen dat de neiging om te dwalen, om ons te gedragen op een manier die niet strijdig is met de Wil van de Vader, voortdurend naar boven komt omdat we het in ons DNA hebben, is een heel belangrijk gegeven om deze normen, deze adviezen te accepteren. Laten we niet vergeten dat Jezus zegt: “Doet zoals Ik, weest zachtmoedig van hart, neemt Mijn juk op u, dat — als u de reden ervan begrijpt — niet langer zwaar is, maar een zacht juk is dat u helpt te groeien, dat u helpt om deze sprong van natuur te maken van de natuurlijke wereld naar de bovennatuurlijke wereld om de ‘adoptie tot kinderen’ te verkrijgen”.

Maar als wij dit juk voelen als iets wat ons beperkt, accepteren we het niet. En ook het volharden in bepaalde fouten komt vanzelf als we niet begrijpen waarom we worden geconditioneerd door onze eigen natuur. Als we het ‘waarom’ niet weten, slagen we er niet in om ons pad te veranderen en een ander pad te bewandelen dan dat waarin we hebben gefaald. We gaan te biecht en daarna gaan we weer op dezelfde manier in de fout. De zonde wordt beleefd als een abstract begrip, niet als iets wat een band heeft met de biologie.

Het is dus moeilijk om een oprechte en serieuze inspanning te vinden om als adoptiekinderen aan te sluiten bij het oorspronkelijke project van de Vader. Maar als we weten dat we de Zonde in onze natuur dragen, begrijpen we dat alleen de kracht van de Sacramenten ons van dit ding bevrijdt.

De adoptiekinderen en de Kinderen van God

De Openbaring vertelt ons dat de schepping in het begin volmaakt was. God heeft alles op volmaakte wijze geschapen. En dat deze volmaaktheid zodanig was dat Hijzelf er een welgevallen in had, Hij was gelukkig met wat Hij had gerealiseerd.

Maar na de Val zijn de dingen niet meer zo geweest. En, door Jezus, roept God ons — voor degenen onder ons die willen aansluiten bij dit project — roept Hij ons op om samen met Hem dit oorspronkelijke project te realiseren. Hij roept ons met het Doopsel, dat de daad is van ‘adoptie tot kind van God’.

Als wij het Doopsel vervolgens niet bereiken via de snelweg, dat wil zeggen via de Kerk, kan God besluiten om Zelf op een andere manier te dopen. De Kerk zegt dit expliciet: er is niet alleen het Doopsel van water, dat wat aan kinderen wordt gegeven wanneer de ouders hen naar de kerk brengen. Er zijn ook andere vormen van Doopsel. Er kan ook dat van verlangen zijn bij de onrustige agnostici wanneer hun zoektocht naar God oprecht is: de Heilige Vader heeft het gezegd.

En dan vraag ik me af, aangezien we wat weinig nadenken over dit detail van de adoptiekinderen: wie waren die Kinderen die de Openbaring ‘Kinderen van God’ noemt, zoals Genesis zegt (Gen 6, 2) wanneer het vertelt dat “de Kinderen van God zich verenigden met de dochters van de mensen”? En als er al Kinderen waren, betekent dat dat niet iedereen adoptie nodig had. Als wij een adoptie nodig hebben om ‘adoptiekinderen’ te worden, op voorwaarde dat we willen aansluiten bij het project van Verlossing, dan lijkt het mij duidelijk dat er Kinderen zijn die het Doopsel niet nodig hebben gehad om kinderen te worden. Het is dus duidelijk dat niet iedereen is besmet door de Erfzonde. Onder hen zijn degenen die niet hebben deelgenomen aan en volhard in de rebellie aan het begin van de mensheid. De Bijbel spreekt er hier en daar over, maar tot nu toe was hun identiteit niet uitgelegd.

En aangezien God volmaakte mensen heeft geschapen en onze natuur niet volmaakt is, is deze decadentie te wijten aan de Erfzonde. Dan vraag ik me af: wat zijn de verschillen tussen ons en die Kinderen die geen adoptie nodig hadden? En wat zijn ‘de gebreken’ die wij met ons meedragen als gevolg van die Zonde? Zijn het alleen de Chromosoom-syndromen en -pathologieën die ons lichaam en onze psyche hebben aangetast? Of is het ook het verlies van andere vereisten, zoals preternatuurlijke en bovennatuurlijke gaven? We zijn waarlijk arm!

Sint-Paulus en de Genesis

Laten we nu proberen dit betoog te verbinden met de tekst die wij op zondag in de Mis lezen. Neem bijvoorbeeld de Brief aan de Romeinen. St.-Paulus spreekt er vele malen over, maar een van de interessante punten is wanneer hij zegt (Rom 8, 19-21): vs. 8,19: ‘De schepping ziet immers met reikhalzend verlangen uit naar het openbaar worden van de Kinderen van God…’. Dit is iets wat we normaal gesproken lezen, maar wat nooit wordt uitgelegd. En men verdiept zich er niet in wie die Kinderen van God zijn. Men stelt niet eens de vraag of de Kinderen van God die zich moeten openbaren misschien niet degenen zijn die zijn geadopteerd of geadopteerd moeten worden, maar juist degenen zijn die de val als gevolg van de Erfzonde niet hebben ondergaan. En hij vervolgt: vs. 8,20: ‘Want de schepping is aan de zinfractie onderworpen, niet vrijwillig, maar door de wil van hem die haar daaraan onderworpen heeft’. De verwijzing naar Adam is duidelijk. En St.-Paulus zegt niet dat ‘slechts’ de mensheid aan de verdorvenheid is onderworpen, maar hij spreekt over de ‘gehele’ schepping. Dus planten, dieren, vissen… Het getuigenis van St.-Paulus is zeer belangrijk! vs. 8,21: ‘en (de schepping) koestert de hoop zelf ook bevrijd te zullen worden van de slavernij van de verdorvenheid om in te treden in de glorieuze vrijheid van de Kinderen van God’. Hoe komt het dat de natuur, die volmaakt was geschapen, ook zelf in verval is geraakt? Dit maakt deel uit van het ‘Mysterium iniquitatis’. Laten we echter niet vergeten dat de mens aan de top van de schepping was geplaatst en dat hem de macht over de gehele natuur was gegeven. En deze macht is hij na de Zonde niet kwijtgeraakt. vs. 8,22: want wij weten dat tot nu toe de gehele schepping zucht en in barensnood verkeert; omdat de gevolgen zich nu nog voortzetten. vs. 8,23: en niet alleen zij, maar ook wij, ‘die de eerstelingen van de Geest hebben’, zuchten in onszelf in afwachting van de adoptie tot kinderen van God: de verlossing van ons lichaam. Hebben we deze passage van St.-Paulus ooit met aandacht gelezen? Als we het vanuit deze invalshoek lezen, krijgt het een heel andere diepgang! Ik heb dit met opzet onderstreept, omdat St.-Paulus de ‘gelijkwaardigheid’ wil benadrukken tussen het feit dat we worden geadopteerd en de verlossing ‘ook’ van ons lichaam. Geadopteerd worden betekent dat de Heer ‘ook’ de verlossing van ons lichaam bewerkt. Paulus spreekt hier niet over de verlossing van onze Geest, want dat heeft hij al eerder gezegd. ‘De eerstelingen van de Geest’ bezitten we al! Maar desondanks zuchten wij innerlijk, zoals de gehele schepping, omdat wij ‘wachten op de verlossing van ons lichaam’. Dit vers legt uit wat wordt bedoeld met ‘de verrijzenis van het vlees’: wij wachten op de genezing van alle lichamelijke en psychische ziektes en misvormingen die door de Erfzonde zijn veroorzaakt. In dit geval zijn ‘verlossing’ en ‘verrijzenis van het vlees’ begrippen die hier aan elkaar gelijk zijn. Ze verwijzen in beide gevallen naar de werkelijke genezing, ‘in toto’, van de gevallen mens. Wij weten niet waarom de Vader het spirituele deel heeft verbonden met het soms zo verwoeste materiële of psychische deel. In Zijn herstel- of verlossingsproject beschouwt Hij het plan pas als voltooid wanneer er de volledige ‘verrijzenis van de lichamen’ zal zijn, oftewel ‘het herstel van deze lichamen in hun oorspronkelijke volmaaktheid’. Dus, zoals St.-Paulus zei, genieten wij weliswaar de eerstelingen van de geest, maar zolang we de adoptie tot kinderen niet hebben voltooid met de verlossing van ook ons lichaam en onze psyche — dat wil zeggen de volledige genezing van alle gevolgen van de Erfzonde — zijn wij nog niet aan het einde van dit herstelproject gekomen. In het Evangelie heeft ‘verrijzenis’ daarnaast een betekenis in engere zin. Er zijn episoden van verrijzenis die heel goed beschreven staan in het Evangelie, zoals die van Lazarus. Een andere is die van Tabita of die van de zoon van de weduwe van Naïn. In de context van die laatste wordt in een paar regels de uitleg ingevoegd van de reden van Jezus’ komst.

De verrijzenis van het vlees, of genezing, in de Evangeliën van Matteüs en Lucas

Jezus heeft op het thema van de ‘verrijzenis van het vlees’, opgevat als synoniem voor ‘genezing’, heel veel gewerkt voordat Hij bij Zijn eigen Verrijzenis aankwam. Slechts twee Evangeliën vertellen het voorval van de leerlingen van de Doper die Jezus ondervragen: dat van Matteüs en dat van Lucas. Laten we ze samen lezen. We beginnen bij Lucas (Lc 7, 18-23): vs. 7,18 ‘Ook Johannes de Doper werd door zijn leerlingen van al deze gebeurtenissen op de hoogte gebracht.’ Die gebeurtenissen waren deze: overal waar Jezus kwam, genas Hij allen die naar Hem toe kwamen om genezen te worden omdat zij in Hem geloofden. En Hij had zelfs de zoon van de weduwe doen opstaan uit de dood. vs. 7,19 ‘Johannes riep twee van hen bij zich en stuurde hen naar de Heer om te vragen: “Bent U degene die komen moet, of moeten wij een ander verwachten?”‘ Laten we proberen ons in te leven in de scène en ons voor te stellen wat er gebeurde en wat Jezus als antwoord deed. Jezus begint geen toespraak te houden. Hij handelt simpelweg. vs. 7,21 Op datzelfde ogenblik genas Jezus velen van ziektes, van kwalen en van boze geesten, en Hij schonk het gezichtsvermogen aan vele blinden. vs. 7,22 Daarna — nadat Hij velen had genezen — gaf Hij hun dit antwoord: “Gaat heen en bericht aan Johannes wat u hebt gezien: blinden zien weer, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden staan op, aan armen wordt het Goede Nieuws verkondigd.” Wat zegt Jezus dus in drie regels: ‘Alles wat jullie hebben ondergaan als gevolg van de Erfzonde, ben Ik gekomen om weg te vagen.’ Hij hield geen lezing, maar Hij genas van kwalen, bevrijdde van boze geesten, deed doden opstaan — zowel lichamelijk als geestelijk — en gaf hun toen dit antwoord: “Gaat heen en bericht aan Johannes wat u hebt gezien: blinden zien weer, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd, doden staan op.” En Hij sluit af met: “de doden”, die hier niet alleen degenen zijn die lichamelijk dood zijn, maar ook al degenen die geestelijk dood zijn omdat zij erfgenamen zijn van de Erfzonde en wachten op het ‘leven’ van de Geest: (Joh 5,24) zij “staan op” op het moment dat zij de gave van het Geloof aanvaarden, “aan armen wordt het Goede Nieuws verkondigd”, oftewel de eeuwige redding. En Hij besluit: vs. 7,23 “En zalig is ieder die aan Mij geen aanstoot neemt!” En toch hebben velen aan Hem aanstoot genomen. Wat er vervolgens gebeurde en wat het volk van Israël in tweeën spleet, was namelijk dat de Farizeeën — zelfs tegenover openbare gebeurtenissen die iedereen kon vaststellen — begonnen te beweren dat Hij een satanist was, omdat Hij Zijn macht van Satan kreeg, van Beëlzebul. De meeste Joden zijn daarin getrapt en bleven buiten de Verlossing. En dat terwijl zij deze dingen met hun eigen ogen zagen! Stel je voor hoe veel moeilijker het is voor ons die, op een afstand van 2000 jaar, moeten geloven zonder te zien!

Laten we nu kijken hoe hetzelfde voorval wordt vermeld in het andere Evangelie, dat van Matteüs (Mt 11, 2-5): vs. 2 ‘Toen Johannes in de gevangenis gehoord had van de werken van Christus, stuurde hij twee van zijn leerlingen om te vragen: vs. 3 “Bent U het die komen zou, of verwachten wij een ander?” Jezus antwoordde hun: “Gaat heen en bericht aan Johannes wat u hoort en ziet: blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden (niet alleen de zoon van de weduwe van Naïn, maar ook ‘de geestelijk doden’ omdat zij door de Erfzonde van de Geest van God beroofd zijn: Gen 6,3) staan op (door het geloof) en het Evangelie wordt aan armen verkondigd (de onterfden van het Eeuwige Leven)”.’ De essentie, het hart van de openbaring is dus dit: toen Jezus Zich in het openbaar moest identificeren — omdat dat hetgeen was wat op dat moment werd gezien door de ‘onrustigen’ of ‘agnostici’ 56 van het toenmalige Israël die op de komst van de Messias wachtten — heeft Hij Zich met deze feiten gelegitimeerd en Zich gepresenteerd met deze enkele woorden. In wezen zei Hij: “Ik kom om de schade te herstellen die door de Erfzonde is veroorzaakt.”

De waarheid zal u vrijmaken

Ik zou u nu graag de woorden willen voorleggen van een ander Evangelie, ditmaal dat van Johannes (Joh 8, 30-32): vs. 8,30 ‘Terwijl Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem. Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: “Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn leerlingen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.”‘ Let er goed op hoe Jezus de grammaticale toekomst gebruikt. Wat is de waarheid waarnaar Jezus zinspeelt? De waarheid is precies deze: de waarheid over onze ‘decadentie’ nadat de Mens volmaakt was geschapen. Het is door don Guido dat wij ons hiervan bewust worden. Als we ons hier niet bewust van worden, draaien we in cirkels rond, geloven we in het evolutionisme, de neodarwinistische theorie, het theo-evolutionisme of het theïstisch evolutionisme, en trappen we in al de verschillende verhaaltjes die ons worden verteld: dat de mens zich op het toppunt van een voortdurende evolutie bevindt en dat hij, misschien niet nu maar over 100 of 200 jaar, zichzelf ‘op eigen kracht’ zal redden. Misschien door zich te laten invriezen… terwijl de wetenschap vordert en vooruitgang boekt, om zich vervolgens te laten ontdooien, nieuwe genen te laten inbrengen en… eeuwig te worden. Zichzelf redden ‘op eigen kracht’. Het zijn geen moppen! Er zijn Amerikaanse bedrijven die gouden zaken doen met deze materie!

En ik wil sluiten met deze citering uit Johannes waarin Jezus tegen de Zijne zegt: vs. 16,12 “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar u kunt het nu niet dragen.” En hoe had Jezus de apostelen DNA en hybridisatie kunnen uitleggen, als wij pas na 1960 zijn gaan begrijpen dat sommige zeer ernstige erfelijke gebreken met chromosoomafwijkingen afhankelijk waren van het DNA? Wat kon Jezus tegen die mensen zeggen? Daarom gebruikte Jezus de toekomst ‘u zult kennen’. Het feit dat wij ‘nu’ de waarheid kennen, geeft ons de mogelijkheid om met meer ernst herstel te bieden via de middelen die Hij ons heeft gegeven. Daarom blijf ik erop hameren dat de wetenschap wel degelijk in het Evangelie zit. Men moet haar er alleen uithalen!

De Genesis en Valtorta

Laten we nu enkele passages van Valtorta bekijken. Ik merk vooraf op dat ik, sinds ik don Guido heb gelezen, de persoonlijke situatie van mijn leven en mijn werkrelatie ter hand heb genomen. Mijn leven is veranderd. Ik heb mezelf een regel gesteld waarop ik geen uitzonderingen maak. Alles wat in strijd is met de Evangeliën, de Brieven van St.-Paulus en de Openbaring, gooi ik in de prullenbak. Ik doe werk dat, behalve coherentie, bepaalde principes vereist. En ik heb het Evangelie als maatstaf genomen. De enige uitzondering is Valtorta, omdat zij het Evangelie niet tegenspreekt. Toen ik don Guido las, kende ik Valtorta nog niet en pas daarna ben ik er bekend mee geraakt. Valtorta is in volledige harmonie met alles wat ik zojuist uit de Evangeliën heb geciteerd en met wat don Guido zegt. Ik maak deel uit van de parochie van de Basiliek van de Annunziata in Florence, waar Valtorta begraven ligt. Het is 200 meter van mijn huis. De ware mystici komen vroeg of laat altijd boven drijven, ook al zijn ze, zoals Pater Pio, bestreden. Toen ik, na het lezen van don Guido, Valtorta ging lezen, vond ik in het begin de ‘Schriften’ erg moeilijk, terwijl ‘Het Evangelie zoals het mij is geopenbaard’ heel helder is: het vertelt, alleen op een diepgaandere manier, alles wat we in het Evangelie vinden. Er is een enkele onuitgegeven episode, of ze vertelt het uitgebreider, maar ik heb niets gevonden dat het Evangelie tegensprak. Degenen die ons interesseren, omdat ze spreken over de oorsprong van het menselijk ras, zijn de Schriften (Quaderni), in het bijzonder die van 1943 en die van ’46. Ik geef u slechts twee hele, hele krachtige citaten van deze mystica, omdat ze nauw verbonden zijn met de openbaring die don Guido heeft ontvangen. Hier is het Jezus Die spreekt over de gevolgen van de Erfzonde. Houd er rekening mee dat Valtorta alles onder dictaat heeft geschreven. En we kunnen gerust zijn over de juistheid, want als er een komma verkeerd stond, corrigeerde Jezus die. Het is niet zoals de vertelling van Emmerich, die aan iemand werd verteld en dat diegene het vervolgens ging opschrijven. Ook op het gebied van particuliere openbaringen moet men een ‘onderscheid’ maken. Valtorta heeft het rechtstreeks zelf geschreven. En niet alleen dat: de controle van Jezus was constant.

Het eerste citaat dat ik zou willen aanhalen betreft, onder de vele gevolgen van de Erfzonde, de lichamelijke lelijkheid en is afkomstig uit de ‘Schriften van ’43’: dictaat van 15 okt. 1943, pag. 379. Wij weten dat lichamelijke lelijkheid en schoonheid een beoordelingsmaatstaf hebben die voor iedereen geldt. Iedereen draagt die, in meer of mindere mate, in zich. Er zijn Amerikaanse studies die hebben aangetoond dat wij in ons basisparameters hebben die voor iedereen gelijk zijn. Laten we luisteren naar wat de eerste passage zegt: “De lichamelijke lelijkheid is tot de mens gekomen als een van de vele gevolgen van de Schuld. De Schuld heeft niet alleen de geest beschadigd, zij heeft met dergelijke letsels ook het vlees geraakt. Uit de geest, die de Genade had verloren, zijn tegennatuurlijke driften voortgekomen die de monstrositeiten van het ras tot vrucht hebben gehad. Als de mens de zonde niet had gekend, zou hij bepaalde prikkels niet hebben gekend en zou hij geen verfoeilijke en vervloekte verbonden zijn aangegaan die vervolgens, in de EEUWEN DER EEUWEN, met een stempel van lelijkheid hebben gewogen op de eerste oorspronkelijke schoonheid. En zelfs wanneer de mens er niet toe kwam zichzelf te verlagen met bepaalde schulden, drukte de kwaadaardigheid, gedreven tot delinquentie toe, stigma’s op de gezichten van de kwaadwillenden en op hun nakomelingen; stigma’s die u vandaag nog bestudeert om de delinquentie te onderdrukken.” Hier verwijst Hij waarschijnlijk naar Cesare Lombroso, die onderzoek heeft gedaan naar gelaatstrekken in relatie tot enkele ernstige misdrijven en de criminele geschiedenis. “Maar u, wetenschappers die ze bestudeert, zou moeten beginnen met het wegnemen van het eerste stigma van delinquentie uit uw eigen hart: datgene wat u opstandig maakt tegen God, tegen Zijn Wet, tegen Zijn Geloof. Het is nodig de geest te genezen en niet de schulden van het vlees en van het bloed te onderdrukken. Als de mens, door eerst zichzelf te genezen, vervolgens zou zorgen voor de spirituele opvoeding van zijn broeders — door deze geest te herkennen die de motor is van uw daden, en hem niet te ontkennen met woorden en nog meer met de werken van het hele leven — zou de delinquentie afnemen tot het een sporadische uiting wordt van een enkele arme geestelijk zieke…”

Zoals u kunt zien, is lelijkheid verbonden met de Erfzonde. Nu we weten hoe de dingen zijn gegaan, begrijpen we dat ook lelijkheid een resultaat is van de hybridisatie.

De tweede passage heb ik gehaald uit het boek van de ‘Schriften tussen ‘1945-50’: dictaat van 30 dec. 1946 pag. 285. Ik zou u er enkele regels uit willen voorlezen. Hier zullen we zien dat de vrucht van de hybridisatie de mens-dier is. “Ik hoor het nieuws dat ze in een grot skeletten van de mens-aap hebben teruggevonden. Ik blijf in gedachten verzonken en zeg: “Hoe kunnen ze dat beweren? Het zullen lelijke mensen zijn geweest. Aapachtige gezichten en aapachtige lichamen zijn er nu ook. Misschien waren de primitieven in hun skelet anders dan wij.” Er komt een andere gedachte bij mij op: “Maar anders in schoonheid. Ik kan niet bedenken dat de eerste mensen lelijker waren dan wij, aangezien zij dichter bij het volmaakte exemplaar stonden dat God had geschapen en dat zeker heel mooi was, evenals zeer sterk…” Jezus spreekt tot mij en zegt: “Zoek de sleutel in het 6e hoofdstuk van Genesis. Lees het.” Ik lees het. Hij vraagt mij: 58 “Begrijp je het?”. “Nee, Heer…”. Jezus glimlacht en antwoordt: “Je bent niet de enige die het niet begrijpt. De geleerden begrijpen het niet en de wetenschappers niet, de gelovigen niet en de atheïsten niet… Nadat de Kinderen van God zich verenigden met de dochters van de mensen en dezen baarden, kwamen daar die machtige mannen uit voort, beroemd door de eeuwen heen. (Dit zijn) De mannen die door de kracht van hun skelet uw wetenschappers treffen, die eruit afleiden dat de mens in het begin der tijden veel langer en sterker was dan hij nu is, en uit de structuur van hun schedel afleiden dat de mens afstampt van de aap. De gebruikelijke fouten van de mensen tegenover de mysteries van de schepping. Heb je het nog niet begrepen? Ik leg het je beter uit. Als de ongehoorzaamheid (van Adam) in staat was geweest om bij de onschuldigen het Kwaad in te prenten met al zijn verschillende uitingen…, welke diepere decadentie en welke diepere heerschappij van Satan zal deze tweede zonde dan wel niet hebben veroorzaakt? ‘Tweede’ ten opzichte van die van Adam: namelijk die van de gemeenschap van de Kinderen van God met de dochters van de mensen. … Als de eerste zonde van Adam de mens zozeer heeft doen vervallen, wat zal dan de tweede zonde, waaraan de vervloeking van God verbonden was, aan decadentie hebben voortgebracht? Want, als Adam van tevoren niet wist wat de uitkomst van zijn zonde zou zijn, waren de Kinderen van God er wél van op de hoogte toen zij de dochters van de mensen, oftewel de hybriden, tot bijvrouwen namen! Welke brandstoffen van zonde in het hart van de mens-dier omdat hij van God beroofd was…? De afdaling van een tak (de illegitieme), van die welke vergiftigd was door het bezit van Satan, kende geen ophouden en had duizend gezichten (duizend varianten, zowel fysiek als moraal, volgens de wetten van Mendel). Waar God niet is, daar is Satan. Waar de mens geen levende ziel meer heeft (een dode ziel omdat zij niet meer levend wordt gemaakt door de Geest van God) is er de mens-brute. De brute houdt van bruten. Mooi en verleidelijk lijkt hem datgene wat afschuwelijk is. Het geoorloofde bevredigt hem niet. … En, dwaas van wellust, zoekt hij het ongeoorloofde, het degraderende, het beestachtige. Degenen die geen Kinderen van God meer waren (dat wil zeggen de kinderen van de mensen), gingen over tot dit ongeoorloofde, degraderende, beestachtige. En zij kregen ‘monsters’ als zonen en dochters: die ‘monsters’ die nu uw wetenschappers treffen en hen in dwaling brengen. Die ‘monsters’…, vruchten van de gemeenschap tussen Kaïn en de bruten, tussen de aartslelijke kinderen van Kaïn en de wilde dieren (de premenselijke soort van de voorouders), verleidden de Kinderen van God, oftewel de afstammelingen van Set. Het was toen dat God, om te voorkomen dat de tak van de Kinderen van God zich geheel zou corrumperen met de tak van de kinderen van de mensen, de algemene Zondvloed zond om, onder het gewicht van de wateren, de wellust van de mensen te doven en de ‘monsters’ te vernietigen die gegenereerd waren door de wellust zonder God… En de mens, de huidige mens, ijlt over de somatische lijnen en over de jukbeenhoeken, en omdat hij geen Schepper wil erkennen — omdat hij te trots is om te kunnen erkennen dat hij gemaakt is — neemt hij de afstamming van de bruten aan! (zinspeelt op de evolutietheorie). Om tegen zichzelf te kunnen zeggen: “Wij hebben ons, op eigen kracht, geëvolueerd van dieren tot mensen.” (En wie weet, redden we ons ook op eigen kracht…!). Hij degradeert zichzelf, degradeert zichzelf vrijwillig, om zich niet te willen vernederen voor God. En hij daalt af. Oh! Wat daalt hij af! In de tijden van de eerste corruptie had hij het uiterlijk van een dier…” Jezus spreekt, zoals in andere passages, duidelijk over de geboorte van ‘monsters’.

Waarom Jezus aan Valtorta niet de gehele dynamiek van de Erfzonde uitlegt

“Uitgebreider zou Ik het onderwerp hebben behandeld om de schuldige theorieën van te veel pseudo-geleerden te bestrijden.” Jezus verwijst nog steeds naar de evolutionisten en noemt hen ‘pseudo-geleerden’. Kennelijk breidt de Heer Zijn uitleg over de dynamiek van de feiten die de Erfzonde hebben gevormd niet verder uit omdat Hij al had besloten om het onderwerp van de oorsprong uitgebreid te behandelen met don Guido, gelet op de omvang van het thema en het ontbreken van kennis over het DNA in 1946. Bij Valtorta beperkt Hij Zich er dus toe de gevolgen ervan te beschrijven. “Ik zou grote mysteries hebben onthuld. Opdat de mens het zou weten, nu de tijden rijp zijn.” ‘Rijp’ omdat we ons ten tijde van het dictaat in 1946 bevinden, aan de vooravond, zo gezegd, van de ontdekking van het DNA. “Het is niet langer de tijd om de menigte gerust te stellen met sprookjes.” De sprookjes, zo kunnen we vermoeden, zijn het verhaal van de boom en de appel, van de slang… zoals het door de meesten wordt opgevat, maar het kunnen ook de theorieën van het evolutionisme en het theo-evolutionisme zijn. “Onder de metafoor van de oude verhalen (zinspeelt op de metaforen van de mozaïsche Genesis) bevinden zich ‘de sleutel-waarheden’ voor alle mysteries van het heelal…. Opdat de mens uit het kennen van de waarheid de kracht zou putten om de afgrond weer te ontstijgen.” Ziedaar het uiteindelijke doel van de kennis! We zien dus dat de Heer Zelf de scientificiteit bevestigt van Genesis, die ‘de sleutel-waarheden’ van alle mysteries van het heelal bevat! Kennelijk is een van de verschillende redenen waarom de Heer geen andere concepten aan Valtorta openbaart en er de voorkeur aan geeft deze uitgebreid te behandelen met don Guido, dat die 15 jaar moesten verstrijken voordat men begon met het leren kennen van het DNA, dat heel belangrijk is, ik zou zeggen essentieel, om te bestuderen wat de effecten van de hybridisatie zijn geweest.

Concluderend

Daarom heb ik aangedrongen op het ‘mysterie van het lijden’ en het ‘mysterie van het kwaad’: omdat we er allen door geraakt worden, de een meer, de ander minder. Jezus is precies daarvoor gekomen, om ook deze dingen weer op orde te brengen. Het is duidelijk dat, als we allen bekeerd waren, we vandaag de dag al in een Eden zouden zijn. Maar dit is niet gebeurd. En ook degenen die in de statistieken als katholieke christenen staan geregistreerd, begrijpen niet altijd wat het betekent om ‘de Communie te doen’, zij begrijpen niet wat het betekent om ‘gedoopt te worden’, wat het betekent om ‘te biechten’ of ‘de Olie der Zieken’ te ontvangen, die door velen nog steeds ‘Het Laatste Oliesel’ wordt genoemd. Vroeger wist men dat dit Sacrament ook een wonderdoende functie had en dat zieke mensen vaak baat hadden bij deze Zalving. Niemand zag tot nu toe zo’n nauw verband tussen de Erfzonde en de Sacramenten! De Verlossing is tussenbeide gekomen om de schade te herstellen die we zien en die we niet zien. Het probleem is dat dit ding niet zo wordt uitgelegd. Ik kan getuigen dat ik, sinds ik elke dag naar de Mis ga en elke dag bewust ter Communie ga, veel minder ziek word. Het gaat erom dat we ons hiervan bewust worden. Waarin bestaat dus het ‘Goede Nieuws’? De mogelijkheid van een totale genezing, van de terugkeer van de menselijke natuur zoals zij in het begin was en de mogelijkheid tot toegang tot het Koninkrijk der Hemelen. De eerste twee zullen in de nabije toekomst volledig worden verwezenlijkt, wanneer er Nieuwe Hemelen en een Nieuwe Aarde zullen verschijnen; de derde is al verwezenlijkt voor degenen die Jezus vanaf Zijn Verrijzenis hebben aanvaard. Het begrijpen van de boodschap van deze openbaring betekent het in handen hebben van het gehele panorama van de mensheid, vanaf haar schepping en val tot aan haar herschepping.

Bron

Vertaling uit het Italiaanse pdf-document; dr. Francesco Saverio Martelli, wanneer geloof en rede hetzelfde verhaal kunnen vertellen (in de taal van de chromosomen):

Dr. F.S. Martelli: De taal van de chromosomen – biologische zondeval verklaart ziekte en lijden


Hoe de biologische Zondeval het raadsel van het menselijk lijden en ziekte verklaart

De ondertitel overbrugt de kloof die dr. F.S. Martelli en don Guido Bortoluzzi overspannen: de stap van het theologische mysterie van het kwaad en de Zondeval naar de concrete medische en biologische realiteit van chromosomale pathologieën en menselijke aandoeningen. Deze toelichting vormt zo een directe, heldere brug tussen het theoretische kader en de medische opsomming die volgt.

INHOUD

  • De Bijbel had gelijk!
  • Het mysterie van het kwaad en het lijden
  • Een alomvattend antwoord: De Bijbelse Genesis
  • De creatio mediata (middellijke schepping)
  • Genetische sequelae van de Zondeval (Erfzonde)
  • Chromosomale pathologieën gerelateerd aan de Zondeval:
    • Verloskundige pathologieën
    • Groeistoornissen en ontwikkelingspathologieën
    • Spraak- en taalpathologieën
    • Oogheelkundige pathologieën
    • Neoplastische aandoeningen (oncologie)
    • Orthopedische pathologieën
    • Auto-immuunaandoeningen:
      • Systemische lupus erythematodes
      • Parodontitis
      • Reumatoïde artritis
      • Sclerodermie
  • Het Rhesus-antigeen (Rh-factor)
  • Pathologieën van het stomatognatisch systeem (mond- en kauwstelsel)
  • Psychiatrische en psychische pathologieën
  • Conclusie

PDF

Presentatie

Dit werk (Deel 1, 2 en 3) is gebaseerd op de lezing van dr. F.S. Martelli, gehouden op 2 oktober 2012 te Farra d’Alpago ter gelegenheid van de twintigste gedenkdag van het overlijden van don Guido Bortoluzzi.

Over dit DEEL: Een verhandeling over het mysterie van het kwaad en het menselijk lijden. De openbaring aan don Guido biedt — door het bekendmaken van de oorspronkelijke, volmaakte schepping van de mens volgens de Bijbel en de daaropvolgende val via hybridisatie van het menselijk geslacht — een rationeel verklaringskader voor het ontstaan van chromosomale pathologieën en overige vormen van lijden.

De Bijbel had gelijk!

Het identificeren van het criterium om de ongegrondheid van de evolutietheorie aan te tonen, vervulde mij met een grote vreugde en een diepe vrede. Eindelijk kon ik, met de gegevens in de hand, bewijzen dat de Bijbel gelijk had! Het creationisme was het enige logische criterium om het werk van God op de juiste wijze te begrijpen. Ik heb het hier niet over dat fundamentalistische creationisme dat, uit angst voor interpretatiefouten, de Heilige Schrift letterlijk neemt! Wie dat doet, zal nooit de hoop hebben de diepere zin van het Woord van God te leren kennen. God openbaart zich immers altijd op een gesluierde wijze, om zo zelf het licht te schenken aan wie Hij wil en wanneer Hij wil.

Het mysterie van het kwaad

Maar er waren nog heel andere punten die mij niet geringe twijfels gaven. Waarom is de mens — als hij als laatste in de evolutionaire reeks is geschapen en bovenal naar het beeld en de gelijkenis van God — zo zwak, breekbaar, pervers en ongelukkig?

Ieder van ons heeft zich ten minste één keer in zijn leven deze vragen gesteld: hoe komt het dat wij de enige levende wezens zijn die in staat zijn tot een zeer ingrijpende, en vaak zeer verwoestende, interactie met de natuur, met doeleinden die vaak aan elke logica ontsnappen? En bovenal heeft ieder van ons zich afgevraagd: waarom bestaat het kwaad? En waarom laat een goede God, als Hij bestaat, de dingen al eeuwenlang zo doorgaan zonder in te grijpen? Wie van ons heeft zich nooit afgevraagd waarom wij de enige levende wezens zijn die in staat zijn om onze soortgenoten op systematische wijze te doden, tot het bedenken en uitvoeren van massavernietiging aan toe?

Dit is het fundamentele thema van het mysterie dat nog steeds niet volledig is opgelost: het beroemde ‘mysterie van de ongerechtigheid’, het ‘mysterie van het kwaad’. En dit mysterium iniquitatis, samen met de vragen over het waarom van het lijden, de ziekte en de dood — de centrale thema’s van ons menselijk bestaan — begeleiden sinds heugenis de ontwikkeling van de verschillende filosofieën en religies, waar ieder op zijn eigen manier een antwoord probeert te geven.

Onder de vele vragen die ik mijzelf stelde, was er vooral één ding dat niet klopte: wat had de mens zo onvolmaakt gemaakt, als Genesis zegt dat hij in het begin ‘zeer goed’ was? En waarom treffen de chromosoom-syndromen zoveel onschuldige kinderen die zo misvormd worden geboren? Het is waar, we weten het uit de Bijbel, dat er aan de oorsprong de Zondeval (Erfzonde) staat die het werk van God heeft bedorven. En we weten ook uit de teksten van het Oude en Nieuwe Testament dat door deze Zonde het lijden, de ziekte en de dood in de wereld zijn gekomen: al in Genesis wordt gesproken over een vermenigvuldiging van de vrouwelijke smarten, van een geboorte die met pijn gepaard gaat (Gen. 3:16) en van de dood als uiterste straf voor de ongehoorzaamheid, naast het verbod (voor Eva en haar nakomelingen) op toegang tot de symbolische Boom des Levens, de genealogisch zuivere Boom van de afstamming van Adam en de Vrouw, ook wel die van de Kinderen van God genoemd, zoals we zo meteen zullen zien.

Maar hadden de trots en de hoogmoed van de stamouders werkelijk zo massaal kunnen inwerken op de psychische en fysieke natuur van de mens?

De vele antwoorden die ons op deze vragen worden gegeven zijn vaak simplistisch, meer of minder in lijn met onze nieuwsgierigheid of onze drang om te weten. Soms zijn ze zo simplistisch, kinderlijk en ongeloofwaardig dat ze niet bevredigen. Soms zijn ze juist zo ingewikkeld dat alleen ingewijden ze begrijpen. Het lijkt wel alsof hoe moeilijker ze zijn, hoe groter hun intrinsieke waarde zou zijn. Maar het zijn altijd gedeeltelijke antwoorden, die nooit geplaatst zijn in een logische context die Geloof en Verstand met elkaar in harmonie brengt.

Een uitputtend antwoord: de Bijbelse Genesis

Ik verkeerde in dit soort gedachten toen er op een dag een boek in mijn handen viel dat alle antwoorden op mijn vragen gaf. Het boek was GENESI BIBLICA (‘Bijbelse Genesis’), geschreven door een inmiddels overleden priester: don Guido Bortoluzzi. Het betrof een openbaring die deze priester van de Heer zou hebben ontvangen. Als de pragmatische arts die ik ben, voelde ik wat wantrouwen tegenover een openbaring. We weten immers dat de Kerk leert dat de Openbaring is afgesloten met de laatste apostel. Maar ik wist ook dat God nog steeds tot het hart van sommige mensen en tot de heiligen spreekt. Dus las ik het. Uit nieuwsgierigheid! Het boek behandelde de schepping van de mens en de Erfzonde vanuit een nieuw perspectief, dat ik nog nooit in overweging had genomen.

Ook don Guido had zich zijn hele leven ontfermd over deze fundamentele vragen van het menselijk zijn: wie zijn wij, waar komen we vandaan en waarom zijn we zo ongelukkig? De geschiedenis van de mens wordt sinds heugenis gekenmerkt door dezelfde vragen over de eigen oorsprong. Wij kennen het antwoord dat onze religie geeft. En zo proberen ook vele andere religies en talrijke filosofische stelsels dat te geven. Maar ons verstand neemt geen genoegen met antwoorden die niet uitputtend zijn. Daarom kwam dit boek voor mij op het juiste moment.

Deze priester uit Belluno, die zo’n twintig jaar geleden is overleden, had van de Heer een reeks openbaringen ontvangen — vanaf de schepping van het universum tot die van de mens — die de meest duistere en controversiële punten van Genesis verhelderen. Zo openen zij voor ons, mensen van het derde millennium, de weg naar het begrip van de waarheid, de enige die ons vrij kan maken.

Zonder in detail te willen treden over de openbaringen die don Guido ontving — wiens boek ik van harte aanbeveel aan iedereen die dorst naar authentieke kennis — breng ik kort in herinnering dat de stelling in deze geschriften inhoudt dat de stamvader van de menselijke soort, ‘Adam’, twee afstammingslijnen zou hebben voortgebracht:

  1. één genetisch zuivere en wettige lijn met de Vrouw die God hem als gezellin ter zijde had gesteld, en
  2. een tweede, onwettige lijn, het resultaat van de paring met een mensachtig vrouwtje (antropomorf) van een lagere, doch genetisch compatibele soort, bijnaam ‘slang’, zoals te lezen valt in Gen. 3:15 waar staat: “Ik zal vijandschap stichten tussen u, slang (bijnaam gegeven aan het vrouwtje van de lagere soort, ook wel Eva genoemd: Eva betekent in de oude Semitische talen slang), en de Vrouw (de wettige echtgenote van Adam), tussen uw nageslacht en haar nageslacht”.

Met deze openbaring legt don Guido ons op een zeer eenvoudige en heldere manier uit waar deze raadselachtige Erfzonde uit bestond: de Zonde was de kruising tussen de twee genetisch zuivere soorten — die van de ‘Kinderen van God’ en die van de voormenselijke soort — die zijn samengesmolten en zo het ontstaan hebben gegeven aan een hybride menselijke soort: die van de ‘kinderen der mensen’.

Uit deze kruising, oftewel uit de ‘hybridisatie’ van de zuivere soort van de Kinderen van God, en uit de daaropvolgende ontwikkeling van twee afzonderlijke en verschillende stambomen (de eerste boom, de zuivere van de ‘Kinderen van God’ afstammend van de Vrouw, en de tweede, de hybride van de ‘kinderen der mensen’ afstammend van Eva, maar beide met Adam als stamvader), die zich ook later nog meerdere malen onderling hebben gekruist, komt de gehele menselijke soort voort zoals wij die kennen: fysiek en psychisch aangetast en lijdend aan een groot aantal pathologieën die veroorzaakt worden door de zo in het genoom geïntroduceerde wanverhoudingen. Het was het eerste catastrofale experiment van genetische manipulatie in de geschiedenis van de mens, waarvan de sporen nu nog voor iedereen zichtbaar zijn — als men ze maar wil zien!!! Hybridisatie is derhalve de mysterieuze ‘Erfzonde’ waarvan de gevolgen zich via ‘biologische’ mechanismen overplanten (zoals bevestigd in een reeks catecheses door Benedictus XVI op 3, 8 en vooral die van 10 december 2008), en waarvan alle mensen al miljoenen jaren de last dragen zonder er verantwoordelijk voor te zijn.

Eindelijk wordt het samengaan van de Erfzonde en de verkeerd gebruikte Vrije Wil verklaard!

Dientengevolge verschilt het karyotype van de huidige mens kwalitatief van dat van de oorspronkelijke mens in de specificiteit van de genen, omdat het huidige het resultaat is van een hybridisatie. Het ontbreken van deze verklaring maakte niet alleen het Genesisverhaal over de oorsprong van de mens en zijn val controversieel, maar leidde er uiteindelijk ook toe dat vele mensen zich afkeerden van God de Vader, wiens Gestalte bij gebrek aan een logische verklaring ernstig werd geschonden en aangetast in Zijn onvervreemdbare eigenschappen van goedheid en rechtvaardigheid. De God van Genesis leek zonder de openbaring van don Guido eerder op een onbeholpen vader-heerser dan op een liefdevolle Vader.

De ‘bemiddelde’ schepping

Wanneer we het werk van don Guido lezen, begrijpen we dat hij nooit uit zichzelf tot het formuleren van zijn stelling had kunnen komen. Immers, vóór de openbaring maakte hij momenten van grote ontmoediging doormaken, omdat hij, hoewel hij alle wetenschappelijke en theologische informatiebronnen had gelezen, voor een doodlopende weg stond. Pas toen zijn overgave totaal werd, greep de Heer in om hem het mysterie van de schepping en de val van de mens te onthullen, overeenkomstig wat Hij hem al in zijn jeugd had beloofd toen Hij aankondigde dat Hij op de juiste tijd zelf zou ingrijpen om “hem licht te verschaffen over de duistere punten van Genesis”.

Met de openbaring liet de Heer hem de feiten zien en nodigde hem uit om daaruit de regel af te leiden die niet alleen geldt voor de schepping van de Man en de Vrouw, maar voor elke soort.

Via don Guido komen we te weten dat er tussen de voorouders (een soort mensapen die nu is uitgestorven, perfect volgens hun soort en met een karyotype van 48 chromosomen) en het eerste exemplaar van de menselijke soort, Adam (door de Heer genetisch perfect geschapen ‘in de staat van zygote’ en met een diploïd karyotype van 46 chromosomen), een ‘tussen-vrouwtje’ heeft bestaan met de bijnaam Eva. Zij had een karyotype van 47 chromosomen en was daardoor interfertiel (tussensoorten-vruchtbaar); zij was door God zo gewild en geschapen om haar baarmoeder te lenen aan de scheppende wil van God, om de zwangerschap van de eerste twee Kinderen van God te dragen zonder gevaar voor afstoting, en om hen te zoogden en te verzorgen tijdens hun groei.

Adam, het eerste exemplaar van de menselijke soort, werd geboren als perfect volgens het plan van God. Er is bij de verwekking en tijdens de zwangerschap geen enkel gen overgegaan van de bestaande vooroudersoort via het tussen-vrouwtje, omdat Adam een totaal ‘nieuwe schepping’ was. Alleen de voeding is doorgegeven.

Als eerste levende van de Boom des Levens — oftewel behorend tot de stamboom van de Kinderen van God — had Adam, de dominus, de heer van deze wereld, als echtgenote de Vrouw, de domina, die eveneens tot de Boom des Levens behoorde en op soortgelijke wijze door God was voortgebracht. Hun nageslacht was vrij van ziektes omdat het genetisch perfect was. Het was dus zonder genetische afwijkingen van welke aard ook, en begiftigd met de Geest van God.

Maar Adam wilde God ongehoorzaam zijn om een geheel eigen nageslacht te hebben, los van het gezag van God. Hij wilde zelf schepper van het leven worden buiten het plan van God om, en hij paarde met Eva, het voorouderlijke vrouwtje dat hem door de Heer was verboden en door de Bijbel met ‘slang’ werd aangeduid.

Het onvoorziene gebeurde: de geboorte van Kaïn, een ‘mens’ met voorouderlijke trekken, met een gewijzigd karyotype volgens de wetten van de genetica zoals beschreven door Mendel bij kruisingen tussen genetisch verschillende, doch compatibele individuen! Wij zijn nu allen afstammelingen van Kaïn.

Zo werd Eva, met de geboorte van Kaïn, de stammoeder van de hybride soort. Daarom noemt Genesis haar “de moeder van alle levenden” — die wij zijn, opgevat als mensheid.

De wijze waarop de Heer ingrijpt bij de schepping van elke soort wordt vrij gedetailleerd uitgelegd in het boek van don Guido Bortoluzzi, GENESI BIBLICA.

Genetische gevolgen van de Erfzonde

Laten we nu kijken wat er gebeurt wanneer twee verschillende soorten samensmelten.

Mendel had zijn drie wetten van de genetica al geformuleerd op basis van observatie. We hebben in de vorige hoofdstukken gezien hoe de samensmelting van de twee gameten — die afkomstig van de vader en die van de moeder, beide 23 chromosomen bij de menselijke soort — een nieuwe cel doet ontstaan. Deze herwint zo het volledige genetische erfgoed met 46 chromosomen, waaruit een nieuw individu geboren wordt met de helft van de kenmerken van de vader en de helft van de moeder.

Bij het begaan van de Erfzonde verwekte Adam, die tot de ‘perfecte’ menselijke soort behoorde, door zich te verenigen met een voormenselijk vrouwtje, Eva, de hybride Kaïn. Als het individu dat geboren wordt hybride is, wordt het ‘aangetast’ geboren, aangezien het een DNA erft dat niet langer overeenkomt met het oorspronkelijke programma. Dientengevolge verschilt het karyotype van Kaïn kwalitatief van dat van de oorspronkelijke mens Adam in de specificiteit van de genen, omdat het het resultaat is van een hybridisatie.

Bij dieren zien we dezelfde gevolgen. Als de ouders niet tot verschillende rassen behoren, maar tot verschillende ‘soorten’, ontstaat er — zelfs als ze uitzonderlijk compatibel zijn — een genetische wanorde met rampzalige gevolgen voor het nageslacht. Voorop staat het zeer hoge percentage onvruchtbaarheid. Zie bijvoorbeeld muildieren en muildierezels.

Bij menselijke wezens veroorzaken chromosoomafwijkingen in de ernstigste gevallen chromosomale syndromen en pathologieën. In minder ernstige gevallen geven ze ‘altijd’ aanleiding tot een of andere vorm van wanverhouding, ook al kunnen ze voor het oog onopgemerkt blijven.

Oorsprong van chromosoomafwijkingen

Laten we wat meer in detail treden. Als de twee gameten tot twee verschillende soorten behoren — zoals in het geval van Adam die 46 chromosomen had en Eva 47 (het voormenselijke vrouwtje dat door God geschapen was als ‘draagmoeder’ voor de zwangerschap van de eerste twee Kinderen van God), met een genetisch informatie-erfgoed dat ‘anders’ was dan dat van de zuivere menselijke soort — treedt er een reusachtige genetische wanverhouding op. En aangezien wij de afstammelingen zijn van deze verboden kruising, dragen wij potentieel alle mogelijke misvormingen in ons genetisch erfgoed mee. De meest ernstige, die onverenigbaar zijn met het leven, veroorzaken spontane abortussen; de iets minder ernstige, die echter wel ernstig invaliderend zijn, geven aanleiding tot een oneindige reeks chromosoom-syndromen en -pathologieën.

Na Noach kan geen mens op de planeet als gezuiverd van deze besmetting worden beschouwd, behalve de H. Maagd Maria, die de vrucht is van een nieuwe schepping, en Jezus, Zoon van Maria door de werking van de Heilige Geest.

De openbaring die don Guido ontving, heeft werkelijk een historische wending teweeggebracht in het eeuwenoude conflict tussen Geloof en Wetenschap. Zij herwaardeert het Geloof en tegelijk de Wetenschap, want terwijl zij de oorzaken uitlegt van de aantastingen die in het menselijk genoom zijn geïntroduceerd, maakt zij de reden van een groot deel van ons lijden duidelijk en wijst zij ons de weg om eruit te komen door ons te wenden tot de barmhartige Kracht van God. Alleen Hij die de Schepper is, is in staat om het menselijk geslacht op wijze wijze te gidsen naar een totale genezing door middel van de Verlossing die door Christus is bewerkt.

Enkele ‘Chromosoom-pathologieën’ verbonden met de Erfzonde

Laten we dus op zoek gaan naar deze sporen of littekens van de primordiale hybridisatie, die aan de deskundige ogen van wie met passie de medische wetenschappen heeft bestudeerd en uitgeoefend, niet kunnen ontkomen. Vanaf de dag dat ik het boek van don Guido las, begon ik vanuit medisch oogpunt na te denken over de “eigenaardigheid” van een hele reeks Pathologieën en Syndromen die het gevolg zijn van de hybridisatie van de soort, die uitsluitend het menselijk ras treffen en waarvan de dierenwereld vrijwel vrij is.

De lijst is lang. Ik stip er enkele aan:

  1. Obstetrische pathologieën
  2. Groeipathologieën
  3. Taalpathologieën
  4. Oogheelkundige pathologieën (oftalmische pathologieën)
  5. Neoplastische pathologieën en de hele lange reeks van erfelijke ziekten, voor zover deze niet rechtstreeks verband houden met de werking van virussen, bacteriën, schimmels of andere parasieten
  6. Orthopedische pathologieën
  7. Auto-immuunziekten, zoals lupus, pyorroe (parodontitis), reumatoïde artritis en de Rhesus-factor (Rh-antigeen)
  8. Pathologieën van het stomatognatische systeem (het kauw- en spraakapparaat)
  9. Psychische pathologieën

Zoals we hebben gezien, onderscheiden chromosoompathologieën zich van chromosoom-syndromen doordat syndromen gelijktijdig vele organen, gebieden en stelsels aantasten en al vanaf de conceptie aanwezig zijn, terwijl chromosoompathologieën pas in de loop van het leven ontstaan en alleen wanneer er een aanleg voor bestaat.

  1. Obstetrische pathologieën

Laten we om te beginnen uitgaan van de verloskundige (obstetrische) referenties. Deze zijn immers het gemakkelijkst te begrijpen, ook voor degenen zonder medische achtergrond.

Tot het einde van de negentiende eeuw was de bevalling voor de vrouw de belangrijkste doodsoorsprong. Het is voldoende om een paar keer in een verloskamer te zijn geweest om te begrijpen dat een bevalling voor een vrouw altijd een dramatische gebeurtenis is. Niet alleen vanwege de scherpe, hevige pijnen die gepaard gaan met alle ontsluitingsfasen waarin het geboortekanaal wordt gevormd, maar vooral vanwege het aantal, de incidentie, de verscheidenheid en de ernst van complicaties die vaak dodelijk of ernstig invaliderend zijn voor zowel de moeder als het kind.

Van dergelijke complicaties is in de dierenwereld geen sprake. Dieren hebben geen keizersnede, verloskamers of verloskundige bijstand nodig; de geboorte van jongen is een volstrekt fysiologisch proces dat slechts zelden een dramatisch karakter aanneemt. Dieren neigen ertoe zich af te zonderen tijdens de bevalling, terwijl de menselijke vrouw sinds heugenis behoefte heeft aan hulp en bijstand.

De bevalling veroorzaakt bij de vrouw — vooral bij primiparae (vrouwen die voor het eerst bevallen), maar vaak ook bij latere bevallingen — onder de vele complicaties scheuren ter hoogte van de spieren die het uiteinde van het geboortekanaal vormen. Dit is een duidelijk teken van een dimensionele ontoereikendheid van dit kanaal, dat niet is ontworpen om kinderen van zulke grote afmetingen door te laten. De eenvoudigste oplossing die de verloskundige toepast is de episiotomie: een vrij ruime insnede in de vaginale zijwand die in de laatste fasen van de bevalling een gemakkelijkere uitdrijving van het kind mogelijk maakt, waardoor gevaarlijke scheuren worden voorkomen en de pijn en stress voor de vrouw aanzienlijk verminderen.

In het licht van de openbaringen aan don Guido is het niet moeilijk voor te stellen wat er op anatomisch en fysiopathologisch niveau is gebeurd met het vrouwelijke voortplantingssysteem van de menselijke soort. Het oorspronkelijke ontwerp van de zuivere mens, die een zeer hoge gestalte had, voorzag in een anatomische structuur die was afgestemd op kinderen die bij de geboorte aanzienlijk groter waren dan de jongen van de voorouders. De ‘zuivere voormenselijke vrouwtjes’, die nauwelijks een hoogte van 100 cm bereikten, hadden een anatomische structuur van het voortplantingsstelsel die in verhouding stond tot de afmetingen van hun jongen. Dat geldt niet voor de anatomische structuur van de ‘hybride vrouwen’, het resultaat van de kruising tussen de eerste twee zuivere soorten; deze hybride vrouwen kwamen zelf evenmin vaak boven de 1,50 meter uit, een lengte die toen net als nu veel dichter bij de voorouderlijke structuur lag.

De hybride vrouwen — in de Bijbel de “dochters der mensen” (Gen. 6:1) genoemd, van wie de mooisten tot vrouw werden genomen door de “Kinderen van God” — brachten door te paren met mannen van meer dan 2 meter groot kinderen ter wereld met hoofden die aanzienlijk te groot waren voor de opvangcapaciteit van hun geboortekanaal. Dit kanaal was ondergeproportioneerd en vaak onverenigbaar met een fysiologisch normale bevalling. De kinderen die uit deze kruisingen werden geboren, waren hybriden die toevalligerwijs de gestalte van hun vaders hadden; om deze reden werden zij in Genesis (Gen. 6:4) dan ook “giganten” (reuzen) genoemd. Vers 4 zegt immers: “In die tijd waren er giganten op aarde. Want nadat de Kinderen van God tot de dochters der mensen waren ingegaan en zij kinderen baarden, kwamen daar die machtige mannen uit voort, die van oudsher vermaard waren.”

Ook de fysiologie van de vrouwelijke hormonale cyclus is atypisch vergeleken met de dierenwereld. Vrouwen lijden aan pijnlijke menstruele en premenstruele syndromen, zowel in de buikstreek als in het hoofd, en tijdens de eerste maanden van de zwangerschap hebben zij last van misselijkheid en baarmoedercontracties, alsof hun organisme moeite heeft om zich aan te passen aan de zwangerschap en zich, door deze niet te accepteren, bijna wil bevrijden van het embryo. De medisch-legale term die vandaag de dag op medische attesten wordt gebruikt, is die van ‘dreigende miskraam’ (Minaccia di aborto).

Bovendien kennen hybride vrouwen de overgang (menopauze), een fenomeen dat bij vrouwelijke dieren niet bestaat. We weten niets over de ‘Dochters van God’, maar aangezien zij een zeer lange levensverwachting hadden — meer dan het dubbele van de huidige vrouwen — was de menopauze, als deze al bestond, pas op zeer hoge leeftijd aanwezig.

  • Groeipathologieën

Laten we nu proberen een ander fundamenteel aspect te analyseren om de verwoesting te begrijpen die de hybridisatie in het menselijk genoom heeft veroorzaakt — een aspect dat, hoewel niet expliciet vermeld in de Bijbel, vrij coherent wordt beschreven in andere particuliere openbaringen. Een van de vele verhelderende passages, waarvan ik de lezing ter aanvulling adviseer, is te vinden in de Schriften 1945-1950 van Maria Valtorta, in het dictaat van 30 december 1946. Uit een nauwkeurige analyse van deze tekst blijkt dat: de initiële hybridisatie — mogelijk gemaakt door een genetische compatibiliteit tussen de twee oorspronkelijk gescheiden en genetisch zuivere soorten — een derde soort had geschapen, een soort hybriden. Deze soort was het resultaat van de kruising tussen de eerste twee en werd door de mensen voortgedreven tot extreme vormen van verval.

Deze kruisingen tussen de Kinderen van God en de hybride takken, die fysiek en psychisch aangetast waren, waren vaak het gevolg van ronduit seksueel geweld. Het waren niet alleen de Kinderen van God die de dochters van de hybride mensen verkrachtten om uit hen sterkere en intelligentere slaven te verkrijgen (Gen. 6:1); ook onder de brutale voormensen ontstond het gebruik om de Dochters van God met geweld te nemen en te ontvoeren. Van daaruit ontstond de noodzaak om gewapende bewakers, de Cherubijnen, op te stellen ter verdediging van de Boom des Levens, dat wil zeggen van de Zonen en Dochters van God.

Vanuit seksueel oogpunt kunnen deze gedragingen vandaag de dag worden aangemerkt als ‘bestialiteit’, terwijl ze vanuit voortplantingsoogpunt in de oudheid leidden tot het ontstaan van echte ‘monsters’.

In de loop van miljoenen jaren stierf de zuivere menselijke soort door de toenemende promiscuïteit uiteindelijk uit, doordat zij werd geassimileerd door de hybride soort. Noach was de laatste zuivere Kind van God.

De hybridisatie bracht een onbeperkt aantal varianten met zich mee, zowel in uiterlijk als in gestalte (dwerggroei en reuzengroei) en in chromosoomafwijkingen.

Uit deze situatie van permanente en onbewuste genetische manipulatie vloeien de Chromosoom-syndromen en -pathologieën voort, als het relict van een schrikbarende geschiedenis waaraan God de Vader een halt toeriep met de Zondvloed (Gen. 6:5), waarbij de onherstelbare individuen werden geëlimineerd.

  • Taalpathologieën

De openbaring van don Guido vertelt ons bovendien wat het belangrijkste kenmerk was van de hybriden — het kenmerk dat aan Kaïn, die weliswaar een hybride maar toch een mens was, een onderscheidend teken gaf: ‘het woord’ (de spraak).

Vanaf het moment dat na de moord op Abel de klopjacht van Adam op de voormensen begon — de mensapen op wie Kaïn leek — was ‘het woord’ het doorslaggevende kenmerk. Wanneer Adam tegenover hen stond, kon hij het wezen dat niet sprak doden, omdat het een dier was. Natuurlijk geldt dit criterium vandaag niet meer voor ons: hoewel we nu allemaal hybriden zijn, zijn we ook allemaal mens, zoals Kaïn dat was.

Toen de Kinderen van God van de aarde waren verdwenen doordat zij in de opeenvolgende generaties genetisch besmet waren geraakt door de kinderen der mensen, stierven met de Zondvloed de hybride takken uit die genetisch het meest instabiel en gecorrumpeerd waren. Volgens het bijbelse verhaal en de talrijke overeenkomsten met latere particuliere openbaringen dient de ‘Zondvloed’ er juist voor om de soort opnieuw te laten starten vanuit Noach en zijn nakomelingen. Zij waren eveneens hybriden (aangezien de vrouw van Noach hybride was), maar met een aanzienlijk lager besmettingsgehalte dan in het begin. Vanaf dat moment begon een langzaam herstel, waarmee een tak van verval werd gestopt die de mens er toe had gebracht bijna ononderscheidbaar te zijn van mensapen, ware het niet vanwege dat ene teken: ‘het Woord’, oftewel het vermogen om ideeën en concepten te ontwikkelen en deze uit te drukken in gesproken en vervolgens geschreven taal. God had immers bij Kaïn — de eerste hybride, onwettige zoon van Adam en de voormenselijke Eva — de taalcentra in stand gehouden, zodat hij en zijn nakomelingen als mens zouden worden herkend, aangezien zij geen enkel ander kenmerk bezaten dat hen ondubbelzinnig van mensapen onderscheidde.

De cerebrale functionaliteit van het gebied van Broca is echter niet ongeschonden gebleven voor de gevolgen van de hybridisatie. De spraak van Kaïn was niet helder en zuiver. Kaïn ‘brabbelde’ of mompelde en begon pas zeer laat te spreken. Waarschijnlijk is de spraakverwarring (verwarring der talen), waar de Bijbel over spreekt als een straf voor de bouw van de Toren van Babel, verbonden met een gebrekkige werking van de taalcentra, evenals andere pathologieën zoals dyslexie of stotteren. Overigens wordt de onmogelijkheid om een constante taal te behouden gestaafd door de veranderingen die talen langzaam maar gestaag ondergaan, onafhankelijk van de invloed van andere taalgebieden, zelfs in landen die geen veroveringen of invasies hebben gekend. Denk aan de verandering die het Portugees in Brazilië heeft ondergaan ten opzichte van het Portugees in Portugal, of hoe het Engels is veranderd vanaf de tijd van Shakespeare tot nu, of heel eenvoudig aan de dialectverschillen (vaak alleen in uitspraak) die in Italië te vinden zijn tussen steden of dorpen die slechts enkele kilometers van elkaar verwijderd liggen.

  • Oogheelkundige pathologieën

Een voorbeeld van een oogheelkundige pathologie die gebonden is aan genetische factoren is bijziendheid (myopie). Het kan voorkomen dat het ene oog een zekere mate van bijziendheid vertoont en het andere oog een gezichtsvermogen heeft van 10/10 (100%).

Bijziendheid wordt simpelweg veroorzaakt doordat tijdens de groeifase de oogbol te lang wordt in verhouding tot de scherpstellingsstructuur, die niet in dezelfde verhoudingen meegroeit. Hierdoor valt het brandpunt niet langer op het netvlies, maar vóór het netvlies. Dit kan zich ook in slechts één oog voordoen.

De werkelijke reden voor deze pathologie is dat in het bijziende oog het ene deel genetisch gekoppeld is aan een structuur die voorzien was voor een individu van meer dan 2 meter lang (zoals de Kinderen van God waren), terwijl het andere deel van hetzelfde oog gekoppeld is aan een structuur die voorzien was voor een individu van 1,10 meter lang (zoals de voormensen maten). Deze pathologie wordt klaarblijkelijk veroorzaakt doordat genen die bepaalde structuren programmeren voor een lichaam van een specifieke omvang, op een afwijkende, dissonante wijze inwerken samen met genen die andere structuren programmeren voor een lichaam met veel kleinere afmetingen.

Zo wordt het oog in de diepte langer alsof het het oog is van een lang individu, terwijl het hoornvlies en het netvlies geprogrammeerd blijven voor het oog van een wezen met een veel kleinere gestalte.

Bijziendheid openbaart zich in de regel tijdens de puberteit omdat het gebonden is aan de lichamelijke groei. Wanneer de groei rond het 20e levensjaar stopt, stabiliseert de bijziendheid zich.

Wij zien deze dingen dagelijks om ons heen, maar we staan er simpelweg niet bij stil. Maar als we uitgaan van de kennis over de factoren die het individu verwoesten op het niveau van talloze organen en stelsels, dan begint de vakman — de arts, de bioloog, de onderzoeker — het dagelijks leven al snel op een andere manier te observeren. En hij begint verbanden te leggen waar hij daarvoor nooit aan gedacht zou hebben. Toen ik zelf begon te groeien, ontwikkelde ik een bijziendheid die steeds verder toenam; toen ik eenmaal volgroeid was, stabiliseerde deze zich, en sindsdien gebruik ik dezelfde bril als toen ik 20 jaar oud was. En nu ben ik 52.

Als bijziendheid het resultaat zou zijn geweest van oververmoeidheid of inspanning van het oog, zoals mijn oogarts destijds beweerde, dan had het moeten blijven toenemen, want ik ben ook na mijn 20e blijven studeren. Sterker nog: ik heb mijn ogen veel intensiever gebruikt sinds ik ben beginnen te werken dan toen ik studeerde.

  • Neoplastische pathologieën

We hebben een hele lange reeks erfelijke neoplastische ziekten (kankeraandoeningen) die, wanneer ze niet rechtstreeks gekoppeld zijn aan de werking van virussen, bacteriën, schimmels, andere parasieten, straling of het gewone verouderingsproces van levende wezens, van chromosomale oorsprong zijn.

Tumoren. Ik wil hier niet dieper ingaan op het reusachtige terrein van tumoren met een genetische oorzaak. Zelf heb ik een broer gehad die op 8-jarige leeftijd overleed aan een tumor. Mijn broer was op de leeftijd van zes maanden al ziek door een retinoblastoom. Retinoblastoom wordt vandaag de dag erkend als een van de ernstigste genetisch gebonden vormen. Met drie maanden is een van zijn ogen verwijderd. Na zes jaar werd een uitzaaiing/herhaling van de ziekte in het andere oog gediagnosticeerd en is hij overleden. Tot op de dag van vandaag begrijpt mijn moeder dit niet. Er is vrijwel geen familie onder ons die niet een dergelijk geval kent.

  • Orthopedische pathologieën

De zichtbare afwijkingen zijn de afwijkingen die we vaststellen op het niveau van de huid, de ledematen en het gezicht. Als we ons op specifieke details richten, bijvoorbeeld op de ledematen, zien we dat deze vaak het zwaarst getroffen zijn.

Vanwege het werk dat ik doe, kijk ik als eerste naar de mond, vervolgens naar de handen en bovenal naar de voeten.

Zonder meteen te willen kijken naar zware misvormingen die gebonden zijn aan zeer ernstige chromosoomafwijkingen: als we proberen naar de voeten van mensen te kijken, is het uiterst zeldzaam om twee voeten te vinden die volkomen symmetrisch en identiek zijn. Dat is heel moeilijk! Naar mijn mening zijn deze minder kritische afwijkingen te correleren aan coderingen die aanwezig zijn op kleinere en minder belangrijke chromosomen, die de expressie bepalen van de vorm, de afmetingen en de volumetrie van de handen en vooral de voeten. Omdat ze minder kritisch zijn, hangen deze afwijkingen af van de kleinere chromosomen. Desalniettemin vallen deze afwijkingen meteen op wanneer er iets niet klopt — zoals wanneer de ene voet langer is en de andere korter —, nog los van die zware misvormingen die gebonden zijn aan veel ernstigere chromosoomveranderingen, zoals trisomieën.

  • Auto-immuunpathologieën

Ons immuunsysteem is de structuur die bedoeld is om ons te beschermen tegen virussen, bacteriën en schimmels. Het is de politieagent van het organisme die optreedt ter onzer bescherming.

De kennis op het gebied van auto-immuunziekten heeft zich vanaf de jaren ’70-’80 enorm ontwikkeld. Deze is zeer recent, want daarvoor wist men er vrijwel niets van.

Ook hier spreken we van syndromen wanneer er gelijktijdig vele organen, gebieden en stelsels bij betrokken zijn, en spreken we van pathologieën wanneer het slechts één orgaan betreft.

Als we kijken naar auto-immuunpathologieën, zien we dat de ‘markers’ van deze ziekten — oftewel de resultaten van de tests die de diagnose stellen — ons vaak vertellen dat de betreffende patiënt antistoffen heeft tegen de eigen structuren. Deze patiënten ontwikkelen antistoffen tegen zichzelf.

Dit is een bewijs van het feit dat om een willekeurige reden, die op een later moment na de geboorte optreedt, bij die patiënt een vrij fragiel evenwicht verbroken wordt. Op een zeker moment in het leven herkent het immuunsysteem van die patiënt de bestanddelen van het eigen organisme, die het al vanaf de geboorte met zich meedraagt, niet langer als behorend tot zichzelf.

Lupus is bijvoorbeeld een zeer ernstige auto-immuunpathologie die gekenmerkt wordt door een marker die in het bloedonderzoek de aanwezigheid van antistoffen tegen het eigen DNA aantoont. Het zou interessant zijn om dieper in te gaan op het thema ‘Lupus’, maar dit is daar niet de aangewezen plaats voor. Lupus is een van de auto-immuunziekten die ook de dood kan veroorzaken. Wanneer deze rond het 8e of 10e levensjaar ontstaat, overlijden deze kinderen vaak. Vroeger stierven al deze kinderen. Zelf heb ik een medewerker van 27 jaar die aan Lupus lijdt, en toen hij mij deze zomer de resultaten van zijn laboratoriumonderzoek liet lezen, zag ik dat het een oorlogsbulletin was. Zelfs iemand van 90 jaar heeft niet zulke uitslagen bij de klinisch-chemische tests. De waarden zijn volledig ontregeld op ademhalings-, nier- en hartniveau. De afwijkingen beginnen op 20-jarige leeftijd al zichtbaar te worden op skeletniveau. Lupus valt dus in deze categorie, onder de meest ernstige auto-immuunziekten.

[ De foto’s ontbreken! ]

Andere voorbeelden van Lupus:

[ De foto’s ontbreken! ]

Een ander voorbeeld van een auto-immuunpathologie is parodontitis. Aangezien ik mij bezighoud met de mond, zie ik dagelijks gevallen van mensen die bijvoorbeeld al op 20-jarige leeftijd hun tanden verliezen. Het zijn voornamelijk vrouwen, maar het komt evenzeer voor bij mannen. Deze ziekte — die formeel parodontitis heet, maar in de volksmond pyorroe wordt genoemd — ontwikkelt zich dus op agressieve wijze op 20-jarige leeftijd (waarbij patiënten hun tanden verliezen), in plaats van dat deze zich normaal ontwikkelt bij patiënten van 50-60 jaar en altijd gekoppeld is aan een infectie. Dit komt doordat er genen zijn die individuen voorbestemmen voor deze ziekte, waardoor de immunitaire werking die ons juist zou moeten beschermen tegen deze infectie, zich richt tegen de eigen onderdelen van het organisme. Dus in plaats van de bacteriën te vernietigen, vernietigt het immuunsysteem de anatomische structuren van de tanden.

Het feit dat het erfelijke immuunsysteem van de mens het enige is onder de immuunsystemen van levende wezens dat in staat is het eigen organisme aan te vallen, is een uiterst helder en overduidelijk bewijs van de hybridisatie.

Als er bij de mens — die als hybride de genen van twee soorten in zich draagt — een overheersing is van genen van ‘wezen nummer één’, kunnen de genen van ‘wezen nummer twee’ als vreemd worden waargenomen (of omgekeerd) en worden ze aangevallen.

Als we nog een bewijs willen dat deze pathologie het gevolg is van hybridisatie — en dit is werkelijk een bewijs! — dan is het wel dat dieren wél de chromosoom-syndromen, maar géén auto-immuunziekten kennen! Zij hebben alleen bepaalde pathologieën die kunnen lijken op die waar wij als mensen aan lijden wanneer er een genetische ingreep is gedaan door middel van rasselectie. Honden bijvoorbeeld, of paarden die onderling zijn gekruist en geselecteerd op basis van bepaalde kenmerken voor een specifiek doel (zoals renpaarden, of jacht- en vechthonden), krijgen uiteindelijk pathologieën die lijken op die waar de mens routinematig aan lijdt. Maar het zijn geen auto-immuunziekten. Denk bijvoorbeeld aan heup- of knieproblemen…, of problemen in andere gebieden. Voor dieren zijn deze problemen een uitzondering, voor de mens is het de normaalste zaak.

Reuma (reumatoïde artritis) betreft veel minder invasieve, maar nog steeds invaliderende genetische auto-immuunziekten.

Kijk naar deze foto’s. U ziet hoe deze situatie soms al op jonge leeftijd de mond of de handen kan vervormen. Zoals er mannen en vrouwen zijn die op hun 20e al hun tanden verliezen, zo zijn er individuen die perfecte handen hadden en zich binnen een tijdsbestek van 10 jaar terugvinden met handen die verwoest zijn door reumatoïde artritis.

[ Foto’s ontbreken ]

Er zijn mannen en vrouwen die op hun 25e of 30e chromosoomveranderingen ontwikkelen die ze eventueel pas op hun 80e of 90e ontwikkeld zouden hebben. Soms vindt men al op 15-jarige leeftijd jonge vrouwen met handen die verwoest zijn door reumatoïde artritis.

Ze doen niets anders dan in een zeer verkorte tijd, in het tijdsbestek van 10 tot 15 jaar, de skeletvervorming vermenigvuldigen die een normaal individu anders pas op zijn 80e of 90e realiseert.

In andere gevallen worden de weefsels juist aangevallen door andere vormen van ziekten die onder een generieke naam in één enkele familie worden geclassificeerd: de bindweefselsyndromen (systeemziekten). Ook deze ziekten doen niets anders dan in een zeer verkorte en vervroegde tijd ontwikkelen wat het individu pas op zijn 80e-90e zou kunnen ontwikkelen. Het is een ander aspect van de auto-immuunziekten.

Hieronder vallen de gevallen van sclerodermie. In dit geval valt het immuunsysteem bot- of kraakbeenweefsel aan. Hier zijn enkele afbeeldingen daarvan.

[ Foto’s ontbreken ]

Dit zijn geen chromosoom-syndromen omdat ze in de loop der tijd ontstaan, maar eerder chromosoom-pathologieën. De oorsprong is overduidelijk hetzelfde: een genetische oorsprong.

Deze patiënten zijn niet zo geboren, terwijl de kinderen met chromosoom-syndromen die we eerder zagen dat al bij de geboorte waren. Deze patiënten hebben deze pathologieën daarentegen meer of minder snel in de loop van hun leven ontwikkeld.

Ik hamer zo op de handen omdat we de handen altijd kunnen observeren. Dit type misvorming of anatomische afwijking is, wanneer deze snel optreedt en niet gebonden is aan een gevorderde leeftijd, altijd op auto-immuunbasis. Dit auto-immuunsysteem vernietigt het kraakbeen. In plaats van bacteriën aan te vallen, valt het het kraakbeen aan; of in plaats van virussen te vernietigen, vernietigt het het bot. Hier zien we nog andere voorbeelden van sclerodermie.

Het feit dat het immuunsysteem dus de ledematen, organen of delen van anatomische componenten van het eigen lichaam kan aanvallen, is een zeer helder bewijs van de hybridisatie.

Daarnaast zijn er pathologische situaties van bloedincompatibiliteit tussen de moeder en de foetus, zoals de aanwezigheid van het Rh-antigeen op de membranen van de rode bloedcellen van het kind, wat bij een Rh-negatieve moeder soms kan leiden tot de ontwikkeling van anti-Rh-antistoffen. Deze antistoffen zijn bij een tweede zwangerschap in staat om zeer ernstige hemolytische crises te veroorzaken bij een Rh-positieve foetus.

[ Foto’s ontbreken ]

In dit verband slechts een kleine opmerking tussen haakjes: als volgens het christelijk geloof God op het moment van de conceptie de spirituele zijde van het nieuwe individu ex novo schept, terwijl het materiële deel besloten ligt in de gameten, dan kan de Erfzonde zich niet anders dan in de chromosomen bevinden. De uitdrukking ‘Onbevlekte Ontvangenis’ betekent dus ‘Ontvangen zonder Erfzonde’, wat met andere woorden inhoudt dat haar karyotype niet is zoals het onze, maar het oorspronkelijke is, identiek aan dat van Adam en de zuivere Kinderen van God.

Tot zover hebben we verschillende aspecten van auto-immuunziekten gezien. Auto-immuunziekten doen niets anders dan het eigen organisme aanvallen omdat ze bestanddelen als vreemd herkennen die op die manier door het genoom zijn gecodeerd.

Het meest sprekende bewijs van de hybridisatie wordt dus wel geleverd door het immunologische onderzoek van deze ziekten of van andere ziekten die, hoewel ze niet volledig op auto-immuunbasis rusten, toch sterk gebonden zijn aan een genetische aanleg. Als deze aanleg ontbreekt, zal de patiënt die ziekte nooit krijgen.

  • Pathologieën van het stomatognatische systeem (het kauw- en spraakapparaat)

Ik ben mondchirurg. Ik hou me bezig met tanden, tandbogen, kaakbogen en de beoordeling van tandheelkundige situaties en elementen. Dit is mijn dagelijks werk.

Om het onderwerp van de chromosoom-syndromen en -pathologieën te completeren, is het belangrijk om te bedenken dat een van de punten die deze pathologieën gemeen hebben, de dento-maxillaire (tand- en kaak)pathologische afwijkingen zijn: een ander hoofdstuk uit de pathologie dat in de dierenwereld vrijwel afwezig is.

Laten we daarom overgaan tot de analyse van deze pathologieën, uitgaande van de afwijkingen in de afmetingen van de kaakbasis en van de tand-kaakverhouding, die een zo hoge incidentie en variabiliteit vertonen dat een orthodontische of zelfs orthopedische correctieve ingreep vrijwel altijd noodzakelijk is om een correcte relatie tussen de twee tandbogen te verkrijgen. Binnen de tandheelkunde bestaan er talrijke typen cephalo-metrische analyses (onderzoek dat gebruikt wordt om de juistheid van de verhoudingen tussen de boven- en onderkaak te beoordelen). Cephalometrie bestaat uit een reeks metingen die worden uitgevoerd op een laterale röntgenfoto van de schedel (van terzijde gezien), die in theorie de grenzen van de normaliteit zouden moeten bepalen. Dit onderzoek wordt onmisbaar geacht voor het uitvoeren van een orthodontische behandeling.

Laten we eens naar de basisscholen en vooral de middelbare scholen gaan, en we zullen zien dat de grote meerderheid van de kinderen een beugel draagt. In sommige landen, zoals Brazilië, waar het streven naar een ideaal esthetisch beeld in alle lagen van de bevolking zeer sterk leeft, bereikt het toepassen van orthodontische apparatuur zelfs onder volwassenen zeer hoge percentages.

Hieruit valt derhalve af te leiden dat:

  1. Er geen constante intermaxillaire verhoudingen (onderlinge kaakverhoudingen) bestaan binnen de menselijke soort;
  2. De onderlinge boogverhouding van de ‘eerste klasse’ (waar harmonie heerst tussen de boven- en onderboog), zowel voor de tanden als voor de kaakbasis, eerder een archetype is dat zich in zeldzame gevallen voordoet dan een realiteit ten opzichte waarvan de pathologische situatie een uitzondering vormt;
  3. Behandelaars zich laten inspireren door deze intermaxillaire verhouding die eerder als ‘ideaal’ dan als ‘normaal’ kan worden gedefinieerd, voor het bereiken van een schoonheidsnorm die ook leken als zodanig herkennen.

Deze discrepanties zijn afwezig in de dierenwereld, waar numerieke afwijkingen in vorm en afmetingen — zelfs van een enkel tandelement! — extreem zeldzaam zijn.

Van alle levende wezens heeft alleen de mens een orthodontische beugel nodig, aangezien de disharmonie tussen afmeting, aantal tanden, volume en vorm van de kaakbasis zo aanzienlijk is dat deze in sommige gevallen het gezicht van een persoon esthetisch verminkt. Bij het observeren van zeer ernstige gevallen van ‘tweede klassen’ (kleine en terugwijkende onderkaak ten opzichte van de bovenkaak) of ‘derde klassen’ (prominente onderkaak met terugwijkende of hypoplastische bovenkaak) heeft men vaak het gevoel dat de onderkaak niet bij de patiënt hoort en per vergissing — of erger nog, door een wrede speling van de natuur — in dat gezicht is geplaatst. Specifieke, uiterst invasieve chirurgische ingrepen zoals die van Le Fort of de onderkaakresectie volgens Obwegeser-Dal Pont zijn in de loop der jaren ontwikkeld om kaakdisharmonieën te corrigeren die zowel esthetisch als functioneel ernstig invaliderend zijn.

Aangezien ik bovendien meer dan 25 jaar als tandarts en oraal chirurg heb gewerkt en de anatomische situaties van de mond volgens het traditionele criterium heb beoordeeld, ben ik na het lezen van de openbaring aan don Guido met een nieuwe blik gaan kijken naar al die afwijkingen in positie, vorm en soms aantal van de verstandskiezen, die het dagelijks onderwerp van mijn werk vormen. De afmetingsverschillen kunnen niet anders dan het gevolg zijn van hybridisatie, om dezelfde redenen die reeds voor bijziendheid op oogheelkundig terrein zijn overwogen. De retentie of moeilijke doorbraak van de verstandskies (disodontiasi dell’ottavo), waarvan de incidentie boven de 90% ligt, is een pathologie waar we allemaal aan lijden — zozeer zelfs dat in sommige scholen, zoals de Noord-Amerikaanse, de extractie van de vier verstandskiezen routinematig wordt uitgevoerd voordat er zich ook maar enig type symptomatologie manifesteert.

Wat een overduidelijk spoor van hybridisatie is deze ‘disodontiasia van de achtste kies’! Een pathologische situatie die door de zeer hoge frequentie als normaal kan worden beschouwd, maar die in werkelijkheid getuigt van het feit dat de afmetingen van de kaakbasis oorspronkelijk groter waren en afgestemd op de aanwezigheid van 32 tanden, en niet geschikt voor 28 tanden zoals bij de huidige waarneming duidelijk wordt. Het aantal van 32 tanden was compatibel met kaken van grotere afmetingen en volumes, terwijl op de kaken die wij kennen er in de overgrote meerderheid van de gevallen geen ruimte is voor de beroemde verstandskies.

Gevallen van wanverhouding tussen de afmetingen van de tandbogen en van de tandelementen:

[ Foto’s ontbreken ]

Kijk naar deze tandbogen! Er is simpelweg geen ruimte! Er is geen fysieke ruimte. Hier zijn de genen die de tanden coderen genen die tanden zouden moeten programmeren voor een individu van twee meter lang, terwijl de genen die de botten coderen de anatomie programmeren van individuen van een meter en nog wat. Deze redenering sluit naadloos aan. Kijk vervolgens naar dieren bij wie de mens nooit genetisch heeft ingegrepen, en we zien dat zij nooit een beugel nodig hebben. Ze hebben allemaal een perfecte tand-kaakverhouding en ze zijn allemaal gelijk. De tanden staan allemaal netjes op een rij en in de juiste positie!

Wij zien deze dingen dagelijks. Ze zijn niet zo afschrikwekkend als de eerste voorbeelden, maar wat vertellen deze beelden ons? Ze laten ons duidelijk zien dat de erfelijke belasting die dit individu met zich mee heeft gedragen, zich heeft gemanifesteerd als kaakdisharmonie: onderkaken die er willekeurig ingezet lijken te zijn alsof de kaakboog bij een ander individu hoorde, met tanden die qua afmeting niet in verhouding staan tot de boven- of onderkaak. Ze staan zo buiten verhouding dat ze over elkaar heen dringen, scheef gaan staan en elkaar overlappen omdat er geen ruimte is! Deze situatie zou een veel bredere boog nodig hebben met een lengte in centimeters die zeker het dubbele is van wat we hier zien.

Vaak moeten wij deze situaties corrigeren. Als we naar de basisscholen en middelbare scholen kijken, heeft misschien wel 70% van de kinderen een beugel. Voor mijn werk reis ik de hele wereld over, door alle continenten. Als hier 70% van de stadskinderen een beugel draagt, draagt in Brazilië bij de welgesteldere families 100% van de kinderen een beugel. Ik kan toegeven dat sommige van deze behandelingen wellicht onnodig zijn. Maar er moet wel een disharmonie zijn om de behoefte te voelen om een tand te corrigeren die in plaats van zo te staan… zo staat… Er moet immers een minimum aan disharmonie aanwezig zijn.

Vandaag de dag hebben ook in landen die als derde wereld worden beschouwd de kinderen die het breed genoeg hebben allemaal een beugel. Ze ontzeggen zich van alles, maar het kind met scheve tanden rond laten lopen, dát niet!

Wat betreft de ‘schoonheidsnorm’ die we in ons hoofd hebben: iedereen, zonder uitzondering, kan het mooie van het lelijke onderscheiden. Natuurlijk zijn er mensen met een voorkeur voor het afzichtelijke… Of in menselijke relaties worden andere kwaliteiten gewaardeerd. Men wordt bijvoorbeeld verliefd op iemand die niet moeders mooiste is, maar andere kwaliteiten heeft. Maar meestal is schoonheid iets objectiefs. En deze objectiviteit is een vermogen dat wij in ons DNA hebben zitten.

Prognathie (vooruitstekende kaak)

[ Foto’s ontbreken ]

Wat doet deze onderkaak met dit profiel hier aan de linkerkant?! Hier is duidelijk te zien dat er geen harmonie is. We spreken niet eens van mooi of lelijk: het is een harmonieloos profiel. Je ziet dat verschillende onderdelen aan elkaar zijn gevoegd: het ene afkomstig van de genen van de oorspronkelijke nummer één en het andere van de genen van de oorspronkelijke nummer twee. Het is alsof ze bij verschillende personen hoorden en aan elkaar zijn geplakt.

Dat is hybridisatie in eenvoudige woorden! Het is geen wetenschappelijke les: het is alleen om te laten zien dat deze onderkaak niet past op deze bovenkaak.

Andere voorbeelden van Prognathie:

[ Foto’s ontbreken ]

Wanneer men zegt dat iemand prognathie heeft, zegt men niet dat het een lelijke jongen is. Maar ook na correcties blijft het asymmetrisch. Dat is te zien op de volgende beelden.

Hier is de prognathie gecorrigeerd. Vroeger slaagde de chirurg er vaak niet in om de verhoopte resultaten te behalen. Omdat de programmering zo ingewikkeld is, lukt het niet om een volledige harmonie tot stand te brengen.

Stelt u zich de programmering van een computer voor: wanneer er een virus in het programma zit, raakt het programma van de kook. Zo is het ook met ons DNA gegaan. Het is alsof bepaalde somatische uitingen van de genen het resultaat zijn van dit ontregelde programma. Laten we de chromosomen en genen vergelijken met de software van een computer… Wensen we ze in poëtische termen ‘de taal van God’ te noemen? In het begin wáren ze ‘de taal van God’, maar daarna is dit programma vastgelopen! Het was Adam die vanaf het begin het virus in het programma heeft geïntroduceerd, “het onkruid in de akker van de Heer”, en dit virus heeft zichzelf gegenereerd en blijft zichzelf oneindig voortplanten. Daarom is Jezus gekomen: niet alleen om ons de verloren Geest terug te geven, maar ook om ons de middelen te reiken om dit virus te bestrijden, om ons lichaam en onze psyche te herbouwen en ons terug te voeren naar de oorspronkelijke spirituele, psychische en fysieke perfectie. Maar Hij vraagt ons om geloof en medewerking.

  • Psychische pathologieën

Hetgeen we hebben gezien betekent niet dat degenen die levend worden geboren niet evenveel verborgen gebreken kunnen hebben die zich manifesteren in net zo verwoestende ‘gedragingen’ en ‘psychische pathologieën’.

Ik zou willen herinneren aan het antwoord dat Jezus gaf op de vraag van Petrus: “Hoe vaak moeten wij vergeven? Zevenmaal?” En Petrus dacht, met zijn denkwijze, dat zevenmaal vergeven al te veel was. En Jezus antwoordt hem: “Nee! Zeventigmaal zevenmaal!” Omdat, wanneer er sprake is van herhaald dwangmatig gedrag, dit door bepaalde mensen vaak niet te controleren is. Die mensen zijn niet verantwoordelijk: ze moeten vergeven worden, punt uit! Altijd!

Conclusie

Toen ik een jonge geneeskundestudent was, leerde men ons dat moeder natuur eugenetische mechanismen had ter bescherming van de soort. In de wereld van de huisdieren, die immers vaak genetisch gekruist worden om rassen met bepaalde kenmerken te verkrijgen, wordt de incidentie van chromosoom-syndromen en -pathologieën pas duidelijk wanneer er sprake is van blootstelling aan zeer hoge doses ioniserende straling (bijv. de dieren in het gebied rondom Tsjernobyl). Dit komt doordat het hier gaat om kruisingen van ‘rassen’ die allemaal behoren tot de ‘hondachtige soort’, waardoor kruisingen mogelijk zijn zonder dat dit chromosomale afwijkingen veroorzaakt. Maar waar het niet gaat om verschillende rassen, maar om verschillende soorten, bestaat er een onoverbrugbare genetische barrière tussen de ene soort en de andere. Per conventie spreekt men namelijk van een ‘soort’ om een groep individuen te definiëren die ‘genetisch geïsoleerd’ is, oftewel niet vruchtbaar met individuen van andere soorten.

De beelden die we in het voorgaande deel van dit werk hebben gezien met betrekking tot chromosoom-syndromen en -pathologieën spreken voor zich. Denk terug aan de woorden van Valtorta die zegt dat “zij monsters als zonen en dochters kregen”. Als dat geen monsters waren…, wat moeten we dan wel niet zien?

Bedenk dat wij deze situaties nu zien, miljoenen jaren na de Erfzonde. Maar wij weten niet wat er vóór de Zondvloed was, en wanneer de Zondvloed heeft plaatsgevonden. Want de Zondvloed heeft een grote schoonmaak gehouden. Wat wij zien zijn situaties die zijn ontstaan nadat Noach met zijn familie opnieuw is begonnen met het menselijk ras, nadat er een massale selectie had plaatsgevonden! En dat terwijl de Zondvloed door theologen wordt afgedaan als een ‘literair genre’…! Dus wat er op aarde als vrucht van de Erfzonde is geweest voordat God ingreep met de Zondvloed, kunnen wij ons niet eens voorstellen! We kunnen het slechts afleiden door naar deze beelden te kijken en ze met duizend te vermenigvuldigen. En dit zijn nog maar de meest milde zaken! Want, ik herhaal het, toen ik op 18-jarige leeftijd het Museum in Florence bezocht, was ik in shock.

En denk eens aan de vele gevallen van Siamese tweelingen…! Een paar weken geleden was er een lange reportage op tv over Siamese tweelingen. Ze lieten een meisje zien dat in India was geboren met vier armen en vier benen… In dat meisje zaten twee meisjes in één!

Bron

Dr. Francesco Saverio Martelli, WANNEER GELOOF EN VERSTAND HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN (IN DE TAAL VAN DE CHROMOSOMEN) – Guido Bortoluzzi – De Middelijke Schepping | Biologie, Theologie en Evolutie

Dr. F.S. Martelli: Van Darwin tot het Neo-darwinisme – weerlegging van de evolutietheorie


Van Darwin tot het Neo-darwinisme:

Een moleculair-genetische en theologische weerlegging van de evolutietheorie

INHOUD

  • Presentatie
  • Aanvallen op de Kerk door de eeuwen heen
  • Darwin en De oorsprong der soorten
  • Het neodarwinisme en het evolutionisme
  • De ondergang van de evolutietheorie
  • De genetica heeft moleculaire biologie nodig
  • Het normale menselijke karyotype
  • De weerlegging van de theorie van chromosoomreductie
  • De ontdekking van het DNA
  • De grenzen van het evolutionisme
  • Chromosomale syndromen, chromosomale pathologieën en aandoeningen
  • Overzicht van chromosomale syndromen:
    • Monosomie: het syndroom van Turner (chromosoom X0)
    • Trisomieën:
      • Chromosoom 7 (syndroom van Williams)
      • Chromosoom 13 (syndroom van Patau)
      • Chromosoom 18 (syndroom van Edwards)
      • Chromosoom 21 (syndroom van Down)
    • Polysomieën
  • Grafische weergave van chromosomale syndromen
  • Synthese en samenvatting

Presentatie

Dit werk (Deel 1, 2 en 3) is gebaseerd op de lezing van dr. F.S. Martelli, gehouden op 2 oktober 2012 te Farra d’Alpago ter gelegenheid van de twintigste gedenkdag van het overlijden van don Guido Bortoluzzi.

Over dit DEEL: Een kritische analyse van de evolutietheorie, waarin de onjuistheid van de hypothese van chromosoomreductie op statistische en empirische gronden wordt aangetoond.

Aanvallen op de Kerk door de eeuwen heen

Het lijkt mij nuttig om vooraf enkele korte historische opmerkingen te maken.

De Kerk is vanaf haar oprichting voortdurend van binnenuit en van buitenaf aangevallen. In de eerste eeuwen van het christendom was de kennis van de Heilige Schrift voorbehouden aan een kleine groep, hoofdzakelijk bestaande uit geestelijken en kloosterlingen. De aanvallen op de Kerk waren destijds uitsluitend theologisch van aard. Zo ontstonden de eerste dwaalleerstellingen en ketterijen, die door de Kerk fel werden bestreden, soms zelfs met vervolging en de inzet van inquisitoriale tribunalen.

Met keizer Constantijn en de latere verplaatsing van de keizerlijke zetel werden bovendien de eerste kiemen gelegd voor het latere Oosters Schisma.

Het Humanisme en vervolgens de Renaissance brachten een groeiend vertrouwen in de mens en zijn intellectuele en expressieve vermogens met zich mee. Door de uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg rond het midden van de vijftiende eeuw werd de Bijbel toegankelijk voor iedereen die kon lezen en schrijven. Hierdoor ontstond er onder gelovigen een vurig verlangen naar kennis en een meer kritische benadering van de Heilige Schrift: men wilde begrijpen om te kunnen geloven. Geletterden begonnen zichzelf te zien als bevoegde beoordelaars van theologische kwesties. Onder de intellectuele elite ontwikkelde zich een behoefte aan een individuele Schriftinterpretatie, die niet zelden in strijd was met de officiële kerkleer.

De kwestie rond Galileï maakte de Kerk kwetsbaar voor kritiek vanwege haar starre, letterlijke Schriftinterpretatie. Toen de verdere ontwikkeling van de wetenschap de inzichten van Galileï vervolgens bevestigde, ontstond er binnen de Kerk een psychologische ondergeschiktheid ten opzichte van de rede en de empirische wetenschap — een houding die getuigde van een nauwelijks verhuld minderwaardigheidscomplex. De Kerk bleek niet langer in staat het dwarse geloof vanuit de Schrift overtuigend te verdedigen. Door een te eenzijdige fixatie op de letterlijke interpretatie van de tekst raakte zij soms vervreemd van de werkelijke ‘geest van het Woord’.

In de zestiende eeuw leidde de excommunicatie van Maarten Luther in 1521 tot het ontstaan van de Protestantse Reformatie, waarna in de daaropvolgende eeuwen diverse nieuwe kerkgenootschappen en afsplitsingen zich van de moederkerk losmaakten.

Darwin en De oorsprong der soorten

In het midden van de negentiende eeuw (1859) verscheen Darwins hoofdwerk: De oorsprong der soorten (On the Origin of Species). Zijn studies en deducties haalden het intellectuele klimaat van zijn tijd en de daaropvolgende eeuwen ingrijpend overhoop. Wat ik hier over Darwin schrijf, zal veel lezers verbazen — vooral hen die oprecht in hem geïnteresseerd zijn en recensies of biografieën over hem hebben gelezen. Om Darwin echter werkelijk te begrijpen, moet men zijn volledige oeuvre bestuderen.

Op basis van observaties van talloze soorten in de natuur herneemt Darwin het door de Fransman J.-B. Lamarck geformuleerde concept van de fylogenese, dat uitgaat van een gemeenschappelijke oorsprong van alle soorten. Darwin stelt bovendien dat in de natuur een complexere soort ‘voortkomt uit’ (derive) een minder complexe soort. Aan de top van deze fylogenetische stamlijn staat de mens, die ‘voortkomt uit’ de primaten.

Let wel: hij spreekt expliciet over ‘voortkomen uit’ (deriveren) en niet over ‘afstammen van’! Dit onderscheid is essentieel. Waar ‘afstammen van’ duidt op een continu proces van geleidelijke en vrijwel onmerkbare veranderingen die de ene soort in de andere doen transformeren, verwijst ‘voortkomen uit’ slechts naar de morfologische of taxonomische verwantschap van een soort binnen dezelfde klasse of familie, als afleiding van een voorafgaande vorm. Dit is precies de nuance die Darwin wilde uitdrukken — niets meer dan dat.

Zijn analyse beperkte zich noodzakelijkerwijs tot deducties op basis van macroscopische en uiterlijke waarneming; de wetenschappelijke kennis van zijn tijd stelde hem immers nog niet in staat het genetische aspect te onderzoeken. Darwin beperkte zich er dan ook toe om anatomische verwantschappen en beschrijvende overeenkomsten tussen soorten vast te leggen. Zijn voornaamste onderzoeksveld werd gevormd door de tropische soorten die hij tijdens zijn reizen naar de Galápagoseilanden kon bestuderen. Hij observeerde, beschreef en redeneerde.

Hij bewonderde en onderschreef de studies van de Franse naturalist en paleontoloog Georges Cuvier (1769–1832), de vooraanstaandste fossielenkenner van de negentiende eeuw. Door fossiele planten en dieren te onderzoeken die in verschillende geologische lagen aan het licht kwamen, had Cuvier vastgesteld dat dezelfde soorten in uiteenlopende geologische tijdperken en op verafgelegen continenten vrijwel identiek waren gebleven. Ze varieerden hooguit in grootte en in secundaire details. Op grond daarvan formuleerde hij zijn principe van de soortsfixiteit (de onveranderlijkheid van de soort).

Darwin sluit aan bij Cuvier en beschouwt soorten als ‘gedefinieerd’ — dat wil zeggen: in hun kern onveranderlijk. Transformaties die zich in de natuur voltrekken, betreffen altijd en uitsluitend secundaire kenmerken. Dit is wat wij tegenwoordig aanduiden als micromutaties.

Ten aanzien van het proces van de fylogenese toont Darwin een uiterst scherpe intuïtie. Hij stelt dat er tussen een bestaande soort en de daaruit voortkomende nieuwe soort altijd een ‘plotselinge en kwalitatieve sprong’ plaatsvindt — wat wij een macromutatie noemen. Omdat hij ervan overtuigd is dat soorten ‘gedefinieerd’ zijn, moet een dergelijke soortensprong naar zijn gedachte altijd plaatsvinden door een handelen van de Schepper, voltrokken via een vrouwelijk exemplaar van de reeds bestaande soort. Om deze vrouwelijke stammoeder aan te duiden via wie de soortensprong plaatsvindt, munt Darwin een specifieke term: hij noemt haar de ‘schakel’ (anello di congiunzione / missing link).

Deze ‘schakel’ is uniek voor de twee stamouders van elke nieuwe soort en daardoor als fossiel onvindbaar. Het begrip ‘schakel’ sluit door zijn intrinsieke betekenis — als specifiek instrument voor de soortensprong — automatisch elke hypothese van een langzame, spontane evolutie uit. Het koppelt dit proces impliciet aan een scheppend ingrijpen van God.

Darwin gaat er dus niet van uit dat er in de natuur sprake is van een continue, toevallige mutatiereeks tussen opeenvolgende soorten. In plaats daarvan vergelijkt hij de fylogenetische lijn met een getrapte structuur met sprongen. In dat kader citeert hij het beroemd geworden adagium “Natura non facit saltus” (De natuur maakt geen sprongen). Met deze uitdrukking wil hij benadrukken dat de natuur uit zichzelf niet in staat is autonoom een sprong van de ene soort naar de andere te maken. Hij onderstreept daarmee dat, wanneer de natuur niet de bewerker is van de soortensprongen, alleen God de Schepper daarvan de Auteur kan zijn.

De fylogenese toont in het denken van Darwin slechts aan dat er sprake is van een toenemende complexiteit in de volgorde waarin de verschillende soorten verschijnen, maar zij bewijst geen autonome evolutie binnen de afzonderlijke soorten zelf. De grootheid van Darwin ligt juist in het feit dat hij het bestaan van één leidende fylogenetische stamlijn van de eerste tot de laatste schepping beklemtoonde, de mens daarin zag voortkomen uit de primatenlijn, en bij elke fundamentele soortensprong steeds God — en niet de natuur — als Auteur aanwijst. Deze intuïtie is uitermate waardevol; we zullen zien dat de wetenschap van anderhalve eeuw later — wanneer zij rekening houdt met de openbaring aan don Guido — hem op dit punt gelijk geeft.

Darwin heeft nog een tweede grote verdienste: hij merkte op dat alleen die micromutaties standhouden die gunstig zijn voor de soort in relatie tot de omgeving, en dat de strijd om het bestaan (survival of the fittest) een cruciale rol speelt bij deze selectie. Voordelige micromutaties blijven behouden, terwijl nadelige mutaties verdwijnen. Hij stelt dus dat omgevingsfactoren en selectie invloed uitoefenen op de micromutaties binnen een soort — mutaties die zich overigens altijd binnen de grenzen van die specifieke soort afspelen. Het is van belang te herhalen dat deze micromutaties niet verward mogen worden met macromutaties of soortensprongen.

Desondanks moet het voor Darwin niet eenvoudig zijn geweest om geconfronteerd te worden met paleontologische vondsten die menselijke voorouders lieten zien met sterk aapachtige trekken. Het is precies door een gebrekkig begrip van deze nuances dat latere materialistische en theïstisch-evolutionisten zijn werk naar hun eigen hand zijn gaan interpreteren.

Concluderend:

In de visie van Darwin is de natuur ‘onbekwaam’ om de ene soort autonoom in de andere te doen veranderen. In tegenstelling tot wat vandaag de dag zo tendentieus wordt verkondigd in schoolboeken en documentaires, is Darwin in strikte zin niet de vader van het atheïstisch evolutionisme, aangezien hij vasthield aan het concept van de ‘gedefinieerde soort’ (soortsfixiteit). De micromutaties die het onderwerp vormden van zijn observaties, betreffen uitsluitend variaties die zich altijd binnen de grenzen van dezelfde soort afspelen. Met andere woorden: hoewel hij de sterke morfologische gelijkenis tussen de voorafgaande en de daaruit voortkomende soort erkent, gaat Darwin bij het ontstaan van een nieuwe soort uit van Goddelijk ingrijpen in het scheppingsproces via wat hij de ‘schakel’ noemt.

Dit concept is doorslaggevend om het denken van Darwin correct te interpreteren. We zullen later zien dat zijn zeer vooruitstrevende intuïtie al vooruitloopt op de theologische doctrine van de creatio mediata (de middellijke schepping), waar we later nader op zullen ingaan.

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, stond Darwin bovendien niet vijandig tegenover het geloof en beschouwde hij zichzelf als een gelovig mens. Op latere leeftijd verbaasde hij zich erover dat zijn geschriften zoveel opschudding hadden veroorzaakt, aangezien hij absoluut niet de intentie had om het geloof in de Heilige Schrift te ondermijnen. Hij stierf als een goed christen en ontving de Sacramenten.

Na 1963, met de ontdekking van het DNA en het begin van de ontcijfering van het menselijk genoom, zijn deze nuanceringen stilletjes verdwenen uit populair-wetenschappelijke tijdschriften, boeken en documentaires — inzichten die door de Heer aan don Guido Bortoluzzi zouden worden bevestigd. De Heer zou immers exact hetzelfde basisprincipe bekrachtigen, waarbij Hij de uitdrukking ‘schakel’ (anello di congiunzione) verving door de term ‘bruggenhoofd’ (capo di ponte).

Dit oorspronkelijke, nuancrijke portret van Darwin verdween na de jaren ’50 geleidelijk uit de studieboeken en de wetenschappelijke literatuur, toen men hem steevast begon af te schilderen als de grondlegger van het materialistische evolutionisme.

Laten we deze lijn verder vervolgen.

Het neodarwinisme en het evolutionisme

Het waren de neodarwinisten die, gedreven door een atheïstische ideologie, op oneigenlijke wijze Darwins naam gebruikten om hun eigen opvattingen te legitimeren. Zij gaven aan het begrip ‘evolutie’ de betekenis die wij er heden ten dage nog steeds aan toekennen, maar die absoluut niet overeenstemt met het denkkader van Darwin zelf. Onder evolutie verstonden zij ‘een continu, natuurlijk proces van soorttransformatie’. Zij zagen de soort als een voortdurend, onstuitbaar en spontaan proces van ‘worden’.

Op een weinig wetenschappelijk verantwoorde wijze interpreteerden zij Darwins adagium “Natura non facit saltus” in een simplistische zin die haaks stond op de oorspronkelijke strekking. Zij stelden namelijk dat er in de natuur geen sprongen plaatsvinden, maar uitsluitend ‘continue’ toevallige veranderingen en gestage transformaties. Deze nieuw verworven eigenschappen zouden — mits nuttig voor het organisme — worden doorgegeven aan het nageslacht. Wanneer deze modificaties vervolgens standhielden in de natuurlijke selectie, zouden ze de ene soort geleidelijk in een andere doen overgaan. Dit is echter een ideologische verdraaiing van de feiten.

Volgens de neodarwinisten zouden soorten zich dus geleidelijk wijzigen onder invloed van het toeval, om vervolgens te consolideren door een gunstige omgeving en natuurlijke selectie. Op deze wijze zou de overgang van de ene soort naar de andere geheel spontaan verlopen — een uiterst willekeurige herinterpretatie van de fylogenetische theorie zoals Darwin die oorspronkelijk had geformuleerd.

De empirische werkelijkheid laat echter zien dat mieren, zeebrasems, haaien en talloze andere organismen, hoewel zij al honderden miljoenen jaren vóór het verschijnen van de mens bestonden, door de geologische tijdperken heen in de kern onveranderd zijn gebleven. Alleen de mens vertoont een ingrijpende verandering. De oorzaken van deze transformatie zijn — zo weten wij nu — echter niet te wijten aan spontane evolutie, maar aan de hybridisatie van de menselijke soort. Dit leidde tot een biologische devolutie (involutie), gevolgd door een her-evolutie (ri-evoluzione) die door God werd ondersteund en gestuurd.

Dit ideologische bedrog was — en is nog steeds — een van de grootste misleidingen in de intellectuele geschiedenis van de afgelopen eeuw. In het geglobaliseerde, geseculariseerde klimaat van de late Verlichting en het positivisme zagen ongelovigen in het neodarwinisme en het atheïstisch evolutionisme een uitgelezen instrument om het geloof te bestrijden. Het bood de geknipte gelegenheid om de wetenschap te ontworstelen aan de invloed van de joods-christelijke traditie, die aan God de rol van Schepper van elke afzonderlijke soort toeschreef.

De naam van Darwin werd door de neodarwinisten als een trofee rondgedragen om een visie te verkondigen die zij wensten, maar waar Darwin zelf nooit aan had gedacht. Het was een manier — al dan niet te goeder trouw — om de Heilige Schrift, en daarmee de Kerk, in een kwaad daglicht te stellen.

Het meest tragische was dat deze theorie ook kerkelijke autoriteiten betoverde: hoge prelaten, geestelijken, hoogleraren in de theologie en academici. Zij bezaten weliswaar geen specifieke deskundigheid op het gebied van de genetica, maar vonden deze verklaring fascinerend. Zo werd een pseudowetenschap verheven tot filosofie. De bekendste vertegenwoordiger onder deze denkers is de jezuïet en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955), die het concept van de ‘geleide evolutie’ introduceerde.

Deze theorie vond ingang bij vrijwel de gehele geestelijkheid, die hierin een vermeend ontmoetingspunt en compromis zag tussen geloof en wetenschap. Maar deze opvatting — die niet meer dan een hypothese was en bleef — werd fel bestreden door don Guido. Hij onderkende het grote theologische gevaar ervan, omdat het God ontdaan zou hebben van Zijn rol als directe Schepper.

Ondertussen zochten in de Verenigde Staten diverse genetici — onder wie Francis Collins, de bekende geneticus die leidinggaf aan het Human Genome Project en auteur van het werk Het DNA van God (The Language of God) — eveneens naar een synthese tussen wetenschap en geloof. Uiteindelijk vervielen ook zij in een subtiel compromis dat de deur wijd openliet voor de evolutiegedachte.

Dit zijn de zogenaamde theïstisch-evolutionisten (of neo-creationisten van dit type). Ook volgens hen zou God het universum en het leven zo hebben geïnitieerd dat het in staat is zichzelf op natuurlijke en autonome wijze te laten evolueren. Dit is echter niets anders dan een variant op de eerdere theorieën: het blijft een hypothese, een filosofisch-ideologisch construct dat haaks staat op de joods-christelijke doctrine — een doctrine die de gehele schepping opvat als voortdurend onderhouden en gewild door de Schepper.

Onder de Italiaanse vertegenwoordigers bevinden zich enkele hoogleraren met een leerstoel Antropologie. Volgens hen zou God zich hebben beperkt tot het geven van een ‘initiële impuls’ aan de schepping, om het proces vervolgens spontaan te laten verlopen. Dergelijke opvattingen zijn voor de theologie gevaarlijker dan een natuurramp: ze ontwrichten het orthodoxe denkkader, leiden af van de fundamentele principes en dragen inhoudelijk niets positiefs bij aan de wetenschap. Bovendien ontbreekt elk empirisch of wetenschappelijk bewijs voor deze hypotheses.

Ieder weldenkend mens begrijpt dat de grootste dwaalleer erin bestaat God te beroven van Zijn meest fundamentele attribuut: dat van Schepper. En waarvoor wordt Hij vervangen? Voor het ‘toeval’. Deze materialistische visie was al aanwezig in de klassieke Griekse filosofie. Toen Dante sprak over de filosoof Democritus, omschreef hij hem niet voor niets als “degene die de wereld aan het toeval toeschrijft” (“colui che ‘l mondo a caso pone”), en hij plaatste hem in de Hel omdat hij van het toeval zijn centrale stelregel had gemaakt.

Laten we analyseren waarom het evolutionisme en de afgeleide varianten daarvan haaks staan op de joods-christelijke geloofsleer.

Wanneer men de hypothese van een autonome, spontane evolutie aanvaardt, storten de dragende pijlers van de theologische doctrine onvermijdelijk in:

  1. De creatio ex nihilo (schepping uit niets): Het principe van de rechtstreekse schepping van energie (en dus materie), het universum, het leven, de afzonderlijke soorten in het algemeen, en de Man en de Vrouw in het bijzonder.
  2. De schepping van de volmaakte mens: Het gegeven dat de mens oorspronkelijk volmaakt is geschapen, diens daaropvolgende zondeval, de biologische en spirituele degeneratie van het nageslacht uit de gecorrumpeerde lijn, en de absolute noodzaak van de Verlossing (Redemptio).

Op deze wijze wordt de gehele geloofsleer uitgehold. De mens zou immers uit zichzelf in staat zijn te evolueren. God is daarin niet langer noodzakelijk; Hij verwordt tot een loutere projectie van de menselijke geest, een existentiële behoefte die bevredigd dient te worden.

In tegenstelling tot het dogmatische geloof brengt de empirische wetenschap voortdurend nieuwe inzichten met zich mee, omdat zij wél continu in beweging is. Wat gisteren een onoverkomelijk raadsel leek, is dat vandaag niet meer; wat vandaag een absolute zekerheid lijkt, kan morgen achterhaald blijken. Dat is precies wat er na 1963 gebeurde met de ontdekking en verdere ontrafeling van het DNA.

Het — aanvankelijk nog fragmentarische — inzicht in de moleculaire structuur van de cel gaf onderzoekers de illusie dat zij het mechanisme van de evolutie definitief hadden doorgrond. Datgene wat men destijds nog niet kon aflezen of duiden, werd eufemistisch als ‘junk-DNA’ (‘junk-DNA’ / rommel-DNA) terzijde geschoven.

De sterke genetische overeenkomst tussen menselijke genen en die van mensapen voedde de veronderstelling dat er tussen beide taxa een directe genetische continuïteit bestond. Dit versterkte de hypothese dat de natuur in haar geheel evolueert naar een steeds hogere complexiteit. Tegenwoordig tonen vrijwel alle studieboeken en natuurdocumentaires hoe de mens zich geleidelijk uit een dierlijke staat zou hebben ontwikkeld naar een bipedale (rechtopstaande) houding en een toegenomen hersenvolume. Zelfs in de digitale naslagwerken worden Darwins oorspronkelijke concepten, zoals de ‘missing link’ (anello di congiunzione) en het adagium “Natura non facit saltus”, niet langer in hun authentieke context geciteerd. Het eerste begrip wordt nu simpelweg gedefinieerd als een hypothetische stamouder waaruit twee afzonderlijke takken ontspruiten, terwijl het tweede zijn oorspronkelijke theïstische strekking heeft verloren. Alles werd ingepast in een radicaal, materialistisch evolutionisme. Zo ontstond een rigide dogma, en wee degene die het waagt af te wijken van dit ideologische paradigma.

De aanhangers van de evolutietheorie hadden echter buiten een fundamenteel biologisch obstakel gerekend: het probleem van de verandering in het aantal chromosomen tussen een bestaande soort en een daaruit veronderstelde volgend organisme. Precies op dit genetische punt lijdt de evolutietheorie schipbreuk. Men dient immers te bedenken dat het evolutionisme altijd een ‘theorie’ is gebleven — dat wil zeggen een hypothese — en niet een ‘natuurwet’. Een natuurwet vereist immers een harde experimentele verificatie of ten minste een sluitend statistisch en empirisch bewijs.

Pas geruime tijd na de eerste ontdekkingen rond de DNA-structuur wisten diverse wetenschappers de wetenschappelijke onhoudbaarheid van het spontane evolutionisme aan te tonen.

De waarschijnlijkheidsrekening had reeds uitgewezen hoe mathematisch verwaarloosbaar — zo niet volstrekt onmogelijk — de spontane overgang is van anorganische materie naar organisch leven. Laat staan de ontwikkeling van complexe, georganiseerde structuren zoals die van een bacterie, het menselijk oog of het voortplantingsstelsel. Specifieker nog: men stelde vast dat natuurlijke mutaties nooit betrekking hebben op een verandering van het basisaantal chromosomen (karyotype), maar beperkt blijven doeltreffend tot variaties in omvang, pigmentatie of secundaire kenmerken. Dit betreft dus uitsluitend micromutaties.

Helaas bezitten tot op de dag van vandaag slechts weinigen de wetenschappelijke moed om het heersende evolutionaire paradigma openlijk ter discussie te stellen.

[Tot zover de vertaling op academisch niveau. – Red.]

De genetica heeft moleculaire biologie nodig om bestudeerd te worden

En zo komen we bij de laatste fase: de studie van de ‘werking’ van chromosomen en genen. De studie van deze uiterst delicate materie kan alleen plaatsvinden via de moleculaire biologie. En hier is de verrassing schokkend: geen enkel resultaat biedt de minste hoop voor de evolutietheorie, die als veronderstelling de chromosoomreductie heeft — oftewel de overgang van het ene aantal chromosomen naar het andere! Waarneming bevestigt juist dat het aantal chromosomen voor elke soort ‘stabiel’ is. Toeval, omgeving, selectie of een combinatie van deze drie factoren is niet voldoende om een verandering in het aantal chromosomen teweeg te brengen.

Pas door de werking van chromosomen te observeren, ondersteund door een onpartijdige statistische studie, kon worden aangetoond dat er in de natuur geen enkele mogelijkheid is tot overgang van de ene soort naar de andere en, specifiek, van aap naar mens. In tegendeel: chromosoomreductie zou onmisbaar zijn geweest om de theorie van de evolutie van de menselijke soort uit een onmiddellijk lagere soort te ondersteunen. Daarom blijft de evolutietheorie slechts een hypothese die door de natuur zelf wordt weersproken!

Waar de geneticus zich vroeger beperkte tot het observeren en bestuderen van de cel om daar conclusies uit te trekken, heeft hij vandaag de dag de samenwerking met de moleculair bioloog nodig om de ‘werking’ te begrijpen en te snappen hoe chromosomen zich gedragen. Alleen als deze twee wetenschappers samenwerken, zijn zij bevoegd om over deze zaken te spreken. Niemand anders! In plaats daarvan gebeurt het vaak dat degenen die erover spreken geen adequate wetenschappelijke achtergrond hebben, maar eerder gebonden zijn aan een ideologie.

Het normale menselijke karyotype

Om nu rechtstreeks te komen tot het onderwerp dat definitief een einde maakt aan elke overgebleven ambitie om te beweren dat het evolutionisme een wetenschappelijke basis kan hebben, gaan we proberen te begrijpen wat de structuur van het menselijk DNA is. Dit inzicht stelt ons immers in staat om vast te stellen dat zowel chromosoomreductie (in het specifieke geval van de mens, maar evenzeer bij welke soort dan ook) als de toename van slechts één chromosoom altijd onverenigbaar zijn met het leven of met de voortplantingscapaciteit. Dit stelt ons ook in staat te begrijpen wat een chromosomaal syndroom is.

Het menselijke chromosomenstelsel, of karyotype, is diploïd. Dat wil zeggen dat het bestaat uit 23 paren chromosomen, wat een totaal maakt van 46. Deze worden bij de bevruchting voor de helft ter beschikking gesteld door de mannelijke geslachtscel en voor de helft door de vrouwelijke. Van deze 23 paren coderen er 22 voornamelijk voor de somatische (lichamelijke) kenmerken — deze worden autosomen genoemd. Het laatste paar codeert voornamelijk voor de geslachtskenmerken en bestaat uit twee X-chromosomen bij vrouwen en een X- en een Y-chromosoom bij mannen.

De versmelting van de twee geslachtscellen (de gameten) — die van de vader en die van de moeder, elk met 23 chromosomen — tot een nieuwe cel herstelt het complete genetische materiaal van 46 chromosomen en doet zo een nieuw individu ontstaan.

Voor niet-ingewijden is het van fundamenteel belang te onthouden dat chromosomen worden aangeduid met een oplopende nummering die omgekeerd evenredig is aan hun grootte. Chromosoom 1 bevat dus veel meer genen en DNA dan chromosoom 22, wat het kleinste is. We weten niet waarom de Schepper heeft besloten de informatie op deze manier te verdelen door chromosomen van verschillende grootte te gebruiken, in plaats van 23 paartjes van identieke afmetingen te ontwerpen en te kiezen voor een kwantitatief ongelijkmatige verdeling van het genmateriaal over de 23 paren. Noch is de keuze voor de mens van een numeriek lager karyotype (met 46 chromosomen) begrijpelijk of logisch, terwijl de chromosomen van de mens veel geavanceerdere informatie en in grotere hoeveelheden moeten bevatten vergeleken met het apengenoom (dat er 48 bezit). Het lijkt er bijna op dat God met deze keuze elke hypothese van evolutionaire aard al in de kiem heeft willen smoren!!!

Op deze afbeelding zien we wat wordt gedefinieerd als een ‘normaal menselijk karyotype’. Vanuit dit uitgangspunt kunnen we verduidelijken en begrijpen wat een chromosomaal syndroom is, oftewel een ernstige afwijking van een of meer chromosomen.

In elke cel van het menselijk lichaam van de huidige mens, evenals in die van de oorspronkelijke mens, bevindt zich een reeks chromosomen van in totaal 46 stuks. Let goed op, want dit aantal is heel belangrijk.

De chromosomen zijn twee aan twee gekoppeld en geordend gerangschikt langs een spiraal. In totaal hebben we dus 23 paren chromosomen in elke cel van het lichaam.

Vanaf het eerste paar tot en met het tweeëntwintigste worden de chromosomen ‘autosomen’ genoemd en ze zijn allemaal verschillend van elkaar qua grootte en vorm. Ze zijn verschillend omdat ze een verschillende hoeveelheid informatie bevatten. In chromosoom 21, dat het kleinste is, zit bijvoorbeeld veel minder informatie dan in chromosoom 1 of 2, die erg groot zijn.

In de geslachtscellen van de moeder en de vader hebben we slechts één enkele reeks chromosomen, dus niet meer 46, maar 23. Deze vormen ‘de gameet’: bij de vader de zaadcel, bij de moeder de eicel. Het 23e chromosoom bepaalt het geslacht van het ongeboren kind. Bij de bevruchting verenigen de 23 chromosomen van de vader zich met de 23 chromosomen van de moeder. De 23 paren hervormen zich, worden er weer 46 in totaal, en vormen de eerste cel die het ontstaan geeft aan het individu.

In de eerste cel die uit deze combinatie ontstaat, bevindt zich dus het gehele genetische materiaal van zowel het lichaam als de psyche van een individu: alle 46 chromosomen zijn er aanwezig.

Volgens de moraal van de Kerk is er vanaf het moment van de bevruchting al in nuce (in de kiem) een individu aanwezig. Zodra de eerste cel er is, groeit er binnen enkele maanden een mens uit. Voor de Kerk is die eerste cel dus al een individu! En dat individu is uniek. Er zullen er in het hele universum nooit twee identiek zijn, omdat er miljarden en miljarden mogelijke combinaties bestaan in de moleculaire structuren van deze chromosomen. Het is een statistisch feit dat het onmogelijk is dat er twee mensen met exact dezelfde eigenschappen ontstaan. We zijn allemaal uniek en onherhaalbaar in het plan van God.

Dat is de reden waarom de Kerk terecht zo strikt is over anticonceptie: omdat veel anticonceptiemethoden — ook al weten we dat vaak niet omdat het ons niet verteld wordt — feitelijk echte vroege abortussen zijn, doordat ze mechanismen in werking stellen die een micro-abortus veroorzaken. Het spiraaltje bijvoorbeeld doet niets anders dan het innestelen van de reeds bevruchte eicel verhinderen, die op dat moment niet meer uit één enkele cel bestaat, maar al een klompje cellen is dat een ‘morula’ wordt genoemd.

De nederlaag van de theorie van Chromosoomreductie

Wat is nu het feit dat tot op heden is ontgaan aan iedereen die in de fabel van de evolutietheorie is getrapt? Dat is dat het normale genetische materiaal van de aap uit 48 chromosomen bestaat en dat van de mens uit 46. Als wij van de aap zouden afstammen, zouden we in de aap een wetenschappelijk bewezen mechanisme moeten vinden dat uitlegt hoe we van 48 chromosomen naar 46 zijn gegaan. Als we deze overgang niet aantonen, is de hele evolutietheorie een sprookje.

Darwin, die ten tijde van de publicatie van zijn boek niet op de hoogte was van de structuur en de precieze functie van chromosomen, kon niet weten dat chromosoomreductie een utopie was. Pas in 1959, exact een eeuw na de publicatie van zijn boek ‘De oorsprong der soorten’, werd het DNA bekend — waarvan de chromosomenset overigens tot op de dag van vandaag nog niet volledig is gedecodeerd. Toch had hij de intuïtie dat de natuur niet in staat was tot een geleidelijke overgang van de ene soort naar de andere. Dit blijkt wel uit het feit dat hij de bekende ‘ontbrekende schakel’ (‘l’anello di congiunzione’) te hulp roept, die met één enkele, definitieve overgang het begin zou hebben gemarkeerd van een nieuwe soort. Aangezien hij de natuur als veroorzaker uitsloot — want ‘Natura non facit saltus’ (de natuur maakt geen sprongen) — bleef door uitsluiting de goddelijke tussenkomst stilzwijgend verondersteld.

Ik vraag me af: waarom zou men in de wetenschappelijke wereld God nooit mogen noemen, zelfs wanneer Hij overduidelijk aanwezig is? Misschien om ongelovigen niet voor het hoofd te stoten. Maar de waarheid is de waarheid! Hoe het ook zij, de verdienste van Darwin was groot, hoewel deze beperkt blijft tot de beschrijvende studie van de zichtbare aspecten, oftewel de micro-mutaties.

Zoals we hebben gezien, bracht hij op basis van de observatie van vele exotische soorten de overeenkomsten tussen soorten aan het licht, waarmee hij de theorie van de fylogenese documenteerde, en leidde hij af dat er een nauwe relatie bestond tussen hun kenmerken en de omgeving. Van dit inzicht naar de evolutietheorie is echter nog een heel lange weg…!

Bovendien, ik herhaal het, was het absoluut niet Darwins bedoeling om met zijn beweringen alles te zeggen wat de neodarwinisten in hun theorie hebben beweerd. Zij hebben zich een hypothese toegeëigend die voor Darwin juist alleen betrekking had op micro-mutaties — oftewel mutaties die optreden binnen ‘een en dezelfde soort’ — en zijn verder gegaan door zowel ‘de theorie van de mutatie van soorten’ (de spontane overgang van de ene soort naar de andere) te formuleren als die van de ‘chromosoomreductie’. Dit zijn theorieën die, zoals we zullen zien, in het licht van de huidige kennis niet langer houdbaar zijn. Ondanks het feit dat er honderden boeken zijn gepubliceerd ter ondersteuning van de evolutionistische stelling, hebben de evolutionisten er nog nooit een wetenschappelijk bewijs voor geleverd!

Mijn laatste woordenwisseling met een collega hierover was op een recent congres. Hij zat naast mij en had zelfs de moeite genomen mij een boek over biochemie te sturen om te bewijzen dat Darwin en de neodarwinisten gelijk hadden — een boek dat echter niets bewees. Van wetenschappelijke bewijzen die de juistheid van de hypothese van de neodarwinisten bevestigen, is tot op de dag van vandaag geen sprake!

Met de ontdekking van het DNA

Pas aan het begin van de 20e eeuw werden de resultaten bekend van het genetisch onderzoek van Gregor Mendel, een Boheemse augustijner abt die drie wetten over de erfelijkheid formuleerde. Pas met Mendel, die met recht wordt beschouwd als de vader van de genetica, begon een grondige studie van de erfelijkheidswetten, voornamelijk gebaseerd op experimenten en statistiek. Maar zelfs met de latere ontdekking van het DNA was de kennis van de structuur van chromosomen en hun werking nog gebonden aan niet erg geavanceerde instrumenten.

In 1963 werd het DNA ontdekt. Het is dus een vrij recente ontdekking die bijna de 50 jaar bereikt. Pas in de allernieuwste tijd begint men de ‘werking’ van celstructuren te begrijpen. En er zijn heel wat nieuwe ontdekkingen!

De werking van de streng en van alles wat er aan levende materie omheen zit, begrijpen we vandaag de dag alleen door de moleculaire biologie. Daarom is degene die bevoegd is om over deze dingen te spreken niet de natuurkundige, de antropoloog, een andere wetenschapper, de theoloog of de filosoof, maar uitsluitend de geneticus samen met de moleculair bioloog. Het is niet iets wat met röntgenstralen bestudeerd kan worden. Hoewel we met röntgenstralen beelden kunnen zien van hoe een chromosoom eruitziet, kunnen we daar vanuit biologisch oogpunt geen conclusies aan verbinden. We kunnen hooguit een beschrijvende studie doen; we kunnen de twisting zien die de dubbele helix vormt, maar verder gaan we niet. Daarom heeft de geneticus de moleculaire biologie nodig om te begrijpen hoe de structuren in elkaar zitten en hoe ze werken.

En wat zien de geneticus en de moleculair bioloog? Zij zien dat de wetenschap vandaag de dag vordert in de tegenovergestelde richting van de neodarwinistische postulaten. Dit zijn de belangrijkste vernieuwingen:

Beperkingen van het evolutionisme door het onwetenschappelijke karakter van de theorie van Chromosoomreductie

Evolutionisten baseren hun theorie op het feit dat 98% van het genetisch materiaal van apen en mensen vergelijkbaar is. Vanuit deze waarneming stappen zij, alsof het een logisch gevolg is, over naar de veronderstelling dat chromosoomreductie een vaststaand feit is. Zij denken dat de mens afstampt van de aap omdat in een ver verleden een of meer individuen door spontane evolutie, via een proces van ‘fusie’ van twee chromosomen, toevallig zouden zijn overgegaan van de 48 chromosomen van de apen naar de 47 en vervolgens naar de 46 van de huidige mens. Daarom beschouwen zij, naïef genoeg, het probleem van de chromosoomreductie als irrelevant.

Maar technisch gezien is de overgang van 48 naar 46 chromosomen onmogelijk! Statistisch gezien is het onmogelijk! Ieder die zich aan deze discussie wil waagden, leg ik een TABEL voor van de statistische gevallen waarin er één chromosoom minder is, en het resultaat zal hij zelf zien. Het resultaat is helder! Hij zal zien dat deze overgang in de werkelijkheid ‘onmogelijk is’! ‘Technisch’ is het onmogelijk! Ik daag iedereen uit om mij het tegendeel te bewijzen! Als men mij dat niet bewijst, luister ik niet eens. Ik luister niet omdat die theorie niet alleen niet te bewijzen is, maar omdat de statistische studie van chromosomale syndromen mij precies het tegendeel bewijst.

Om te begrijpen waarom de natuur de theorie van de chromosoomreductie afwijst, moeten we eerst verduidelijken wat chromosomale syndromen zijn.

Chromosomale Syndromen, Chromosomale Pathologieën en Ziektes

De studie van chromosomale syndromen, uitgevoerd vanuit het perspectief van deze nieuwe inzichten, werpt weliswaar een duister licht op de oorsprong van de menselijke soort zoals wij die nu kennen, maar opent voor de wetenschap en de religie ook onderzoeksscenario’s en verdiepingen die tot enkele decennia geleden ondenkbaar waren.

Laten we immers niet vergeten dat voordat Watson en Crick de Nobelprijs ontvingen voor hun onderzoek naar de molecuul van desoxyribonucleïnezuur (DNA), en voordat de wetenschappelijke horizonten immens werden verbreed door de recente technologische verworvenheden die Craig Venter en zijn team in staat stelden het menselijk genoom te sequentiëren, de mogelijkheden om te bestuderen wat we vanuit informatisch oogpunt als de “Taal van God” zouden kunnen beschouwen, praktisch nul waren.

Pas na 1963 heeft men de ziekte in verband kunnen brengen met het genetisch materiaal. Pas vanaf dat moment is de aandacht gericht op chromosomale syndromen en chromosomale pathologieën.

Chromosomale syndromen onderscheiden zich van chromosomale pathologieën, en deze weer van ziektes in het algemeen, door hun ernst en doordat ze gelijktijdig heel veel organen treffen. Chromosomale syndromen zijn dus een verzameling van pathologieën die zich bij individuen ‘vanaf de bevruchting’ manifesteren en waarbij gelijktijdig organen, gebieden en stelsels betrokken zijn, en ze onderscheiden zich juist door hun ernst.

Chromosomale pathologieën zijn eveneens aangeboren, maar ‘ontstaan op een bepaald moment in het leven, en alleen wanneer er een genetische aanleg is’.

Als er slechts één orgaan bij betrokken is, spreek ik van een ziekte. Als ik bijvoorbeeld cirrose heb, is de lever ziek; als ik diabetes heb, is de alvleesklier ziek; als ik ziende ben voor dichtbij (of juist bijziend/verziend), is het oog ziek… Dit zijn ziektes.

Soms zijn er pathologieën die niet het fysieke gedeelte raken, maar de psyche van het individu. We kunnen ons niet blinden op alleen wat we als extern resultaat zien, oftewel op het feit dat sommige mensen — hoewel ze ernstig getroffen zijn door psychische gebreken, en hier zou ik ‘syndromen’ gebruiken — geen lichamelijke afwijkingen vertonen die we kunnen zien. Het kan gebeuren dat wij hen waarnemen als normale mensen terwijl ze dat niet zijn, puur omdat ze geen syndroom hebben dat op het lichaam heeft gedrukt. Deze patiënten kunnen veel zieker zijn dan velen die dat wel zichtbaar zijn.

Van al de materie die de oorsprong van chromosomale syndromen betreft, weten we op de dag van vandaag praktisch niets! De wetenschap weet praktisch niets! Maar we beelden ons in dat we het weten, en vanuit die aanmatiging ontwikkelen we grootheidswaanzin, zoals die welke we steeds vaker in kranten lezen of in de media horen: dat… men erin zal slagen alle ziektes uit te roeien, inclusief syndromen,… en dat men op een dag veel langer zal leven,… misschien wel eeuwig…

De ernstigste chromosomale syndromen kunnen, met een uiterste vereenvoudiging, worden gecategoriseerd in:

  • Monosomieën, wanneer ze één chromosoom minder hebben;
  • Trisomieën, wanneer ze één chromosoom meer hebben;
  • Polysomieën, wanneer ze meerdere chromosomen te veel hebben ten opzichte van het normale karyotype.

Nu zullen we ze in detail bekijken in een TABEL met statistische gegevens die we in veel Amerikaanse geneticaboeken terugvinden.

Tabel van Chromosoom-syndromen

De TABEL die we gaan analyseren is het resultaat van een studie uitgevoerd op 100.000 gevallen. Een studie uitgevoerd op 100.000 gevallen heeft op wetenschappelijk gebied een statistische kracht waar niemand iets tegenin kan brengen: het is ‘wet’. Niemand kan die gegevens betwisten. Omdat wetenschappelijke studies, wanneer ze op 1.000 gevallen worden uitgevoerd, normaal gesproken al studies zijn die statistisch zwaar wegen.

De Chromosoom-syndromen die tot nu toe zijn ontdekt, zijn talrijk en betreffen alle chromosomen. Hier tonen we, ter illustratie, slechts enkele voorbeelden.

TABEL VAN DE BEKENDSTE CHROMOSOOM-SYNDROMEN OPGESTELD OP BASIS VAN EEN STEEKPROEF VAN 100.000 CONCEPTIES, UITGEDRUKT IN ABSOLUTE AANTALLEN

In onderstaan betoog ontbreken de juiste tabellen, ga daarvoor naar de Italiaanstalige pdf van prof Martelli, adres;

Spontane abortussen (Miskramen) | Levendgeborenen met Chromosoom-syndroom

MONOSOMIEËN (met 1 chromosoom minder) Chr. 23 X0 Turner-syndroom 1350 | 8

TRISOMIEËN (met 1 chromosoom extra) Chr. 1: 0 | 0 Chr. 2: 159 | 0 Chr. 3: 53 | 0 Chr. 4: 95 | 0 Chr. 5: 0 | 0 Chr. 6: 0 | 0 Chr. 7 Williams-syndroom: 561 | 0 Chr. 8: 0 | 0 Chr. 9: 0 | 0 Chr. 10: 0 | 0 Chr. 11: 0 | 0 Chr. 12: 0 | 0 Chr. 13 Patau-syndroom: 128 | 17 Chr. 14: 275 | 0 Chr. 15: 318 | 0 Chr. 16: 1229 | 0 Chr. 17: 10 | 0 Chr. 18 Edwards-syndroom: 223 | 13 Chr. 19: 52 | 0 Chr. 20: 10 | 0 Chr. 21 Down-syndroom: 350 | 113 Chr. 22: 424 | 0

Chr. 23 Geslachtschromosomen

POLYSOMIEËN (hebben 2 of meer extra geslachtschromosomen) 1725 Klinefelter-syndroom met 48 chr. of meer. XYY: 4 | 46 XXY: 4 | 44 XXX: 21 | 44

Laten we kijken wat de statistieken van de onderzochte gevallen ons vertellen.

Als we deze TABEL analyseren, zien we dat wanneer er aan het aantal chromosomen wordt gekomen, het individu óf helemaal niet wordt geboren óf, als het wel wordt geboren, misvormd wordt geboren. Het wordt geboren met een Chromosoom-syndroom. En het wordt geboren met het onvermogen om zich voort te planten. Dit toont ons aan dat we niet eens kunnen veronderstellen dat de overgang van aap naar mens in de natuur heeft plaatsgevonden via een Chromosoom-reductie.

We zien bovendien dat wanneer de grotere chromosomen worden aangetast, de zygote zich niet eens innestelt of, als de zwangerschap begint, vlak daarna sterft en wordt uitgestoten via een spontane abortus (miskraam). In geen enkel geval wordt het levend geboren.

Een andere waarneming die hieruit volgt, is dat syndromen zich altijd voordoen bij de kleinere chromosomen, omdat deze taken hebben die minder onmisbaar zijn voor het leven. Deze zijn echter evenzeer verwoestend en tasten meerdere organen tegelijk aan. Het Down-syndroom wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een afwijking van Chromosoom 21, dat een van de kleinste autosome chromosomen is. Maar zelfs een kleine onregelmatigheid is voldoende om grote schade aan te richten. Onder de Down-gevallen vinden we een grote variatie in ernst. Sommige gevallen zijn vrijwel onopgemerkt en deze individuen hebben een goede mate van leervermogen en zelfstandigheid. Ze hebben echter allemaal een hoge mate van affectiviteit en sociaal gevoel. Over het algemeen hebben individuen met dit syndroom ook een hoge mate van onvruchtbaarheid.

Heeft u zich ooit afgevraagd waarom we tegenwoordig geen ernstige gevallen van Chromosoom-syndromen meer zien? Dit komt doordat vruchtwateronderzoek (amniocentese) of vlokkentest (villocentese) in de eerste maanden van de zwangerschap worden uitgevoerd, waardoor foetussen met syndromen kunnen worden herkend en geëlimineerd. Dit betekent niet dat de samenleving een hogere mate van ‘normaliteit’ heeft. Er wordt simpelweg voor gezorgd dat ze geaborteerd worden, terwijl de ernstigste gevallen spontaan worden geaborteerd.

De Monosomieën. Gevallen waarin er één chromosoom minder is vergeleken met het normale karyotype worden monosomieën genoemd. Er zijn geen gevallen van monosomie tussen de chromosomenparen 1-22, oftewel de paren die voornamelijk de somatische kenmerken coderen en ‘autosomen’ worden genoemd. Autosomen zijn dus de paren die ‘niet’ het geslacht bepalen, maar andere genetische kenmerken.

Alle gevallen van monosomie betreffen ‘alleen’ paar nummer 23, het paar dat voornamelijk de geslachtskenmerken bepaalt. Hier ontbreekt een chromosoom: ofwel het Y-chromosoom ontbreekt (of het andere X-chromosoom ontbreekt). Er blijft dus alleen het X-chromosoom over. Het is dus een syndroom dat alleen vrouwen treft. Deze monosomie wordt X0 (x-nul) genoemd, omdat er alleen het X-geslachtschromosoom is en het andere ontbreekt.

De enige bekende monosomie is het Turner-syndroom. De vrouwen die overleven vertonen bij de puberteit een kleiner dan gemiddelde lengte, weinig ontwikkelde borsten en onrijpe interne geslachtsorganen.

Maar let goed op wat geneticus in deze studie hebben gezien! Ze hebben gezien dat op de steekproef van 100.000 onderzochte gevallen er slechts 1.358 gevallen van monosomie waren. En van deze zijn er slechts 8 levend geboren, terwijl de overige 1.350 gevallen met het Turner-syndroom doodgeboren zijn of spontaan geaborteerd.

Individuen met 45 chromosomen, omdat op chromosoom 23 de Y of de X ontbreekt, sterven vrijwel meteen. En als ze er al in slagen enkele jaren te overleven — wat om een zeer klein percentage gaat (8/100.000) — zijn ze voorbestemd om te sterven voordat ze de vruchtbare leeftijd bereiken! Geen van deze individuen met een chromosoom minder heeft ooit de vruchtbare leeftijd bereikt! Het rapport zegt alles wat er te begrijpen valt! Ze zullen nooit nageslacht voortbrengen!

Maar als het ‘ontbrekende’ chromosoom betrekking heeft op een van de andere chromosomenparen, namelijk van 1 tot 22, wordt de foetus vóór de geboorte geaborteerd. Altijd! Dat zegt alles! Ik daag iedereen uit om mij te bewijzen dat een chromosoomreductie in de natuur mogelijk is!

Alle andere gevallen van een chromosoom-syndroom hebben een chromosoom extra. Deze overleven soms, maar het zijn altijd gehandicapte individuen.

De logische stap voor een evolutionist zou zijn om te kunnen bewijzen dat een numerieke reductie van chromosomen mogelijk is. Ik wil niet eens discussiëren over de vraag of het ontbreken van een chromosoom een verbetering of verslechtering is, want zelfs bij het ontbreken van een heel klein stukje van één enkel chromosoom staat het individu op het spel. Het verwoest het! Er komt iets afschuwelijks uit voort! Technisch gezien, als er één ontbreekt, overleeft het individu niet of leeft het maar heel even!

Dit is het bewijs dat een chromosoomreductie in numerieke zin onmogelijk is! Daarom zei ik dat ik iedereen daag die het bewijs van deze statistiek wil betwisten! Ik daag elke geneticus, arts, bioloog, antropoloog, dierenarts… uit om mij het tegendeel te bewijzen! Maar wel met harde feiten en gegevens! Hij zou mij moeten bewijzen dat er in de menselijke soort gevallen bestaan van individuen met 45 chromosomen die in staat zijn om nageslacht voort te brengen en… op een verbeterde manier! Het zou gaan om het bewijzen van precies dezelfde omstandigheden als wat zij veronderstellen dat er is gebeurd bij de overgang van aap naar mens. Hij zou mij moeten bewijzen dat in een casuïstiek van nog eens 100.000 gevallen ten minste enkele gevallen van monosomie de vruchtbare leeftijd hebben bereikt en met 45 chromosomen kinderen hebben gekregen. En op een verbeterde manier. Want dat is het probleem!

Daarom heb ik gezegd dat zolang niemand mij een andere studie van nog eens 100.000 gevallen brengt en laat zien dat er daartussen een — hoe klein ook — percentage is dat de vruchtbare leeftijd heeft bereikt door van 46 naar 45 chromosomen te gaan en zich vervolgens heeft voortgeplant door kinderen te krijgen met een ander individu van 45 chromosomen ‘op een verbeterde manier’, ik niet luister. Want dat zou de stap zijn geweest die volgens hen had moeten plaatsvinden: van 48 naar 47 chromosomen gaan en vervolgens van 47 naar 46, op een verbeterde manier, aangezien wij superieure eigenschappen hebben ten opzichte van apen.

De chromosoomreductie die de evolutietheorie beweert, is praktisch onmogelijk! Als we deze redenering volgen die voortkomt uit wetenschappelijke observatie en we kijken naar apen, moeten we constateren dat een ‘levende’ aap met 47 chromosomen, dus met een ontbrekend chromosoom, nog nooit is gevonden! Vooral een volwassen vrouwelijke aap die zich kan voortplanten, is nog nooit gevonden! Dit is de ‘missing link’!

Dus de conclusie die we vanuit wetenschappelijk oogpunt kunnen trekken door monosomieën te bestuderen en de verkregen gegevens te vergelijken met evolutiehypothesen, is dat deze ketters en revolutionair zijn. Ketters omdat ze een leugen verkopen die op wereldschaal wordt gepresenteerd als wetenschappelijk bewezen, want hoewel het inmiddels zowel biologisch, biochemisch als statistisch-mathematisch duidelijk is dat het neo-darwiniaanse evolutionisme elke grondslag mist, wordt deze theorie in schoolboeken, musea en congressen als waarheid gepresenteerd, en worden dissiderende wetenschappers verstoten en het zwijgen opgelegd.

Ik ben slechts een eenvoudige arts, maar ik wil erop wijzen dat de oplossing die wordt voorgesteld door wetenschappers die zeggen: “De meest waarschijnlijke hypothese om deze verschillen in het aantal chromosomen te verklaren, is die van een ‘end-to-end’ fusie tussen twee kleine chromosomen die zou kunnen hebben plaatsgevonden in een ‘ancestrale pre-hominide’, wat een belangrijk verschil opleverde tussen het karyotype van de mensapen en dat van de mens”, simpelweg belachelijk is!

Concluderend:

ik zie niet hoe men, in het licht van wat hierboven is uiteengezet over chromosoom-syndromen, een overgang van 48 naar 46 chromosomen kan veronderstellen, aangezien de loutere afwezigheid van zeer kleine fragmenten van een chromosoom (deletie) in 100% van de gevallen overduidelijk pathologisch is.

De Trisomieën. In het geval van slechts één extra chromosoom spreken we van Trisomieën, oftewel 3 chromosomen in een paar in plaats van 2. Van alle chromosoomafwijkingen komen Trisomieën het vaakst voor en zijn ze het best waarneembaar. De levensverwachting is echter zeer beperkt.

Trisomieën kunnen betrekking hebben op alle chromosomenparen, zowel de geslachtschromosomen als de overige.

Alle gevallen van ‘geslachts’-chromosomale Trisomie met betrekking tot chromosoom nummer 23 zijn gevallen waarin er een extra ‘geslachts’-chromosoom is: dit kan XYY, XXY of XXX zijn.

Onder de ‘niet-geslachtelijke’ (autosome) afwijkingen is het Down-syndroom het meest frequent, dat betrekking heeft op chromosoom nummer 21. Op de steekproef van 100.000 onderzochte gevallen zijn er 463 Down-gevallen, maar daarvan overleven er slechts 113. Vrijwel slechts 1 op de 3 Down-kinderen overleeft. De overige 350 worden spontaan geaborteerd tijdens de zwangerschap.

Wat we vandaag de dag constateren, is dat de Trisomieën die verenigbaar zijn met het leven alleen die van kleine chromosomen zijn met een hoger nummer. We zien bijvoorbeeld dat het Down-syndroom enerzijds de hoogste numerieke incidentie heeft vergeleken met andere autosome Trisomieën zoals 7, 13 of 18, maar anderzijds ook degene is met de laagste mate van syndromale aantasting.

Individuen met 47 chromosomen kunnen dus alleen overleven en de volwassen leeftijd bereiken — hoewel ze over het algemeen onvruchtbaar zijn en een aanzienlijk lagere levensverwachting hebben dan gezonde mensen — als de Trisomie betrekking heeft op een klein chromosoom. De andere Trisomieën hebben weinig kans om te overleven en eindigen vaak al in de eerste dagen of weken van de zwangerschap in een miskraam.

Laten we kijken wat er gebeurt met de andere Trisomieën, afgezien van die op chromosoom 21.

Tot de weinige Trisomieën die kunnen overleven behoren:

  • die op chromosoom 7, genaamd het ‘Williams-syndroom’,
  • op chromosoom 13, genaamd het ‘Patau-syndroom’, en
  • die op chromosoom 18, genaamd het ‘Edwards-syndroom’.

Maar hun levensverwachting is altijd zeer beperkt.

Als we alle syndromen tussen chromosoom 7 en 20 bij elkaar optellen, zijn er op de 100.000 gevallen in de steekproef slechts 30 levend geboren: een vrijwel verwaarloosbaar aantal en altijd met diverse beperkingen. Van alle andere Trisomieën is er geen enkel geval bekend van een individu dat levend is geboren.

Hebben we ons ooit afgevraagd waarom het Down-syndroom bestaat, oftewel waarom de Trisomie van chromosoom nummer 21 bestaat, en bijvoorbeeld niet de Trisomie van chromosoom 1 of 2? Omdat, als een zeer kleine afwijking van een zo klein chromosoom als chromosoom 21 (het kleinste van de chromosomen) al zulke verwoestende gevolgen kan hebben, stel je voor wat de afwijkingen op chromosoom nummer 1 of 2 zouden doen, die veel groter zijn! Als we chromosoom 21 uitrollen, wie weet hoe lang die draad is! Maar de informatie in chromosoom 21 is sowieso onvoorstelbaar groot van omvang! Dat is waarom er geen Trisomieën van chromosoom 1 of 2 zijn: omdat ze onmiddellijk sterven. Het zijn de zogeheten ‘spontane abortussen’.

Hoe groter de chromosomen dus zijn, hoe strenger de selectie van de natuur is, die ingrijpt met een miskraam. Soms overleven ze niet eens lang genoeg om zich aan de baarmoederwand te hechten. Wanneer er een conceptie plaatsvindt waarbij er een afwijking is in de grotere chromosomen, nestelt de eicel zich niet eens in. Wanneer de vrouw een menstruatie heeft die net even anders is en ze denkt dat het routine is, of omdat de bloeding iets overvloediger is, of misschien omdat het een paar dagen te laat is, gaat het zeer waarschijnlijk om een spontane abortus. Vaak zijn dit miskramen die verband houden met afwijkingen aan de grotere chromosomen!

Onder de minder ernstige chromosoomveranderingen vinden we de zogeheten ‘Zeldzame ziektes’, wat in werkelijkheid genetische aandoeningen zijn, maar die niet onverenigbaar zijn met het leven of met vruchtbaarheid. Er worden er tegenwoordig meer dan 370 geteld en dit aantal neemt voortdurend toe omdat de onderzoeken steeds grondiger worden.

De Polysomieën. Tot slot zijn er de Polysomieën. Polysomieën doen zich voor wanneer er 48 en, in bepaalde uitzonderlijke gevallen, zelfs 49 chromosomen of meer zijn. Dit is het Klinefelter-syndroom. Het is een afwijking van paar 23, oftewel de geslachtschromosomen. Het treft alleen mannen, die vaak langer zijn dan gemiddeld. Ze vertonen onderontwikkelde teelballen, gedeeltelijke borstontwikkeling en hebben soms een lager dan gemiddelde intelligentie. Ze kunnen voorkomen als XXY, XXXY of XXYY.

Over het algemeen worden Polysomieën in de natuur meteen afgekeurd, nog vóór de geboorte.

Om hier meer over te weten te komen, is het mogelijk om instituten te raadplegen die uitsluitend het genoom bestuderen. Een bijzonder geavanceerd moleculair genetisch laboratorium is bijvoorbeeld het ‘Centro Genoma’ in Rome, maar tegenwoordig zijn er ook andere bij de grotere medische faculteiten, zoals in Florence, Milaan, Padua… Daar vinden we tal van andere syndromen vermeld die ik, om het eenvoudig te houden, in deze uiteenzetting niet zal noemen.

Enkele afbeeldingen van Chromosoom-syndromen

In onderstaan betoog ontbreken de afbeeldingen, ga daarvoor naar de Italiaanstalige pdf van prof Martelli, adres;

Laten we nu kijken wat er gebeurt als er sprake is van een Trisomie, oftewel een extra chromosoom. Van het syndroom op chromosoom 21 toon ik u geen gevallen, omdat ik ervan uitga dat u deze kent. Het zijn de Down-kinderen. Pas in de jaren 60 was het mogelijk om dit syndroom in verband te brengen met het genetisch erfgoed. Kennis over de oorzaak ervan is dus zeer recent.

Laten we in plaats daarvan kijken wat voor individuen er voortkomen uit Trisomieën 7, 13 en 18. Bij het Williams-syndroom is chromosoom 7 betrokken. Uit een zeer kleine afwijking, of micro-deletie — wat betekent dat er een piepklein Stukje van chromosoom 7 ontbreekt — is dit wat eruit voortkomt bij deze arme kinderen! Het zijn beelden waar ik niet eens commentaar op geef! Hier is er geen extra chromosoom en ontbreekt er ook geen heel chromosoom, maar er is alleen een deletie, er ontbreekt slechts een klein stukje! Het individu komt er verwoest uit. Ik laat het aan ieder voor zich om hierover na te denken. Het zijn afbeeldingen die ik gekopieerd heb uit studieboeken.

Deze laatste is de foto van een kind van kleur, een teken dat de syndromen voorkomen in alle rassen van de menselijke soort.

De afbeeldingen die volgen zijn van het Patau-syndroom: de Trisomie van chromosoom 13. Laten we ook hier kijken: het is genoeg dat er in paar 13 een extra chromosoom is en dit is wat eruit voortkomt! Uiteraard overleven deze kinderen niet.

Hier zien we hoe een afwijking van het genetisch erfgoed op verwoestende wijze werkt en tot een miskraam leidt. Deze kinderen konden niet levend geboren worden.

Ik herinner me nog met afgrijzen de glazen potten gevuld met formaldehyde die in het Museum van het Instituut voor Gerechtelijke Geneeskunde en Pathologische Anatomie van de Universiteit van Florence op stoffige planken opgesteld staan. In die potten worden de monsterlijke lichamen bewaard, getekend door Chromosoom-syndromen, van arme kinderen die het niet overleefd hebben vanwege een karyotype dat onverenigbaar is met het leven. Ze zien eruit als echte monsters! Ik ging er kijken zodra ik me voor Geneeskunde had ingeschreven. Ik ging er al in de eerste maand naartoe. Daar lagen, geclassificeerd als in een museum, de geaborteerde foetussen van die kinderen die voortkwamen uit spontane zwangerschapsonderbrekingen in de 4e, 5e, 6e en zelfs 7e maand. Ik zie al die planken nog voor me met die grote potten vol formaline, groot genoeg om een foetus te bevatten. En al deze foetussen op een rij waren perfect bewaard gebleven. Voor mij was het shockerend! Een schouwspel als dat is meer dan genoeg! Valtorta heeft ons duidelijk uitgelegd wat ‘monsters’ waren. We zullen dat later zien. En deze zien er niet uit als kinderen, ze lijken op monsters!

Laten we nu een micro-deletie zien, eveneens van Trisomie 13.

Nu zien we een geval van het Edwards-syndroom: de trisomie van chromosoom 18. Kijk eens wat hier gebeurt! Dit is een geval van Anencefalie: een kind zonder hersenen.

We hebben vandaag de dag op wetenschappelijk niveau geen realistische gegevens om aan te dragen. De gegevens die we hebben zijn altijd onnauwkeurige schattingen aan de lage kant. Bepaalde onderzoeken zijn nog niet uitgevoerd. Men zou alle miskramen moeten nemen, bestuderen en catalogiseren. Omdat het merendeel van de spontane abortussen niet eens als zodanig wordt opgemerkt. Als het in de eerste week gebeurt en er alleen wat vertraging in de cyclus is, van 28 tot 32 dagen, gaat het vaak om een spontane abortus die onopgemerkt blijft. Hoe kunnen we in deze gevallen wetenschappelijke gegevens hebben als we het materiaal niet hebben? Deze worden niet eens geclassificeerd. We zouden het genetisch erfgoed moeten hebben van die paar cellen die natuurlijk zijn uitgestoten en die bestuderen.

Het aantal spontane abortussen wordt schromelijk onderschat. Dat is de realiteit. We hebben niet eens een idee van hoe talrijk ze zijn! En gynaecologen weten dit en zeggen het ook. Veel concepties komen niet tot een goed einde. In deze gevallen is er een conceptie en vrijwel direct daarna een abortus. Daarom worden ze dood geboren.

Hier maken we een grove telling, maar laten we niet vergeten dat wanneer er aan de grotere chromosomen wordt gekomen, ze zich niet eens hechten óf worden uitgestoten als miskraam, en als er ook maar een heel klein fragment ontbreekt — als er dus een zogeheten ‘deletie’ is — het individu er verwoest uit komt!

Hier zijn 2 voorbeelden van een deletie bij het Edwards-syndroom.

Deze kindjes zijn levend geboren, maar je ziet wat er gebeurt door een extra chromosoom in paar nummer 18! Het kind wordt, als het geboren wordt, in deze omstandigheden geboren! Ik ga niet de lijst af van alle aandoeningen waaraan deze kinderen lijden!

De volgende is nog een afbeelding van trisomie 18 of het Edwards-syndroom. Hier is het kind aangetast aan de ledematen.

De hier verzamelde beelden spreken voor zich.

Samenvattend

De stelling die evolutionisten en neo-darwinisten uitdragen, is dat de chromosoomreductie van 48 naar 46 chromosomen ‘aan het toeval’ en aan spontane chromosoomveranderingen te wijten is. Maar door die tabel te bestuderen hebben we gezien wat er gebeurt wanneer er sprake is van een spontane mutatie. Bij monosomie van chromosoom 23, oftewel het syndroom waarbij één chromosoom minder wordt vastgesteld, is het percentage overlevenden 8 op de 100.000, wat neerkomt op 0,08 per 1.000. Dan rekenen we nog niet eens mee dat de beperking van seksuele aard is en dat dit het onmogelijk maakt om zich voort te planten. De hoop op een mogelijke geldigheid van de hypothese van een chromosoomreductie is dus praktisch nul. Er bestaan geen andere typen monosomie.

Bovendien, los van alle mogelijke logica en overwegingen over het feit dat een chromosomaal tekort bij de paren 1-22 overleving niet toelaat, blijft het feit dat er informatie op chromosomaal niveau verloren zou gaan, en dit verlies zou individuen verwoesten, altijd. Immers, ook het verlies van slechts een deel van een chromosoom, hoe klein ook — oftewel een ‘deletie’ — is nooit een verbetering, maar altijd een verslechtering. En dan is er nog die numerieke statistiek, simpelweg een kwestie van optellen en aftrekken, die de knoop definitief doorhakt.

Concluderend: men kan niet veronderstellen dat de mens van de aap afstamt! Dit is niet alleen niet te bewijzen, maar als we naar deze wetenschappelijke gegevens kijken, kan het niet eens worden verondersteld! De analyse van de bekende chromosoom-syndromen en het onderzoek naar die syndromen die als cryptogenetisch worden gedefinieerd — waarvan er vele nog onbekend zijn — vormen de voorwaarde om steeds beter te begrijpen hoe een overgang tussen mensapen en de mens op genetisch niveau technisch onmogelijk is.

Het ontbreken van een chromosoom, oftewel monosomie, is ALTIJD ONVERENIGBAAR MET HET LEVEN. Tot op de dag van vandaag bestaan er geen wetenschappelijke verklaringen die dit aspect kunnen bewijzen ter ondersteuning van de evolutietheorie, die uitgaat van een numerieke reductie van niet één, maar liefst twee chromosomen om van het apenkaryotype (48 chromosomen) over te gaan naar het menselijke karyotype (46 chromosomen).

Concluderend: een chromosoomreductie in de natuur bestaat niet, omdat de natuur deze bij voorbaat afkeurt!

Wat betreft de trisomieën, oftewel de syndromen van die individuen met een extra chromosoom: zij hebben hooguit een grotere kans op leven vergeleken met de personen die door monosomie zijn getroffen, maar met een levensverwachting die altijd beperkt is in de tijd en met steeds verslechterende kenmerken. Vrijwel alle trisomieën, of bijna alle, zijn bestemd om te eindigen in een spontane abortus.

In de kolom van levendgeborenen hebben de zwaarste, de grootste chromosomen als waarde: 0. Bij chromosoom 1 is er zelfs onder de abortussen of doodgeborenen geen enkel positief gegeven! Bij het afwijkende chromosoom nummer 2 zijn 159 abortussen gevonden en ‘nul’ overlevenden. Trisomieën die betrekking hebben op grote chromosomen zijn altijd bestemd voor een abortus en nooit voor overleving. In de chromosomenparen van nummer 1 tot 12 zijn er namelijk overal 0 levendgeborenen. Er worden alleen levendgeborenen aangetroffen bij drie trisomische syndromen die betrekking hebben op kleinere chromosomen, en de effecten daarvan zijn schrikbarend.

Vandaag de dag kennen we de verwoestende effecten die de aanwezigheid van een trisomisch karyotype (47 chromosomen) of polysomisch karyotype (48 chromosomen) op mensen heeft. En degenen die overleven, doen dat altijd voor een zeer beperkte periode vergeleken met een normaal persoon.

Toen ik een jonge geneeskundestudent was, leerden ze ons dat moeder natuur eugenetische beschermingsmechanismen voor de soort had. In de wereld van huisdieren, die overigens vaak genetisch worden gekruist om rassen met bepaalde kenmerken te verkrijgen, wordt de incidentie van chromosoom-syndromen pas duidelijk wanneer er sprake is van blootstelling aan zeer hoge doses ioniserende straling (bijv. de dieren in het gebied rond Tsjernobyl).

Dit komt doordat het gaat om kruisingen van ‘rassen’ die allemaal tot de ‘soort’ hond behoren, waardoor kruisingen mogelijk zijn zonder chromosoomafwijkingen te veroorzaken. Maar waar het niet gaat om verschillende rassen maar om verschillende soorten, bestaat er een onoverbrugbare genetische barrière tussen de ene soort en de andere. Per conventie spreekt men immers van een ‘soort’ om een ‘genetisch geïsoleerde’ groep individuen aan te duiden, oftewel niet vruchtbaar met individuen van andere soorten.

Zo hebben we geconstateerd dat chromosoomreductie in de natuur onmogelijk is.

Ondanks wat de theo-evolutionisten beweren — die, om God als Schepper op de een of andere manier in de evolutietheorie te doen passen, veronderstellen dat God de schepping in een nog pril stadium een ‘input’ heeft gegeven zodat de natuur vanzelf zou evolueren zonder verdere creatieve ingrepen — lost hun theorie de relatie tussen geloof en wetenschap niet op. Deze vervalt immers in het evolutionisme en wordt om dezelfde redenen bij voorbaat afgekeurd. We zouden eerder kunnen zeggen dat het deze theorie aan zowel geloof als wetenschap ontbreekt. Het is een compromis dat zelfs het verstand niet bevredigt.

De waarheid is dat als we een logische oplossing willen, de enige die geloof en wetenschap eerbiedigt, we de chromosoomreductie moeten uitsluiten en de noodzaak moeten erkennen van oneindig veel ingrepen van God — net zoveel als er soorten zijn — en, om precies te zijn, ‘twee’ directe ingrepen voor de schepping van de twee stamvaders van elke afzonderlijke soort: het vrouwtje en het mannetje. De enige oplossing is dus deze: om van de ene soort naar de andere over te gaan, en in het bijzonder van een apensoort naar de mens, was noodzakelijkerwijs de scheppende ingreep van God nodig!

Tot slot denk ik dat we moeten ophouden ons zo onderworpen te gedragen wanneer we stellen dat ‘God elke soort afzonderlijk heeft geschapen’ volgens een lijn van steeds grotere complexiteit. We moeten ophouden te accepteren dat de eerste de beste pseudowetenschapper op de katheder gaat zitten en bewijzen van ons eist, terwijl hij er zelf niet één aandraagt! Laten we elkaar als gelijken behandelen: “Jij zegt me dat het evolutionisme gelijk heeft? Leg mij dan technisch uit hoe het is gebeurd dat we van 48 chromosomen naar 46 zijn gegaan!”. Want uit wat we hebben gezien, is het niet alleen ondenkbaar dat het ontbreken van een chromosoom een verbetering brengt, maar ook de aanwezigheid van een extra chromosoom niet. De individuen die aan een chromosoom-syndroom lijden, zijn allemaal beperkt!

Bron

Dr. Francesco Saverio Martelli, WANNEER GELOOF EN VERSTAND HETZELFDE VERHAAL KUNNEN VERTELLEN (IN DE TAAL VAN DE CHROMOSOMEN) – Guido Bortoluzzi – De Middelijke Schepping | Biologie, Theologie en Evolutie

Dr. Francesco Saverio Martelli, Wanneer geloof en rede hetzelfde kunnen vertellen (in de taal van de chromosomen) – in PDF


PDF:


L’Uomo Ibrido: Tecnocrazia Prediluviana, Condizione Attuale e Futuro Postumano


L’Uomo Ibrido: Tecnocrazia Prediluviana, Condizione Attuale e Futuro Postumano

Una sintesi bio-antropologica e teologica attorno a Don Guido Bortoluzzi

A cura di: don Jack Geudens

Con il supporto redazionale e analitico dell’IA Gemini

Sintesi Sintetica

Il Cuore dell’Opera

Questo scritto presenta un’approfondita sintesi bio-antropologica e teologica che collega la preistoria dell’umanità alle odierne questioni bioetiche e al futuro postumano. Al centro vi è l’opera del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (Sintesi della Genesi Biblica), nella quale il racconto della Genesi non viene letto come una mera allegoria, bensì come un concreto dramma bio-storico e genetico.

La sintesi si snoda attraverso tre grandi epoche:

  • ALLORA (Il Peccato Originale Primordiale e la Tecnocrazia Prediluviana): L’umanità ha avuto origine mediante una creazione mediata, in cui il primo uomo (Adamo) ha ricevuto un genoma perfetto di 46 cromosomi. Il peccato originale viene inteso come una violazione biologica e sessuale illecita del primo uomo con lo strumento animale preumano, da cui è derivato il primo uomo ibrido (Caino), la cui discendenza, a causa di questa mescolanza diretta, è risultata intellettualmente oscurata e gravemente gravata spiritualmente. Parallelamente ad essa stavano gli Anunnaki: essi scaturivano dalle linee remote, anch’esse ormai divenute impure, di Adamo e della Donna. Tuttavia, poiché conservavano ancora molto dell’eredità genetica originale e perfetta di Adamo, disponevano di una superiore intelligenza e di una profonda conoscenza. Da queste relazioni prediluviane sono nate tecnocrazie altamente sviluppate che sono infine crollate a causa della manipolazione genetica, del degrado e dell’hybris, rendendo necessario un riavvio biologico e cosmico attraverso il Diluvio.
  • ORA (La Condizione Umana Contemporanea): L’uomo attuale porta le tracce biologiche di questa ibridazione primordiale (46 cromosomi, suscettibilità alle malattie, invecchiamento e una profonda divisione interiore tra spirito e pulsione animale). Nel tempo presente, l’uomo ripete la superbia primordiale attraverso il transumanesimo: il tentativo di effettuare un «upgrade» dell’uomo tramite le biotecnologie anziché guarirlo spiritualmente.
  • DOMANI (Manipolazione della Linea Germinale e Disumanizzazione Postumana): L’analisi prospettica mette in guardia contro i pericoli ontologici dell’editing genetico della linea germinale (CRISPR-Cas). La riscrittura del genoma germinale minaccia l’Imago Dei (l’Immagine di Dio), rischia di dividere la società in un’élite postumana (i Nuovi Nephilim) e in un’umanità vulnerabile «non potenziata» (un-enhanced), e comporta il rischio di generare un’umanità priva di anima, ridotta a codice di dati.

I. L’Uomo Ibrido: Origine, Caratteristiche e Significato Spirituale

Introduzione e Quadro Teorico

Nel quadro teologico classico, la creazione dell’uomo e la successiva caduta nel peccato vengono spesso comprese come eventi puramente spirituali, allegorici o simbolici. All’interno delle rivelazioni e della sintesi teologica del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (Sintesi della Genesi Biblica)[^1], il racconto della Genesi viene invece presentato come un concreto dramma bio-storico e genetico.

Al centro di questo modello di pensiero vi è il concetto di Uomo Ibrido. Questa ipotesi sostiene che l’umanità attuale non sia il prodotto diretto dell’armonia divina originaria, ma il risultato di una profonda mescolanza genetica e spirituale avvenuta nel remoto passato. La storia si articola qui in due grandi epoche correlative: ALLORA (il tempo primordiale, la frattura biologica e le tecnocrazie prediluviane) e ORA (la condizione umana contemporanea, il transumanesimo e la via del restauro sacramentale), sfociando nel DOMANI della prospettiva bioetica.

                  [ STRUMENTO PREUMANO (47 Cromosomi) ]
                                    │
             ┌──────────────────────┴──────────────────────┐
    (Creazione Mediata)                                    │
             │                                             │
     [ ADAMO ] ═════════ [ LA DONNA ]                      │ (Atto Illecito)
    (46 Crom.)           (46 Crom.)                        │
                                                    con Femmina Preumana (“Eva”)
             │                                             │
             ▼                                             ▼
       LINEA PURA                                     LINEA IBRIDA
(Figli & Figlie di Dio)                       (Cainiti / Figli degli Uomini)
             │                                             │
             └──────────────────────┬──────────────────────┘
                                    │
                                    ▼
                          [ MESCOLANZA & CONFLITTO ]
                                    │
             ┌──────────────────────┴──────────────────────┐
             ▼                                             ▼
         ANUNNAKI                                       NEPHILIM
  (Decadenza dell’Élite)                           (Giganti Violenti)
             │                                             │
             └──────────────────────┬──────────────────────┘
                                    │
                                    ▼
                        [ IL DILUVIO (Reset) ]

1. L’Origine: Creazione Pura contro Mescolanza Illecita

Secondo il modello di Bortoluzzi, la genesi dei primi esseri umani è avvenuta milioni di anni fa. Dio si è servito di una creazione mediata: un essere preumano, primatologico, con 47 cromosomi compatibili ha svolto esclusivamente la funzione di strumento biologico (madre surrogata). Nell’utero di questo strumento, Dio ha posto un ovulo fecondato perfetto, creato direttamente.

Da questo sono nati il primo Adamo e la prima Donna perfetta. Essi possedevano un genoma umano integro di 46 cromosomi, una perfetta salute fisica, una volontà pura e vivevano in diretta comunione spirituale con il loro Creatore come gli originari «Figli e Figlie di Dio».

Il Peccato Originale, in questa sintesi, non è stato un’obbedienza astratto-filosofica mancata, ma una concreta violazione biologica e sessuale. Adamo ha cercato di generare discendenza da solo, al di fuori della volontà divina, e si è unito con la femmina ancestrale priva di peli (chiamata metaforicamente da Mosè «Eva» o «il serpente»)[^2]. Da questa unione illecita è nato Caino: il primissimo uomo ibrido.

2. Caratteristiche dei Primi Ibridi (Caino e la sua Discendenza)

Sebbene Caino e i suoi primi discendenti mostrassero ancora esteriormente i tratti delle specie animali ancestrali, erano a tutti gli effetti persone umane. Possedevano un corredo di 46 cromosomi, il che li rendeva biologicamente fertili e capaci di continuare a riprodursi all’interno della linea umana.

Proprietà Fisiche e Anatomiche:

  • Corporatura & Pelle: Statura irregolare, pelle pelosa, fronte sfuggente e caratteristiche orecchie lanceolate che sporgevano verticalmente dal capo per 5-6 cm.
  • Volto e Arti: Le cavità nasali erano parzialmente coperte (a differenza delle cavità nasali aperte degli antenati animali). Possedevano una maggiore manualità e sapevano maneggiare utensili come asce di pietra e palizzate difensive.

Stato Spirituale e Psicologico:

  • Il «Segno di Caino»: La capacità di articolare un linguaggio strutturato è stata la traccia decisiva che ha distinto Caino e i suoi discendenti dagli animali puri.
  • L’Anima Danneggiata: Poiché il concepimento è avvenuto al di fuori dell’ordine divino, l’anima dell’uomo ibrido è risultata danneggiata («calibrata»)[^13]. Tale anima era per natura inatta a portare lo Spirito di Dio in tutta la sua gloria.
  • Comportamento & Pulsione: Ciò ha portato a istinti alterati, un’accresciuta spinta al dominio, angoscia esistenziale, ottenebramento intellettuale, instabilità emotiva, crudeltà e una diretta suscettibilità fisica alle malattie e alla morte.

3. Due Linee, Civiltà High-Tech e i Nephilim

Inizialmente esistevano sulla terra due popolazioni umane nettamente separate:

  • La Linea di Set (I Figli e le Figlie di Dio): La discendenza pura e integra derivata direttamente da Adamo e dalla Donna. Erano alti circa due metri e mezzo, possedevano una civiltà spirituale di alto livello, un genoma puro e vivevano in connessione diretta con Dio. Nei ricordi storici e archeo-mitologici (come le tavolette cuneiformi sumere), questi esseri sono stati in seguito parzialmente tramandati con il nome di Anunnaki[^3].
  • La Linea di Caino (I Figli degli Uomini): La linea ibrida, geneticamente e spiritualmente gravata.

Mescolanza, Decadenza e Bio-Tecnologia:

La deviazione si è approfondita quando la linea ibrida di Caino ha cercato il confronto con la linea pura. Come tramandato in Genesi 6, i Figli di Dio (la linea Anunnaki) sono ceduti all’attrazione fisica delle donne ibride della linea di Caino. Attraverso rapimenti, coercizioni e mescolanze, il patrimonio genetico umano perfetto si è gradualmente contaminato. La straordinaria longevità e le capacità dei Figli di Dio sono diminuite man mano che il loro DNA si è mescolato con la struttura danneggiata dei Cainiti.

Con il susseguirsi delle generazioni, da questa discendenza ibrida si sono sviluppati rami dotati di un intelletto superiore e di una memoria eccezionale. Privi di una morale divina, ma armati di un potente intelletto, essi hanno fondato le tecnocrazie prediluviane. Dai loro incroci trasgressivi e da primitivi interventi biotecnologici sono nati i Nephilim — i «giganti dell’antichità» (Genesi 6,4)[^4]. Essi univano le capacità fisiche e intellettuali dei Figli di Dio con l’anima danneggiata e la pulsione violenta dei Cainiti.

4. Il Diluvio come Reset Cosmico e Biologico

Quando il mondo prediluviano è sprofondato in un’inarrestabile spirale di violenza, deformazioni bio-genetiche e totale oscurità spirituale, il Creatore è intervenuto.

In questa sintesi, il Diluvio non è stato un castigo emotivo o arbitrario, bensì una necessaria bonifica biologica e cosmica[^5]: esso ha spazzato via i mostri ibridi, le manipolazioni deviate e le degenerazioni tecnologiche che erano geneticamente e spiritualmente irrecuperabili. Con Noè — l’ultimo patriarca che conservava una relativa purezza genetica e spirituale — Dio ha dato inizio a un nuovo ciclo.

II. ALLORA — Le Civiltà Tecnocratiche Prediluviane

                      [ L’ECOSISTEMA PRE-DILUVIANO ]
                                    │
             ┌──────────────────────┴──────────────────────┐
             ▼                                             ▼
 [ ALTA INTELLIGENZA & DANNO ALL’ANIMA ]      [ SUPERBIA BIO-TECNOLOGICA ]
 (Discendenti di Caino / Ibridazione)         (Modifica di Tribù Primitive)
             │                                             │
             └──────────────────────┬──────────────────────┘
                                    │
                                    ▼
                       [ LA NASCITA DEI NEPHILIM ]
                   (Giganti Titanici / Bio-Tirannia)
                                    │
                                    ▼
                     [ AUTOMATIZZAZIONE & OPPRESSIONE ]
             (IA Avanzata, Droni & Regni Tecnocratici)
                                    │
                                    ▼
                   [ IL RESET COSMICO: IL DILUVIO ]

1. La Genesi della Tecnocrazia Prediluviana

All’interno delle visioni e della sintesi teologica di Don Guido Bortoluzzi (Sintesi della Genesi Biblica)[^1], il mondo prima del Diluvio non era un’era primitiva fatta solo di pietra e legno. Era la culla di una civiltà umana straordinariamente evoluta, ma profondamente deviata.

Questa civiltà ha tratto origine dalla discendenza di Caino — il primo uomo ibrido nato dall’unione biologica illecita tra Adamo e lo strumento animale preumano («Eva»)[^2]. Sebbene questa discendenza soffrisse di un’anima danneggiata e di istinti alterati, una parte considerevole di questi rami ibridi ha ereditato, per linea paterna, un’immensa capacità intellettuale, una memoria eccezionale e una grande acutezza razionale.

Scollegata dallo Spirito divino e guidata da un’intima spinta al controllo e all’autoconservazione, questa umanità ibrida ha trasformato il proprio intelletto in uno strumento di assoluto dominio tecnologico.

2. Infrastruttura High-Tech: Gli Anunnaki Storici

I regni prediluviani disponevano di uno standard tecnologico che per molti aspetti eguagliava o persino superava la scienza contemporanea. Nei miti storici, nelle tradizioni esoteriche e in particolare nelle tavolette cuneiformi sumere, il ricordo vago e distorto di questa élite tecnocratica si è conservato sotto il nome di Anunnaki («coloro che dal cielo sono discesi»)[^3].

All’interno del modello concettuale di Bortoluzzi, il loro arsenale tecnologico comprendeva tra l’altro:

  • Automatizzazione Avanzata: La creazione di reti difensive autonome e automatizzate e di unità analitiche che controllavano vasti territori.
  • Tecnologia Aerospaziale: Lo sviluppo di veicoli ibridi e unità volanti con cui venivano colmate senza sforzo distanze fisiche e altitudini.
  • Intelligenza Artificiale & Droni: L’uso di sistemi IA primitivi e droni di sorveglianza per monitorare le popolazioni circostanti e le risorse naturali.

Tuttavia, questa tecnologia non veniva impiegata a gloria del Creatore o per la promozione del bene universale, bensì per il consolidamento del potere, l’espansione territoriale e la compensazione del proprio vuoto spirituale interiore.

3. Bio-Engineering, Esperimenti sul DNA e i Nephilim

Il vertice assoluto — e al tempo stesso la rovina — di questa tecnocrazia prediluviana risiedeva nel campo delle biotecnologie. Estraniati dall’ordine sacro della creazione, questi sovrani tecnocratici consideravano il genoma umano e animale come una materia prima plasmabile.

Cominciarono a condurre esperimenti genetici su grande scala sulle tribù umane più primitive e non modificate e sulle popolazioni animali. Da questi interventi biotecnologici, inseminazioni artificiali e incroci trasgressivi sono nati i Nephilim — i «giganti» e gli «uomini potenti dell’antichità» (Genesi 6,4)[^4].

Caratteristiche della Classe dei Nephilim:

  • Superiorità Fisica & Cognitiva: Possedevano una corporatura titanica, una forza muscolare straordinaria e un’estrema capacità di elaborazione mentale.
  • Oscurità Spirituale: Poiché la loro genesi era il risultato di una manipolazione genetica forzata e di un’ibridazione deviata, la loro anima era completamente recisa dalla luce divina. Portavano in sé una forma potenziata della pulsione cainita, che si manifestava in una hubris sconfinata, crudeltà, idolatria e un regime tirannico sulla terra.

4. Il Diluvio come Necessaria Bonifica Biologica

Il mondo prediluviano si è trasformato in un ecosistema distopico in cui mostri genetici, servi clonati e tirannia tecnologica rischiavano di cancellare il disegno originario della creazione.

All’interno del quadro concettuale di Bortoluzzi, il Diluvio non è stato quindi una reazione punitiva emotiva o arbitraria di Dio, bensì una necessaria bonifica biologica e cosmica[^5]. È stata la cancellazione fisica di un’anomalia bio-tecnologica spiritualmente e geneticamente irrecuperabile, per impedire che la razza umana cessasse definitivamente di esistere come portatrice della promessa divina.

III. ORA — La Condizione Umana Contemporanea e la Ripetizione Transumanista

                        [ L’ANTHROPOS CONTEMPORANEO ]
                                     │
             ┌───────────────────────┴───────────────────────┐
             ▼                                               ▼
 [ STATUS QUO ANTROPOLOGICO ]                       [ LA CADUTA TRANSUMANISTA ]
 • Natura Ibrida Inerente (46 chrom.)               • Neo-Hubris: “Sarete come Dio”
 • Conflitto Permanente: Spirito vs. Pulsione       • Fusione: Genoma, IA & Cibernetica
             │                                               │
             └───────────────────────┬───────────────────────┘
                                     │
                                     ▼
                        [ IL DILEMMA ESISTENZIALE ]
            (Upgrade Tecnologico vs. Guarigione Sacramentale)

1. Lo Status Quo Antropologico dell’Uomo Postdiluviano

Nella sintesi di Bortoluzzi, tutti gli uomini attuali sono discendenti dei superstiti del Diluvio (la linea noachica). Ciò significa che l’umanità contemporanea è la diretta erede di questa complessa eredità bio-storica:

  • La Realtà Genetica (Fisico-Biologica): La nostra attuale costituzione fisica di 46 cromosomi è il tratto permanente dell’ibridazione primordiale[^6]. La nostra inerente suscettibilità alle malattie, all’invecchiamento, alla degenerazione genetica e alla morte fisica non sono «errori di progettazione» dell’evoluzione, ma gli echi biologici della frattura primordiale (Peccato Originale).
  • La Tensione Psico-Spirituale: Al concepimento, ogni essere umano riceve un’anima unica, infusa da Dio, ma questa anima trova una matrice biologica gravata dall’eredità cainita. Questo spiega la condizione universale di divisione interiore dell’uomo: la continua lotta esistenziale tra elevati ideali spirituali (l’Imago Dei ricordata) e gli istinti animali inferiori di controllo, paura e aggressività.

2. Il Peccato Originale 2.0: Il Transumanesimo come Specchio Meccanico

La scoperta più profonda nel modello di pensiero di Bortoluzzi è il rispecchiamento esatto della storia. Ciò che nel tempo primordiale è avvenuto tramite l’ibridazione biologica diretta con l’animale preumano, si compie nel presente attraverso il transumanesimo e la scienza tecnocratica.

Il transumanesimo promette la liberazione dalla sofferenza umana, ma in realtà ripete la superbia primordiale del serpente: «Sarete come Dio» (Genesi 3,5)[^7].

PECCATO ORIGINALE PRIMORDIALE (Allora)PECCATO ORIGINALE MODERNO (Ora)
Incroci biologici diretti con l’animale preumano.Manipolazione bio-tecnologica (CRISPR, fusione con IA, Cyberware).
↓↓
Nascita di Caino e dei Nephilim.Nascita dell’Uomo Postumano.
↓↓
Anima danneggiata e predominio della pulsione animale.Disumanizzazione e riduzione dell’uomo a codice di dati elaborabile.

3. La Cultura dell’«Upgrade» e l’Inganno della Redenzione

L’uomo contemporaneo, soffrendo per la fragilità fisica e psichica della sua natura ibrida, cerca nuovamente la propria salvezza nel luogo sbagliato. All’interno della moderna bio-industria e della cultura digitale, l’essere umano non viene più visto come un sacro mistero o una persona elevata, bensì come un meccanismo riparabile o un insieme di dati riscrivibile[^8].

I Due Percorsi di Restauro nella Realtà Attuale:

  • Il Percorso Tecnocratico (Falsa Redenzione): Tenta di correggere i difetti fisici dell’uomo attraverso l’«enhancement» («potenziamento») genetico, gli impianti cibernetici e il prolungamento della vita biologica. Poiché questo percorso ignora la causa spirituale e morale della fragilità umana, non fa che rafforzare la superbia dell’uomo e approfondire il suo vuoto interiore.
  • Il Percorso Sacramentale (Guarigione Autentica): Nella teologia di Bortoluzzi, l’Incarnazione di Gesù Cristo offre l’unico vero rimedio[^9]. Assumendo la natura umana, Cristo ha risanato dall’interno l’umanità decaduta e ibrida. I Sacramenti (in particolare il Battesimo e l’Eucaristia) agiscono come una forma di dialisi spirituale e sostanziale: essi purificano l’interno dell’uomo e ripristinano gradualmente la somiglianza divina (Imago Dei), protesi verso la risurrezione finale.

IV. DOMANI — Analisi Prospettica Ipotetica dell’Editing della Linea Germinale e dell’Evoluzione Postumana

                  [ L’UOMO AL BIVIO DI DOMANI ]
                                │
          ┌─────────────────────┴─────────────────────┐
          ▼                                           ▼
[ IL SMONTAGGIO BIOLOGICO ]                [ LA FRATTURA ONTOLOGICA ]
• Modifica della Linea Germinale           • Mutilazione dell’Imago Dei
  (CRISPR-Cas)                             • Scomposizione Postumana
• Transgenesi & Genomi Sintetici             (I Nuovi Nephilim)
          │                                           │
          └─────────────────────┬─────────────────────┘
                                │
                                ▼
                   [ L’IBSENZA D’ANIMA POSTUMANA ]
          (Riduzione della Persona Umana a Codice di Sistema)
                                │
                                ▼
             [ LA NUOVA MINACCIA DI UNA BONIFICA ]

1. Editing della Linea Germinale (CRISPR-Cas): Il Passo dalla Correzione all’Autorialità

Quando osserviamo il prossimo futuro a partire dalla sintesi di Bortoluzzi, l’avvento dell’editing della linea germinale (come CRISPR-Cas9, prime editing e genomica sintetica)[^10] rappresenta la svolta più radicale nella storia della nostra specie.

La terapia genica somatica (il ripristino di un gene difettoso nelle cellule di un singolo paziente) può essere valutata, da un punto di vista etico, come un atto di misericordia e di guarigione medica. La modificazione della linea germinale — il riprogettarne in modo deliberato e permanente il codice DNA negli embrioni, affinché tali modifiche vengano trasmesse a tutte le generazioni successive — valica tuttavia un confine metafisico[^11].

L’uomo si trasforma così definitivamente da ricevitore della vita ad autore arbitrario della propria specie.

2. Implicazioni Ontologiche: La Mutilazione dell’Imago Dei

Nella teologia di Bortoluzzi, la forma e il genoma umani — per quanto danneggiati dalla catastrofe primordiale — costituiscono il supporto materiale dell’Imago Dei (l’Immagine di Dio)[^12]. Il genoma custodisce il modello divino ordinato, destinato alla grazia e alla redenzione.

Quando i biotecnologi di domani cominceranno a riscrivere le sequenze geniche per programmare “potenziamenti” (enhancements) cosmetici, cognitivi o fisici, si verificherà una fondamentale riduzione ontologica:

  • Da Creazione a Prodotto: L’essere umano non è più una persona unica, voluta da Dio, ma un prodotto ad alta tecnologia frutto di un design umano.
  • La Sostituzione dell’Immagine: L’Imago Dei viene cancellata e sostituita dall’Imago Hominis (l’immagine del desiderio umano). L’uomo ricrea se stesso secondo le proprie preferenze limitate, utilitaristiche e spesso narcisistiche.

3. La Rinascita della Classe dei Nephilim: Bipartizione Biologica

L’analisi prospettica per il domani mostra che l’applicazione su larga scala dell’editing della linea germinale (una forma specifica e ad alta tecnologia di manipolazione germinale) e le fusioni transumaniste condurranno direttamente alla risurrezione della dinamica dei Nephilim:

                     [ LA SOCIETÀ DI DOMANI ]
                                │
          ┌─────────────────────┴─────────────────────┐
          ▼                                           ▼
[ L’ÉLITE POSTUMANA ]                      [ LA MAGGIORANZA DECADUTA ]
(I Nuovi Nephilim)                         (Il Proletariato "Naturale")
• Potenziati cognitivamente e fisicamente  • Vulnerabile, biologicamente "obsoleto"
• Longevità estesa, integrati con l'IA     • Sottomesso esistenzialmente e socialmente
• Estraniamento spirituale e hubris        • Dipendente dalla tecnocrazia

Questa evoluzione non genera un’utopia di uguaglianza, bensì una spietata società di classi biologiche:

  • L’Élite Postumana (I Nuovi Nephilim): Un ceto superiore facoltoso e tecnocratico che dispone di intelligenza potenziata, resistenza fisica, invecchiamento ritardato e dirette neuro-interfacce con l’intelligenza artificiale. Essi considereranno se stessi come il «passo successivo dell’evoluzione», ma porteranno in sé un’intensa oscurità spirituale e il disprezzo per l’originaria natura umana.
  • L’Umanità «Non Potenziata» (Un-enhanced): La maggioranza non modificata che, a causa della propria vulnerabilità biologica, verrà degradata a una categoria di persone «sub-ottimale» e obsoleta, abbandonata alle decisioni dell’élite tecnocratica.

4. Disumanizzazione Postumana e Spersonalizzazione

Una delle questioni teologiche più inquietanti per il domani riguarda lo stato dell’anima umana in un’era postumana.

Nel quadro concettuale di Bortoluzzi, l’anima dell’uomo non è uno spirito disincarnato, ma la forma sostanziale del corpo biologico[^13]. Il peccato originale primordiale ha già fatto sì che l’anima umana venisse «calibrata» (danneggiata) e non potesse più portare pienamente lo Spirito di Dio.

Se l’umanità di domani passerà alla creazione di ibridi uomo-macchina sintetici, organismi transgenici e genotipi radicalmente riprogrammati, si presenterà il rischio reale di una totale assenza di anima:

La base biologica e costituzionale del corpo umano si allontana a tal punto dal disegno divino originario che l’armoniosa inabitazione dell’anima umana e l’azione illuminante dello Spirito Santo risultano alterate o bloccate.

L’uomo riduce se stesso a un host biologico per flussi di informazioni e algoritmi — un essere che può essere intellettualmente superiore, ma spiritualmente morto.

5. Conclusione: L’Annuncio di un Nuovo Reset Cosmico

Quando tracciamo le linee che vanno da Allora (la tecnocrazia prediluviana), attraverso l’Oggi (il desiderio transumanista), fino al Domani (la manipolazione germinale tramite CRISPR-Cas), la forza ammonitrice della sintesi di Don Guido Bortoluzzi si rivela con estrema chiarezza.

La storia si trova in una corsa accelerata verso il medesimo confine oltrepassato prima del Diluvio. Una civiltà che smantella il proprio modello divino, consegna la propria biologia all’arroganza tecnologica e pretende di elevarsi a Creatore, attrae inevitabilmente su di sé la propria correzione cosmica.

L’imperativo bioetico per il domani è un imperativo di radicale umiltà:

La vera nobilizzazione e redenzione dell’umanità ibrida non avverrà mai nelle provette di vetro della biotecnologia o negli algoritmi dell’intelligenza artificiale, ma esclusivamente nell’abbandono alla Grazia divina che ripristina l’uomo dall’interno secondo la sua Immagine Originaria.

CONCLUSIONE / POSTFAZIONE

La Necessità dell’Elevazione e della Redenzione per Mezzo di Nostro Signore Gesù Cristo

Quando contempliamo le profondità della storia umana — dalla frattura biologica dei tempi primordiali fino alla soglia tecnocratica del XXI secolo — una verità fondamentale si palesa con cristallina chiarezza: l’uomo non è in grado di redimere se stesso. Nessun intervento biotecnologico, nessuna modificazione genetica tramite CRISPR-Cas e nessuna fusione cibernetica con l’intelligenza artificiale può guarire la ferita interiore della nostra razza.

Il desiderio transumanista di perfezionamento umano (enhancement) è un tragico inganno. Esso cerca la salvezza dell’uomo nella materia e nella propria capacità, mentre la reale fragilità umana non è una mancanza di forza intellettuale o fisica, ma un ottenebramento dell’anima e un distacco dalla Vita Divina. Chi tenta di ricreare l’uomo secondo le proprie vedute cancella la sacra Imago Dei e edifica un nuovo tiranno prediluviano.

«Perché, come tutti muoiono in Adamo, così tutti riceveranno la vita in Cristo.»

— 1 Corinzi 15,22

Per questo motivo professiamo con sincera convinzione l’assoluta e universale necessità dell’Elevazione e della Redenzione per mezzo di Nostro Signore Gesù Cristo. Ciò che nel dramma primordiale si è spezzato a causa della disobbedienza e dell’ibridazione umana è stato restaurato dall’interno mediante l’Incarnazione, il Sacrificio Sanguinoso sulla Croce e la Risurrezione Gloriosa di Cristo.

Gesù Cristo non è semplicemente un esempio storico; Egli è il Nuovo Adamo. Assumendo la natura umana, Egli ha incontrato l’essere biologico e spirituale dell’uomo nel punto più profondo della sua decadenza. Dove la biotecnologia può soltanto manipolare l’involucro esteriore dell’uomo, Gesù Cristo dona attraverso i Sacramenti (il Battesimo, la Confessione e la Santa Eucaristia) una reale e sostanziale guarigione. Egli monda la colpa originale, sottomette le pulsioni alterate al dominio dello Spirito Santo ed eleva l’uomo alla filiazione divina.

Questa redenzione non è riservata a una classe elitaria di privilegiati genetici, ma è graziosamente aperta a tutti gli uomini — indipendentemente dalla loro vulnerabilità biologica, dalla loro capacità intellettuale o dal loro stato sociale. Per ogni uomo vale il principio secondo cui il vero perfezionamento non risiede nel passaggio al postumano, ma nel processo grazioso della theosis (divinizzazione): l’elevazione della natura umana a partecipe della natura Divina.

Profilo di Don Jack Geudens

Don Jack Geudens è un sacerdote cattolico e ricercatore che da decenni si dedica alla profonda sintesi tra la rivelazione cristiana, la cosmologia e la moderna bio-antropologia. Mosso da un animo pastorale profondamente radicato e da una spiccata curiosità intellettuale, ha iniziato già nel 2012 a mappare e sviluppare sistematicamente il modello concettuale bio-storico di Don Guido Bortoluzzi.

Guidato dalla convinzione che la fede e la ragione (Fides et Ratio) non si combattano ma si illuminino a vicenda, don Geudens esamina come i racconti della creazione in Genesi corrispondano in modo sorprendente alle moderne scoperte scientifiche sulla genetica, sulle strutture genomiche e sull’origine dell’uomo. Nel fare ciò, non evita nemmeno domande complesse e di frontiera riguardanti la storia umana, le ipotesi extraterrestri/prediluviane e il transumanesimo.

Con il completamento del suo vasto lavoro di studio e la pubblicazione del suo sito web, don Geudens mira a offrire ai fedeli e ai cercatori un solido fondamento in un’epoca di rapidi cambiamenti. Nel suo lavoro redazionale unisce la pietà tradizionale all’uso di moderni strumenti analitici (tra cui l’IA Gemini come interlocutore e partner strutturale), ponendo sempre al centro il primato assoluto del Santo Vangelo e la grazia redentrice di Gesù Cristo.

Categorizzazione Istituzionale e Strategica

Centri di Ricerca e Università

  • Pontificia Accademia delle Scienze / Pontificia Università Gregoriana: Studio fondamentale sul rapporto tra antropologia teologica, struttura letteraria della Genesi e modelli di creazione bio-storici[^1].
  • K.U. Leuven (Centro di Bioetica ed Etica delle Scienze): Analisi bioetica delle forme ibride genetiche, dei concetti di peccato originale e della continuità antropologica[^12].
  • Salk Institute for Biological Studies / Broad Institute of MIT and Harvard: Ricerca genetica fondamentale e sulla linea germinale (CRISPR-Cas9, prime editing, biologia sintetica)[^10].
  • Future of Humanity Institute (Oxford University) / Leverhulme Centre for the Future of Intelligence (Cambridge): Analisi dei rischi filosofici, bioetici ed esistenziali relativi al transumanesimo e all’evoluzione postumana[^8].
  • Pontificia Accademia per la Vita (Vaticano) / Katholieke Universiteit Leuven (Facoltà di Teologia e Scienza delle Religioni): Valutazione bioetica della modificazione della linea germinale, della tutela dell’Imago Dei e dell’antropologia teologica[^12].

Applicazioni Militari

  • Analogie Storiche del Controllo Tecnocratico: Studio delle strutture di dominazione prediluviana, dei primi sistemi di celle tecnologiche e dei meccanismi di controllo sociale all’interno delle primissime civiltà umane[^3].
  • DARPA (Defense Advanced Research Projects Agency – USA) / DSTL (Defence Science and Technology Laboratory – UK): Ricerca su «Human Performance Enhancement» (HPE), esoscheletri biomeccanici, neuro-interfacce (BCI) e resilienza genetica contro agenti di guerra biologica[^11].
  • Sistemi d’Arma Autonomi & Sorveglianza IA: Analoghi politico-militari dell’infrastruttura di controllo prediluviana (droni a sciame, opere difensive automatizzate e controllo biometrico avanzato)[^3].

Ambito Governativo

  • Congregazione per la Dottrina della Fede (Vaticano): Valutazione dottrinale di rivelazioni private, ipotesi teologiche sul peccato originale e la genesi umana.
  • UNESCO (International Bioethics Committee – IBC) / OMS (Organizzazione Mondiale della Sanità): Normativa globale, governance e linee guida etiche sul genoma umano e la modificazione della linea germinale umana[^11].
  • EFSA / FDA / Consigli Nazionali della Sanità: Quadri legislativi riguardanti gli organismi geneticamente modificati, la genetica sintetica e le applicazioni biotecnologiche sull’uomo.

Glossario

Concetto / TermineSignificato e Contesto
Bio-antropologiaLo studio scientifico e filosofico dell’uomo come essere biologico e fisico, in combinazione con il suo sviluppo culturale e spirituale.
CRISPR-CasUn’avanzata tecnica biotecnologica con cui i ricercatori possono modificare o riscrivere con estrema precisione le sequenze di DNA nel genoma di organismi viventi.
Fides et RatioLocuzione latina per «Fede e Ragione». La dottrina cattolica che afferma che la fede e la scienza razionale sono due ali con cui lo spirito umano sale alla contemplazione della verità.
HybrisConcetto dell’antica Grecia per indicare orgoglio spropositato, arroganza o mania di grandezza, in cui l’uomo oltrepassa i propri limiti e cerca di agire come un dio.
Imago DeiLocuzione latina per «Immagine di Dio». La dottrina teologica secondo cui l’essere umano è creato a somiglianza di Dio, il che fonda la dignità umana fondamentale e l’anima.
Manipolazione della linea germinaleLa modifica genetica delle cellule riproduttive (ovociti, spermatozoi o cellule staminali embrionali), mediante la quale i cambiamenti vengono trasmessi permanentemente a tutte le generazioni successive.
Creazione mediataLa concezione secondo cui Dio crea il mondo materiale avvalendosi di passaggi intermedi (strumenti) naturali o biologici preesistenti, in contrasto con la creazione ex nihilo (dal nulla).
Nephilim / AnunnakiNei testi biblici e dell’antica Mesopotamia indicati come «giganti» o «caduti»; in questa sintesi intesi come la classe dominante biologicamente mista (ibrida) dell’era prediluviana.
Ontologia / OntologicoIl ramo della filosofia che si occupa della natura dell’«essere», dell’essenza e della realtà.
PostumanesimoUna corrente filosofica e tecnologica che mira a superare l’attuale biologia umana attraverso avanzati interventi tecnologici e genetici.
PrediluvianoDal latino (prae = prima, diluvium = diluvio); relativo al periodo della storia umana precedente il grande Diluvio.
TheosisTermine teologico (specialmente nella teologia orientale e classica) che si riferisce al processo di divinizzazione: il restauro e l’elevazione dell’uomo a partecipe della natura Divina mediante la grazia di Cristo.
TransumanesimoIl movimento intellettuale e culturale che intende migliorare la condizione umana impiegando tecnologie per eliminare l’invecchiamento, le malattie e i limiti fisici/mentali.

Note a Piè di Pagina

[^1]: Bortoluzzi, G. (1974). Sintesi della Genesi Biblica. Detselva: Edizioni Mediatrice. Don Guido Bortoluzzi ha formulato, sulla base delle sue visioni, una reinterpretazione teologica e antropologica dei racconti della Genesi, in cui la creazione e il peccato originale vengono interpretati attraverso meccanismi biologici.

[^2]: Genesi 3 & sintesi Bortoluzzi: Il superamento del confine biologico tra la coppia umana direttamente creata e la madre surrogata animale preumana ha comportato, secondo Bortoluzzi, una frattura genetica e spirituale (ibridazione).

[^3]: Sitchin, Z. (1976). The 12th Planet. New York: Stein and Day. Riferimento alla cosmologia sumera e al ricordo delle élite tecnocratiche prediluviane (Anunnaki), interpretate nella sintesi come i rami ibridi dell’umanità tecnologicamente altamente sviluppati.

[^4]: Genesi 6,1-4: Racconto biblico sui Nephilim («i giganti sulla terra a quei tempi»), intesi all’interno del modello come il prodotto di manipolazioni genetiche forzate e incroci coatti da parte dei sovrani prediluviani.

[^5]: Genesi 6,11-13: Il Diluvio considerato come un intervento di bonifica fisico-biologica e cosmica per proteggere il genoma umano da un totale deragliamento.

[^6]: Bortoluzzi, G., & Rive, M. (1988). Genesis and the Origins of Man. San Francisco: Catholic Answers. Descrizione della differenza cromosomica (46 cromosomi) come traccia genetica dell’ibridazione originaria.

[^7]: Bostrom, N. (2005). A History of Transhumanist Thought. Journal of Evolution and Technology, 14(1), 1-25. Interpretazione storica e filosofica della tensione verso il perfezionamento dell’uomo tramite la tecnologia, teologicamente analoga a Genesi 3,5.

[^8]: Savulescu, J., & Bostrom, N. (Eds.). (2009). Human Enhancement. Oxford: Oxford University Press. Analisi delle dimensioni etiche, sociali e tecnologiche del potenziamento umano e della riduzione dei dati.

[^9]: Papa Giovanni Paolo II. (1995). Evangelium Vitae. Città del Vaticano. Enciclica sul valore e l’inviolabilità della vita umana e la guarigione sacramentale in Cristo.

[^10]: Doudna, J. A., & Charpentier, E. (2014). The new frontier of genome engineering with CRISPR-Cas9. Science, 346(6213), 1258096.

[^11]: National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine. (2017). Human Genome Editing: Science, Ethics, and Governance. Washington, DC: The National Academies Press.

[^12]: Pontificia Accademia per la Vita. (2019). Roboethics: Humans, Machines and Health. Città del Vaticano. Valutazione etica dei confini tra dignità umana (Imago Dei) e modificazione sintetica.

[^13]: Tommaso d’Aquino. Summa Theologiae, Pars Prima, Q. 75-76. Antropologia ilomorfica cattolica classica in cui l’anima è la forma sostanziale (forma substantialis) del corpo biologico.

Don Jack Geudens, 3 agosto 2026. Sviluppato in dialogo con l’assistente IA Gemini fino alla sintesi definitiva.

www.guidobortoluzzi.org


Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑