Van Unidentified naar Identified: Vreemd verschijnsel boven de Cartierheide doorgelicht


Van Unidentified naar Identified: Vreemd verschijnsel boven de Cartierheide doorgelicht

Onderzoek: Pastoor Geudens / AI Gemini

DEEL 1: POPULAIR-WETENSCHAPPELIJK ARTIKEL

Vreemd verschijnsel boven de Cartierheide doorgelicht

Het begon met een wandeling over de Cartierheide tussen De Weebosch en Eersel, maar het mondde uit in een opmerkelijke wetenschappelijke hypothese. Tijdens een rustpauze, net nadat twee negentienjarige scholieren uit Bergeijk — waaronder Jack Geudens — het openbare fietspad hadden verlaten en het beschermde heideterrein betraden, werden zij opgeschrikt door een bijzonder natuurkundig fenomeen. In de lucht zweefde een egaal, lichtgrijs, cilindrisch object met een lengte van zo’n 35 tot 50 meter. Het vaartuig vertoonde geen enkele naad, geen ramen, geen roeren en geen zichtbare motoren. Wat volgde, tartte de klassieke natuurkunde: na enkele seconden roerloos zweven maakte de ‘sigaar’ een haakse hoek en schoot met een onvoorstelbare snelheid weg — zonder enig geluid en zonder de verwachte knal van het doorbreken van de geluidsbarrière.

Waar zulke waarnemingen in de media vaak belanden in de vergaarbak van ‘onverklaarbare UFO’s’ of speculaties over buitenaardse wezens, kiest Jack Geudens voor een heel andere aanpak. In een recent geëvalueerd onderzoeksdossier stelt hij voor om de stap te maken van Unidentified (UFO/UAP) naar Identified (IFO). Samen met kunstmatige intelligentie hanteert Geudens een theoretisch denkmodel dat stoelt op de prehistorische en kosmologische inzichten uit het archief van Guido Bortoluzzi. Volgens hem hebben we hier niet te maken met wezens uit een ver zonnestelsel.

De verklaring van Geudens is even fascinerend als aards: het betreft een autonoom, computergestuurd surveillancesysteem — een AI-drone — dat als een materieel relict rondzweeft uit een miljoenen jaren oude keten van vergane, prehistorische technocratieën. De stilte en de abrupte versnelling wijzen op een geavanceerde elektrohydrodynamische veldaandrijving, waarbij het object de lucht om zich heen rimpelloos laat afvloeien. Dat het platform precies in beweging kwam toen de twee jongeren het fietspad verlieten, suggereert bovendien dat de sensoren van de drone direct reageerden op de menselijke aanwezigheid buiten de gebaande paden.

De waarneming op de Brabantse Kempen raakt daarmee aan een wereldwijd dossier. Zowel de Amerikaanse defensiedienst AARO als het Franse ruimtevaartagentschap GEIPAN documenteren al langer vergelijkbare cilindrische platforms met anomale vliegeigenschappen. Wat lokaal begon als een vreemde ervaring op De Weebosch, groeit zo uit tot een bijdrage aan het internationale debat over luchtruimveiligheid en prehistorische technologie. Voor wie dieper in de achterliggende hermeneutiek en natuurkundige analyses wil duiken, is het volledige onderzoeksdossier toegankelijk via de digitale archieven van pastoorgeudens.com en guidobortoluzzi.org.

DEEL 2: WETENSCHAPPELIJK WORKING PAPER & DOSSIER

Van onbekend naar herkenbaar: Een model over mogelijke oude, zelfsturende AI-systemen en technologische overblijfselen uit de prehistorie.

Onderzoeksfocus: Onderzoek van een cilindervormig onbekend object op de Cartierheide, vergelijken met informatie uit defensiedatabases en kijken of zulke waarnemingen beter als IFO (geïdentificeerd object) dan als UAP kunnen worden beschreven.

SAMENVATTING / EXECUTIVE SUMMARY

Mainstream academisch en militair onderzoek inzake Anomale Luchtverschijnselen (UAP) blijft vaak steken in agnostische categorieën (“Unidentified”) doordat men visuele en sensorische gegevens vergelijkt met ofwel menselijke luchtframes, ofwel onbewezen exobiologische hypotheses (SETI/ETI). Dit working paper introduceert een methodologisch alternatief: het IFO-model (Identified Flying Object).

Uitgaande van een fysische casestudy van een sigaarvormig object (35–50m) op de Cartierheide en de synthese van de kosmologische en prehistorische gegevens uit het Guido Bortoluzzi-archief, wordt verdedigd dat deze objecten geen buitenaardse bezoekers zijn, maar autonome AI-surveillancesystemen en archeo-technocratische relicten. Deze hardware-eenheden stammen af van een miljoenen jaren oude keten van vergane technologische beschavingen (waaronder de historische Anunnaki-traditie en de Adamitische opstand). Het paper presenteert een empirisch en wetenschappelijk onderbouwde argumentatie gericht aan universitaire, gouvernementele en militaire onderzoekers.

1. Inleiding: Waarom “onbekend” niet altijd genoeg zegt

In het hedendaagse academische en militaire discours rondom Unidentified Aerospace Phenomena (UAP) — gedocumenteerd door overheidsinstanties zoals het Amerikaanse All-domain Anomaly Resolution Office (AARO)[^1] en het Franse GEIPAN[^2] — bestaat een hardnekkige epistemologische patstelling. Onderzoekers categoriseren verschijnselen uitsluitend als “onbekend” zolang er geen directe fysieke inslag of biologische entiteit wordt aangetroffen.

Binnen de onderzoekslijn van guidobortoluzzi.org stellen wij voor om een gecontroleerde methodologische werkhypothese te hanteren: het IFO-model (Identified Flying Object). In plaats van te blijven steken in agnostische aarzeling, toetsen wij de fysische waarnemingsgegevens aan het historische en theologische erfgoed van de prehistorische beschavingsgeschiedenis.

2. De Casestudy Cartierheide: Kenmerken van het object en zijn beweging

De aanleiding voor deze studie betreft een rechtstreekse veldobservatie op de Cartierheide (gemeente Eersel / De Weebosch). De geobserveerde parameters vertonen een directe correlatie met internationaal gedocumenteerde militaire incidenten:

  • Morfologie: Een perfect cilindrisch/sigaarvormig casco met een geschatte lengte van 35 tot 50 meter. Volledige afwezigheid van aerodynamische stuurvlakken, V-staarten, rotorbladen, cockpitramen of lasnaden (monolithic hull).
  • Akoestisch Profiel: Volledige stilte () tijdens zowel de stationaire zweeffase als tijdens de abrupte versnellingsfase.
  • Kinetica & Veldaandrijving: Een stationaire positie op lage tot gemiddelde hoogte, gevolgd door een haakse koerswijziging en een instantane acceleratie zonder merkbare traagheid (inertial suppression) en zonder het optreden van een supersonische schokgolf (sonic boom).
  • Sensorische Interactie: De koerswijziging en het vertrek vonden direct plaats nadat het object visueel werd geregistreerd door de menselijke getuigen (Pastoor Jack Geudens en medescholier Frank / F.D.).

3. Wetenschappelijke uitleg voor het IFO-model

3.1. Technocratische Autonomie versus Biologische Bezetting

Een belangrijk argument tegen de buitenaardse hypothese (ETH) is het structurele ontbreken van drukcabines, zichtvensters en levensondersteunende infrastructuur in deze specifieke klasse van sigaarvormige objecten. Kinetische krachten die optreden bij haakse hoeken en extreme acceleraties () verwoesten organisch weefsel. Dit ondersteunt de stelling dat wij te maken hebben met autonome AI-drones (robotica) die ontworpen zijn voor langdurige, automatische surveillance zonder biologische bemanning.

3.2. De Keten van Vergane Prehistorische Beschavingen

De kosmologie op guidobortoluzzi.org stelt dat de aarde een geschiedenis kent van hoogontwikkelde, pre-antieke technocratieën die door catastrofes en moreel-spirituele ontsporingen zijn ten onder gegaan. De Sumerische en Akkadische kleitabletten maken reeds melding van de Anunnaki en hun vliegende werktuigen (zoals de Mu of Giru)[^3]. Binnen ons hypothesenmodel zijn deze objecten geen ruimteschepen uit verre sterrenstelsels, maar materiële relicten die geprogrammeerd zijn op een cyclus van miljoenen jaren.

3.3. Relicten van de Primaire Opstand

Binnen de hermeneutiek van Don Guido Bortoluzzi wordt de ontsporing van de oorspronkelijke menselijke hoogmoed (de Adamitische breuk) beschreven als een scheiding tussen natuurlijke orde en technocratische manipulatie. De thans waargenomen IFO’s zijn de geconditioneerde hardware-overblijfselen van deze oorspronkelijke technologische ontsporing. Zij zweven als geautomatiseerde waakhonden in de atmosfeer, losgekoppeld van hun oorspronkelijke makers.

3.4. Fysische Veldaandrijving en Hydrodynamische Luchtverplaatsing

Het uitblijven van een schokgolf bij extreme snelheden wijst niet op magie, maar op geavanceerde elektrohydrodynamische of gravitationele veldaandrijving (field propulsion)[^4]. Het platform genereert een lokaal vacuüm of ionisatieveld rond de romp, waardoor luchtmoleculen wrijvingsloos om het object heen vloeien.

4. Vergelijkend Analyserooster voor Defensie & Wetenschap

Parametrisch KenmerkMainstream UAP / ETI HypotheseIFO / Archeo-AI Drone Hypothese (Bortoluzzi Model)
OorsprongExo-biologisch / Interstellair (SETI)Terrensch-prehistorisch (Antieke AI-relicten / Anunnaki-traditie)
BesturingBuitenaardse pilotenAutonoom AI-surveillance-algoritme (Discretie-protocol)
ConstructieOnbekende elementenMonolithische, naadloze behuizing voor extreem lange levensduur
Gedrag op ObservatieWillekeurig / RaadselachtigActief vermijdingsprotocol getriggerd door menselijke detectie

5. Conclusie

Door het fenomeen te herdefiniëren van UAP naar IFO, stappen we af van zweverige of uitsluitend exobiologische verklaringen. De fysische kenmerken van de waarneming op de Cartierheide — de naadloze cilinder, de volkomen stilte, de veldaandrijving en het ontwijkingsgedrag — passen exact binnen het profiel van een autonome AI-surveillancedrone uit een prehistorische technocratische keten.

BRONVERMELDING & VOETNOTEN (ACADEMIC CITATIONS)

[^1]: AARO (All-domain Anomaly Resolution Office): Unclassified Report on Historical Record of U.S. Government Involvement with UAP, U.S. Department of Defense, 2024. (Correlatie met ‘Cigar-shaped craft’ kinematica).

[^2]: GEIPAN (CNES): Banque de données des phénomènes aérospatiaux non identifiés, Centre National d’Études Spatiales, Frankrijk. (Casusarchieven Categorie D: Anomale acceleraties).

[^3]: Sitchin, Z. / Sumerian Lexicon: The 12th Planet & Mesopotamian Cuneiform Texts. Analyse van de terminologie omtrent de Giru (raket- of droneachtige werktuigen van de goden).

[^4]: Froning, H.D. & Meholic, G.V.: Fluid Dynamic and Thermodynamic Effects of Field Propulsion Vehicle Operations, AIAA Paper 2008-5221, American Institute of Aeronautics and Astronautics.

[^5]: Bortoluzzi Archives: Genesis Herontdekt: Openbaringen over de Prehistorische Scheppingsorde en Technocratische Aberraties, te raadplegen via guidobortoluzzi.org.

Tommaso Costanzo: Don Guido Bortoluzzi e l’Esperienza Divina della Genesi Umana


Indice

I. Introduzione alla presentazione

II. Trascrizione del testo

III. Analisi dei contenuti

IV. La giustificazione teologica e biologica di Genesi Biblica di fronte all’interpretazione di Costanzo

I. Introduzione alla presentazione

L’origine del genere umano è da sempre avvolta nel mistero, sospesa in un delicato equilibrio tra dogmi religiosi e teorie scientifiche. Esiste tuttavia una testimonianza straordinaria capace di interpellare ed esaminare entrambe le prospettive: quella di Don Guido Bortoluzzi (1907–1991), un umile parroco di campagna che affermò di aver ricevuto rivelazioni dirette sull’origine del mondo e dell’uomo. Attraverso intense ed emblematiche visioni mistiche, Don Guido non ha descritto la creazione come un semplice racconto allegorico, bensì come un rigoroso processo biologico, immunogenetico e spirituale.

Chi era davvero Don Guido Bortoluzzi e quale messaggio custodisce la sua opera fondamentale, Genesi Biblica? In questo contributo prendiamo in esame uno dei brani più toccanti e incisivi del suo scritto, incentrato sulla complessa dinamica della nascita e sul significato profondo del peccato originale. Esploreremo inoltre come tali rivelazioni si intreccino con tematiche di grande fascino, quali il DNA antidiluviano, la genealogia dei discendenti di Noè, i riferimenti ai giganti nelle sacre Scritture e la spiegazione scientifico-teologica della riduzione cromosomica ($2n=48 \ –> 46$).

Ipotesi ufologica versus sintesi profetica

Nel dibattito contemporaneo, l’opera di Don Guido viene talvolta interpretata secondo chiavi di lettura assai differenti. Il ricercatore Tommaso Costanzo (ideatore del canale Mater Signum), ad esempio, analizza questi fenomeni prediligendo un’angolatura ufologica ed esoterico-critica: egli accosta i riquadri luminosi apparsi sulle pareti della canonica ai moderni schermi a LED, traccia paralleli con le esperienze fuori dal corpo (OBE) e individua possibili convergenze con le note teorie sugli Anunnaki diffuse da Zecharia Sitchin.

Attraverso i canali ufficiali del nostro centro studi, Don Geudens offre una precisa puntualizzazione nei confronti di tale prospettiva. Pur prendendo atto con rispetto del riconoscimento della genuinità e del candore di Don Guido, si ribadisce con chiarezza che il Modello-Bortoluzzi non ha nulla a che vedere con un “esperimento genetico condotto da entità extraterrestri”. Al contrario, ci troviamo di fronte a una solenne rivelazione trascendente, in cui il peccato originale viene identificato, su un piano strettamente biologico, come un’ibridazione storica incauta tra la linea genealogica pura di Adamo ($2n=46$) e le specie ominidi preesistenti (ancestri, $2n=48$).

L’approccio di Don Guido Bortoluzzi rappresenta davvero la chiave d’volta capace di coniugare fede, immunogenetica e archeologia biblica? Vi invitiamo a seguire questa disamina approfondita, pensata per chiarire gli interrogativi più complessi sulla creazione e per mettere a confronto, con rigore scientifico e teologico, la lettura esoterica con l’autentica esegesi del Modello-Bortoluzzi.



II. Trascrizione integrale del testo

Quest’oggi affronteremo una esperienza incredibile. Immaginatevi di ritrovarvi ad assistere alla creazione del genere umano, anzi perdonatemi, di un genere umano, di un pezzetto di popolo. E questa esperienza è quella che gli viene fatta fare da Dio a don Guido Bortoluzzi, un parroco di campagna. Ma iniziamo questo nuovo percorso insieme subito dopo la sigla.

[musica]

Salve a tutti e ben ritrovati su Matinium. Quest’oggi faremo un’esperienza a dir poco incredibile che è un mix tra un racconto di fantascienza, una esperienza fuori dal corpo, un contatto alieno, un contatto alieno che si spaccia per Dio nei confronti di don Guido Bortoluzzi. Mia personale osservazione, non vorrei offendere vari credenti o seguaci di don Guido Bortoluzzi, appunto, non è quello che voglio io offendere qualcuno, ma mettendo insieme un po’ di pezzettini che ho studiato in qua e là riguardanti tutta una serie di eventi che possono accadere nel mondo, vuoi sia nei sogni lucidi, vuoi nelle esperienze di out of body, quindi di esperienze fuori dal corpo, di uscita dal corpo, vuoi tutta una serie di esperienze, ci può essere di mezzo la DMT, ci può essere di mezzo tanti fattori che vanno a pregiudicare quella che è l’esperienza dell’essere umano stesso, della coscienza.

Questa è doverosa introduzione da fare perché l’esperienza che vive questo parroco, don Guido Bortoluzzi, appunto, vissuto in Italia, lui appassionato, fervente credente, si fece foriero e portatore nell’arco della sua vita di coniugare due aspetti fondamentali che non si riuscì mai a coniugare fino in fondo, che è quello pensiero creazionista e il darwinismo. Lui studiò anche alcune all’epoca, approfondì i primi studi di genetica e appunto la sua grande passione, il suo grande scopo di vita era quello di coniugare queste due parti. Un lavoro, a mio avviso, molto grande per l’epoca. In tanti ci provarono a suo tempo. Vuoi per spirito religioso, spirito teologico di dover dimostrare per forza l’esistenza di un Dio creatore. E a un certo punto nella vita di quest’uomo, perché di un uomo si tratta, accade l’impensabile, anche l’immaginabile. Accade che quest’uomo inizia a avere tutta una serie di esperienze nella sua vita molto particolari all’interno della canonica, all’interno appunto della casa dove abita adiacente alla sua chiesa.

Non vi sto a raccontare tutta la vita di don Guido Bortoluzzi perché sarebbe anche un po’ noioso e tedioso. Ve ne dico una fra tante di eventi della sua vita. Lui studiò, se non ricordo male, assieme a Don Bosco, quindi un background abbastanza importante da un punto di vista cattolico religioso e questo dà un imprinting anche per comprendere che tipo di persona era don Guido Bortoluzzi. Comunque una persona abbastanza semplice, non troppo complicata. Poi, grazie ai suoi studi riguardanti il genoma, riguardanti l’evoluzione della specie, la sua grande fede, volle coniugare il tutto. Ma questa coniugazione avviene grazie a un’esperienza dettata da un presunto Dio. Io dico presunto, non voglio offendere i credenti, ma dico presunto perché si presenta in modi molto particolari nella vita di don Guido Bortoluzzi perché gli fa avere degli accadimenti fisici molto particolari che danno anche da pensare perché chi ha masticato un attimino di ufologia, di contattismo, rapimenti alieni troverà delle matrici profonde riguardanti quello che è l’esperienza di don Guido Bortoluzzi, perché don Guido Bortoluzzi racconta che all’interno della canonica sente delle voci e questo potrebbe essere ascrivibile a problematiche sue personali a livello psicologico oppure di un’esperienza reale che lui ha vissuto. A mio avviso, lui ha vissuto un’esperienza molto profonda che poi cambierà anche la sua vita, il suo modo di vedere, il suo modo di pensare, il suo modo anche di esprimersi.

Non vi elencherò tutto, vi leggerò alcuni passi delle sue testimonianze e introducendo appunto il tutto quello che dicevo dà da pensare tanto l’esperienza che ha vissuto perché lui vedeva all’interno della canonica aprirsi delle finestre all’interno delle pareti dove lui si ritrova accanto delle figure molto particolari. Si potrebbero, in alcuni casi lui li definisce degli angeli, in alcuni casi appunto dei messaggeri veri e propri e in altri casi ancora c’è una lui la identifica come una presenza accanto a lui che narra la scena che gli si pone davanti. È un po’ come se la sua canonica, la sua casa, la sua camera da letto o la sua stessa chiesa si trasformasse in un qualcos’altro. E questo qualcos’altro è un po’ come se viaggiasse nello spazio e nel tempo. E da questi oblò a forma di finestra gli viene data la possibilità di vedere tantissime cose accadute al tempo in cui fu creato il primo uomo. L’Adamo, poi viene definito il rosso, il campione, colui che è stato scelto, selezionato da tutta una serie di eventi che andremo a vedere, il quale con la doverosa pazienza e con sguardo indagatore, con pensiero molto aperto, cercheremo di comprendere e capire cosa è veramente accaduto a don Guido Bortoluzzi e soprattutto cosa lui ha vissuto.

Perché questo secondo me è fondamentale, perché a mio avviso don Guido Bortoluzzi è entrato in contatto con un qualcosa o un qualcuno che gli ha dato la possibilità di vedere la creazione di un nucleo, un nucleo ben preciso genetico, adopriamo questo termine forse più adeguato, che dà una specificità all’interno di cluster familiari. Perdonatemi a volte i termini cerco di adoperarli in un determinato modo perché se adopero altre terminologie vengo segato in modo plateale dal tubo.

Allora, tornando sui nostri passi, gli viene fatto vedere come è stato selezionato le parti migliori per creare questo primo uomo. Questo Adamo che è stato selezionato e viene adoperato un termine particolare, il rosso, il campione. Questo ci fa pensare a molte cose, ci fa riflettere soprattutto tanto. Viene anche appellato perché nel fine dell’esperienza di don Guido Bortoluzzi, Bortoluzzi si rende conto che questo Adamo, questo rosso, è un gigante. A riguardo di ciò abbiamo già realizzato un video sul canale e potete andarlo a guardare. C’è il link in descrizione e c’è sulla i potete cliccare e trovarlo.

Detto questo, tornando a Don Guido e ciò che ha vissuto, quest’uomo incontra questo Dio che si palesa a lui in modi molto particolari, come ho detto prima, quindi con voci, con lampi di luce, con boati, con suoni particolari, i quali messi tutti insieme fanno presumere a un contatto non ortodosso o almeno non al Dio che possiamo ritrovare all’interno delle Scritture, volendo antico e nuovo testamentarie, anche se in alcuni passi va detto che questo Dio si manifesta in modo molto particolare, il Dio dell’Antico Testamento e molto probabilmente potrebbe essere proprio quel Dio lì. Però lascerò a voi il domandarvi il perché nel corso della puntata. Come mai? Perché questo Dio deve adoperare anche certi termini e portare don Guido Bortoluzzi a vedere e a vivere delle esperienze che per don Guido Bortoluzzi sono atroci, perché per un uomo di chiesa, poi vi leggerò, gli verrà fatto vivere l’esperienza del parto, ma no assistere a un parto. Cioè lui verrà posto all’interno dell’utero e verrà fatto partorire da un’ancestra.

Altro termine particolare che incontreremo durante questa puntata, perché gli ancestri sono quella razza molto particolare, molto mansueta e obbediente nei confronti di questo Dio, molto particolari perché sono fondamentalmente degli ominidi a tutti gli effetti. Poi leggeremo qualche descrizione insieme o chi conosce il testo sa di che cosa sto parlando. Poi volendo potremo elencare anche il testo stesso. Anzi ve lo faccio vedere subito che è questo qua che mi ha dato modo nell’arco dei miei studi di poter approfondire e comprendere tanti aspetti della creazione dell’essere umano che sono sfuggiti, sono stati celati, sono stati nascosti. A mio avviso sono state nascoste tante cose e poi lo scopriremo con il percorso che stiamo facendo insieme. E appunto anche questo libro qua, La Santa Sede, ha fatto di tutto per non farlo uscire, mise il veto. Don Guido Bortoluzzi fece grandi peripezie per farlo pubblicare. Il vescovo del tempo, perdonatemi, non mi viene il nome al momento, ma impedì la pubblicazione e lui, grazie a una sua amica, riuscì a pubblicarlo solo dopo la sua morte. Questo per farvi comprendere quanto la censura abbia lavorato in modo molto adeguato e fine nei confronti di tante persone. Lo abbiamo visto già anche nella puntata precedente che vi ho elencato prima.

Tornando agli ancestri, appunto, era questo filone genetico, per adoperare l’altro termine poco adeguato, questo filone genetico precedente alla creazione di un altro pezzetto di umanità collocabile, secondo quello che Dio fa vedere a don Guido Bortoluzzi nella zona di Ninive fra il Tigri e l’Eufrate in un tempo antichissimo e molto probabilmente questo tempo antichissimo è precedente a quel diluvio o quell’inondazione, come abbiamo già visto nella puntata precedente dove fu poi lavata via da questa grande inondazione una parte di popolo o abitatori del globo terracqueo, i quali non erano più adeguati perché avevano preso una china molto particolare, ma molto probabilmente perché era legata, a mio avviso, a quel dio lì agli usi e ai costumi. Comunque, venendo a noi, ora vi leggerò alcuni passi. Qui don Guido Bortoluzzi viene chiamato da un angelo e questa volta lui non si prende paura perché le altre volte, come lui stesso racconta, rischia che gli venga veramente un infarto perché questi signori si presentano nella sua camera da letto o nella sua casa intimandogli in modo anche abbastanza perentorio che si deve dare una mossa perché è tutto pronto, in modo tale da fargli vedere e fargli vivere o ascoltare quello che è la verità.

Notate bene la verità.

Quindi l’angelo apparve senza far paura a don Guido Bortoluzzi. Un angelo precedette l’arrivo delle due celesti messaggere. La voce di un adolescente vicinissima al mio orecchio destro, molto chiara e non in sordina, mi disse prima sottovoce e poi forte: “Guido, alzati che è l’ora solita”.

Non ebbi alcun sussulto a quella improvvisa chiamata, perché ero ancora nel dormiveglia, avevo l’impressione che una persona si fosse curvata sopra di me, il mio corpo e parlasse. Non mi mossi, ma non aprii neppure gli occhi. Trattenni il fiato per sentire il rumore dei passi della persona che mi aveva parlato, o almeno il fruscio dei suoi vestiti. Nulla. Il silenzio era assoluto. Quella voce era risuonata dentro la camera come di persona che parlasse proprio vicinissima al mio orecchio destro. Era una voce chiara, molto familiare, ma non riuscivo ad identificarla, sebbene conoscessi dal loro timbro le voci di tutti i miei parrocchiani. La porta era chiusa, l’unica finestra anche. Sollevai il guanciale. Nulla. Non mi sporsi a guardare sotto il letto, nulla. Rimasi seduto sul letto per qualche minuto. Riflettevo.

Mi ha chiamato Guido invece di don Guido. Mi ha dato del tu, forse per il disprezzo. Mi ha dato un ordine. Alzati. Con quale autorità? Ha soggiunto: “È l’ora solita”. Infatti il mio orologio segna proprio le tre della notte. E qui farei già una prima riflessione. L’ora del diavolo, l’ora delle streghe. Ma come fa a sapere l’orario delle mie elevate notturne? Ciò vuol dire che mi ha spiato, ma a quale scopo? E se mi ha spiato anche questa volta, dovrebbe sapere che non mi sono coricato a mezzanotte come al solito, ma all’una, e perciò non ho bisogno di muovermi per agevolare la digestione e scrivere appunti come di consueto. Il mio nome era comune ad altre persone e pensai che non mi riguardasse. Conclusione esclamai: “No che non mi alzo” e mi adagiai contrario e contrariato e indispettito pensai di essermi sbagliato e mi girai sull’altro fianco cercando di dormire. La mia mente tornava ai soliti interrogativi. Gli interrogativi di don Guido Bortoluzzi ve li ho detti prima, era capire e comprendere come mai. Però Questo vi fa capire e comprendere anche quali forze ed entità — che è il nome più adeguato da dare a questi esseri — entrino in gioco. Prosegue il racconto:

Mentre mi stavo ponendo ancora delle domande, sentii delle voci femminili che sembravano provenire da oltre la parete di graticcio che dietro la mia testa separava la mia camera dal vano scale, e mi chiamavano per nome.

“Guido, non temere, siamo qui anche noi, le due madri dei figli di Dio.”

Poi la voce più alta e sonora, molto dolce, che mi penetrò nel cuore, proseguì: “Maria, madre naturale di Gesù e madre secondo lo spirito di tutti i redenti.”

Già qui, meno male, è la madre di tutti, però soltanto dei redenti. Perdonatemi la polemica, ma con me sapete già dove si va a parare.

La donna della quale ti interessi — una delle due donne parla, quella con la voce più grave — è la madre naturale dei figli di Dio. Le loro espressioni sono teologicamente perfette, pensa don Guido. Credo mi abbiano lasciato qualche secondo per capire bene le loro parole. Poi le sentii pronunciare assieme: “Siamo venute per aiutarti nelle ricerche dei tuoi studi. Guido, non agitarti. Non hai perso tempo con quei libri. Hai cercato la verità con retta intenzione e la verità ti viene incontro.”

Qui altra grande riflessione: gli danno ciò che lui vuole. Danno la loro gratifica a prescindere che lui abbia ragione o torto. Vogliono gratificarlo, vogliono la sua fiducia. Questo, collegato a tante ricerche e a tante testimonianze sugli addotti, ci porta a farci delle domande profonde su quello che ha vissuto quest’uomo.

Riprendendo il racconto e le testimonianze di don Guido, come poc’anzi dicevamo, a quest’uomo viene proprio fatto vedere in quelle che lui definisce visioni — ma sono visioni molto sui generis, perché quando si vanno ad aprire delle finestre all’interno di una canonica che prima non c’erano, di un colore molto particolare che va dal violaceo al giallo, al bianco, e si comportano come l’obiettivo di una cinepresa con voce narrante, e la voce narrante nello specifico è quella di Dio…

Andiamo a vedere a questo punto cosa gli viene fatto vedere a riguardo del primo uomo o primo pioniere, come viene definito.

Con mia grande sorpresa vidi sulla parete sud del mio studio, al posto che era coperto dallo sportello sinistro della libreria di destra, una finestra aperta al chiaro della luce meridiana, occupata dalla figura nitida di un ragazzo nudo, dalla pelle lucida e arrossata, come fosse stato scottato di recente dal sole. Lo vedevo solo dalle anche in su. Non aveva segno di vestito, neppure un perizoma. I capelli nerissimi, lucidi e lisci, gli scendevano fino alle spalle. Ricordatevi: il popolo dalla testa nera e dalla dura cervice.

Mi veniva da fargli molte domande: “Chi sei? Come sei venuto qua?” E la voce sommessa mi suggerì di contenermi. Dio gli dice di stare calmo. Quello non mi guardava. Aveva una faccia bonaria e paffuta. Era intento a guardare qualche cosa che aveva fra le mani; sembrava un mazzetto di steli di paglia. Si girò dalla parte opposta e fece due o tre passi guardando in alto.

Questo ci fa capire che le immagini che vengono fatte vedere a don Guido Bortoluzzi sono come registrate. È un qualcosa che c’è all’interno di quella che si potrebbe definire Akasha, memoria atavica. È come se questo Dio prendesse queste immagini, questi frammenti, questi frame e glieli proiettasse sul muro, o addirittura questo Dio, grazie alla tecnologia, riuscisse a traslare tutta la struttura della casa di don Guido Bortoluzzi, la canonica. Invece a quel tempo don Guido Bortoluzzi questo non lo capirà mai, secondo me non lo capirà mai fino in fondo. Secondo me don Guido Bortoluzzi veniva prelevato ricreandogli intorno un ambiente familiare per non farlo dare in escandescenze o farergli venire un infarto, come lui stesso racconta, e veniva portato con un mezzo al momento non definibile all’interno di questi avvenimenti storici molto antichi, persi nella memoria dell’uomo.

Continuando il racconto: si fermò dove la serie di lastre era interrotta per la caduta di un asse. Da quel vano sporgevano in giù dei corpi grigi bucherellati che credetti lì per lì dei pezzi di tufo. Vedevo solo l’estremità inferiore. Guardavo il ragazzo sospeso lì fuori dal muro della mia stanza, pensando a come facesse a reggersi a quell’altezza, a cinque metri dal suolo.

Qui è sempre più incredulo lo stesso Bortoluzzi, però ci dà intanto dei frammenti molto importanti: questo ragazzo che lui vede — che vi dico è l’Adamo, è il primo uomo, anzi il primo gigante se bisogna essere precisi — lui non riesce a capire come faccia a stare fuori dalla sua finestra, perché la sua finestra è al secondo piano e quindi sta a cinque metri d’altezza. Questa è l’ingenuità giusta di un uomo semplice che non riesce però a comprendere ciò che sta vivendo fino in fondo. E questo Dio, molto probabilmente — questo ve lo dico io —, un po’ si prende gioco di lui perché non gli viene spiegato fino in fondo che cosa stia vedendo e che cosa stia rivivendo. Un po’ come noi oggi durante questo racconto, questo nostro studio. Continua il racconto:

Lo vedo di schiena che armeggia con le mani, così da far sprizzare verso il suo fianco destro un pennacchio di scintille a brevissimi intervalli. Si girò sul fianco sinistro. Potei vedere che quello che aveva nella mano sinistra era un mazzetto di steli dritti di frumento e di segala, le cui spighe vuote intrise di un liquido nero ora bruciavano con molto fumo e gocciolando.

III. Analisi dei Contenuti

L’autore (il relatore della presentazione) analizza le esperienze e le rivelazioni di Don Guido Bortoluzzi adottando una prospettiva non convenzionale, dalle spiccate sfumature ufologiche ed esoterico-critiche.

Egli nutre una profonda ammirazione per la statura umana e l’impegno intellettuale di Don Guido, ma respinge l’interpretazione teologico-tradizionale secondo cui tali visioni traggano origine dal Dio della rivelazione cristiana.

1. Prospettiva ed ermeneutica del relatore

  • Ipotesi extraterrestre e interdimensionale: Il relatore riconosce la veridicità dell’esperienza vissuta da Don Guido, ma ne rielabora la natura ipotizzando un contatto con un’entità extraterrestre o interdimensionale dotata di tecnologie avanzatissime, la quale si sarebbe manifestata sotto le spoglie della Divinità.
  • Decodifica tecnologica delle visioni: Le manifestazioni mistiche descritte da Don Guido vengono tradotte in categorie tecnologiche moderne: i quadri luminosi apparsi sulle pareti della canonica vengono assimilati a “schermi a LED” o “televisori al plasma”, mentre le sequenze visive vengono paragonate a proiezioni estratte da una memoria atavica o universale (gli Archivi Akashici).
  • Stima per la figura del sacerdote: Don Guido viene descritto come un uomo di fede limpida, retto, ingenuo e genuinamente pionieristico, capace di anticipare i tempi tentando, già a metà del Novecento, una convergenza tra la genetica evolutiva e il racconto biblico della Creazione.
  • Diffidenza verso l’entità rivelatrice: L’autore scorge nella figura rivelatrice un’entità perentoria e manipolatoria, rea di aver traumatizzato il sacerdote (costringendolo, tra l’altro, a rivivere l’esperienza della nascita dall’interno del canale del parto) e di averne conquistato la fiducia attraverso sottili conferme psicologiche.

2. Valutazione delle argomentazioni dell’autore

Elementi di forza e spunti di riflessione

  • Anacronismo tecnologico (I quadri visivi): La descrizione dettagliata, fornita da Don Guido negli anni ’70 e ’80, di riquadri luminosi bordati di rosa che mostravano scene “in diretta”, anticipa in modo sorprendente l’estetica dei moderni display a LED e al plasma. Per il relatore, ciò costituisce un solido indizio di un fenomeno tecnologico reale, espresso con il vocabolario limitato dell’epoca.
  • Corrispondenze con la fenomenologia ufologica: L’autore evidenzia come le manifestazioni fisiche secondarie (bagliori improvvisi, boati, voci notturne alle 3:00 del mattino, alterazioni percettive dell’ambiente, stati di ansia profonda) ricalchino dinamiche ricorrenti nella casistica dei rapimenti alieni (abductions) e nella letteratura ufologica.
  • Sfruttamento del bisogno psicologico di sintesi: Don Guido ricercava con ardore una chiave di lettura capace di conciliare evoluzionismo e Genesi. L’entità avrebbe fatto leva su questa inclinazione intellettuale offrendogli risposte su misura (“Hai cercato la verità con retta intenzione e la verità ti viene incontro”), instaurando un meccanismo di condizionamento e convalida psicologica.

Limiti metodologici e speculativi

  • Riduzionismo extraterrestre: L’autore giunge a una conclusione immediata circa la matrice aliena dell’entità, tralasciando di esplorare adeguatamente le complesse dinamiche teologiche, mistiche o psicologico-strutturali dell’esperienza.
  • Accostamenti generici alle alterazioni di coscienza: I richiami a sostanze psicotrope (DMT), sogni lucidi ed esperienze fuori dal corpo (OBE) rimangono di natura suggestiva, privi di un rigoroso inquadramento scientifico o neurobiologico.
  • Proiezione di categorie fantascientifiche (Sovrainterpretazione): L’assimilazione degli ancestri e dell’ibridazione genetica agli esperimenti degli Anunnaki (sulla scia delle tesi di Zecharia Sitchin) appartiene a un filone esoterico popolare, ma risulta fortemente speculativa e sovrappone categorie da science-fiction alla raffinata architettura teologica del testo.

Sintesi

L’autore interpreta Don Guido Bortoluzzi come un autentico esploratore spirituale, divenuto tuttavia tramite incolpevole di un processo di condizionamento biologico e informativo gestito da un’entità superiore. Laddove la lettura credente individua una rivelazione trascendente, l’analisi del relatore scorge la trasmissione guidata di un fascicolo genetico sulle origini dell’umanità.

IV. La giustificazione teologica e biologica di Genesi Biblica di fronte all’interpretazione di Costanzo

A cura della redazione di guidobortoluzzi.org

In qualità di piattaforma dedicata allo studio, alla custodia e alla diffusione responsabile delle rivelazioni di Don Guido Bortoluzzi, accogliamo favorevolmente l’interesse dimostrato da media indipendenti — come il canale video italiano Mater Signum di Tommaso Costanzo — nei confronti dell’opera Genesi Biblica. Questo interesse attesta come le straordinarie visioni di Don Guido continuino a sollevare interrogativi cruciali sulle nostre origini anche al di fuori dei tradizionali circuiti ecclesiali.

Tuttavia, l’esegesi del Modello-Bortoluzzi richiede una chiave di lettura rigorosa e scientificamente fondata. Un’interpretazione che riduca tali rivelazioni a un fenomeno di tecnologia extraterrestre, alla fenomenologia ufologica o a un “esperimento degli Anunnaki” sminuisce radicalmente la portata scientifica e il valore intrinseco dell’opera.

1. Apprezzamento per il riconoscimento degli elementi peculiari

È merito di Costanzo l’aver riconosciuto apertamente la limpida sincerità, la profonda pietà e la statura pionieristica dell’opera di Don Guido Bortoluzzi (1907–1991). Risulta altresì storicamente e testualmente corretta la contestualizzazione delle minuziose descrizioni del sacerdote — come i quadri rettangolari luminosi apparsi sulle pareti della canonica, la cui estetica richiama in modo sorprendente i moderni schermi a LED o al plasma [1].

Tuttavia, laddove il relatore individua in tali manifestazioni una “proiezione extraterrestre” o un’ “influenza tecnologica orchestrata da entità”, la nostra lettura dei testi originali vi riscontra una visione trascendente e profetica. Quando il Divino si manifesta a un essere umano immerso nel tempo e nello spazio, il Creatore si avvale di forme percettive e visive adeguate alla natura sensoriale dell’uomo, senza che ciò implichi l’impiego di “materia o strumentazione aliena” [2].

2. Il confronto con gli Anunnaki e Zecharia Sitchin

Un punto di divergenza fondamentale nell’analisi proposta da Tommaso Costanzo riguarda l’accostamento alle note tesi di Zecharia Sitchin (1920–2010) e al mito degli Anunnaki:

  • L’ipotesi degli Anunnaki (diffusa nell’esoterismo contemporaneo): in questa visione, gli Anunnaki vengono raffigurati come esseri extraterrestri che avrebbero ideato l’umanità mediante ingegneria genetica al fine di plasmare una razza servile destinata a mansioni gravose (quali l’estrazione mineraria) [3].
  • Il Modello-Bortoluzzi: la rivelazione trasmessa a Don Guido delinea un quadro diametralmente opposto a quello di un “esperimento di asservimento”. Il Modello-Bortoluzzi concepisce la creazione dell’uomo come un’atto di elevazione spirituale, d’amore e di disegno provvidenziale. Il Creatore ha plasmato un tipo umano primario e intatto (l’ “Adamo”, il primo vero uomo) caratterizzato da un corredo cromosomico unico e stabile (2n=462n=46), collocandolo all’interno di una popolazione pre-umana preesistente (ancestri, 2n=482n=48) [4].

Il peccato originale nella rivelazione di Don Guido non costituisce un “incidente di laboratorio alieno”, bensì un evento storico-biologico e immunogenetico: l’ibridazione non consentita tra la stirpe pura di Adamo e la specie pre-umana primordiale (ancestri). Tale unione condusse all’incompatibilità cromosomica, al degrado del patrimonio genetico umano e all’insorgere della malattia, del decadimento biologico e della morte [5].

Sovrapporre questo profondo concetto immunogenetico e teologico al mito degli Anunnaki compromette irrimediabilmente la raffinata coerenza genetica dell’opera di Don Guido.

3. Le esperienze “traumatiche” e la Pedagogia della Rivelazione

Tommaso Costanzo percepisce le visioni di Don Guido — in particolare la drammatica rievocazione della nascita sperimentata dalla prospettiva endouterina — come una forma di prevaricazione o manipolazione condotta da un’entità perentoria.

Tuttavia, nell’architettura teologica e profetica dell’opera — Genesi Biblica —, tale esperienza non rappresenta affatto un gesto punitivo o prevaricante, bensì un processo di purificazione didattica e profetica:

  1. Comprensione esperienziale delle conseguenze della caduta: affinché Don Guido potesse comprendere la ragione profonda per cui la nascita umana sia segnata dal dolore, dalla sofferenza fisica e dalle strettoie anatomiche (come recita Genesi 3,16: “Con dolore partorirai figli”), il sacerdote ha dovuto sperimentare direttamente l’ostacolo fisico del bacino modificato e gli esiti biologici dell’ibridazione.
  2. Esperienze sensoriali profetiche nella Parola di Dio: nella storia biblica, i profeti (si pensi a Ezechiele presso il fiume Chebar o a Geremia) sono stati spesso condotti ad attraversare visioni di forte impatto sensoriale e fisico, necessarie per comprendere la gravità del Messaggio e renderne testimonianza con fedeltà nel mondo [6].

Conclusione

La prospettiva delineata da Costanzo evidenzia quanto l’opera di Don Guido Bortoluzzi mantenga una straordinaria attualità, continuando a sollecitare interrogativi di fondo in chiunque ricerchi le origini della vita umana.

Il Modello-Bortoluzzi non necessita tuttavia di sovrastrutture ufologiche, di contestualizzazioni legate a stati alterati di coscienza (DMT) o del richiamo al mito degli Anunnaki per attestare il proprio valore. La forza di Genesi Biblica risiede interamente nella sintesi armoniosa tra il racconto della Genesi, l’immunogenetica, la paleontologia e la spiegazione scientifica della riduzione cromosomica (2n=48→46 2n=48 \ –> 46 2n=48→46) [7].

Invitiamo tutti gli studiosi e gli appassionati ad andare oltre le griglie interpretative dell’esoterismo, per accostarsi ai documenti originali ed esaminarli sulla scorta dei loro effettivi meriti scientifici, biologici e teologici.

Don Geudens

guidobortoluzzi.org

Note e Riferimenti

[7] La sintesi biologica: Cfr. le edizioni ufficiali di Genesi Biblica e la documentazione scientifica disponibile su guidobortoluzzi.org.

[1] Sulle percezioni visive: Don Guido Bortoluzzi ha descritto nei suoi scritti autobiografici come le visioni si manifestassero nello spazio fisico della sua canonica, spesso delimitate da cornici luminose di dimensioni e colore ben definiti.

[2] Teofania e percezione umana: Nella teologia mistica (cfr. Tommaso d’Aquino), una rivelazione divina (teofania) si adatta sempre alle capacità percettive del ricevente (quidquid recipitur ad modum recipientis recipitur).

[3] Zecharia Sitchin e gli Anunnaki: Sitchin ha formulato l’ipotesi secondo cui l’umanità sarebbe stata creata da extraterrestri per scopi lavorativi (The 12th Planet, 1976), una teoria priva di riscontri sia biblici sia immunogenetici.

[4] Incompatibilità cromosomica (2n=46 vs 2n=48): Gli esseri umani possiedono 46 cromosomi (23 coppie), mentre i primati e le specie pre-umane (ancestri) ne possiedono 48 (24 coppie). Il Modello-Bortoluzzi offre una spiegazione biologica per la nascita della struttura umana a 46 cromosomi a partire da un atto creativo primario.

[5] Immunogenetica del peccato originale: Nell’opera di Don Guido, il peccato originale viene analizzato come mescolanza genetica, causa di reazioni immunitarie e degrado genomico (cfr. le relazioni scientifiche del Dott. F.S. Martelli).

[6] Esperienze sensoriali profetiche: Cfr. Ezechiele 3,14 o Geremia 20,9, in cui la ricezione del messaggio divino viene descritta come un’esperienza fisicamente gravosa e coinvolgente.

Tommaso Costanzo: Don Guido Bortoluzzi en de geestelijke ervaring van de menselijke ontstaansgeschiedenis (video)


Inhoud

I. Inleiding op de presentatie

II. Uitgeschreven Transcript (verkort)

III. Inhoudelijke Analyse

IV. De theologische en biologische verantwoording van Genesi Biblica tegenover de interpretatie van Costanzo

I. Inleiding op de presentatie

De oorsprong van de mensheid is altijd omgeven door mysterie, zwevend op de grens tussen religieuze dogma’s en wetenschappelijke theorieën. Toch bestaat er een bijzonder verhaal dat beide perspectieven uitdaagt: dat van Don Guido Bortoluzzi (1907–1991), een Italiaanse dorpspriester die stelde directe openbaringen te hebben ontvangen over de Genesis. Via indringende mystieke ervaringen beschreef hij het ontstaan van de mens niet als een louter allegorisch symbool, maar als een specifiek biologisch, immunogenetisch en spiritueel proces.

Wie was Don Guido Bortoluzzi precies en wat staat er in zijn meesterwerk Genesi Biblica? In deze video verkennen we een van de meest ingrijpende passages uit zijn werk, waarin de ingewikkelde dynamiek rond de menselijke geboorte en de erfzonde centraal staat. Daarnaast kijken we hoe deze visies aansluiten bij thema’s zoals het antidiluviaanse DNA, de stamboom van Noach, de vermeldingen van reuzen in oude teksten en de overbrugging van de chromosomale reductie ($2n=48 \ –> 46$).

Ufologische hypothese versus profetische synthese

In de hedendaagse beeldvorming wordt het werk van Don Guido op uiteenlopende manieren geïnterpreteerd. Zo bekijkt de spreker Tommaso Costanzo (van het kanaal Mater Signum) deze gebeurtenissen vanuit een ufologische en esoterisch-kritische hoek. Hij vergelijkt de visuele kaders op de muren van de pastorie met moderne led-schermen, legt verbanden met Buiten-Lichamelijke Ervaringen (OBE’s) en zoekt aansluiting bij de populaire Anunnaki-theorieën van Zecharia Sitchin.

Vanuit het officiële platform reageert Pastoor Geudens op deze benadering. Hoewel er waardering is voor de herkenning van Don Guido’s oprechtheid en zijn unieke waarnemingen, wordt verduidelijkt dat het Model-Bortoluzzi géén ‘buitenaards lab-experiment’ is. Het betreft een diepgaande, transcendente openbaring waarin de erfzonde biologisch wordt gedefinieerd als een historische hybridisatie tussen de zuivere Adamslijn ($2n=46$) en de primordiale mensachtigen (ancestri, $2n=48$).

Is de benadering van Don Guido Bortoluzzi de ultieme sleutel tot het overbruggen van geloof, immunogenetica en bijbelse mysteries? Bereid je voor op een diepgaande analyse waarin we de verborgen vragen rond de schepping verkennen en zowel de esoterische lezing als de authentieke theologische synthese naast elkaar leggen.



II. Uitgeschreven Transcript (verkort)

Vandaag behandelen we een opmerkelijke ervaring. Stel je voor dat je getuige bent van de schepping van de mensheid — of liever gezegd: van een mensheid, een specifiek deel van een volk. Dit is precies wat God laat meemaken aan don Guido Bortoluzzi, een Italiaanse dorpspastoor. Laten we deze ontdekkingsreis samen beginnen, direct na de intro.

[Muziek]

Hallo allemaal en welkom terug bij Matinium. Vandaag duiken we in een buitengewone belevenis: een fascinerende mix van sciencefiction, een uittreding en buitenaards contact — een entiteit die zich tegenover don Guido Bortoluzzi voordoet als God.

Kleine kanttekening vooraf: het is absoluut niet mijn bedoeling om gelovigen of volgelingen van don Guido te kwetsen. Maar wanneer ik alle puzzelstukjes verzamel over uiteenlopende verschijnselen — zoals lucide dromen, buiten-lichamelijke ervaringen (out-of-body), of de invloed van stoffen zoals DMT op het menselijk bewustzijn — dan roept dat belangrijke vragen op.

Deze inleiding is essentieel om de ervaringen van deze Italiaanse pastoor te begrijpen. Don Guido was een vurig gelovige die er tijdens zijn leven naar streefde twee werelden te verenigen die zelden samengaan: het creationisme en de evolutieleer. Hij verdiepte zich destijds al in de vroege genetica met als doel deze benaderingen te overbruggen — een grensverleggend initiatief voor die tijd. En op een gegeven moment gebeurt in zijn pastorie, direct naast de kerk, het ondenkbare: hij krijgt te maken met een reeks heel bijzondere gebeurtenissen.

Zijn volledige biografie zal ik jullie besparen, maar één detail is interessant: als ik het me goed herinner, studeerde hij nog samen met Don Bosco. Hij had dus een stevige katholiek-religieuze achtergrond, wat laat zien dat hij een vrome, toegankelijke en eerlijke man was. Gedreven door zijn interesse in het genoom en de evolutie van de soorten, gecombineerd met zijn diepe geloof, zocht hij naar antwoorden. Die antwoorden kwamen via ervaringen die werden ingegeven door een vermeende God. Ik zeg ‘vermeend’ omdat deze entiteit zich opmerkelijk manifesteert: wie bekend is met ufologie, alien-contact of ontvoeringsverhalen, herkent direct duidelijke patronen.

In de pastorie hoorde don Guido stemmen. Was dit psychologisch te verklaren, of ging het om een reële gebeurtenis? Hoe dan ook, hij beleefde een ingrijpende ervaring die zijn kijk op de wereld en zijn manier van spreken voorgoed veranderde.

In zijn getuigenissen beschrijft hij hoe er in de muren van de pastorie openingen verschenen waarin bijzondere gestaltes zichtbaar werden. Soms noemde hij ze engelen of boodschappers; op andere momenten stond er een aanwezigheid naast hem die de scènes toelichtte. Het was alsof zijn kamer veranderde in een venster door ruimte en tijd. Door deze raamachtige openingen zag hij beelden van de oorsprong van de eerste mens: Adam, die ook wel “de Rode” of “de Kampioen” wordt genoemd — de uitverkorene uit een reeks gebeurtenissen.

Naar mijn overtuiging kwam don Guido Bortoluzzi in aanraking met een entiteit die hem inzicht gaf in het ontstaan van een hele specifieke genetische stamlijn. Hem werd getoond hoe deze eerste mens werd geselecteerd. Deze ‘Rode’ of ‘Kampioen’ bleek in de visioenen van don Guido een reus te zijn. (Hierover hebben we al eerder een video gemaakt; de link vind je in de beschrijving).

De ontmoetingen met deze God gingen gepaard met vreemde weergaven: stemmen, lichtflitsen, gedonder en scherpe geluiden. Dit wijst op een onconventioneel contact dat afwijkt van het klassieke Godbeeld, al vertoont de God uit het Oude Testament soms vergelijkbare kenmerkende trekken. Het roept wel de vraag op: waarom liet deze entiteit een dorpspastoor ervaringen doormaken die ronduit beklemmend waren? Want don Guido werd niet alleen getuige van een geboorte; hij werd gevoelsmatig in de baarmoeder geplaatst om te worden geboren uit een ancestra.

De ancestri worden beschreven als een zachtmoedig, gehoorzaam ras van mensachtigen (hominiden). Het Vaticaan en de plaatselijke bisschop hielden de publicatie van zijn boek Genesi Biblica jarenlang tegen; pas na zijn dood kon het dankzij een toegewijde vriendin verschijnen.

Volgens de visioenen vormden de ancestri de genetische basis voorafgaand aan het ontstaan van een nieuwe menselijke tak in de regio van Ninive, tussen de Tigris en de Eufraat — ver vóór de bekende zondvloed.

Laten we kijken naar een passage waarin don Guido wordt geroepen door een engel. Deze keer schrok hij niet, terwijl hij bij eerdere verschijningen soms vreesde voor een hartaanval:

“De engel verscheen zonder mij te laten schrikken, als voorbode van twee hemelse boodschappers. De heldere stem van een jongere vlak bij mijn rechteroor zei eerst zacht en toen luider: ‘Guido, sta op, het is de gebruikelijke tijd.’

Ik schrok niet, omdat ik nog in een lichte slaap was. Ik had de indruk dat iemand zich over mij heen boog. Ik verroerde me niet en hield mijn ogen gesloten. Ik hield mijn adem in om voetstappen of het ruisen van kleding te horen, maar het bleef volkomen stil. Die heldere, vertrouwde stem klonk heel dichtbij, hoewel ik hem niet direct kon koppelen aan een van mijn parochianen.

De deur en het enige raam waren gesloten. Ik keek onder mijn kussen en bleef even op bed zitten nadenken.

Hij noemde me Guido in plaats van don Guido. Hij sprak me aan met ‘je’ — uit minachting? En hij gaf me een bevel: ‘Sta op. Het is de gebruikelijke tijd.’ Mijn horloge gaf inderdaad precies drie uur ’s nachts aan.”

(Hier weer een opmerkelijk detail: drie uur ’s nachts, in de volksmond het nachtelijke uur van de mysteries).

“‘Hoe kent hij mijn nachtelijke ritme?’ dacht ik. ‘Dat betekent dat hij mij bespioneert. Maar waarom? Ik ging immers pas om één uur naar bed in plaats van middernacht.’ Ik besloot te blijven liggen en zei: ‘Nee, ik sta niet op!’ Geprikkeld draaide ik me om op mijn andere zij.”

Terwijl hij bleef liggen, gebeurde het volgende:

“Ik hoorde vrouwenstemmen achter de houten scheidingswand die mijn kamer van het traphuis scheidde. Ze riepen mijn naam:

‘Guido, vrees niet, wij zijn er ook: de twee moeders van de zonen van God.’

Toen vervolgde een warme, zachte stem:

‘Maria, natuurlijke moeder van Jezus en spirituele moeder van alle verlosten.’

En de andere stem voegde eraan toe: ‘De vrouw in wie jij geïnteresseerd bent, is de natuurlijke moeder van de zonen van God.’

Haar bewoordingen waren theologisch feilloos. Na een korte stilte zeiden ze samen:

‘Wij zijn gekomen om je te helpen bij je onderzoek. Guido, raak niet verontrust. Je hebt je tijd niet verspild aan die boeken. Je hebt met een oprechte intentie naar de waarheid gezocht, en de waarheid komt je nu tegemoet.'”

Hier zie je een herkenbaar patroon: de entiteiten bevestigen zijn zoektocht en stellen hem gerust om zijn vertrouwen te winnen.

Vervolgens krijgt don Guido scènes te zien via lichtgevende vensters in de muur van zijn kamer, met een verklarende stem op de achtergrond. Zo ziet hij het eerste beeld van de ‘pionier’ of eerste mens:

“Tot mijn grote verbazing zag ik op de muur van mijn studeerkamer een open raam in het heldere middaglicht. Daarin stond de duidelijke figuur van een naakte jongen met een glanzende, roodachtige huid, alsof hij door de zon was verbrand. Ik zag hem vanaf zijn heupen omhoog. Hij droeg geen kleding. Zijn gitzwarte, steile haar viel tot op zijn schouders.

Ik wilde hem vragen wie hij was, maar een zachte stem maande me tot kalmte. De jongen keek niet naar mij; hij was aandachtig bezig met een bundeltje strohalmen in zijn handen. Daarna draaide hij zich om en deed een paar stappen terwijl hij omhoogkeek.”

Deze beelden doen denken aan een visuele opname — een projectie uit een historisch archief of atavisch geheugen. Het leek alsof de kamer van don Guido fungeerde als een observatiepost.

“Hij stopte bij een opening in de wand. Daar staken grijze, rotsachtige structuren naar beneden die op tufsteen meenden te lijken. Ik keek naar de jongen die daar buiten mijn muur zweefde en vroeg me af hoe hij op vijf meter hoogte boven de grond kon blijven staan.”

Don Guido bekijkt dit vanuit de naïviteit van een eenvoudige man die de technologische of buitenlichamelijke aard van het fenomeen niet direct kan plaatsen.

“Ik zag hem op zijn zij draaien. In zijn linkerhand hield hij stengels van tarwe en rogge. De lege aren, doordrenkt met een zwarte vloeistof, brandden met veel rook. Een brandende stengel boog naar beneden, hij bukte zich en verdween uit het zicht.”

Zo zag don Guido een van de vroegste menselijke handelingen met vuur — een bijzonder inkijkje in de dagelijkse werkelijkheid van onze verre voorouders.

Mensen, het is alsof we naar een van de allereerste aangestoken vuren kijken. We gaan duizenden jaren terug in de tijd. Wat don Guido Bortoluzzi doormaakt, is een fascinerende, complexe ervaring. Hem wordt getoond hoe de allereerste geselecteerde menselijke lijn wist te overleven en in welke omgeving zij leefden. Een bijzonder aspect: hij spreekt over een rotswoning of hypogeum, uitgehouwen in tufsteen, met openingen die uitzicht boden op het landschap. Ik raad je echt aan om zijn werk te lezen, want het verruimt je blik op wat zich destijds in die gebieden heeft afgespeeld.

Om vervolg te geven aan het verhaal pik ik er een paar van de meest opmerkelijke passages uit. Don Guido krijgt op een gegeven moment de eerste familie van de ancestri te zien — de mensachtigen die het dichtst bij de mens staan. Ik herhaal: de ancestri waren hominiden die op aarde leefden. Ze bedreven eenvoudige landbouw, joegen, woonden in strooien hutten en waren zachtmoedig, rustig en bijzonder dociel; ze lieten zich gemakkelijk sturen. Dan verandert het venster op de muur in de kamer van don Guido opnieuw:

“Het beeld verschuift nog verder naar links. Tot mijn grote verrassing zag ik in het midden van de glazen vitrine van het dressoir het vertrouwde venster, vol in het daglicht. Het was een rechthoekig kijkkader van vijfenvijftig centimeter hoog en vijfenzeventig breed, omrand door de bekende intens roze lichtband van zo’n vijf centimeter breed.”

Mensen, dit is gewoon een led-scherm! Een scherm dat twintig tot vijfentwintig jaar na deze gebeurtenissen pas bekend zou worden als een plasma- of led-televisie.

“Binnen dat kader vulde een panoramisch live-uitzicht het hele scherm.”

Let wel: live.

“Het leek een prachtig schilderij: boven een helderblauwe lucht, beneden een gouden vlakte met rijp graan — tarwe- en gerstvelden zover het oog reikte, zeker twee tot vier kilometer breed, uitlopend in de nevel van de horizon. Rechts de rand van een groen loofbos; links enkele hoge bomen.

Aan de vier takken van de stamboom van de ancestri waren nu twee exemplaren toegevoegd: een grijze aan het ene uiteinde en een zwarte, groter dan de rest, aan de andere kant. Deze laatst aangekomenen hadden geen opgezwollen buik.”

Hier beschrijft hij de genetische veredeling die op de ancestri werd toegepast om te komen tot een vrouwtje dat in staat was de eerste ‘pure’ mens te dragen.

“Ik zag dat geelachtig witte, haarloze wezen en op een afstand van zes tot acht meter de andere wezens, zodat ik ze rustig kon observeren.”

Don Guido vraagt zich af: “Wat voor wezens zijn dat?” En de stem antwoordt: “De ancestri.”

“Die naam was mij vreemd; het deed me denken aan het woord ‘ancestraal’ (voorouderlijk). De vertrouwde stem zei zacht: ‘De eerste familie van de ancestri die het dichtst bij de mens staat.'”

Hier zien we de biologische stamboom die door goddelijk ingrijpen wordt aangepast om een mens te creëren die naar Zijn beeld is gemaakt. Veel ancestri werkten — voor wie de tekst dieper bestudeert — in dienst van deze ‘God’ of entiteiten.

Don Guido begrijpt vervolgens het principe van de twee stambomen:

“Toen begreep ik het: ik zag de soort van de ancestri, de voorlopers. De ‘bomen’ verwezen naar twee genetische lijnen: de boom des levens (de menselijke soort, vertegenwoordigd door de jongen) en de wilde boom (de soort van deze mensachtigen). Zoals de Heer de unieke oorsprong van de mensheid had bevestigd via Adam, zo gold dat ook voor deze stam. En door de kruising van beide ontstond de hybride, gecorrumpeerde menselijke lijn.”

Dit is een cruciaal gegeven: er worden verschillende genetische lijnen geschetst waarop ingrepen zijn gedaan in het Midden-Oosten. Het zet ons aan het denken over vragen rond suprematie, de verhoudingen tussen groepen en het vermeende ‘recht’ van sommigen over anderen.

Naarmate het verhaal vordert, blijkt dat deze eerste Adam een rijzige, lange verschijning was. Maar hij maakt een keuze die tot een tragedie leidt: de oorsprong van wat don Guido de ‘geestelijke en biologische erfzonde’ noemt.

Adam — die in tegenstelling tot de ancestri beschikt over een vrij verstand en niet gebonden is aan een vaste bronsttijd — maakt een eigenzinnige keuze. Hij wordt voortgebracht door een hybride vrouwelijke ancestra. Wanneer hij geslachtsrijp wordt, wil hij zelf de rol van schepper op zich nemen. Hij wacht tot zijn stammoeder in de bronst komt, sluit zich met haar op in het hypogeum (de rotsruimte) en bevrucht haar.

Dit was de ‘gruwel der gruwelen’: hij plant zich voort buiten de wil en toestemming van de ‘God’ om. En dat terwijl diezelfde ancestra kort daarvoor ook de primordiale Eva had gebaard — degene die als zuivere partner voor Adam bestemd was.

“Je mag je niet onttrekken aan mijn orde,” luidt de goddelijke terechtwijzing. Uit de ongeoorloofde verbintenis tussen Adam en zijn stammoeder komt Kaïn voort. Kaïn is een hybride tussen Adam en de ancestri; hij verschilt van Abel, die wel de zuivere kenmerken van Adam draagt. Dit verklaart de diepe verdeeldheid en de latere jaloezie van Kaïn.

Wanneer de Godheid in woede ontsteekt, doodt Hij Adam niet rechtstreeks. Adam toont een eigenschap die hij van de ancestri heeft meegekregen: mededogen. Hij spaart Kaïn, leert hem bouwen en landbouw bedrijven, en stuurt hem buiten het omheinde territorium van Eden.

Tot slot leidt de entiteit don Guido door een beklemmende herbeleving van de menselijke geboorte zelf. De pastoor bevindt zich gevoelsmatig in de nauwe geboortegang:

“Het plafond van het donkere hol begon hevig te schommelen. ‘Mijn hemel, waar ben ik beland?’ dacht ik. Er nevelde geelachtig vocht naar beneden uit een golvende spleet.

Ik dacht dat de rotswand instortte en wou naar buiten. Maar toen ik me oprichtte, voelde ik dat ik gewoon op mijn stoel in de studeerkamer zat. Zodra ik me weer naar het scherm boog, herhaalde de ervaring zich.

Buiten de tunnel zag ik twee ronde, donkere vormen hangen met een druppel eronder — de borsten van de voorovergebogen stammoeder. En een donkere, borstelige massa die op en neer bewoog: de haardos van de ancestra die als vroedvrouw de geboorte begeleidde.

Bij de schokken van de baarmoedercontracties zag ik buiten de armen van de vroedvrouw en delen van mijn eigen gladde dijen. Eindelijk was ik erdoorheen en eindigde de nachtmerrie.”

Het blijft een intrigerende vraag: waarom liet deze entiteit een vrome dorpspastoor zo’n ingrijpende, traumatische ervaring herbeleven? Het laat zien hoe ver hij ging in zijn zoektocht om het scheppingsverhaal en de biologische oorsprong van de mensheid met elkaar te verenigen.

III. Inhoudelijke Analyse

De auteur van de tekst (de spreker van het kanaal Matinium) bekijkt de ervaringen en openbaringen van Don Guido Bortoluzzi vanuit een onconventionele, ufologische en esoterisch-kritische invalshoek.

Hij heeft bewondering voor de mens en het intellectuele streven van Don Guido, maar verwerpt de klassiek-religieuze verklaring dat de visioenen afkomstig waren van de ‘ware God’ van het christendom.

1. Visie en visie van de spreker

  • Buitenaardse/Interdimensionele hypothese: De spreker gelooft dat Don Guido écht iets ingrijpends heeft meegemaakt, maar dat hij in contact stond met een buitenaardse of interdimensionele entiteit (of geavanceerde technologie) die zich voordeed als God.
  • Technologische verklaring van visioenen: De spreker formuleert de visioenen van Don Guido in moderne technologische termen: de verlichte kaders in de muur noemt hij “led-schermen” of “plasma-televisies”, en de beelden vergelijkt hij met projecties uit een historisch/atavisch geheugen (Akasha-kronieken).
  • Waardering voor Don Guido als mens: Hij beschrijft Don Guido als een vrome, eerlijke, naïeve en grensverleggende man die zijn tijd ver vooruit was door al in de 20e eeuw de evolutieleer/genetica te willen verenigen met het scheppingsverhaal.
  • Scepsis over de ‘Godheid’: De auteur ziet deze ‘God’ als een dwingende, controlerende entiteit die de pastoor traumatiseerde (onder andere door hem de herbeleving van een menselijke geboorte te laten doormaken) en manipuleerde met vleierij om zijn vertrouwen te winnen.

2. Argumenten die de auteur gebruikt

Sterke / Aannemelijke argumenten

  • Anachronistische technologie (De schermen): Don Guido beschreef al in de jaren ’70/’80 rechthoekige, lichtgevende vensters met roze randen waarin ‘live’ panoramische beelden te zien waren. Dat dit precies lijkt op moderne led- en plasmaschermen, dient als een sterk argument dat hij een technologisch fenomeen waarnam dat hij met zijn toenmalige vocabulaire probeerde te duiden.
  • Overeenkomsten met bekende ufologische/abductie-patronen: De auteur wijst op de fysieke manifestaties (lichtflitsen, harde geluiden, stemmen om 3:00 uur ’s nachts, controle over de fysieke omgeving en het opwekken van angst/shock). Deze patronen komen sterk overeen met getuigenissen uit ufologisch onderzoek en ontvoeringsverhalen (abductions).
  • De psychologische drang naar synthese: Don Guido zocht wanhopig naar een brug tussen de evolutieleer en Genesis. De entiteiten speelden hier slim op in door hem precies de antwoorden te geven waarnaar hij zocht (“Je hebt niet voor niets in die boeken gelezen”), wat wijst op psychologische beïnvloeding en bevestiging.

Zwakkere / Meer speculatieve argumenten

  • Snelle kortsluiting naar buitenaards contact: De auteur concludeert vrijwel direct dat de entiteit buitenaards is of zich “uitgeeft voor God”, zonder alternatieve psychologische of theologische verklaringen volwaardig uit te werken.
  • Vergelijking met DMT en uittredingen: Het aanhalen van DMT, lucide dromen en buiten-lichamelijke ervaringen is een breed argument dat in de tekst niet dieper wetenschappelijk wordt onderbouwd, maar eerder als een verzamelbak voor onverklaarbare bewustzijnstoestanden wordt gebruikt.
  • Inlegkunde van moderne concepten: Het interpreteren van de ancestri en de kruisingen als een ‘Anunnaki-achtig’ genetisch experiment (zoals bij Zecharia Sitchin) is een populaire esoterische theorie, maar berust sterk op speculatie en het projecteren van sciencefictionkaders op theologische visioenen.

Samenvatting

De auteur ziet Don Guido als een oprechte pionier die slachtoffer werd van een technologisch en biologisch beïnvloedingsproces door een superieure entiteit. Waar gelovigen een goddelijke openbaring zien, ziet de auteur een genetisch dossier over de oorsprong van de mensheid dat via geavanceerde projecties aan een dorpspastoor werd getoond.

IV. De theologische en biologische verantwoording van Genesi Biblica tegenover de interpretatie van Costanzo

Visie van Costanzo inzake Genesi Biblica

Vanuit het redactioneel platform http://www.guidobortoluzzi.org

Als platform dat gewijd is aan de studie, bewaring en verantwoorde verspreiding van de openbaringen van Don Guido Bortoluzzi, waarderen wij het dat onafhankelijke media — zoals het Italiaanse videokanaal Mater Signum door Tommaso Costanzo — aandacht besteedt aan het werk Genesi Biblica. Het toont aan dat de ingrijpende visioenen van Don Guido ook buiten klassiek-kerkelijke kringen vragen oproepen over onze oorsprong.

Tegelijkertijd vereist de exegese van het Model-Bortoluzzi een zorgvuldige en wetenschappelijk verantwoorde duiding. De lezing waarin de openbaringen worden gereduceerd tot buitenaardse technologie, ufologie of een ‘Anunnaki-experiment’ doet in onze ogen essentieel afbreuk aan de inhoudelijke en wetenschappelijke draagkracht van het werk.

1. Waardering voor de herkenning van de unieke kenmerken

Het is verdienstelijk dat Costanzo de oprechtheid, vroomheid en het pionierswerk van Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) volmondig erkent. Ook de observatie dat Don Guido opmerkelijk gedetailleerde waarnemingen beschreef — zoals de lichtgevende rechthoekige kaders op de muren van zijn kamer die sterk doen denken aan moderne lcd- of led-schermen — is historisch en tekstueel juist [1].

Waar de spreker dit echter interpreteert als een “buitenaardse projectie” of een “technologische beïnvloeding door entiteiten”, zien wij vanuit de brontekst een transcendente, profetische aanschouwing. Wanneer het goddelijke zich openbaart aan een mens die gebonden is aan tijd en ruimte, bedient de Schepper zich van zintuiglijke en visuele vormen die passen bij de fysieke waarneming van de mens, zonder dat daar materiële ‘buitenaardse apparatuur’ aan te pas hoeft te komen [2].

2. De vergelijking met de Anunnaki en Zecharia Sitchin

Een centraal punt van inhoudelijke afwijking in de analyse van Tommaso Costanzo is de koppeling aan de populaire theorieën van Zecharia Sitchin (1920–2010) en betreffende de Anunnaki:

  • De Anunnaki-hypothese (zoals verspreid in de populaire esoterie): Hierin worden de Anunnaki voorgesteld als buitenaardse wezens die de mensheid via genetische manipulatie concipiëerden als een onderhorig dienarenras om fysieke arbeid (zoals goudwinning in oude mijnen) te verrichten [3].
  • Het Model-Bortoluzzi: Don Guido’s openbaring toont exact het tegenovergestelde van een ‘slaaf-experiment’. Het Model-Bortoluzzi beschrijft de schepping van de mens als een doelgerichte, liefdevolle en geestelijke verheffing. De Schepper schiep een zuiver primair menselijk type (de ‘Adam’, de eerste echte mens) met een uniek en stabiel chromosomenaantal (2n = 46), te midden van een reeds bestaande voormenselijke soort (de ancestri, 2n = 48) [4].

De erfzonde in de openbaring van Don Guido is géén ‘foutje in een buitenaards laboratorium’, maar een historisch-biologische en immunogenetische gebeurtenis: de ongeoorloofde hybridisatie (kruising) tussen de zuivere Adamslijn en de primordiale voormenselijke soort (ancestri). Dit leidde tot chromosomale incompatibiliteit, een verslechtering van het menselijk genoom en de introductie van ziekte, fysiek verval en de dood [5].

Het gelijkstellen van dit diepgaande immunogenetische en theologische concept aan de Anunnaki-theorie doet de verfijnde genetische logica van het werk van Don Guido ernstig tekort.

3. De ‘traumatische’ ervaringen en de Pedagogiek van de Openbaring

Tommaso Costanzo ‘ervaart’ de visioenen van Don Guido — en met name de beklemmende herbeleving van de geboorte vanuit het perspectief van de baarmoeder — als een vorm van manipulatieve ‘kwelling’ door een dwingende entiteit.

Vanuit de theologische en profetische structuur van het werk – Genesi Biblica – is deze ervaring echter geen zinloze kwellingsdaad, maar een didactische en profetische loutering:

  1. Lijfelijk inzicht in de gevolgen van de erfzonde: Om Don Guido te laten begrijpen waarom de menselijke geboorte gepaard gaat met pijn, lichamelijke nood en anatomische knelpunten (zoals vermeld in Genesis 3:16: “Met smart zult gij kinderen baren”), moest de pastoor de fysieke belemmering van het verwrongen bekken en de biologische gevolgen van de hybridisatie aan den lijve aanschouwen en beleven.
  2. Profetische zintuiglijke ervaringen in Gods Woord: Profeten in de bijbelse geschiedenis (zoals Ezechiël bij de rivier de Kebar of Jeremia) ondergingen vaker ingrijpende, fysiek voelbare visioenen om de zwaarte van de Boodschap zelf te ervaren en getrouw daarover te kunnen getuigen [6].

Conclusie

Het perspectief van Costanzo toont aan dat het werk van Don Guido Bortoluzzi bijzonder actueel is en vragen oproept bij huidige zoekers naar de oorsprong van het menselijk leven.

Het werk Model-Bortoluzzi heeft echter geen ufologische constructies, DMT-hypothesen of Anunnaki-mythen nodig om overeind te blijven. De kracht van Genesi Biblica schuilt juist in de naadloze synthese tussen de bijbelse Genesis, de immunogenetica, de paleontologie en de wetenschappelijke verklaring van de chromosomale reductie (2n = 48 –> 46) [7].

Wij nodigen iedereen die gefascineerd is door deze visioenen uit om voorbij de esoterische kaders te kijken en de brondocumenten te bestuderen op hun eigen wetenschappelijke, biologische en theologische waarde.

Pastoor Geudens

http://www.guidobortoluzzi.org

Voetnoten

  1. Over de visuele waarnemingen: Don Guido Bortoluzzi noteerde in zijn autobiografische aantekeningen gedetailleerd hoe de visioenen zich manifesteerden binnen de fysieke ruimte van zijn studeerkamer en pastorie, vaak afgebakend door lichtgevende kaders met specifieke afmetingen en kleurkenmerken.
  2. Teofanie en menselijke waarneming: In de katholieke mystieke theologie (o.a. bij Thomas van Aquino) wordt onderstreept dat een goddelijke openbaring (teofanie) zich aanpast aan de kentheoretische vermogens van de ontvanger (quidquid recipitur ad modum recipientis recipitur).
  3. Zecharia Sitchin en de Anunnaki: Sitchin formuleerde in werken zoals The 12th Planet (1976) de hypothese dat de mensheid genetisch werd gemanipuleerd door buitenaardse wezens (de Anunnaki van de Sumerische mythologie) als werkkracht. Deze theorie mist echter zowel bijbelse als immunogenetische onderbouwing.
  4. Chromosomale incompatibiliteit (2n = 46 vs 2n = 48): Mensen bezitten 46 chromosomen (23 paren), terwijl mensapen en voormenselijke soorten (ancestri) 48 chromosomen (24 paren) bezitten. Het Model-Bortoluzzi biedt een biologische verklaring voor het ontstaan van de menselijke 46-chromosomenstructuur uit een primordiale scheppingsdaad.
  5. Immunogenetica van de erfzonde: In het werk van Don Guido wordt de erfzonde ontleed als een feitelijke genetische vermenging. Dit veroorzaakte immunologische afweerreacties en genetische degradatie (zoals beschreven in de lezingen van o.a. Dr. F.S. Martelli).
  6. Profetische zintuiglijke ervaringen: Vergelijk bijvoorbeeld Ezechiël 3:14 of Jeremia 20:9, waar het ontvangen van een goddelijke boodschap wordt beschreven als een fysiek zware, soms schokkende ervaring die de profeet innerlijk verteert.
  7. De biologische synthese: Zie de officiële uitgaven van Genesi Biblica en de bijbehorende wetenschappelijke verhandelingen op http://www.guidobortoluzzi.org voor de gedetailleerde uitwerking van het Model-Bortoluzzi.

Il peccato originale e le prove dell’ibridazione della specie umana – Dr. Martelli (video)


Il peccato originale e le prove dell’ibridazione della specie umana

Dr. Francesco Saverio Martelli

Relazione tenuta a Farra d’Alpago, 25 novembre 2014

L’interpretazione scientifica e teologica dell’ibridazione secondo il Modello-Bortoluzzi e Maria Valtorta



Riassunto

Nella conferenza del dr. Francesco Saverio Martelli, le conoscenze scientifiche provenienti dalla genetica, dall’immunologia e dalla paleontologia vengono collegate in modo straordinario con le rivelazioni mistiche di don Guido Bortoluzzi e Maria Valtorta. La tesi centrale del suo discorso è che l’umanità non sia il prodotto di un’evoluzione ascendente dalle scimmie, ma costituisca la discendenza di una creazione divina originariamente perfetta che è stata geneticamente corrotta da una caduta biologica e spirituale — un’ibridazione storica.

In qualità di scienziato, il dr. Martelli sottolinea che le rivelazioni private debbano sempre essere rigorosamente verificate alla luce del Vangelo, delle lettere paoline e dell’Apocalisse. Solo quando uno scritto si accorda perfettamente con la Scrittura può servire come chiave chiarificatrice per comprendere la realtà. Gli scritti di Maria Valtorta e il modello della genesi di don Guido Bortoluzzi si completano a vicenda: mostrano che il peccato originale non è una mera storia allegorica, ma un evento reale che ha lasciato tracce profonde nella carne umana. La caduta ha prodotto istinti contro natura che hanno condotto ad unioni biologiche illecite e a malformazioni genetiche.

Questa mescolanza storica, indicata in Genesi 6 come l’unione tra i “figli di Dio” (la linea umana pura di Set) e le “figlie degli uomini” (la linea ibridata di Caino), spiega anche i reperti fossili che mettono in crisi i moderni scienziati. Gli scheletri robusti e le forme craniche anomale degli ominidi preistorici non sono, secondo questo modello, “tappe intermedie” di un’evoluzione ascendente dalla scimmia all’uomo, bensì testimonianze fossili della decadenza, della degenerazione e dell’ibridazione umana.

Sul piano genetico e cromosomico, la scienza moderna fornisce una prova schiacciante contro il neodarwinismo. Il patrimonio genetico dei primati conta 48 cromosomi, mentre quello dell’uomo ne conta 46. La teoria dell’evoluzione non può spiegare biologicamente come una specie possa passare, attraverso una riduzione cromosomica, da 48 a 46 cromosomi senza che ciò porti alla sterilità o alla morte. Dati medici su vasta scala dimostrano infatti che la mancanza di un intero cromosoma (monosomia) in natura è quasi sempre fatale; gli individui con un cromosoma in meno non raggiungono mai l’età fertile. Anche l’aggiunta di cromosomi (trisomie, come la sindrome di Down, di Edwards o di Patau) causa gravi difetti fisici e organici o aborti spontanei precoci. Le alterazioni cromosomiche in natura non producono mai un “miglioramento” della specie, ma provocano immancabilmente la devastazione dell’individuo.

La prova più schiacciante dell’ibridazione storica risiede tuttavia nel campo dell’immunologia. Nella natura animale allo stato selvaggio le malattie autoimmuni non esistono, se non quando l’uomo seleziona e incrocia artificialmente le razze. Nell’uomo, invece, il sistema immunitario è ampiamente deregolato. In malattie come il Lupus, l’artrite reumatoide o la parodontite aggressiva, il sistema immunitario attacca i tessuti stessi dell’organismo. Questo conflitto genetico nasce dal fatto che i geni umani riconoscono come estranee e cercano di distruggere le strutture anatomiche codificate dai geni animali della madre ancestrale (ancestre). Anche le anomalie fisiche quotidiane, come le asimmetrie mandibolari, gli arti asimmetrici e la miopia — causate da istruzioni genetiche contrastanti sulla statura corporea e sulla struttura dell’occhio — testimoniano questa profonda dissonanza genetica.

Il genoma umano funziona come un complesso programma informatico che, fin dall’inizio, è stato infettato dal peccato originale con un “virus” devastante. I dati genetici, paleontologici e immunologici non supportano l’idea di un’evoluzione graduale dagli animali, ma confermano la Verità rivelata: l’uomo è una creazione originariamente elevata che è deragliata a causa di una reale caduta biologica e spirituale.

Parte 1: Il vaglio delle rivelazioni private alla luce della Scrittura

So che le rivelazioni private suscitano sempre molta controversia. Proprio stamattina ne avevamo discussione con il nostro amico Piero. Ma come avete notato, prima di inserire un riferimento a una rivelazione privata — ovvero quella fatta alla Valtorta — ho citato il Vangelo.

Tuttavia sono molto legato alla Valtorta. Fino a qualche anno fa non conoscevo nemmeno la sua opera. Faccio parte della parrocchia della Basilica dell’Annunziata a Firenze, e la Valtorta è sepolta lì. Non conoscevo la storia di questa donna che peraltro ha vissuto un pezzo della sua vita in Calabria — regione di cui sono originario —, e poi me la sono ritrovata sepolta accanto a casa mia, a 500 metri da casa mia.

Quando all’inizio, dopo aver letto don Guido, sono passato alla Valtorta, ho trovato la Valtorta molto difficile, e soprattutto i Quaderni. La sua opera principale, Il Vangelo come mi è stato rivelato, ha invece una sua definizione molto chiara e racconta né più né meno di tutto quello che troviamo nel Vangelo, solo in maniera un pochino più approfondita. A parte qualche episodio inedito, non ho trovato una virgola in quell’opera — perlomeno nell’opera in 10 volumi, il Vangelo — che contraddica la Scrittura.

Da quando ho letto don Guido e ho ripreso in mano questa mia situazione personale — prima di tutto della mia vita, del rapporto con la fede, la Chiesa, i sacramenti —, mi sono dato una regola sulla quale non faccio eccezione: tutto quello che è in contrasto con quello che c’è scritto nel Vangelo, nelle lettere di San Paolo e nell’Apocalisse, lo cestino. Lo cestino meedogenlosamente, per me sono fandonie.

Facendo un lavoro che è un lavoro di scienza — l’ultimo articolo scientifico come gruppo di ricerca lo abbiamo pubblicato su una rivista scientifica nel mese di luglio, ed è stato citato la settimana scorsa su La Repubblica in Il Venerdì, un articolo di genetica —, sono obbligato alla coerenza e alla fedeltà a determinati principi. Il principio in questa ricerca è stato: tutto quello che è in contrasto col Vangelo lo butto nella spazzatura, a prescindere dal fatto che mi possa piacere o meno, che mi possa più o meno interessare. Il Vangelo, le lettere paoline e l’Apocalisse sono il mio unico metro. Quello che non si incastra va via.

Non vi faccio citazioni di rivelazioni private per raccontare quanto siano belle. Si rischia di perdersi in un mare magnum, perché di mistici o sedicenti tali da 2000 anni a questa parte ci sono enciclopedie scritte. I veri mistici comunque vengono sempre fuori dopo la morte — e anche dopo la morte si continua a combattere, come per Padre Pio.

Parte 2: La genesi deviata e la bruttezza fisica in Valtorta

Volevo leggervi due brani tratti dai Quaderni del 1943, perché sono direttamente collegati con tutto il discorso sulle conseguenze del Peccato Originale che andiamo a sviluppare con delle slide e con foto molto forti. La Valtorta trascriveva direttamente sotto dettatura — non è come la rivelazione della Emmerich, che è stata raccontata e poi c’è stato qualcuno che si è messo lì a scrivere. Chi conosce la Valtorta sa che se c’era una virgola fuori posto perché si era distratta, Gesù la bacchettava subito.

In questa pagina Gesù parla della bruttezza fisica:

“Studi scientifici americani hanno dimostrato che l’uomo ha in sé il metro per misurare la bellezza. La bruttezza fisica è venuta all’uomo come una delle tante conseguenze della colpa. La colpa non ha lesionato soltanto lo spirito, essa ha portato tale lesione anche nella carne.

Dallo spirito che aveva perduto la Grazia sono venuti istinti contro natura, i quali hanno avuto per frutto le mostruosità della razza. Se l’uomo non avesse conosciuto il peccato, non avrebbe conosciuto certi stimoli e non avrebbe contratto alleanze deprecate e maledette che hanno poi pesato nei secoli dei secoli con marchio di bruttezza sulla prima originaria bellezza.

E anche quando l’uomo non giunse all’ibridazione con razze animali, la cattiveria portata fino alla delinquenza segnò stigmate sui volti dei malvagi e sui loro discendenti. (A tale scopo in Italia abbiamo avuto Cesare Lombroso che ha fatto tutta una ricerca sulle misurazioni antropometriche e la correlazione con la storia criminale dei delinquenti).

Ma dovreste cominciare voi scienziati a levare la prima delle stigmate di delinquenza nel vostro cuore: quella che vi fa ribelli a Dio, alla sua legge, alla sua fede. Occorre curare lo spirito, non reprimere le colpe della carne e del sangue prima di tutto. Se l’uomo curasse prima la propria educazione spirituale, la delinquenza diminuirebbe fino a divenire manifestazione sporadica.”

Vedremo immagini molto forti dove la bruttezza è la prima cosa che salta all’occhio. Vorrei leggere anche alcune righe del dettato del 30 dicembre 1946. La Valtorta scrive a proposito della notizia del ritrovamento in una caverna di scheletri di ‘uomo-scimmia’:

“Come possono asserire ciò?” si chiede la Valtorta. “Saranno stati brutti uomini con volti e corpi scimmieschi — ce ne sono anche ora. I primitivi erano forse diversi da noi nello scheletro e in bellezza? Non posso pensare che i primi fossero più brutti di noi, essendo più vicini all’esemplare perfetto che Dio aveva creato, il quale era bellissimo oltre che fortissimo.”

La Valtorta redaziona qui con il semplice buon senso — un ragionamento che si sposa perfettamente con don Guido. Gesù interviene nel dettato e le dice:

“Cerca la chiave nel capitolo 6 della Genesi. Leggilo.”

La Valtorta lo legge e dice di comprendere soltanto che gli uomini divennero subito corrotti, ma non vede il legame con l’uomo-scimmia. Gesù sorride e risponde:

“Non sei la sola a non capire. Non capiscono i sapienti, non gli scienziati, non i credenti. I figli di Dio (la linea di Set) si congiunsero con le figlie degli uomini (la linea di Caino). Da essi vennero fuori quegli uomini potenti e famosi nei secoli, i giganti, che per la potenza dello scheletro colpiscono i vostri scienziati facendoli dedurre che l’uomo derivi dalla scimmia. Sono invece le testimonianze fossili della decadenza e dell’ibridazione umana.”

Parte 3: La prospettiva biblica e le prove cromosomiche contro l’evoluzionismo

Genesi 6 e la caduta storica

Il famoso capitolo 6 della Genesi è il testo che il padre chiese a don Guido Bortoluzzi di andare a leggere quando gli dovette presentare la rivelazione. Nei dettati a Maria Valtorta Gesù fa riferimento alla stessa pagina:

“Stammi attenta,” dice Gesù alla Valtorta, e cita: “E avendo cominciato gli uomini a moltiplicarsi sulla terra e avendo avuto delle figliole, i figli di Dio…”

Qui la Scrittura fa subito una differenza essenziale tra due alberi genealogici — un’interpretazione di alberi genealogici, non di alberi da frutto: i “figli di Dio” (i figli di Set) e le “figlie degli uomini” (le figlie di Caino). I figli di Dio videro che queste figlie erano belle e le sposarono. Da questa unione vennero fuori quegli uomini potenti famosi nei secoli: i giganti.

Sono proprio questi scheletri di giganti che colpiscono i moderni scienziati, i quali dalla struttura ossea deducono che in origine l’uomo fosse molto più alto e dalla forma del cranio deducono che derivi dalla scimmia — i soliti errori degli uomini davanti ai misteri della Creazione.

La smentita genetica dell’evoluzionismo

Per stroncare in maniera definitiva ogni ambizione di voler affermare che l’evoluzionismo abbia una base scientifica, dobbiamo guardare alla struttura del DNA umano e alle sindromi cromosomiche.

Il cariotipo umano normale conta 46 cromosomi ($2n = 46$), accoppiati in 23 coppie. Queste coppie differiscono per dimensioni e per quantità di informazioni contenute. Al momento del concepimento, il gamete maschile (23 cromosomi) si fonde con il gamete femminile (23 cromosomi). Già da questa prima cellula (la morula) esiste un nuovo individuo unico, con la sua anima e un progetto irrepetibile di Dio.

Qui l’evoluzionismo si scontra con un ostacolo insormontabile:

  • Il patrimonio genetico delle scimmie conta 48 cromosomi.
  • Per dimostrare che l’uomo deriva dalla scimmia, la scienza dovrebbe spiegare meccanicamente e logicamente come si sia potuti passare da 48 a 46 cromosomi.

Senza la dimostrazione di questo passaggio, la tesi di Darwin rimane una favola. Darwin stesso aveva delle perplessità, e solo negli anni ’60 abbiamo avuto la conoscenza del DNA e delle alterazioni cromosomiche.

Osservando i dati medici, una riduzione di cromosomi risulta biologicamente impossibile:

  1. Monosomia (mancanza di un cromosoma): In natura la mancanza di un intero cromosoma è quasi sempre mortale. In uno studio statistico su 100.000 casi di gravidanza, tutti gli individui con un cromosoma in meno sono nati morti o sono deceduti immediatamente dopo la nascita. Nessun individuo con un cromosoma in meno ha mai raggiunto l’età fertile.
  2. Trisomia e malformazioni: L’aggiunta di cromosomi (come la trisomia 21 di Down, la 18 di Edwards o la 13 di Patau) provoca gravi devastazioni fisiche e organiche. Le trisomie dei cromosomi più grandi (come l’1 o il 2) portano immancabilmente all’aborto spontaneo precoce.

Un genetico o un biologo che pretenda che una specie possa passare da 48 a 46 cromosomi si scontra con la realtà: è geneticamente impossibile. Una riduzione cromosomica non è mai migliorativa, ma porta sempre alla distruzione dell’individuo.

Parte 4: Malattie autoimmuni e prova immunologica dell’ibridazione

Tracce nella vita quotidiana e patologie autoimmuni

La prova più schiacciante dell’ibridazione della specie umana risiede nell’immunologia e nello studio delle malattie autoimmuni.

Negli animali allo stato selvaggio le malattie autoimmuni non esistono. Si verificano solo quando l’uomo interviene geneticamente con la selezione della razza (come in alcune razze canine o equine iper-selezionate). Nell’uomo, invece, il sistema immunitario — la struttura preposta a difenderci da virus e batteri — è ampiamente ontregolato:

  1. Attacco al proprio organismo: Nelle malattie autoimmuni il sistema immunitario attacca i propri costituenti. Nel Lupus Eritematoso Sistemico (LES), ad esempio, i pazienti sviluppano anticorpi contro il proprio stesso DNA.
  2. Parodontite aggressiva e artrite reumatoide: In patologie come l’artrite reumatoide o la parodontite aggressiva, il sistema immunitario distrugge in età giovanile (20-30 anni) articolazioni, cartilagini e strutture ossee.
  3. Conflitto genetico: Quando in un individuo prevalgono i geni della linea umana pura, il sistema immunitario riconosce come estranee le strutture anatomiche codificate dai geni animali (della madre ancestrale) e le attacca — e viceversa.

Troviamo inoltre evidenti disarmonie anatomiche, come il prognatismo (asimmetria mandibolare accentuata). Anche difetti comuni come le asimmetrie agli arti o la miopia (causata da istruzioni genetiche discordanti fra la lunghezza dell’occhio e la struttura di messa a fuoco) testimoniano questa profonda dissonanza genetica.

Conclusione

Il genoma umano funziona come un complesso programma informatico — il “linguaggio di Dio”. Con il peccato originale, Adamo ha introdotto fin dall’inizio un virus devastante in questo programma, che ancora oggi produce alterazioni genetiche, patologie e disarmonie.

Figure storiche come Cesare Lombroso fondarono nell’Ottocento l’antropologia criminale cercando di associare le deformità fisiche a difetti mentali ed ereditari. Sebbene le sue associazioni dirette con il crimine fossero errate, egli aveva intuito l’esistenza di una profonda interconnessione fisico-psichica.

L’idea che l’uomo si sia evoluto gradualmente dagli animali — così come viene presentata nei testi scolastici e nei musei di storia naturale — è una falsità scientifica e genetica. I dati genetici, paleontologici e immunologici confermano, esattamente come rivelato a don Guido Bortoluzzi e Maria Valtorta, l’esistenza di una creazione originaria elevata che è deragliata a causa di una reale caduta biologica e spirituale.

Fonte video: Genesi Biblica DGB

Nota conclusiva della Redazione

Con la pubblicazione di questa conferenza del dr. Francesco Saverio Martelli, speriamo di offrire un prezioso contributo al dialogo approfondito sulle origini dell’umanità, la scienza e la fede.

Le intuizioni di don Guido Bortoluzzi (1907–1991), esposte nella sua opera Genesi Biblica, sono state considerate per decenni un’anomalia teologica e scientifica. Tuttavia, vediamo sempre più spesso come le moderne discipline mediche e biologiche — come la genetica e l’immunologia — offrano inavvertitamente punti di contatto che supportano in modo affascinante le rivelazioni di don Guido e gli scritti mistici di Maria Valtorta.

Come dimostra con efficacia il dr. Martelli, il paradigma neodarwinista si scontra con barriere fondamentali e insormontabili per quanto riguarda la riduzione cromosomica e la realtà biologica della corruzione genetica. Le tracce della prima storia umana non si trovano in una linea evolutiva retta, ma nell’eredità di una profonda frattura storica: il peccato originale come effettiva ibridazione biologica.

Invitiamo tutti i nostri lettori, studiosi e cercatori della Verità a continuare a esaminare questa materia con mente aperta ed onestà intellettuale. È nostra convinzione che un vero dialogo tra Scienza e Rivelazione non porti alla contraddizione, ma a una comprensione più profonda e pura della Creazione di Dio.

Visitate il nostro sito per ulteriore documentazione, articoli e le pubblicazioni complete del Modello-Bortoluzzi:

www.guidobortoluzzi.org

De erfzonde en de bewijzen van de hybridisatie van de menselijke soort – Dr. F.S. Martelli (video)


Dr. Francesco Saverio Martelli, voordracht gehouden te Farra d’Alpago, 25 november 2014

De wetenschappelijke en theologische duiding van de hybridisatie volgens het Model-Bortoluzzi en Maria Valtorta



Samenvatting

In de lezing van dr. Francesco Saverio Martelli worden wetenschappelijke inzichten uit de genetica, immunologie en paleontologie op een opmerkelijke wijze verbonden met de mystieke openbaringen van don Guido Bortoluzzi en Maria Valtorta. De centrale stelling van zijn betoog is dat de mensheid niet het product is van een opwaartse evolutie uit apen, maar de afstamming vormt van een oorspronkelijk volmaakte goddelijke schepping die door een biologische en spirituele zondeval — een historische hybridisatie — genetisch gecorrumpeerd is geraakt.

Als wetenschapper benadrukt dr. Martelli dat particuliere openbaringen altijd strikt getoetst moeten worden aan het Evangelie, de Paulijnse brieven en de Openbaring. Pas wanneer een geschrift naadloos aansluit bij de Schrift, kan het dienen als verhelderende sleutel voor het begrijpen van de werkelijkheid. De geschriften van Maria Valtorta en het genesismodel van don Guido Bortoluzzi vullen elkaar daarin aan: ze laten zien dat de erfzonde geen louter allegorisch verhaal is, maar een reële gebeurtenis die diepe sporen heeft achtergelaten in het menselijk vlees. De zondeval bracht tegennatuurlijke driften voort die leidden tot ongeoorloofde biologische verbonden en genetische misvormingen.

Deze historische vermenging, die in Genesis 6 wordt aangeduid als de vereniging tussen de “zonen van God” (de zuivere menselijke lijn van Set) en de “dochters van de mensen” (de gehybridiseerde lijn van Kaïn), verklaart ook de fossiele vondsten die moderne wetenschappers in verwarring brengen. De robuuste skeletten en afwijkende schedelvormen van prehistorische mensachtigen zijn volgens dit model geen ‘tussenstappen’ in een opwaartse evolutie van aap naar mens, maar juist de fossiele getuigenissen van menselijke decadentie, degeneratie en hybridisatie.

Op genetisch en chromosomaal vlak levert de moderne wetenschap een hard bewijs tegen het neodarwinisme. Het erfgoed van primaten telt 48 chromosomen, terwijl de mens er 46 heeft. De evolutietheorie kan biologisch niet verklaren hoe een soort via chromosomenreductie kan overstappen van 48 naar 46 chromosomen zonder dat dit leidt tot onvruchtbaarheid of de dood. Uit grootschalige medische gegevens blijkt immers dat het ontbreken van een heel chromosoom (monosomie) in de natuur nagenoeg altijd fataal is; individuen met een ontbrekend chromosoom bereiken nooit de vruchtbare leeftijd. Ook het toevoegen van chromosomen (trisomieën, zoals bij het Down-, Edwards- of Patau-syndroom) leidt tot ernstige fysieke en organische gebreken of vroege spontane abortussen. Chromosomale veranderingen zorgen in de natuur nooit voor een ‘verbetering’ van een soort, maar veroorzaken steevast verwoesting van het individu.

Het meest klinkende bewijs voor de historische hybridisatie ligt echter op het terrein van de immunologie. In de wilde dierennatuur komen auto-immuunziekten vrijwel niet voor, behalve wanneer de mens kunstmatig rassen gaat selecteren en doorkruisen. Bij de mens is het immuunsysteem daarentegen op grote schaal ontregeld. Bij ziekten zoals Lupus, reumatoïde artritis of agressieve parodontitis valt het immuunsysteem lichaamseigen weefsels aan. Dit genetische conflict ontstaat doordat de menselijke genen de anatomische structuren die gecodeerd zijn door de dierlijke genen van de stammoeder (ancestre) als lichaamsvreemd herkennen en proberen te vernietigen. Ook alledaagse lichamelijke afwijkingen, zoals kaakasymmetrieën, asymmetrische ledematen en bijziendheid — veroorzaakt door botsende genetische instructies over de lichaamsgrootte en de oogstructuur — getuigen van deze diepwortelende genetische dissonantie.

Het menselijk genoom werkt als een complex computerprogramma dat door de erfzonde vanaf het begin is besmet met een verwoestend ‘virus’. De genetische, paleontologische en immunologische feiten ondersteunen niet de gedachte van een geleidelijke evolutie uit dieren, maar bevestigen de geopenbaarde Waarheid: de mens is een oorspronkelijk hoogstaande schepping die door een daadwerkelijke biologische en spirituele zondeval is ontspoord.

Deel 1: De toetsing van particuliere openbaringen aan de Schrift

Ik weet dat particuliere openbaringen altijd veel controverse oproepen. Vanmorgen nog hadden we daar een discussie over met onze vriend Piero. Maar zoals u heeft gemerkt, heb ik — voordat ik verwees naar een particuliere openbaring, namelijk die van Maria Valtorta — eerst het Evangelie geciteerd.

Toch ben ik erg gehecht aan Valtorta. Tot enkele jaren geleden kende ik haar werk trouwens niet eens. Ik ben parochiaan van de Basiliek van de Annunciata in Florence, en Valtorta ligt daar begraven. Ik kende het verhaal niet van deze vrouw die een deel van haar leven in Calabrië heeft doorgebracht — de streek waar ook mijn eigen roots liggen. En zo trof ik haar graf ineens aan op nauwelijks vijfhonderd meter van mijn huis.

Nadat ik het werk van don Guido Bortoluzzi had gelezen, begon ik in Valtorta te studeren. Aanvankelijk vond ik haar teksten erg moeilijk, met name de Quaderni (Notitieboeken). Haar hoofdwerk, Het Evangelie zoals het mij is geopenbaard, is daarentegen heel helder gestructureerd. Het vertelt niets meer en niets minder dan wat we in de Evangeliën vinden, alleen wat diepgaander uitgewerkt. Op een enkel niet-gepubliceerd voorval na, ben ik in die tien delen van het Evangelie geen komma tegengekomen die strijdig is met de Schrift.

Sinds ik het werk van don Guido heb gelezen en mijn persoonlijke leven — mijn relatie met het geloof, de Kerk en de sacramenten — opnieuw onder de loup heb genomen, heb ik mezelf één strikte regel opgelegd: alles wat in strijd is met het Evangelie, de brieven van Paulus en de Openbaring, gooi ik meedogenloos weg. Dat beschouw ik als misleiding.

Als wetenschapper — we hebben afgelopen juli nog als onderzoeksgroep een genetische studie gepubliceerd die werd aangehaald in La Repubblica — ben ik verplicht om consequent en trouw te blijven aan vaste principes. Mijn leidend principe in dit onderzoek is simpel: wat haaks staat op het Evangelie, gaat de vuilnisbak in, ongeacht of het me aanstaat of niet. Het Evangelie, de Paulijnse brieven en de Openbaring zijn mijn enige maatstaf. Wat daar niet in past, valt af.

Ik haal deze particuliere openbaringen dan ook niet aan om te betogen hoe mooi ze wel niet zijn. Men loopt anders het risico te verdwalen in een mare magnum van mystici en vermeende zieners waarover de afgelopen tweeduizend jaar encyclopedieën zijn volgeschreven. Echte mystici worden trouwens vrijwel altijd pas na hun dood erkend — en zelfs na hun dood blijft de strijd om hun erkenning vaak voortduren, denk maar aan Padre Pio.

Deel 2: De ontspoorde genese en fysieke lelijkheid bij Valtorta

Ik wil u twee passages voorlezen uit de Quaderni van 1943, omdat ze rechtstreeks aansluiten bij het betoog dat we nu gaan uitwerken aan de hand van dia’s en ingrijpende foto’s over de gevolgen van de erfzonde. Valtorta schreef haar dictaten woordelijk op — niet zoals bij de openbaringen van Anna Katharina Emmerich, die door derden zijn overgeleverd en opgeschreven. Valtorta noteerde alles direct. Wie haar werk kent, weet dat als ze ook maar één komma verkeerd plaatste doordat ze afgeleid was, Jezus haar meteen corrigeerde.

In deze passage spreekt Jezus over fysieke lelijkheid:

“Amerikaanse wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat de mens een innerlijke maatstaf bezit voor schoonheid. Fysieke lelijkheid is tot de mens gekomen als een van de vele gevolgen van de zondeval. De schuld heeft niet alleen de geest beschadigd, maar heeft ook een diepe verwonding toegebracht aan het vlees.

Uit de menselijke geest die de genade had verloren, zijn tegennatuurlijke driften voortgekomen. Deze hebben geleid tot genetische misvormingen. Als de mens de zonde niet had gekend, zou hij bepaalde prikkels nooit hebben ervaren en zou hij geen vervloekte verbonden zijn aangegaan die vervolgens eeuwenlang als een stempel van lelijkheid hebben gedrukt op de oorspronkelijke schoonheid van de schepping.

En zelfs waar de mens niet verviel tot de zonde van hybridisatie met dierlijke rassen, heeft de menselijke slechtheid — doorgevoerd tot criminaliteit — stigmata achtergelaten op de gezichten van boosdoeners en hun nageslacht. (In Italië heeft Cesare Lombroso hier onderzoek naar gedaan via antropometrische metingen bij misdadigers.)

Maar wetenschappers zouden moeten beginnen met het wegnemen van de ergste misdaadstigmata in hun eigen hart: de rebellie tegen God, Zijn wet en Zijn geloof. Men moet in de eerste plaats de geest genezen, niet louter de fouten van vlees en bloed bestrijden. Als de mens eerst zichzelf zou genezen en vervolgens zou zorgen voor de spirituele opvoeding van zijn medemens — door de menselijke geest te erkennen als de echte motor achter ons handelen — dan zou criminaliteit afnemen tot een zeldzame uitzondering.”

We zullen dadelijk schokkende beelden zien waarin deze fysieke aftakeling overduidelijk is. Tot slot wil ik nog een korte passage voorlezen uit het dictaat van 30 december 1946. Valtorta schrijft over een nieuwsbericht over de vondst van ‘aapmens-skeletten’ in een grot:

“Hoe kunnen ze dat beweren?” vraagt Valtorta zich af. “Het zullen simpelweg lelijke mensen zijn geweest met aapachtige trekken — die zien we vandaag de dag immers ook nog. Verschilden de eerste mensen qua skelet en schoonheid dan zo van ons? Ik kan niet geloven dat de eerste mensen lelijker waren dan wij, aangezien zij juist dichter stonden bij het volmaakte exemplaar dat God had geschapen, dat prachtig en oersterk moet zijn geweest.”

Valtorta redeneert hier met het gezonde verstand van een eenvoudige vrouw — een redenering die feilloos aansluit bij wat we bij don Guido lezen. Jezus komt in het dictaat tussenbeide en zegt tegen haar:

“Zoek de sleutel in Genesis 6. Lees het.”

Valtorta leest het en zegt dat ze er alleen uit begrijpt dat de mensheid al snel corrupt werd, maar dat ze de link met de ‘aapmens’ niet ziet. Jezus glimlacht en antwoordt:

“Je bent niet de enige die het niet begrijpt. Noch de geleerden, noch de wetenschappers, noch de gelovigen begrijpen het. De zonen van God (de lijn van Set) verenigden zich met de dochters van de mensen (de lijn van Kaïn). Daaruit kwamen de machtige heersers en reuzen voort die qua skeletstructuur de wetenschappers nu doen geloven dat de mens afstamt van de aap. Het zijn echter de fossiele getuigenissen van menselijke decadentie en hybridisatie.”

Deel 3: Het Bijbelse perspectief en de chromosomale bewijzen tegen de evolutietheorie

Genesis 6 en de historische zondeval

Het beroemde zesde hoofdstuk van Genesis is de tekst die de vader aan don Guido Bortoluzzi vroeg te lezen toen de openbaring aan hem werd gepresenteerd. In de dictaten aan Maria Valtorta verwijst Jezus eveneens naar deze passage:

“Luister goed naar Mij,” zegt Jezus tegen Valtorta, en Hij citeert: “Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en zij dochters kregen, zagen de zonen van God…”

Hier maakt de Schrift meteen een essentieel onderscheid tussen twee menselijke geslachtslijnen — een onderscheid in stambomen, niet in fruitbomen: de ‘zonen van God’ (de lijn van Set) en de ‘dochters van de mensen’ (de lijn van Kaïn). De tekst vervolgt dat de zonen van God zagen dat deze dochters mooi waren en zij namen hen tot vrouw. Uit deze vereniging kwamen de machtige, in de oudheid beroemde mannen voort: de reuzen.

Het zijn precies deze skeletten van giganten die moderne wetenschappers in verwarring brengen. Zij leiden uit de robuuste botstructuur af dat de mens vroeger veel groter en sterker was, en uit de schedelvorm trekken ze de foute conclusie dat de mens afstamt van de aap — de bekende menselijke misvattingen ten aanzien van de mysteries van de Schepping.

De genetische weerlegging van het evolutionisme

Om definitief af te rekenen met de gedachte dat de evolutietheorie een wetenschappelijke basis zou hebben, moeten we kijken naar de fundamentele structuur van het menselijk DNA en het mechanisme achter chromosomale syndromen.

Het normale menselijke karyotype telt 46 chromosomen ($2n = 46$), verdeeld over 23 paren. Deze paren verschillen onderling sterk in grootte en in de hoeveelheid genetische informatie die ze dragen. Bij de bevruchting versmelt de mannelijke gamet (23 chromosomen) met de vrouwelijke gamet (23 chromosomen). Vanaf dit allereerste celstadium (de morula) is er sprake van een nieuw, uniek menselijk individu met een eigen ziel en een onherhaalbaar genetisch plan van God.

Hier stuit de evolutietheorie op een onoverkomelijk genetisch probleem:

  • Het genetisch erfgoed van primaten/apen telt 48 chromosomen.
  • Om te beweren dat de mens afstamt van de aap, moet de wetenschap een logisch en biologisch mechanisme aantonen waarin een reductie van 48 naar 46 chromosomen mogelijk is.

Zonder het bewijs van deze overgang blijft de evolutietheorie een hersenspinsel. Darwin zelf twijfelde aan zijn hypothese, en pas in de jaren ’60 van de vorige eeuw kregen we via het ontrafelen van het DNA en het ontdekken van chromosomale stoornissen echt inzicht in genetica.

Als we de medische feiten bekijken, blijkt een reductie van chromosomen biologisch onmogelijk:

  1. Monosomie (het ontbreken van een chromosoom): In de natuur is het ontbreken van een heel chromosoom vrijwel altijd dodelijk. Uit een grootschalige studie over 100.000 zwangerschapsgevallen bleek dat alle individuen met een ontbrekend chromosoom (op een paar niet-levensvatbare na) doodgeboren werden. Nul individuen met een ontbrekend chromosoom bereikten ooit de vruchtbare leeftijd.
  2. Trisomie en misvormingen: Alle chromosomale toevoegingen (zoals bij het Down-syndroom op chromosoom 21, Edwards op 18, of Patau op 13) veroorzaken zware fysieke, organische en psychische afwijkingen. Trisomieën van de grotere chromosomen (zoals paar 1 en 2) leiden onherroepelijk tot vroege spontane abortussen.

Een geneticus of bioloog die beweert dat een soort kan overstappen van 48 naar 46 chromosomen, staat voor een dichte deur: het is genetisch onmogelijk. Een reductie in chromosomenaantal leidt in de natuur nooit tot een ‘verbetering’, maar steevast tot verwoesting van het individu of spontane abortus.

Deel 4: Auto-immuunziekten en immunologisch bewijs voor hybridisatie

Sporen in het dagelijks leven en auto-immuunziekten

Het meest overtuigende bewijs voor de hybridisatie van de menselijke soort ligt op het terrein van de immunologie en de auto-immuunziekten.

In de wilde dierennatuur komen auto-immuunziekten niet voor. Pas wanneer de mens rassen kunstmatig gaat selecteren en doorkruisen (zoals bij specifieke honden- of paardenrassen), ontstaan er bij dieren heupdysplasieën en immuunstoornissen. Bij de mens is het immuunsysteem — de gendarme die het lichaam moet beschermen tegen virussen, bacteriën en schimmels — echter op grote schaal ontregeld:

  1. Aanval op het eigen lichaam: Bij auto-immuunziekten herkent het immuunsysteem lichaamseigen weefsels als vreemd en valt deze aan. Bij Systemische Lupus Erythematodes (SLE) maakt het lichaam bijvoorbeeld antilichamen aan tegen het eigen DNA.
  2. Agressieve parodontitis en reumatoïde artritis: Bij aandoeningen zoals reumatoïde artritis of agressieve parodontitis vernietigt het immuunsysteem al op jonge leeftijd (20-30 jaar) gewrichten, kraakbeen en kaakweefsel.
  3. Genetisch conflict: Wanneer in een menselijk individu de genen van de oorspronkelijke menselijke lijn overheersen, herkent het immuunsysteem de anatomische structuren die gecodeerd zijn door de dierlijke genen (van de stammoeder/ancestre) als lichaamsvreemd en valt deze aan — en vice versa.

Daarnaast zien we op anatomisch vlak vaak sterke asymmetrieën en disharmonieën in het gelaat, zoals bij prognathie (een zware kaak-disproportie waarbij de onderkaak niet past bij de bovenkaak). Ook subtiele afwijkingen in ledematen (zoals asymmetrische tenen of platvoeten) en bijziendheid (myopie, veroorzaakt door botsende genetische instructies over de lichaamsgrootte en de oogstructuur) getuigen van deze diepe genetische dissonantie.

Conclusie

Het menselijk genoom werkt als een complex computerprogramma — de ‘taal van God’. Door de erfzonde heeft Adam vanaf het begin een verwoestend virus in dit softwareprogramma geïntroduceerd, wat tot op de dag van vandaag leidt tot genetische vervormingen, fysieke disbalans en ziekte.

Historische figuren zoals Cesare Lombroso stichtten in de negentiende eeuw de criminele antropologie en probeerden fysieke asymmetrieën en gelaatstrekken te koppelen aan erfelijke afwijkingen en gedragsstoornissen. Hoewel zijn directe verbanden tussen uiterlijk en misdaad wetenschappelijk onjuist waren, zag hij wel degelijk dat er sprake was van een diepgaande lichamelijke en psychische verwevenheid.

Het idee dat de mens via een geleidelijke, natuurlijke evolutie uit dieren is ontstaan — zoals dat in schoolboeken, encyclopedieën en natuurhistorische musea als een vaststaand feit wordt gepresenteerd — is een wetenschappelijke en genetische leugen. De genetische, paleontologische en immunologische feiten wijzen — exact zoals geopenbaard aan don Guido Bortoluzzi en Maria Valtorta — op een oorspronkelijke, hoogstaande schepping die door een daadwerkelijke biologische en spirituele zondeval is ontspoord. Het is tijd dat we deze feiten met wetenschappelijke en gelovige moed onder ogen zien.

Bron video: Genesi Biblica DGB

Nawoord van de redactie (www.guidobortoluzzi.org)

Met het publiceren van deze voordracht van dr. Francesco Saverio Martelli hopen wij een waardevolle bijdrage te leveren aan het diepere gesprek over de oorsprong van de mensheid, de wetenschap en het geloof.

De inzichten van don Guido Bortoluzzi (1907–1991), zoals uiteengezet in zijn werk Genesis Biblica, zijn decennialang beschouwd als een theologische en wetenschappelijke anomalie. Toch zien we steeds vaker hoe moderne medische en biologische disciplines — zoals de genetica en de immunologie — onbedoeld aanknopingspunten bieden die de openbaringen van don Guido en de mystieke geschriften van Maria Valtorta op fascinerende wijze ondersteunen.

Zoals dr. Martelli in zijn lezing overtuigend aantoont, botst het neodarwinistische paradigma op fundamentele onoverkomelijke barrières als het gaat om chromosomenreductie en de biologische realiteit van genetische corruptie. De sporen van de vroege menselijke geschiedenis zijn niet te vinden in een rechte evolutionaire lijn, maar in de erfenis van een diepgaande historische breuk: de zondeval als feitelijke, biologische hybridisatie.

Wij nodigen al onze lezers, onderzoekers enzoekers naar de Waarheid uit om deze materie met een open geest en intellectuele eerlijkheid te blijven onderzoeken. Het is onze overtuiging dat een ware dialoog tussen de Wetenschap en de Openbaring niet leidt tot tegenspraak, maar tot een dieper en zuiverder begrip van Gods schepping.

Pastoor Geudens, Smakt, 16 oktober 2026


Recentemente discussioni paleontologiche sugli Adapidi (Darwinius masillae) e le rivelazioni di Don Guido Bortoluzzi


Fossili, il ‘Missing Link’ e il Peccato Originale Biologico: Una Reinterpretazione secondo il Modello-Bortoluzzi

Don Geudens




Sulla base delle ricerche più recenti e dei dibattiti scientifici tra paleontologi e genetisti riguardanti gli uomini-scimmia fossili in Asia, Europa e nelle Americhe, si può rendere conto di un’aspra controversia all’interno della teoria dell’evoluzione. Da un lato, alcuni consideravano questi fossili come probabili antenati dell’uomo; dall’altro, i biologi evoluzionisti neodarwinisti celebravano, grazie a questi ritrovamenti, la scoperta della specie che rappresentava per loro il famoso ‘missing link’ (anello mancante) tra la scimmia e l’uomo — una visione che, all’interno della biologia teologica, viene giustamente criticata come un fuorviante deragliamento della dottrina darwiniana.[^1]

La scoperta di “Ida” (Darwinius masillae)

Nel 2009, il noto genetista e paleontologo Xijun Ni[^2] analizzò il fossile di un primate risalente all’Eocene (un’epoca geologica compresa tra 55 e 34 milioni di anni fa). Il fossile stesso è stato datato a circa 47 milioni di anni fa ed è stato rinvenuto nella nota cava di Messel in Germania (il fondo di un antico lago vulcanico). L’esemplare è stato identificato come appartenente a una famiglia fossile all’interno degli Adapidi e fu informale chiamato “Ida” da Xijun Ni, in onore di sua figlia.

Come storicamente già accaduto in precedenti casi di entusiasmo scientifico, i biologi evoluzionisti — senza fornire adeguate prove biologiche e genetiche — non hanno svolto le necessarie ricerche approfondite. Hanno immediatamente ribattezzato questo animale Darwinius masillae (in onore di Charles Darwin), proclamandolo l’anello di congiunzione diretto tra le scimmie e l’uomo. Il fossile di questo giovane primate (lungo circa 60 cm e completo al 95%) mostrava tuttavia, in realtà, caratteristiche riconducibili principalmente a quelle di un lemure. Sistematicamente, l’animale appartiene al sottordine Strepsirrhini (a cui appartengono lemuri, loris e galagoni).[^3]

Dubbi scientifici e confusione tassonomica

Questa affrettata conclusione ha suscitato ben presto forti dubbi all’interno della stessa comunità scientifica internazionale. Gli oppositori sostenevano che l’uomo, secondo la filogenesi classica, non può discendere dai lemuri, ma al massimo essere imparentato con i tarsidi (tarsiers), poiché questi ultimi appartengono al sottordine Haplorhini (che comprende l’uomo, le scimmie antropomorfe e i tarsii). Il genetista Jens Franzen ha fornito argomenti a favore di questa seconda ipotesi, pur ignorando il fatto che in questo Adapide mancavano due caratteristiche tipiche dei lemuri: l’artiglio da toeletta (grooming claw) e la struttura a pettine dei denti incisivi e canini inferiori.

Elemento cruciale è tuttavia che, né per i lemuri né per i tarsii, è mai stato dimostrato il possesso dello stesso numero di cromosomi dell’uomo ($2n = 46\text{ cromosomi}$), che costituirebbe l’unica vera prova genetica di parentela. I lemuri hanno un numero di cromosomi dimostrabilmente diverso. I tarsii (piccoli primati della grandezza di un topo) non sono inoltre mai stati classificati in modo univoco dal punto di vista filogenetico.

Come dimostrato ampiamente nella sintesi sistemica del Modello-Bortoluzzi, le spiegazioni neodarwiniste si rivelano qui insufficienti: fossili come Ida non sono la prova di una graduale ‘transizione macro-evolutiva’ dalla scimmia all’uomo, ma richiedono un quadro interpretativo biologico-teologico del tutto diverso.

La risposta del Modello-Bortoluzzi: Il Peccato Originale Biologico

Quando la scienza si blocca nelle sue supposizioni, la rivelazione divina concessa al sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) offre la chiave di lettura della realtà. Il modello della genesi di Don Guido spiega l’origine dell’umanità e delle forme fossili ibride attraverso la genesi biologica e il peccato originale fisico:

  1. Adamo non è nato da una scimmia: Adamo è stato creato direttamente da Dio come il primo vero uomo, dotato del genoma umano perfetto ($2n = 46\text{ cromosomi}$) e creato a immagine e somiglianza di Dio.
  2. Il Peccato Originale come ibridazione illegittima (incrocio): Il peccato originale non fu un morso simbolico a una mela, ma un reale incrocio biologico severamente proibito da Dio. Quando la prima donna perfetta era ancora una bambina, Adamo si lasciò sedurre ad avere un rapporto sessuale con una femmina di scimmia pre-umana, chiamata da Don Guido l’ancestre (antenata). Questa ancestre possedeva $47\text{ cromosomi}$ ($2n = 47$), il che la rendeva geneticamente capace di generare una prole fertile con l’uomo.
  3. L’insorgere di anomalie genetiche e ibridi: Un incrocio tra due specie diverse comporta una degenerazione genetica che colpisce il corpo, la mente e l’anima stessa. Dall’unione proibita tra Adamo e l’ancestre nacque Caino: il primo ibrido (uomo-scimmia). Caino era molto peloso, poco intelligente, balbettava nel parlare ed era dominato da impulsi animaleschi — il che spiega l’uccisione del fratellino Abele di soli 3 anni per pura gelosia.
  4. Le due linee di discendenza: Dopo questa caduta nacquero due linee:
    • La linea umana pura attraverso Adamo e la Donna (e più tardi Set, i “Figli di Dio”, con $46\text{ cromosomi}$).
    • La linea ibridata attraverso Caino e l’ancestre (le “Figlie degli uomini”).
    Anche la mistica Maria Valtorta fa menzione di queste due linee di discendenza parallele che in seguito si mescolarono.

Reinterpretazione del fossile di Adapide “Ida”

Nel caso specifico del fossile di “Ida”, risalente a 47 milioni di anni fa, sono state riscontrate cinque notevoli caratteristiche anatomiche che hanno confuso i neodarwinisti, ma che nell’ipotesi dell’ibridazione del Modello-Bortoluzzi si spiegano perfettamente come il risultato di storiche mescolanze tra la linea umana e le popolazioni pre-ominidi (ancestres):

  1. Il pollice opponibile (tipico della struttura della mano umana).
  2. La presenza di unghie piatte al posto dei consueti artigli delle scimmie.
  3. Arti posteriori che indicano una transizione verso la stazione eretta (adatti alla locomozione bipede piuttosto che al solo arrampicamento o salto).
  4. L’assenza dell’artiglio da toeletta (utilizzato regolarmente dalle scimmie per pulire il pelo).
  5. L’assenza del pettine dentale (tipico dei lemuri).

Conclusione

La presenza di caratteristiche umane e simiesche in fossili come Ida (Darwinius masillae) non è una prova della macro-evoluzione dalla scimmia all’uomo.

Combinata con i decine di altri Adapidi e fossili ominidi rinvenuti in tutto il mondo, la sintesi biologica di Don Guido Bortoluzzi conferma l’ipotesi più logica e coerente: questi fossili non sono ‘anelli mancanti’ di una catena evolutiva ascendente, ma i resti fossili di specie ibride intermedie, nate dallo storico incrocio genetico della linea di discendenza umana con primati pre-umani (ancestres).

Il Neodarwinismo ha fuorviato la scienza scambiando il peccato e la degenerazione genetica per la ‘nascita dell’uomo’. I fatti dei fossili e la genetica confermano invece la rivelazione della Creazione e della Caduta.

Ringraziamenti ad Agatino Mezzatesta

Note a piè di pagina

[^1]: Cfr. la critica al neodarwinismo come ipotesi esplicativa delle transizioni macro-evolutive, sviluppata tra l’altro negli studi sulla genesi biologica e le rivelazioni di Gesù Cristo a Don Guido Bortoluzzi («Darwin dirottato: come il Neodarwinismo ha fuorviato la scienza»).

[^2]: Xijun Ni et al., «The oldest known primate skeleton and early haplorrhine evolution», Nature, 5 giugno 2013.

[^3]: Marco Michelutto, «Proscimmie della discordia», 22 maggio 2009.

Paleontologische discussies rond Adapiden (Darwinius masillae) en de openbaringen van Don Guido Bortoluzzi


Fossielen, de ‘Missing Link’ en de biologische erfzonde: Een herinterpretatie door het Model-Bortoluzzi

Naar aanleiding van recente paleontologische discussies rond Adapiden (Darwinius masillae) en de openbaringen van Don Guido Bortoluzzi

Door Agatino Mezzatesta in samenwerking met pastoor Geudens




Op basis van het meest recente onderzoek en wetenschappelijke debatten onder paleontologen en genetici over fossiele aapmensen in Azië, Europa en de Amerika’s, kan verslag worden gedaan van een hardnekkige strijd binnen de evolutieleer. Aan de ene kant beschouwden sommigen deze fossielen als waarschijnlijke voorouders van de mens. Aan de andere kant vierden neodarwinistische evolutiebiologen dankzij deze vondsten de ontdekking van de soort die voor hen de beroemde ‘missing link’ (ontbrekende schakel) vormde tussen aap en mens — een visie die binnen de theologische biologie terecht wordt bekritiseerd als een misleidende ontsporing van de darwinistische doctrine.[^1]

De ontdekking van “Ida” (Darwinius masillae)

In 2009 onderzocht de bekende geneticus en paleontoloog Xijun Ni[^2] het fossiel van een primaat uit het Eoceen (het tijdperk dat van 55 tot 34 miljoen jaar geleden loopt). Het fossiel zelf werd gedateerd op ongeveer 47 miljoen jaar geleden en was gevonden in de bekende Messelgroeve in Duitsland (de bodem van een voormalig vulkanisch meer). Het exemplaar werd geïdentificeerd als behorend tot een fossiele familie binnen de Adapiden en werd door Xijun Ni informeel “Ida” genoemd, ter ere van zijn dochter.

Zoals historisch al bij eerdere wetenschappelijke hypes gebeurde, voerden evolutiebiologen — zonder afdoende biologisch en genetisch bewijs te leveren — nauwelijks het nodige diepgaande onderzoek uit. Men doopte dit dier onmiddellijk om tot Darwinius masillae (ter ere van Charles Darwin) en riep het uit tot de rechtstreekse verbindingsschakel tussen apen en mensen. Het fossiel van deze jonge primaat (ongeveer 60 cm lang en voor 95% compleet) leek in werkelijkheid echter voornamelijk kenmerken te vertonen van een maki (lemuur). Systematisch behoort het dier tot de onderorde Strepsirrhini (waartoe maki’s, lori’s en galago’s behoren).[^3]

Wetenschappelijke twijfels en taxonomische verwarring

Deze haastige conclusie riep al snel grote twijfels op binnen de internationale wetenschappelijke gemeenschap zelf. Tegenstanders stelden dat de mens volgens de klassieke afstammingsleer niet van maki’s kan afstammen, maar hooguit verwant kan zijn aan de spookdiertjes (tarsiers), aangezien deze behoren tot de onderorde Haplorhini (waartoe de mens, mensapen en spookdiertjes worden gerekend). De geneticus Jens Franzen leverde argumenten voor deze tweede hypothese, hoewel hij voorbijging aan het feit dat in deze Adapide twee typische maki-kenmerken ontbraken: de poetsklauw en de kamstructuur van de onderste snijtanden.

Cruciaal is echter dat voor noch de maki’s, noch de spookdiertjes ooit is aangetoond dat zij hetzelfde aantal chromosomen hebben als de mens ($2n = 46\text{ chromosomen}$), wat het enige echte genetische bewijs zou vormen voor verwantschap. Maki’s hebben een aantoonbaar afwijkend chromosomenaantal. De spookdiertjes (kleine primaten ter grootte van een muis) zijn fylogenetisch bovendien nooit eenduidig geclassificeerd.

Zoals in de systeemsynthese van het Model-Bortoluzzi uitvoerig wordt aangetoond, schieten neodarwinistische verklaringen hier tekort: fossielen zoals Ida zijn geen bewijs voor een geleidelijke ‘macro-evolutionaire overgang’ van aap naar mens, maar vragen om een heel ander, biologisch-theologisch verklaringskader.

Het antwoord vanuit het Model-Bortoluzzi: De Biologische Erfzonde

Wanneer de wetenschap vastloopt in aannames, biedt de goddelijke openbaring aan de Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) de sleutel tot de werkelijkheid. Het genesismodel van Don Guido verklaart de oorsprong van de mensheid en de fossiele mengvormen via de biologische genese en de fysieke erfzonde:

  1. Adam is niet ontstaan uit een aap: Adam werd door God rechtstreeks geschapen als de eerste echte mens, voorzien van het volmaakte menselijke genoom ($2n = 46\text{ chromosomen}$) en geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
  2. De Erfzonde als illegitieme hybridatie (kruising): De erfzonde was geen symbolische beet in een appel, maar een reële, door God streng verboden biologische kruising. Toen de eerste volmaakte vrouw nog een kind was, liet Adam zich verleiden tot seksuele gemeenschap met een pre-humane aapvrouw, door Don Guido de ancestre (stammoeder) genoemd. Deze ancestre bezat $47\text{ chromosomen}$ ($2n = 47$), waardoor zij genetisch in staat was om een vruchtbare verbinding aan te gaan met de mens.
  3. Het ontstaan van genetische afwijkingen en hybriden: Een kruising tussen twee verschillende soorten brengt genetische degeneratie met zich mee die lichaam, geest en ziel aantast. Uit de verboden gemeenschap tussen Adam en de ancestre werd Kaïn geboren: de eerste hybride (aapmens). Kaïn was zwaar behaard, minder intelligent, sprak stotterend en werd beheerst door dierlijke driften — wat verklarend is voor de moord op zijn 3-jarige broertje Abel uit brute jaloersheid.
  4. De twee afstammingslijnen: Na deze val ontstonden er twee lijnen:
    • De zuivere menselijke lijn via Adam en de Vrouw (en later Set, de “Zonen van God”, met $46\text{ chromosomen}$).
    • De gehybridiseerde lijn via Kaïn en de ancestre (de “Dochters van de mensen”).
    Ook de mystica Maria Valtorta maakt melding van deze twee parallelle afstammingslijnen die zich later vermengden.

Herinterpretatie van het Adapide-fossiel “Ida”

In het specifieke geval van het 47 miljoen jaar oude fossiel “Ida” zijn vijf opmerkelijke anatomische kenmerken aangetroffen die de neodarwinisten verwarden, maar die vanuit de hybride-hypothese van het Model-Bortoluzzi perfect verklaard kunnen worden als het resultaat van historische vermengingen tussen de menselijke lijn en pre-hominide populaties (ancestres):

  1. De opponeerbare duim (typerend voor de menselijke handstructuur).
  2. De aanwezigheid van platte nagels in plaats van de gebruikelijke klauwen van apen.
  3. Achterpoten die wijzen op een overgang naar rechtopstaand lopen (geschikt voor voortbeweging op twee benen in plaats van louter klimmen of springen).
  4. Het ontbreken van de poetsklauw (die normale apen gebruiken voor de vachtverzorging).
  5. Het ontbreken van de tandenkam (typerend voor maki’s).

Conclusie

De aanwezigheid van menselijke én aapachtige kenmerken bij fossielen zoals Ida (Darwinius masillae) is geen bewijs voor macro-evolutie van aap naar mens.

Gecombineerd met de tientallen andere Adapiden en mensachtige fossielen die wereldwijd zijn gevonden, bevestigt de biologische synthese van Don Guido Bortoluzzi de meest logische en sluitende hypothese: deze fossielen zijn geen ‘missing links’ in een opwaartse evolutieketen, maar de fossiele overblijfselen van hybride tussensoorten, ontstaan uit de historische, genetische vermenging van de menselijke afstammingslijn met voor-menselijke primaten (ancestres).

Het Neodarwinisme heeft de wetenschap op een dwaalspoor gebracht door zonde en genetische degeneratie aan te zien voor de ‘geboorte van de mens’. De feiten van de fossielen en de genetica bevestigen daarentegen de openbaring van de Schepping en de Val.

Met dank aan Agatino Mezzatesta

Voetnoten

[^1]: Zie de kritiek op het neodarwinisme als verklarende hypothese voor macro-evolutionaire transities, onder meer uitgewerkt in studies rond de biologische genese en de openbaringen van Jezus Christus aan Don Guido Bortoluzzi («Darwin dirottato: come il Neodarwinismo ha fuorviato la scienza»).

[^2]: Xijun Ni et al., «The oldest known primate skeleton and early haplorrhine evolution», Nature, 5 juni 2013.

[^3]: Marco Michelutto, «Proscimmie della discordia», 22 mei 2009.

Hoe een pastoor de Vajont-ramp 18 jaar van tevoren voorspelde


De waarschuwing die niemand serieus nam: dorpspriester voorzag Vajont-ramp achttien jaar van tevoren

ERTO EN CASSO – In 1945 waarschuwde de Italiaanse priester Guido Bortoluzzi volgens overleveringen en getuigenissen voor een verwoestende ramp in het Vajontdal. Hij zou in een uitzonderlijk levensechte droom hebben gezien hoe een deel van de berg Monte Toc zou afbreken en een catastrofale vloedgolf veroorzaken. Achttien jaar later, op 9 oktober 1963, werd het dal getroffen door een van de dodelijkste rampen uit de Italiaanse naoorlogse geschiedenis. Zijn waarschuwingen werden destijds niet serieus genomen.

Pastoor Matteo Pasut uit Erto wil de herinnering aan zijn voorganger in ere herstellen. Volgens hem was Bortoluzzi geen fantast, maar een mysticus die zich oprecht zorgen maakte over het lot van de bevolking. Hij verzamelt al jaren documenten en getuigenissen over diens leven en werkt aan een essay dat specifiek ingaat op de vermeende voorspelling van de Vajont-ramp.

Een angstaanjagende droom in oorlogstijd

Guido Bortoluzzi, geboren in 1907 in Puos d’Alpago bij Belluno, was in de jaren veertig pastoor in het bergdorp Casso. In 1945, terwijl de Tweede Wereldoorlog nog volop woedde en de bevolking kampte met voedseltekorten en de dreiging van geweld, zou hij een droom hebben gehad die hem diep verontrustte.

Volgens de verhalen die later over hem werden verteld, zag de priester hoe een enorme aardverschuiving de omgeving van het Vajontdal zou veranderen. Hij zou zelfs specifieke plekken hebben aangewezen waar de bergwand zou afbreken. Ook sprak hij naar verluidt over duizenden doden en ontheemden en over de uiteenlopende gevolgen van de ramp voor de omliggende dorpen.

Opmerkelijk is dat de plannen voor de bouw van een stuwdam in het Vajontdal destijds nog nauwelijks bekend waren bij de inwoners van Erto en Casso. De vergunning voor het project was op 13 oktober 1943 verleend, maar de bevolking wist in 1945 nog niet wat haar boven het hoofd hing.

Juist dat gegeven draagt bij aan het mysterieuze karakter van het verhaal over Bortoluzzi. Volgens de overlevering beschreef hij de mogelijke gevolgen van een ramp voordat de werkzaamheden in het gebied zichtbaar op gang waren gekomen.

Waarschuwingen zonder gehoor

Bortoluzzi zou zijn zorgen met tal van mensen hebben gedeeld en zich tot verschillende autoriteiten hebben gewend. Hij schreef volgens de beschikbare verhalen brieven aan burgemeesters, bisschoppen en kranten, in een poging aandacht te krijgen voor het dreigende gevaar.

Zijn waarschuwingen leverden echter weinig op. Sommige brieven zouden terzijde zijn geschoven, andere zijn later verloren gegaan. De priester kreeg naar verluidt nauwelijks steun en werd door sommigen met argwaan bekeken. Ook binnen kerkelijke kringen zou men bezorgd zijn geweest dat zijn uitspraken onrust onder de bevolking konden veroorzaken.

Toen enkele jaren later de eerste werkzaamheden voor de bouw van de dam begonnen, bleef Bortoluzzi zich volgens de overlevering tegen het project verzetten. Maar zijn waarschuwingen veranderden niets aan de voortgang van de plannen.

Veel van de inwoners die hem destijds persoonlijk hadden gehoord, zijn inmiddels overleden. Hun verhalen werden echter doorgegeven aan kinderen en kleinkinderen, waardoor de herinnering aan de priester en zijn verzet tegen de dam bleef voortleven.

De ramp van 9 oktober 1963

Op de avond van 9 oktober 1963 voltrok zich de tragedie waarvoor Bortoluzzi volgens zijn aanhangers had gewaarschuwd. Een enorme massa gesteente en aarde, afkomstig van de Monte Toc, stortte in het stuwmeer van Vajont. De aardverschuiving verplaatste een gigantische hoeveelheid water, waardoor een verwoestende golf over de dam sloeg en het dal instroomde.

Dorpen en woongebieden werden weggevaagd. Bijna tweeduizend mensen kwamen om het leven. De ramp liet diepe sporen na in de regio en groeide uit tot een symbool van de desastreuze gevolgen die kunnen ontstaan wanneer geologische risico’s en waarschuwingen onvoldoende serieus worden genomen.

Na de ramp haalden inwoners herinneringen op aan Bortoluzzi en zijn voorspellingen. Volgens latere getuigenissen vertoonden zijn beschrijvingen opvallende overeenkomsten met wat er daadwerkelijk was gebeurd. Zo zouden de gevolgen voor Casso niet uitsluitend door het water zijn veroorzaakt, maar ook door puin en stenen die door de kracht van de aardverschuiving omhoog werden geslingerd.

Hoe nauwkeurig de priester de gebeurtenissen werkelijk heeft beschreven, is moeilijk onafhankelijk vast te stellen. Een deel van het verhaal berust op herinneringen en overleveringen die pas na de tragedie opnieuw aandacht kregen.

Een priester die rehabilitatie verdient

Guido Bortoluzzi overleed in 1991. Volgens pastoor Pasut stierf hij met een reputatie van heiligheid, maar bleef zijn bijzondere rol in de aanloop naar de Vajont-ramp onderbelicht en omstreden.

Pasut wil daarom niet alleen de persoon Bortoluzzi opnieuw onder de aandacht brengen, maar vooral onderzoeken wat er precies bekend is over diens waarschuwingen. Hij verzamelt daarvoor documentatie en probeert getuigenissen en historische gegevens bijeen te brengen.

‘We zijn het hem uit de grond van ons hart verplicht’, aldus Pasut. Volgens hem heeft zijn voorganger er alles aan gedaan om het leven van duizenden mensen te redden. Dat zijn waarschuwingen geen gehoor vonden, maakt de geschiedenis volgens hem des te schrijnender.

De pastoor benadrukt dat het belangrijk is om de menselijke kant van Bortoluzzi te documenteren en zijn inzet voor de gemeenschap niet te vergeten. Ook buiten Italië groeit inmiddels de belangstelling voor de priester, mede dankzij een groep aanhangers die een website over hem heeft opgezet.

Tussen geschiedenis en mysterie

Het verhaal van Guido Bortoluzzi blijft een bijzondere en omstreden episode in de geschiedenis van de Vajont-ramp. Voor zijn aanhangers was hij een miskende mysticus die het naderende onheil voorzag en tevergeefs probeerde de bevolking te waarschuwen. Voor historisch onderzoek blijft vooral de vraag van belang welke uitspraken hij daadwerkelijk vóór de ramp heeft gedaan en in hoeverre die met contemporaine documenten kunnen worden onderbouwd.

De tragedie van 1963 staat buiten kijf. Of Bortoluzzi de ramp werkelijk zo gedetailleerd heeft voorspeld als later is verteld, vraagt om zorgvuldig onderzoek naar brieven, getuigenissen en andere historische bronnen.

Eén aspect van zijn verhaal blijft hoe dan ook aangrijpend: de herinnering aan een priester die volgens mensen uit de streek aan de bel trok, maar naar eigen zeggen niet werd gehoord. Zijn geschiedenis roept daarmee niet alleen vragen op over mystiek en voorspellingen, maar ook over de manier waarop waarschuwingen voor mogelijke rampen worden ontvangen – en over de prijs die kan worden betaald wanneer risico’s niet tijdig worden onderkend.

Met dank aan Patricia Lopez

Bron: Dit bericht komt uit de Italiaanse krant Messaggero Veneto, “Un prete predisse il disastro del Vajont con 18 anni di anticipo”, 9 mei 2017.

Don Guido Bortoluzzi e l’Esperienza Divina della Genesi Umana – Automatisch nagesynchroniseerd



22 apr 2026

De oorsprong van de menselijke soort is sinds heugenis in mysterie gehuld, zwevend tussen klassieke religieuze dogma’s en seculiere evolutietheorieën. Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS) bestaat er echter een denkkader dat de fundamenten van beide op de grondvesten doet schudden: het model voortbouwend op de openbaringen van Don Guido Bortoluzzi (1907–1991). Via heldere en vaak angstaanjagende mystieke schouwingen getuigt zijn werk van de schepping van de mens niet als een allegorisch verhaal, maar als een exact biologisch, genetisch en spiritueel proces.

In deze analyse diepen we een van de meest intense passages uit “Bijbelse Genesis” uit, waarin de fysieke en geestelijke breuk van de zondeval zichtbaar wordt gemaakt — de ervaring van de menselijke geboorte door de schrik heen, die de diepe band met de erfzonde en de chromosomale breuk blootlegt. We stellen de gangbare geschiedschrijving ter discussie door deze prehistorische gebeurtenissen te verbinden met de genealogie van de giganten (de Nephilim) en de hybride geslachten uit de antediluviaanse periode.

Hierbij komt de hypothetische synthese tot haar kern: het overbruggen van de kloof tussen de Creazio Mediata (de Bemiddelde Schepping), de immunologische placenta-barrière en het verlies van de oorspronkelijke menselijke zuiverheid. Een exclusieve verdieping die de brug slaat tussen het theologische verlossingsmysterie, de Hebreeuwse exegese en de moderne genomica — een perspectief dat de vastgeroeste zekerheden over onze menselijke wortels definitief op zijn kop zet.

De ontstaansgeschiedenis volgens don Guido Bortoluzzi. De Witte Merel < versus > Hypothetische Synthese


De ontstaansgeschiedenis volgens Don Guido Bortoluzzi, verrijkt met het inhoudelijk-theologisch weerwoord vanuit de Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS)

Inleiding

De groeiende internationale belangstelling voor het werk van Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee: het bewaken van de inhoudelijke zuiverheid en de systematische samenhang van de Creazio Mediata (de Bemiddelde Schepping). Wanneer visioenen losgezongen raken van hun theologische, linguïstische en wetenschappelijke bedding, ontstaat het risico dat een hoogstaand denkmodel vervlakt tot een verzameling curieuze gissingen of populaire, esoterische misinterpretaties.

Onder de titel “Merlo Bianco (De Witte Merel): De ontstaansgeschiedenis volgens Don Guido Bortoluzzi” publiceren wij op deze gedenkwaardige datum — precies 35 jaar na de uitvaart van Don Guido bij het Santa Croce-meer — de oorspronkelijke tekst van 15 augustus 2022, rechtstreeks voorzien van een geördineerd en integraal ingeweven weerwoord vanuit onze Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS) (zoals eerder verschenen op guidobortoluzzi.org).

In deze bijdrage verhelderen wij vijf fundamentele pijlers van de hypothetische synthese, zoals deze in het Nederlandse taalgebied is uitgewerkt door de nauwe wisselwerking tussen Pastoor Jack Geudens (Prehistorisch-Technocratische Synthese) en Hubert Luns (Linguïstische en Genetische Exegese), in directe afstemming met prof. Renza Giacobbi:

  1. Involutie versus Evolutie: De correctie op willekeurige dateringen (“50 miljoen jaar”) en het onderscheid tussen de goddelijke scheppingsfasen en de biologische degeneratie (involutie) van hybride lijnen na de zondeval.
  2. De Geestelijke Primaat van de Zondeval: Waarom de erfzonde in eerste instantie een intellectuele zonde van autonomie en hoogmoed was, waarvan de biologische hybridisatie het fysieke gevolg vormde.
  3. De Terminologische Zuiverheid rond de Vrouw: De cruciale schifting tussen de Prima Donna (de zuivere menselijke stammoeder) en het subhumane draagwezen (ancestre / incubator), ter bescherming van de immunologische placenta-barrière.
  4. De Realiteit van het Teken van Kaïn: De spanning tussen de ingeblazen menselijke ziel (Pneuma) en het fysiek-genetisch gedegenereerde hybride lichaam in het licht van de moderne genomica.
  5. Epistemologische Verankering: Het afwijzen van syncretistische vermenging met buitenbijbelse mythologieën (zoals het “Baltisch Eden”), ten gunste van een strikte toetsing aan de Hebreeuwse grondtekst, de katholieke dogmatiek en verifieerbare natuurwetenschap.

Dit document dient als een helder baken voor eenieder die het werk van Don Guido Bortoluzzi wil benaderen niet als een verzameling legenden, maar als een formeel, wetenschappelijk-theologisch denkmodel dat bruggen slaat tussen geloof, rede en de oorsprong van ons menszijn.

Merlo Bianco (De Witte Merel): De ontstaansgeschiedenis volgens Don Guido Bortoluzzi

Oorspronkelijke publicatie op merlobianco.altervista.org, 15 augustus 2022, met geïntegreerd theologisch en wetenschappelijk weerwoord van Pastoor Jack Geudens

Het lijdt geen twijfel dat de gebeurtenissen die in de eerste hoofdstukken van Genesis worden verteld (in het bijzonder de Schepping en de “erfzonde”) een heuse hersenbreker vormen. Hoewel dat eerlijk gezegd niet altijd zo is geweest: tot niet zo heel lang geleden werden deze hoofdstukken letterlijk geïnterpreteerd, door zowel leken als geestelijken, zonder te proberen eventuele tegenstrijdigheden op te lossen met de wetenschappelijke ontdekkingen die zich opstapelden. Later, met de verspreiding van de evolutieleer, raakte deze interpretatielijn in crisis en vandaag de dag kent zij nog maar zeer weinig volgers.

We moeten toegeven dat het fundamentalistische creationisme (precies gebaseerd op de letterlijke interpretatie van de Bijbel) vandaag de dag niet langer houdbaar is. De evolutietheorie rust echter eveneens op vrij wankele pijlers… Hoe kunnen we er dan zeker van zijn dat Genesis slechts ongemotiveerde bakerpraatjes vertelt? En wat als het voor wat betreft de oorsprong van het leven en van de mens toch niet helemaal ongelijk had?

En hier schiet de figuur van don Guido Bortoluzzi ons te hulp, een priester uit Belluno geboren in 1907 en overleden in 1991. Hij ontving de gave om buitengewone openbaringen te krijgen over de gebeurtenissen die in Genesis worden beschreven, zowel in de vorm van innerlijke ingevingen als in de vorm van visioenen en “profetische dromen”. Zeer kort samengevat werd de Mens volgens deze openbaringen door God perfect geschapen: de erfzonde bestond uit de hybridisatie van de menselijke soort, wat het leven schonk aan het geslacht van de “zonen der mensen”, tegenover de genetisch zuivere “Zonen van God”. Wij, de mensen van nu, zijn allemaal hybriden, maar dankzij de Verlossing door Jezus Christus hebben we de waardigheid van “Zonen van God” teruggekregen.

Tot op de dag van vandaag heeft de Kerk zich niet uitgesproken over de openbaringen van don Guido Bortoluzzi, ondanks het feit dat ze in staat zijn licht te werpen op de donkerste punten van de Bijbeltekst, terwijl ze tegelijkertijd — zoals we zullen zien — trouw blijven aan de katholieke leer. De geschriften van de priester zijn gebundeld in het boek Genesi Biblica (Bijbelse Genesis), dat u kunt kopen of downloaden: in dit artikel zullen we proberen de inhoud ervan samen te vatten, gezien het buitengewone belang ervan en de relevantie voor de onderwerpen die dit blog nauw aan het hart liggen.

[Aanvullend Weerwoord PTS — Status van de Synthese]:

Hoewel het blogartikel een verdienstelijke poging doet om het werk van Don Guido Bortoluzzi onder de aandacht te brengen, vertoont het op een aantal cruciale punten conceptuele onnauwkeurigheden en onjuiste interpretaties van de brontekst (Génesi I) en de daarop gebaseerde systeemtheorie. Het werk van Bortoluzzi mag niet worden behandeld als een “curieuze theorie” of een verzameling “fantastische verhalen”, maar moet worden begrepen als een formeel, wetenschappelijk-theologisch kadersysteem.

Het teken van Kaïn en de erfzonde

Don Guido ontving de eerste openbaring, in de vorm van een innerlijke ingeving, rond 1968. Die dag vroeg hij zich af wat de aard was van het “teken van Kaïn” waarover gesproken wordt in Gen. 4, 15. Op een gegeven moment, terwijl hij bij zichzelf verschillende mogelijkheden de revue liet passeren (een brandmerk op het voorhoofd? Een neusring? Enzovoort), hoorde hij een stem die tegen hem zei: “Stop daar. Je ziet het niet, je hoort het.” Je hoort het? Don Guido dacht er even over na, totdat dezelfde stem hem duidelijk openbaarde waar het om ging: het gesproken woord.

Het gesproken woord? Maar hoe was het mogelijk dat het gesproken woord, een kenmerk dat inherent is aan ieder menselijk wezen, voor Kaïn een onderscheidend kenmerk was? Het was duidelijk, zo concludeerde don Guido, dat Kaïn er van buitenaf niet uitzag als een mens, maar als een mensachtige: “De hypothese van de hybridisatie van de menselijke soort met de subhumane soort, die door sommige geleerden al in de 18e eeuw werd geuit, was dus goed gegokt.”

[Weerwoord PTS — De Reële Rol van het Teken van Kaïn en de Genomica]:

Het artikel stelt dat de spraak het teken van Kaïn was en dat Kaïn eruitzag als een aapachtige stamouder. Binnen de PTS verhelderen wij dat het “teken van Kaïn” de genetische en uiterlijke hybride kenmerkbaarheid is die ontstond door de vermenging van het menselijk DNA (2n=46) met het genoom van het draagwezen (2n=48). De spraak van Kaïn was niet zomaar een los kenmerk, maar liet de permanente spanning zien tussen de aanwezige menselijke geest (de door God ingeblazen ziel/Pneuma) en een hybride, fysiek gedegenereerd lichaam. Het model toont aan dat Kaïn de eerste drager werd van de genetische ontsporing, wat in de hedendaagse genetica weerspiegeld wordt in de complexe vraagstukken rond chromosoomfusie (Chromosoom 2) en archaïsche introgressie (zoals Neanderthaler-DNA).

In een latere openbaring uit 1970, ditmaal in de vorm van een profetische droom, was don Guido getuige van niets minder dan… de erfzonde! Zo zag hij dat deze uitsluitend door Adam werd begaan, en niet door de Eerste Vrouw, die destijds een kind was; dit is consistent met wat door Paulus op meerdere plaatsen wordt beweerd in de Brief aan de Romeinen (5, 12 e.v.). Het was immers Adam die paarde met een mensachtige vrouw (“Eva”) en zo Kaïn voortbracht, de eerste hybride. Op de identiteit van Eva komen we later terug; voor nu beperken we ons er toe op te merken dat volgens de joodse traditie de gezellinnen van Adam twee in getal waren: Eva en Lilith. Met deze laatste zou Adam “demonen” hebben verwekt (de hybriden?).

[Weerwoord PTS — De Aard van de Zondeval: Geen “Seksueel Ongeluk”, maar een Intellectuele Zonde van Autonomie]:

Het artikel wekt de indruk dat de zondeval simpelweg een fysieke of seksuele misstap van Adam was (het paren met een “mensachtige vrouw Eva”). Dit devalueert de zondeval tot een louter biologisch incident. In de Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS) wordt benadrukt dat de zondeval in de eerste plaats een intellectuele en spirituele zonde van hoogmoed en autonomie was. Adam wilde de voortplanting en de schepping autonoom beheren buiten het gebod van God om, door eigenmachtig gebruik te maken van het biologische draagwezen (de voedster/ancestre). De daaropvolgende hybridisatie en de chromosomale breuk (de lijn van Kaïn) zijn de fysieke en genetische uitwerking van deze diepe geestelijke opstand, niet de oorzaak ervan.

Ter gelegenheid van andere profetische dromen was don Guido getuige van de scènes die in het vierde hoofdstuk van Genesis worden verteld: zo begreep hij dat Abel de genetisch zuivere zoon was die door Adam bij de Eerste Vrouw was verwekt, en die toen hij nog een kind was werd gedood door zijn halfbroer Kaïn. Don Guido zag ook dat Adam absoluut geen spijt had van zijn zonde, maar zich juist rebelleerde tegen God, “schuldig” aan het niet voorkomen van de dood van Abel.

Volgens de Catechismus van de Katholieke Kerk zou de erfzonde zijn doorgegeven van Adam op de rest van de Mensheid “door voortplanting” (nr. 404). “Maar hoe is het mogelijk om een schuld te erven?” – vroeg don Guido zich af – “Je kunt alleen de gevolgen van een schuld erven.” Maar als de schuld in kwestie een hybridisatie van de soort was geweest, valt alles op zijn plek: wij allen dragen er de gevolgen van zonder dat we schuldig zijn.

Don Guido was van mening dat prehistorische mensachtigen niet het product waren van menselijke evolutie, maar van de her-evolutie van de hybride mens. Volgens hem zou de Zondvloed hebben bijgedragen aan het schoon schip maken van onherstelbare individuen: alleen Noach zou zijn overgebleven, als genetisch zuivere Zoon van God, en zijn hybride vrouw, van wie alle huidige mensen zouden afstammen. Hoe hybride ook, wij allen kunnen vandaag de dag aanspraak maken op dezelfde waardigheid als de Zonen van God dankzij de Verlossing door Jezus Christus, die ons “gekocht heeft voor een hoge prijs” (1 Kor. 6, 20; 7, 23).

[Weerwoord PTS — Correctie op het Begrip “Evolutie”]:

Het artikel spreekt over “her-evolutie van de hybride mens”. Binnen de strikte synthese van Bortoluzzi is er geen sprake van biologische evolutie van aap naar mens, noch van een “her-evolutie” in Darwinistische zin. Het model hanteert het principe van Involutie (biologische degeneratie na de zondeval) en goddelijk geleide Her-creatie/Herstel. De fossiele mensachtigen (zoals Homo erectus of Neanderthalers) zijn sporen van de hybride involutie na de zondeval, en niet een willekeurige opgaande evolutionaire lijn.

De schepping van de Man en de Vrouw

Precies vijftig jaar geleden, in de nacht van 15 augustus 1972, ontving don Guido de zogenaamde “Grote Openbaring”, de belangrijkste en meest inhoudsrijke. In tegenstelling tot de andere vond deze openbaring plaats in de vorm van een visioen: don Guido zag de beelden alsof ze op een televisiescherm werden geprojecteerd. Bij deze gelegenheid werden hem de schepping van het Universum en van de Planeet Aarde getoond, de geboorte van de Eerste Vrouw en verschillende scènes uit het “dagelijks leven” van de Eerste Mens, die toen de Eerste Vrouw werd geboren ongeveer 15 jaar oud was.

Jazeker, maar hoe werden de twee stamvaders van de Mensheid geboren? Nee, ze werden niet al volwassen geschapen: ze kwamen ter wereld net zoals wij allemaal (dus ook zij hadden een navel!). Door de visioenen en goddelijke uitleg begreep don Guido dat “Eva” de moeder (of liever gezegd, de broedmachine) van beiden was: de eerste keer had God ex nihilo (uit het niets) een mannelijke en een vrouwelijke gamoot geschapen en deze “geïmplanteerd” in de baarmoeder van Eva; door samen te smelten brachten de gameten de Eerste Mens voort, die vervolgens door Eva werd gebaard en gezoogd. Toen Adam opgroeide, paarde hij “in zijn slaap” (Gen. 2, 21) met diezelfde Eva: ditmaal schiep God alleen de vrouwelijke gamoot, aangezien de mannelijke werd geleverd door de Eerste Mens. Zo werd de Eerste Vrouw geboren, dochter en – eenmaal opgegroeid – echtgenote van Adam.

[Weerwoord PTS — Misvatting over “Eva” en de Naamgeving van de Vrouw]:

Het artikel noemt het subhumane draagwezen/de incubator “Eva”, en stelt dat de Prima Donna (de zuivere vrouw) pas later werd geboren. Dit haalt de terminologie uit Génesi I door elkaar. In de visioenen van Don Guido is de Prima Donna (de direct door God via de eicel uit Adam geschapen zuivere menselijke vrouw) de werkelijke stammoeder van de zuivere mensheid. Het voormenselijke draagwezen (de ancestre) fungeerde uitsluitend als biologische gastheer/voedster (incubator) voor de creazio mediata. De immunologische placenta-barrière zorgde ervoor dat er bij de geboorte van de Eerste Mens en de Eerste Vrouw geen enkele genetische overdracht plaatsvond van het draagwezen op de mens. Het noemen van het subhumane draagwezen als “Eva” is een populaire vervorming die de biologische en theologische zuiverheid van het model aantast.

Don Guido begreep ook dat de twee bomen in de Hof van Eden, de boom des levens en de boom van de kennis van goed en kwaad, respectievelijk de Eerste Vrouw en Eva waren. De term “boom” duidde immers op de verschillende DNA’s en, in uitbreiding daarvan, op de verschillende mogelijke afstammingslijnen (stambomen dus). De Eerste Vrouw was de boom des levens, omdat Adam door zich met haar te verenigen genetisch zuivere kinderen zou verwekken, waardoor de perfecte afstamming behouden bleef. Eva was de boom van de kennis van het goede, maar ook van het kwaad: Adam mocht haar namelijk alleen “kennen” (oftewel zich met haar verenigen) “in het goede”, dat wil zeggen op de tijden en wijzen die door God waren voorzien om de Vrouw te verwekken. Toen hij haar echter een tweede keer “kende”, deed hij dat “in het kwade”, namelijk uit hoogmoed, door te proberen God na te bootsen; aangezien de goddelijke ingreep ditmaal ontbrak, werd er een hybride afstammingslijn voortgebracht.

Eva zou gedefinieerd kunnen worden als “de ontbrekende schakel”: zij was immers een individu met kenmerken die in het midden lagen tussen de Mens en de soort die het dichtst bij de mens stond, die van de voorouders/stamouders (ancestri, zoals ze door de Heer werden genoemd). Deze stamouders leken op mensapen en waren in staat om een rechtopstaande houding aan te nemen; de mannetjes waren ongeveer 110 cm groot, de vrouwtjes iets minder. Ze hadden korte benen (ongeveer een derde van hun lengte), maar zeer lange armen, met lange, knoestige handen en vingers. Ze waren bedekt met zwart haar, maar hadden ook hoofdhaar, eveneens zwart en stijl, dat het voorhoofd en de nek bedekte. Ze hadden noch neus noch kin; de mond was open tot aan de wortels van de kaken. Ze hadden grote oren, vergelijkbaar met die van een hond, die bij de mannetjes rechtop op het hoofd stonden, terwijl ze bij de vrouwtjes horizontaal uitstaken. Het uiterlijk van Kaïn was vrijwel identiek aan dat van een mannelijke stamouder.

Eva had, hoewel ze verschillende “stamouder-achtige” kenmerken bezat, meer weg van een menselijk wezen: ze had een lichte huid zonder lichaamsbeharing, kastanjebruin haar, bredere heupen en een meer ontwikkelde boezem. Zij was in staat om voort te planten met zowel mannelijke stamouders als — helaas — met de mens: het was waarschijnlijk namelijk precies met Eva dat Kaïn erin slaagde kinderen te verwekken, en op die manier het geslacht van de “zonen der mensen” verspreidde.

[Weerwoord PTS — De 47-Chromosomale Ancestre]:

Binnen het aanvullende Bortoluzzi-materiaal wordt een uitzonderlijke tussenvorm beschreven. De voormenselijke populatie bezat 48 chromosomen, terwijl het bijzondere vrouwelijke individu dat als draagmoeder functioneerde, door goddelijke tussenkomst 47 chromosomen zou hebben gehad. Daarmee ontstaat de structuur:

  • Voormenselijke stam: 48 chromosomen
  • Bijzonder geprepareerde Ancestre: 47 chromosomen
  • Adam en de eerste menselijke Vrouw: 46 chromosomenDeze bijzondere constitutie vertegenwoordigt een biologische brug tussen de reeds bestaande voormenselijke wereld en de eerste werkelijk menselijke generatie.

De “bemiddelde schepping”

Op basis van de ontvangen openbaringen begreep don Guido dat de schepping van de dieren op een vergelijkbare wijze als die van de Mens was verlopen, zij het met enkele verschillen. Hij noemde dit proces “bemiddelde schepping” (creazio mediata), waarvan het fundamentele principe dit is: God maakt, om iets te scheppen, gebruik van datgene wat Hij eerder heeft geschapen.

Volgens don Guido was de stammoeder van elke diersoort een vrouwtje. God zou de twee gameten hebben geschapen die, door samen te smelten in de baarmoeder van een vrouwtje dat behoorde tot een andere verwante (immers al geschapen) soort, de stammoeder voortbrachten. Deze laatste zou, eenmaal opgegroeid en volwassen geworden, in de baarmoeder plaats hebben geboden aan een ex nihilo geschapen mannelijke gamoot, die zich voegde bij een van haar eigen gameten en zo de stamvader genereerde. Op dat punt was het eerste paar klaar: eenmaal volwassen geworden zou het mannetje paren met de moeder/partner, wat het begin markeerde van de vermenigvuldiging van de soort.

Dus nu zouden we eindelijk een antwoord kunnen geven op de eeuwenoude vraag “was het ei er eerder of de kip?”. Het ei was er eerder! De eerste kip werd immers geboren uit een ei dat gelegt was door een vrouwtje van een andere soort… Het is duidelijk dat deze theorie – als we het zo mogen noemen – niet in strijd is met die van de natuurlijke selectie. Eenmaal geschapen kan een soort immers tal van veranderingen ondergaan om zich aan te passen aan de veranderingen in de omgeving. Dergelijke veranderingen hebben echter nog altijd hun grenzen, en resulteren meestal in een grotere specialisatie in plaats van in een daadwerkelijke “evolutie”.

Een creatief proces dat identiek is aan het zojuist beschreven proces zou zich hebben voorgedaan in het geval van de Heilige Maagd Maria, “Onbevlekt Ontvangen” precies omdat zij geboren is uit twee uit het niets geschapen gameten, vrij van stamouder-genen, en dus vrij (net als Jezus, verwekt uit een van haar zuivere gameten en een andere ex nihilo geschapen gamoot) van de genetische gevolgen van de erfzonde!

De kenmerken van de Eerste Mens

Tot nu toe hebben we het onderwerp van de kenmerken (zowel fysiek als psycho-spiritueel) van de oorspronkelijke Mens niet behandeld, die don Guido in de loop van zijn visioenen kon observeren en afleiden.

Allereerst: hoe zag Adam eruit? Tot welk “mensenras”, van de rassen die wij kennen, zouden we hem kunnen rekenen? Het antwoord op deze laatste vraag is: tot geen enkel. De mensenrassen vormden zich pas na de erfzonde; de oorspronkelijke Mens was mens, en dat was alles. Desalniettemin zijn er uit de beschrijvingen van don Guido aanzienlijke overeenkomsten op te maken met zowel het blanke als het rode ras.

Adam had een “glanzende en roodachtige huid, alsof hij kortgeleden door de zon was verbrand”. Zijn haar, dat tot op de schouders hing, was “zeer zwart, glanzend en stijl”. Ook zijn ogen waren donker. Hij had een korte baard die “zijn gezicht omlijstte en de wangen bijna vrij liet”; de rest van het lichaam was vrij van haar. Hij had perfecte verhoudingen; de benen vormden de helft van zijn lengte, die als volwassene imposant was (ongeveer 2,50 meter).

De fysieke kenmerken van Adam herinneren heel sterk aan die van de eerste mensen die beschreven worden in de mythologie van de Zoeloe’s (wier verwijzingen naar een Aarde zonder Maan wijzen op een enorme ouderdom van hun mythen). Volgens het verhaal van de sjamaan Credo Mutwa: “De eerste mensen die op aarde liepen waren allemaal van hetzelfde type. Ze waren precies hetzelfde, en ze waren allemaal even groot, en hun kleur was rood zoals de vlaktes van Afrika. In die tijd waren er geen mensen met een zwarte of bruine huid… De eerste mensen hadden geen enkel haar op hun lichaam… De opsplitsing van de gehele mensheid in rassen… is het resultaat van een groot ongeluk dat gebeurde vanwege de zondigheid van deze eerste mensen.”

Don Guido vermoedde dat de oorspronkelijke Mens een grote intelligentie moet hebben gehad: als jongen was Adam namelijk al in staat geweest om voor zichzelf een woning te bouwen, evenals andere vernuftige artefacten: gereedschappen, ladders, zelfs een rudimentair aquaduct. Maar als de Bijbel stelt dat Adam “superieur was aan elk levend schepsel” (Sirach 49, 16), lagen zijn intellectuele capaciteiten waarschijnlijk ver boven wat wij ons kunnen voorstellen. Sterker nog, misschien zouden we ons niet vergalopperen door hem meer op God te laten lijken dan op de huidige mens…

De wieg van de Mensheid

Komen we ten slotte bij twee cruciale vragen: waar en wanneer begon de Mensheid aan haar reis?

Per hoeveelheid het “waar”, weten we al dat het hier was, op dezelfde planeet die we vandaag nog steeds bewonen: de Aarde. Maar op welk punt van de bol werd de Eerste Mens precies geboren?

In dit artikel hebben we ons beziggehouden met de lokalisatie van het bijbelse Eden, dat we niet hebben geïdentificeerd waar het algemeen wordt verondersteld (namelijk tussen de rivieren de Tigris en de Eufraat), maar veel noordelijker, in Lapland. Ter gelegenheid van de Grote Openbaring gaf de Heer don Guido daarentegen aan dat de plaats van oorsprong van de Mensheid zich ongeveer 3000 km ten zuidoosten van Belluno bevond, dus precies in het huidige Irak.

De hypothese van het Baltische Eden is echter niet noodzakelijkerwijs in strijd met deze: zoals we al hebben gezegd, is het immers mogelijk dat er in het boek Genesis meerdere “lagen” zijn; met andere woorden, dat het verhaal over de oorsprong van de Mensheid is overlapt (en vermengd) met dat van de oorsprong van de “proto-Indo-Europese beschaving”, die bloeide in de Arctische gebieden. Hoewel Joden als volledig vreemd aan de Indo-Europese wereld worden beschouwd, wordt er in de Bijbel gezinspeeld op een verwantschap tussen Joden en Spartanen (1 Makk. 12, 21; 2 Makk. 5, 9), en vertonen verschillende bijbelse verhalen opmerkelijke parallellen met Griekse mythen.

Komen we nu bij het “wanneer”. Eveneens ter gelegenheid van dezelfde openbaring openbaarde God aan don Guido de tijd die is verstreken vanaf de schepping van de Mens tot heden: maar liefst 50 miljoen jaar!

Het gaat om een extreem oude periode, die ver voorafgaat aan de periode waarin – volgens de paleontologie – de Homo sapiens op Aarde zou zijn verschenen. In deze video hadden we laten zien hoe de mythologie de herinnering bewaart (hoewel erg vagelijk) aan zeer verre tijdperken, zelfs van vóór een miljoen jaar geleden; de datering die door de Heer aan don Guido is verstrekt, toont echter aan dat we nog een enorm gat op te vullen hebben.

[Weerwoord PTS — Hermeneutische Verwarring en Datering (50 Miljoen Jaar)]:

Het artikel spreekt over een ouderdom van 50 miljoen jaar en probeert de visioenen van Bortoluzzi te koppelen aan buitenbijbelse hypotheses zoals een “Baltisch/Arctisch Eden” of mythologieën van de Zoeloe’s. De vermelding van “50 miljoen jaar” berust op een verkeerde interpretatie van de visioenen met betrekking tot de geologische en kosmische scheppingsfasen versus de feitelijke menselijke aanwezigheid. De hypothetische synthese van Bortoluzzi verwerpt deze syncretistische vermenging met esoterische of willekeurige mythologische theorieën. Het model-Bortoluzzi zoekt zijn bewijsvoering en toetsing uitsluitend in de strikte wisselwerking tussen:

  1. De Hebreeuwse grondtekst van Genesis (linguïstische exegese door o.a. Hubert Luns).
  2. De officiële katholieke dogmatiek (zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk, inzake de uniciteit van de menselijke ziel en de Verlossing door Christus).
  3. Harde, verifieerbare natuurwetenschappelijke feiten uit de moderne genomica, embryologie en paleoantropologie.

Conclusie van het Weerwoord

Het blogartikel behandelt het werk van Don Guido Bortoluzzi helaas te veel als een “curieuze theorie” of een verzameling “fantastische verhalen”.

De werkelijke hypothetische synthese van Bortoluzzi is echter geen bundeling van losse visioenen of spectaculaire gissingen, maar een formeel, wetenschappelijk-theologisch kadersysteem. Het biedt een coherent antwoord op het Genesis-dilemma door exact aan te tonen hoe de creazio mediata via de immunologische placenta-barrière de mens zuiver voortbracht, hoe de zondeval een biologisch-epigenetische breuk veroorzaakte, en hoe Christus als de “Nieuwe Adam” de mensheid via de Kerk en de sacramenten weer herstelt in haar oorspronkelijke staat van Zoonschap.

Pastoor Jack Geudens

Smakt, 9 oktober 2026

The Dutch-Language Contribution to the Bortoluzzi Model: The Systemic Synthesis of Father Geudens and Hubert Luns


The international reception and scholarly deepening of the private visions of the Italian priest Father Guido Bortoluzzi (1907–1991) exhibit a unique dynamic. While the original Italian accounts (systematized by Prof. Renza Giacobbi) were primarily focused on recording the mystical visions, the intellectual, systematic, and linguistic expansion has been remarkably rooted in the Dutch-language sphere.

Within the international community of researchers surrounding Bortoluzzi’s work, the Dutch priest Father Geudens (with the conceptual framework of the Prehistoric-Technocratical Synthesis – see footnote) and the Flemish Catholic publicist and Hebraist Hubert Luns (with his linguistic and genetic-theological analysis of Genesis) hold a unique pioneering role. Together, they form the two crucial Dutch-language pillars that transformed the original Italian material into a coherent, thoroughly considered, and scientifically tested model of thought.

1. The Two Pillars of Dutch-Language Exegesis

Although both authors stem from the same mystical source, each provides a complementary and indispensable contribution to the system:

                         [ Visions of Father Guido Bortoluzzi ]
                                         │
                                         ▼
                              [ Prof. Renza Giacobbi ]
                                  (Italy - Source)
                                         │
                          ▲              │              ▲
                          │    (Intensive Email Exchange)
                          ▼              │              ▼
       [ Hubert Luns (Flanders) ]        │             [ Father Geudens (Netherlands) ]
  • Linguistic Exegesis (Hebrew)         │        • Systematic Theology & PTS
  • Genomic & Chromosomal Analysis       │        • Prehistoric-Technocratic Context
  • Patristic Testing                    │        • Ethics, Fall of Man & Model Building
                 │                       │                       │
                 └───────────────────────┼───────────────────────┘
                                         ▼
                   [ The Dutch-Language Systemic Synthesis ]

2. The Direct Line to Italy: Intensive Email Correspondence with Renza Giacobbi

The Dutch-language expansion of the Bortoluzzi model did not occur in a vacuum, but rests upon a direct and intensive interaction with the Italian source.

Hubert Luns maintained an intensive email correspondence with Prof. Renza Giacobbi, the confidante and editor of Father Guido Bortoluzzi who managed the original documentation (Génesi I). In this correspondence — in which Father Geudens also regularly coordinated and contributed — crucial substantive and theological points were resolved:

  • Refinement of the Italian Source Text: Luns and Giacobbi nuanced and clarified specific passages from the visions to ensure that translations and interpretations in Dutch and English matched the original Italian visions with absolute precision.
  • Alignment with Scientific Insights: Within this dialogue, testing was conducted on how the biological mechanics derived from the visions could be translated into modern concepts of genetics and embryology.

3. Hubert Luns: Linguistic Foundation and Genetic Exegesis

The contribution of the Flemish Hebraist Hubert Luns focuses on bridging the original Hebrew text of the Book of Genesis with the exact biological mechanics of creation.

A. Hermeneutics of the Original Text

Luns analyzes biblical terminology (such as Adam, Tzela, and the phrase “Sons of God”) to demonstrate that the original textual structure seamlessly aligns with the concept of mediated creation (creazio mediata).

B. Chromosomal Modulation and Genetic Substantiation

Luns deepens the biological aspect by providing a theological and genetic foundation for the transition from 48 to 46 chromosomes. He explains how divine intervention at the cellular level (gametes) left the placental barrier intact, allowing a genetically pure human to be born without mixing with the surrogate host.

🧫 Scientific Evidence & Substantiation:

  1. The Fusion on Human Chromosome 2 (Karyotype Difference):
    • Scientific Fact: Humans have 23 pairs of chromosomes ($2n = 46$), whereas apes (chimpanzees, gorillas, and orangutans) have 24 pairs ($2n = 48$).
    • Genetic Proof: In 1991, cytogeneticists (IJdo et al.) demonstrated that human Chromosome 2 is the result of a head-to-head fusion of two ancestral ape genomes ($2p$ and $2q$). In the middle of human Chromosome 2 lies a remnant of inverted telomeres (the ends of chromosomes) as well as an inactivated second centromere. This provides definitive proof that the human genetic blueprint underwent a specific rearrangement/fusion at the chromosomal level.
  2. Immunological Separation via the Placenta (Placental Barrier):
    • Scientific Fact: The foeto-maternal barrier ensures that the mother’s immune system does not reject the embryo (which contains half foreign DNA).
    • Application in the Model: Even if an egg cell is implanted or modified within a primitive surrogate host (host/foster mother), the syncytiotrophoblast (the outer layer of the placenta) provides a strict immune barrier. Fetal DNA remains genetically isolated from the blood and genetic identity of the surrogate mother.
  3. Integration into the Patristic Tradition:
    • Luns does not isolate Bortoluzzi’s visions, but tests them against the early patristic tradition of the Church Fathers. He demonstrates how concepts of “re-creation” and “mediation” reinforce classic Catholic creation dogmas rather than contradict them.

4. Father Geudens: The Prehistoric-Technocratic Synthesis (PTS) (see footnote)

On the other hand, the Dutch priest Father Geudens constructs the theoretical framework within which the visions function as an all-encompassing societal and prehistoric explanatory model.

A. Spiritual Primacy vs. Physical Rupture

Father Geudens structures the model of the Fall by emphasizing that original sin was primarily an intellectual sin of autonomy and pride. Adam sought to manage the reproductive process independently through the biological foster mother. The chromosomal rupture (the origin of the hybrid lineage through Cain) is the physical shadow of this spiritual derailment.

B. Antediluvian Civilizational Dynamics and Hybrids

Within the Prehistoric-Technocratic Synthesis, Father Geudens provides an explanation for the prehistoric phase prior to the Flood. The intermixing between the pure human lineage (Benei HaElohim) and the collateral lineages led to a hybrid population.

🦣 Scientific Evidence & Substantiation:

  1. Genetic Introgressions in Human Evolution (Archaic Hybrids):
    • Scientific Fact: Well into the 20th century, it was assumed that Homo sapiens remained strictly separated from other hominins. Thanks to paleogenetic research (notably by Nobel laureate Svante Pääbo and the Max Planck Institute), it has been proven that modern humans carry 1% to 4% Neanderthal DNA and that populations in Oceania and Asia carry up to 4% to 6% Denisovan DNA.
    • Application in the PTS: This provides hard paleogenetic proof that interbreeding (introgression) actually occurred in prehistory between anatomically modern humans and collateral or archaic human species, exactly as described by the PTS regarding the intermixing of different lineages.
  2. Epigenetics and Transgenerational Damage:
    • Scientific Fact: Environmental factors, stress, and genetic disruptions can be transmitted across generations via epigenetic factors (such as DNA methylation and histone modifications) without altering the DNA sequence itself.
    • Application in the PTS: This mechanism explains how a physical or biological rupture at the origin (the Fall as a physical-epigenetic derailment) can leave lasting marks on human biology and predisposition.

Through the combination of Luns’s linguistic-genetic exegesis and Father Geudens’s systemic synthesis (PTS), the Italian source material of Guido Bortoluzzi has been transformed from a series of private visions into an integral model of thought. The integration of modern genomic facts — such as the fusion on Chromosome 2 and Neanderthal introgression — demonstrates how this model bridges theology, philosophy, and contemporary natural science.

Footnote

The Prehistoric-Technocratic Synthesis (PTS), developed by the Dutch author and priest Father Jack Geudens (including in methodological dialogue with AI sparring partners such as Gemini and ChatGPT), is an interdisciplinary and hypothetico-deductive model of thought.

The objective of the PTS is to bridge the gap between Catholic dogmatics/mysticism, genetic and paleoanthropological facts, exopolitics (the UFO/IFO phenomenon), and the philosophy of artificial intelligence.

The model takes the private revelations of the Italian priest Father Guido Bortoluzzi (1907–1991) as its theological starting point and shapes them into a 21st-century systemic framework.

1. The Three Fundamental Pillars of the Model

A. Mediated Creation & Genetic Fall of Man
  • Creazio Mediata (Mediated Creation): The PTS rejects both classic creationism (creation out of nothing in six days) and blind neo-Darwinism (random evolution from ape to man). God created the first human cell ($2n = 46$ chromosomes) directly within the womb of a pre-human surrogate host (foster mother). Due to the placental barrier, no genetic transfer occurred from the maternal host to the human being.
  • The Physical-Genetic Fall: The Fall was primarily an intellectual sin of pride and autonomy: Adam sought to manage the reproductive process independently via the biological foster mother. This led to an illegitimate intermixing (hybridization) between the pure human lineage (Benei HaElohim / Sons of God) and the pre-human stock.
  • Involution and Re-evolution: Hominin fossils (such as Neanderthals or Homo erectus) are not interpreted as an ascending line from ape to man, but as traces of biological degeneration (involution) following the Fall. Human history is subsequently a God-guided process of gradual biological and spiritual restoration (re-evolution).
B. Archeo-Technology & Exopolitics: From UFO to IFO
  • Identified Flying Objects (IFOs): Geudens redefines the UFO phenomenon. Unidentified Flying Objects are not, according to the PTS, extraterrestrial beings from distant galaxies, but physical, autonomous AI drones and relics of millions-of-years-old, vanished terrestrial (or pre-diluvian) civilizations.
  • The Anunnaki and the Nephilim: Ancient texts about “gods who descended from heaven” (such as the Sumerian myths about the Anunnaki) are read as the history of a former, technocratic human elite. They reactivated ancient surveillance technology and intermingled with hybrid humanity, giving rise to the Nephilim — a tyrannical ruling class.
  • The Flood as a Merciful Reset: The Biblical Flood is interpreted within the PTS as a physical and technological “hard reset.” God intervened to destroy the technocratic infrastructure, genetic laboratories, and AI networks to prevent humanity from falling permanently into a state of artificial, genetic, and technological slavery.
C. Technocracy, AI, and the “Divine Spark”
  • The Limit of Artificial Intelligence: The PTS establishes an absolute ontological boundary for technology. AI and biomechanical systems can scan, analyze, and model neural impulses, DNA data codes, and physical processes. However, AI encounters an insurmountable barrier when facing the immortal human soul (the Divine Spark) — the immaterial element breathed directly by God (Pneuma).
  • The Transhumanist Danger: The modern drive toward transhumanism, genetic modification, and total digital control is seen as the resurgence of the same antediluvian (pre-Flood) reflex: man seeking to be his own creator and surrendering to ancient, rediscovered AI control mechanisms (reverse engineering).

2. Soteriology: Theological Restoration

To redeem humanity from this hereditary-genetic and spiritual spiral, the model follows a strict soteriological (redemptive) structure:

          [ Original Pure Adamitic Lineage ]
                          │
                          ▼ (Fall & Unauthorized Hybridization)
        [ Biological & Spiritual Rupture ]
                          │
                          ▼ (Immaculate Conception of Mary)
           [ The Pure "New Woman" ]
                          │
                          ▼ (Incarnation of Jesus Christ - "New Adam")
        [ Substantial Grafting via Baptism ]
                          │
                          ▼
            [ Restoration of Sonship ]
  1. The Immaculate Conception: Mary was preserved from the hereditary/genetic burden of the Fall to function as the undefiled, pure channel for the Incarnation.
  2. Incarnation and Grafting: As the “New Adam,” Jesus Christ carries out the biological and spiritual restoration process. Through the sacrament of Baptism, man is, as it were, “grafted” onto the resurrected Body of Christ, restoring original human dignity and the relationship with the Father.

3. Epistemological Structure of the PTS

Father Geudens categorizes sources of knowledge within the PTS hierarchically to preserve the internal logic of the model of thought:

LevelElement within PTSFunction / Source
1. Mystical-TheologicalPrimary visionsFather Guido Bortoluzzi (Génesi I)
2. Exegetical & LinguisticOriginal Hebrew text & GenomicsHubert Luns (analysis of Genesis & Chromosome 2)
3. Systemic Framework & Cultural CritiquePrehistoric-Technocratical SynthesisFather Geudens (PTS, IFO theory, AI limits)
4. Scientific DialogueGenetics, Paleoanthropology, AITesting via hypothetico-deductive method

Conclusion

The Prehistoric-Technocratical Synthesis of Father Geudens does not claim dogmatic final truth or empirical scientific proof, but formulates an integral, hypothetical model of thought. It offers a coherent conceptual framework in which faith and science are not opposed, but in which genetics, prehistoric mysteries, the threat of a technocratic dystopia, and the Christian mystery of redemption are understood in mutual interrelation.

Il contributo di lingua olandese al Modello Bortoluzzi: La sintesi sistemica di Don Geudens e Hubert Luns


La ricezione internazionale e l’approfondimento delle visioni private del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) sono caratterizzati da una dinamica particolare. Mentre i resoconti originali italiani (sistematizzati dalla Prof.ssa Renza Giacobbi) erano primariamente volti a registrare le visioni mistiche, lo sviluppo intellettuale, sistematico e linguistico è eccezionalmente radicato nell’area linguistica olandese.

All’interno della comunità internazionale di ricercatori sull’opera di Bortoluzzi, il sacerdote olandese Don Geudens (con il quadro concettuale della Sintesi Preistorico-Tecnocratica – si veda la nota a piè di pagina) e il pubblicista ed ebraista cattolico fiammingo Hubert Luns (con la sua analisi linguistica e genetico-teologica della Genesi) rivestono un ruolo pionieristico unico. Insieme costituiscono i due pilastri fondamentali di lingua olandese che hanno trasformato il materiale d’origine italiano in un modello di pensiero coerente, ben articolato e vagliato scientificamente.

1. I due pilastri dell’esegesi di lingua olandese

Sebbene entrambi gli autori partano dalla stessa fonte mistica, ciascuno offre un contributo complementare e indispensabile al sistema:

                         [ Visioni di Don Guido Bortoluzzi ]
                                         │
                                         ▼
                              [ Prof.ssa Renza Giacobbi ]
                                   (Italia - Fonte)
                                         │
                          ▲              │              ▲
                          │    (Scambio intenso via e-mail)
                          ▼              │              ▼
       [ Hubert Luns (Fiandre) ]         │             [ Don Geudens (Paesi Bassi) ]
  • Esegesi linguistica (Ebraico)        │        • Teologia sistematica e SPT
  • Analisi genomica e cromosomica       │        • Contesto prehistorico-tecnocratico
  • Verifica patristica                  │        • Etica, Caduta e modellizzazione
                 │                       │                       │
                 └───────────────────────┼───────────────────────┘
                                         ▼
                   [ La Sintesi Sistemica di Lingua Olandese ]

2. La linea diretta con l’Italia: L’intenso contatto via e-mail con Renza Giacobbi

Lo sviluppo in lingua olandese del modello Bortoluzzi non è avvenuto nel vuoto, ma si basa su una diretta e intensa interazione con la fonte italiana.

Hubert Luns ha mantenuto un fitto scambio di e-mail con la Prof.ssa Renza Giacobbi, fidata collaboratrice e curatrice degli scritti di Don Guido Bortoluzzi che ha curato la stesura originale (Genesi I). In questa corrispondenza — alla quale ha regolarmente partecipato e contribuito anche Don Geudens — sono stati sciolti nodi concettuali e teologici fondamentali:

  • Affinamento del testo sorgente italiano: Luns e la Giacobbi hanno sfumato e chiarito specifici passaggi delle visioni per garantire che le traduzioni e le interpretazioni in olandese e inglese corrispondessero esattamente alle visioni originali italiane.
  • Raccordo con le conoscenze scientifiche: In questo dialogo è stato verificato come la meccanica biologica derivante dalle visioni potesse essere tradotta nei concetti moderni della genetica e dell’embriologia.

3. Hubert Luns: Fondamento linguistico ed esegesi genetica

Il contributo dell’ebraista fiammingo Hubert Luns si concentra sul ponte tra il testo ebraico originario del Libro della Genesi e l’esatta meccanica biologica della creazione.

A. Ermeneutica del testo originale

Luns analizza la terminologia biblica (come Adam, Tzela, e la frase “Figli di Dio”) per dimostrare che la struttura testuale originaria si adatta in modo sorprendente all’idea di una creazione mediata (creazio mediata).

B. Modulazione cromosomica e fondamento genetico

Luns approfondisce l’aspetto biologico fornendo una base teologica e genetica al passaggio da 48 a 46 cromosomi. Spiega come un intervento divino a livello cellulare (gameti) abbia lasciato intatta la barriera placentare, consentendo la nascita di un essere umano geneticamente puro senza mescolanza con l’essere gestante.

🧫 Argomentazione e prove scientifiche:

  1. La fusione sul cromosoma umano 2 (differenza di cariotipo):
    • Fatto scientifico: Gli esseri umani hanno 23 paia di cromosomi ($2n = 46$), mentre le scimmie antropomorfe (scimpanzé, gorilla e orangotanghi) ne hanno 24 paia ($2n = 48$).
    • La prova genetica: Nel 1991 i citogenetisti (tra cui IJdo et al.) hanno dimostrato che il cromosoma 2 umano è il risultato di una fusione testa-a-testa di due genomi ancestrali simieschi ($2p$ e $2q$). Al centro del cromosoma 2 umano si trova un residuo di telomeri invertiti (le estremità dei cromosomi) e un secondo centromero inattivato. Ciò fornisce la prova schiacciante che la mappa genetica dell’uomo ha subito una specifica riorganizzazione/fusione a livello cromosomico.
  2. Separazione immunologica tramite la placenta (barriera placentare):
    • Fatto scientifico: La barriera feto-materna garantisce che il sistema immunitario della madre non rigetti l’embrione (che contiene per metà DNA estraneo all’organismo materno).
    • Applicazione nel modello: Anche se un ovulo viene impiantato o modificato in un essere gestante primitivo (ospite/nutrice), il sinciziotrofoblasto (lo strato esterno della placenta) fornisce una rigorosa barriera immunitaria. Il DNA fetale rimane geneticamente isolato dal sangue e dall’identità genetica della madre surrogata.
  3. Integrazione nella tradizione dei Padri della Chiesa:
    • Luns non isola le visioni di Bortoluzzi, ma le confronta con la prima tradizione patristica dei Padri della Chiesa. Formula così come i concetti di “ricreazione” e “mediazione” rafforzino i classici dogmi cattolici sulla creazione anziché contraddirli.

4. Don Geudens: La Sintesi Preistorico-Tecnocratica (SPT) (si veda la nota a piè di pagina)

D’altra parte, il sacerdote olandese Don Geudens costruisce il quadro teorico entro cui le visioni funzionano come un modello esplicativo sociale e preistorico globale.

A. Primato spirituale vs. Frattura fisica

Don Geudens struttura il modello della Caduta sottolineando che il peccato originale è stato in primo luogo un peccato intellettuale di autonomia e superbia. Adamo voleva gestire il processo riproduttivo in modo autonomo attraverso la nutrice biologica. La frattura cromosomica (l’origine della linea ibrida tramite Caino) è l’ombra fisica di questo traviamento spirituale.

B. Dinamica della civiltà antediluviana e ibridi

All’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica, Don Geudens offre una spiegazione per la fase preistorica precedente al Diluvio. La mescolanza tra la linea umana pura (Benei HaElohim) e le linee collaterali ha portato a una popolazione ibrida.

🦣 Argomentazione e prove scientifiche:

  1. Introgressione genetica nell’evoluzione umana (ibridi arcaici):
    • Fatto scientifico: Fino a gran parte del XX secolo si riteneva che Homo sapiens fosse rimasto rigorosamente separato da altri ominidi. Grazie alla ricerca paleogenetica (tra cui quella del premio Nobel Svante Pääbo e del Max Planck Institut) è stato dimostrato che l’uomo moderno contiene dall’1% al 4% di DNA di Neanderthal e che le popolazioni dell’Oceania e dell’Asia portano dal 4% al 6% di DNA di Denisova.
    • Applicazione nella SPT: Ciò fornisce la prova paleogenetica diretta che nella preistoria sono avvenuti effettivamente incroci (introgressione) tra l’uomo anatomicamente moderno e linee collaterali o specie umane arcaiche, esattamente come descritto dalla SPT riguardo alla mescolanza tra diversi ceppi/linee.
  2. Epigenetica e danno transgenerazionale:
    • Fatto scientifico: Fattori ambientali, stress e disfunzioni genetiche possono essere trasmessi per generazioni attraverso fattori epigenetici (come la metilazione del DNA e le modificazioni istoniche) senza che la sequenza del DNA stessa cambi.
    • Applicazione nella SPT: Questo meccanismo spiega come una frattura fisica o biologica all’origine (la Caduta come deragliamento fisico-epigenetico) possa lasciare tracce permanenti nella biologia e nella predisposizione umana.

Attraverso la combinazione dell’esegesi linguistico-genetica di Luns e della sintesi sistemica di Don Geudens (SPT), il materiale di origine italiano di Guido Bortoluzzi è stato trasformato da una serie di visioni private a un modello di pensiero integrale. L’integrazione di dati genomici moderni — come la fusione sul cromosoma 2 e l’introgressione di Neanderthal — dimostra come questo modello getti ponti tra teologia, filosofia e scienze naturali contemporanee.

Nota a piè di pagina

La Sintesi Preistorico-Tecnocratica (SPT), sviluppata dall’autore e sacerdote olandese Don Jack Geudens (anche in dialogo metodologico con interlocutori d’IA come Gemini e ChatGPT), è un modello di pensiero interdisciplinare e ipotetico-deduttivo.

Lo scopo della SPT è colmare il divario tra dogmatica/mistica cattolica, dati genetici e paleoantropologici, esopolitica (il fenomeno UFO/IFO) e filosofia dell’intelligenza artificiale.

Il modello prende le rivelazioni private del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) come punto di partenza teologico e le modella in un quadro sistemico del XXI secolo.

1. I tre pilastri fondamentali del modello

A. Creazione mediata e Caduta genetico-originaria
  • Creazio Mediata (Creazione Mediata): La SPT rifiuta sia il creazionismo classico (creazione dal nulla in sei giorni) sia il cieco neodarwinismo (evoluzione casuale da scimmia a uomo). Dio ha creato la prima cellula umana ($2n = 46$ cromosomi) direttamente nel grembo di un essere gestante pre-umano (nutrice). Grazie alla barriera placentare non vi è stata alcuna trasmissione genetica dall’essere materno all’uomo.
  • La Caduta fisico-genetica: Il peccato originale è stato in primo luogo un peccato intellettuale di superbia e autonomia: Adamo voleva gestire il processo riproduttivo in modo autonomo attraverso la nutrice biologica. Ciò ha portato a un’illegittima mescolanza (ibridazione) tra la linea umana pura (Benei HaElohim / Figli di Dio) e il ceppo pre-umano.
  • Involuzione e ri-evoluzione: I fossili di ominidi (come i Neanderthal o Homo erectus) non vengono interpretati come una linea ascendente da scimmia a uomo, ma come tracce di degenerazione biologica (involuzione) successiva al peccato originale. La storia umana è poi un processo guidato da Dio di graduale ripristino biologico e spirituale (ri-evoluzione).
B. Archeo-tecnologia ed Esopolitica: Da UFO a IFO
  • Identified Flying Objects (IFO): Don Geudens ridefinisce il fenomeno UFO. Gli oggetti volanti non identificati non sono, secondo la SPT, esseri extraterrestri provenienti da galassie lontane, ma droni autonomi fisici dotati d’IA e reperti di civiltà terrestri (o pre-diluviane) scomparse milioni di anni fa.
  • Gli Anunnaki e i Nephilim: Gli antichi testi sugli “dei scesi dal cielo” (come i miti sumeri sugli Anunnaki) vengono letti come la storia di una precedente élite umana tecnocratica. Essi riattivarono antiche tecnologie di sorveglianza e si mescolarono con l’umanità ibrida, portando all’origine dei Nephilim — una classe dominatrice tirannica.
  • Il Diluvio come reset misericordioso: Il Diluvio biblico viene interpretato all’interno della SPT come un “hard reset” fisico e tecnologico. Dio è intervenuto per distruggere l’infrastruttura tecnocratica, i laboratori genetici e le reti d’IA, per impedire che l’umanità finisse definitivamente in uno stato di schiavitù artificiale, genetica e tecnologica.
C. Tecnocrazia, IA e la “Scintilla Divina”
  • Il limite dell’Intelligenza Artificiale: La SPT pone un limite ontologico assoluto alla tecnologia. L’IA e i sistemi biomeccanici possono scansionare, analizzare e modellare impulsi neurali, codici dati del DNA e processi fisici. L’IA si scontra tuttavia con un limite invalicabile di fronte all’anima umana immortale (la Scintilla Divina) — l’elemento immateriale soffiato direttamente da Dio (Pneuma).
  • Il pericolo transumanista: La moderna spinta verso il transumanesimo, la modificazione genetica e il controllo digitale totale viene vista come il rivivere dello stesso riflesso antediluviano (pre-diluviano): l’uomo che vuole essere creatore di se stesso e si consegna ad antichi meccanismi di controllo d’IA riscoperti (reverse engineering).

2. Soteriologia: Il ripristino teologico

Per redimere l’umanità da questa spirale ereditario-genetica e spirituale, il modello presenta una rigorosa struttura soteriologica (di redenzione):

          [ Linea Adamitica Pura Originaria ]
                           │
                           ▼ (Caduta & Ibridazione Non Autorizzata)
         [ Frattura Biologica & Spirituale ]
                           │
                           ▼ (Immacolata Concezione di Maria)
            [ La "Nuova Donna" Pura ]
                           │
                           ▼ (Incarnazione di Gesù Cristo - "Nuovo Adamo")
         [ Innesto Sostanziale tramite il Battesimo ]
                           │
                           ▼
            [ Ripristino della Figliolanza ]
  1. L’Immacolata Concezione: Maria è stata preservata dal carico ereditario/genetico del peccato originale per fungere da canale incontaminato e puro per l’Incarnazione.
  2. Incarnazione e innesto: Gesù Cristo porta, come “Nuovo Adamo”, l’operazione di ripristino biologico e spirituale. Attraverso il sacramento del Battesimo l’uomo viene, per così dire, “innestato” nel Corpo risorto di Cristo, ripristinando l’originaria dignità umana e la relazione con il Padre.

3. Struttura epistemologica della SPT

Don Geudens classifica le fonti di conoscenza all’interno della SPT in modo gerarchico per tutelare la logica interna del modello di pensiero:

LivelloElemento all’interno della SPTFunzione / Fonte
1. Mistico-TeologicoVisioni primarieDon Guido Bortoluzzi (Génesi I)
2. Esegetico & LinguisticoTesto originale ebraico & GenomicaHubert Luns (analisi Genesi & Cromosoma 2)
3. Quadro sistemico & Critica culturaleSintesi Preistorico-TecnocraticaDon Geudens (SPT, teoria IFO, limiti IA)
4. Dialogo scientificoGenetica, Paleoantropologia, IAVerifica tramite metodo ipotetico-deduttivo

Conclusione

La Sintesi Preistorico-Tecnocratica di Don Geudens non rivendica alcuna verità dogmatica definitiva né una prova scientifica empirica, ma formula un modello di pensiero integrale e ipotetico. Offre un quadro concettuale coerente in cui fede e scienza non si contrappongono, ma in cui la genetica, i misteri preistorici, la minaccia di una distopia tecnocratica e il mistero cristiano della redenzione vengono compresi nella loro reciproca interconnessione.

De Nederlandstalige Inbreng in het Model-Bortoluzzi: De Systeemsynthese van Pastoor Geudens en Hubert Luns


De internationale receptie en verdieping van de privévisioenen van de Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) kent een bijzondere dynamiek. Waar de oorspronkelijke Italiaanse verslagen (gesystematiseerd door prof. Renza Giacobbi) primair gericht waren op het vastleggen van de mystieke schouwingen, is de intellectuele, systematische en taalkundige uitbouw opvallend sterk geworteld in het Nederlandse taalgebied.

Binnen de internationale gemeenschap van onderzoekers rondom het werk van Bortoluzzi bekleden de Nederlandse pastoor Geudens (met het conceptuele raamwerk van de Prehistorisch-Technocratische Synthese – zie voetnoot) en de Vlaamse katholieke publicist en hebraïcus Hubert Luns (met zijn linguïstische en genetisch-theologische analyse van Genesis) een unieke pioniersrol. Samen vormen zij de twee cruciale Nederlandstalige pijlers die het Italiaanse bronmateriaal hebben getransformeerd tot een coherent, doordacht en wetenschappelijk getoetst denkmodel.

1. De Twee Pijlers van de Nederlandstalige Exegese

Hoewel beide auteurs vertrekken vanuit dezelfde mystieke bron, leveren zij elk een complementaire en onmisbare bijdrage aan het systeem:

                         [ Visioenen Don Guido Bortoluzzi ]
                                         │
                                         ▼
                             [ Prof. Renza Giacobbi ]
                                  (Italië - Bron)
                                         │
                          ▲              │              ▲
                          │  (Intensieve E-mailuitwisseling)
                          ▼              │              ▼
       [ Hubert Luns (Vlaanderen) ]      │            [ Pastoor Geudens (Nederland) ]
  • Linguïstische Exegese (Hebreeuws)    │        • Systematische Theologie & PTS
  • Genomische & Chromosomale Analyse    │        • Prehistorisch-Technocratische Context
  • Vroegkerkelijke Toetsing             │        • Ethiek, Zondeval & Modelbouw
                 │                       │                       │
                 └───────────────────────┼───────────────────────┘
                                         ▼
                   [ De Nederlandstalige Systeem-Synthese ]

2. De Directe Lijn met Italië: Intensief E-mailcontact met Renza Giacobbi

De Nederlandstalige uitbouw van het model-Bortoluzzi vond niet plaats in een vacuüm, maar stoelt op een rechtstreekse en intensieve wisselwerking met de Italiaanse bron.

Hubert Luns onderhield een intensief e-mailcontact met prof. Renza Giacobbi, de vertrouwelinge en redactrice van Don Guido Bortoluzzi die de oorspronkelijke verslaglegging (Génesi I) verzorgde. In deze correspondentie — waarin ook pastoor Geudens geregeld afstemde en bijdroeg — werden cruciale inhoudelijke en theologische knopen doorgehakt:

  • Verfijning van de Italiaanse Brontekst: Luns en Giacobbi nuanceerden en verhelderden specifieke passages uit de visioenen om te waarborgen dat de vertalingen en interpretaties in het Nederlands en Engels exact aansloten bij de oorspronkelijke Italiaanse schouwingen.
  • Aansluiting op Wetenschappelijke Inzichten: In deze dialoog werd getoetst hoe de biologische mechanica uit de visioenen kon worden vertaald naar moderne concepten uit de genetica en de embryologie.

3. Hubert Luns: Taalkundige Grondslag en Genetische Exegese

De inbreng van de Vlaamse hebraïcus Hubert Luns richt zich op de brug tussen de Hebreeuwse grondtekst van het Boek Genesis en de exacte biologische mechanica van de schepping.

A. Hermeneutiek van de Grondtekst

Luns analyseert de bijbelse terminologie (zoals Adam, Tzela, en de frase “Zonen van God”) om aan te tonen dat de oorspronkelijke tekststructuur opvallend naadloos aansluit bij het idee van een bemiddelde schepping (creazio mediata).

B. Chromosomale Modulatie en Genetische Onderbouwing

Luns verdiept het biologische aspect door de overgang van 48 naar 46 chromosomen theologisch en genetisch te onderbouwen. Hij licht toe hoe een goddelijke ingreep op celniveau (gameten) de placenta-barrière intact liet, waardoor een genetisch zuivere mens kon ontstaan zonder vermenging met het draagwezen.

🧫 Wetenschappelijke Bewijsvoering & Onderbouwing:

  1. De Fusie op Menselijk Chromosoom 2 (Karyotype-verschil):
    • Wetenschappelijk feit: Mensen hebben 23 paren chromosomen (2n = 46), terwijl mensapen (chimpansees, gorilla’s en orang-oetans) 24 paren hebben (2n = 48).
    • Het genetisch bewijs: In 1991 toonden cytogenetici (o.a. IJdo et al.) aan dat het menselijke Chromosoom 2 het resultaat is van een kop-aan-kop fusie van twee voorouderlijke apengenomen (2p en 2q). In het midden van het menselijke chromosoom 2 bevindt zich een overblijfsel van geïnverteerde telomeren (de uiteinden van chromosomen) én een geïnactiveerd tweede centromeer. Dit levert het harde bewijs dat de genetische blauwdruk van de mens een specifieke herschikking/fusie heeft ondergaan op chromosoomniveau.
  2. Immunologische Scheiding via de Placenta (Placenta-barrière):
    • Wetenschappelijk feit: De foeto-maternale barrière zorgt ervoor dat het immuunsysteem van de moeder het embryo (dat voor de helft lichaamsvreemd DNA bevat) niet afstoot.
    • Toepassing in het model: Zelfs als een eicel in een primitief draagwezen (gastheer/voedster) wordt ingeplant of gemodificeerd, zorgt de syncytiotrofoblast (de buitenste laag van de placenta) voor een strikte immuunbarrière. Het foetale DNA blijft genetisch geïsoleerd van het bloed en de genetische identiteit van de draagmoeder.
  3. Toetreding tot de Kerkvaderlijke Traditie:
    • Luns plaatst de visioenen van Bortoluzzi niet geïsoleerd, maar toetst ze aan de vroege patristische traditie van de Kerkvaders. Zo formuleert hij hoe “herschepping” en “bemiddeling” klassieke katholieke scheppingsdogma’s versterken in plaats van tegenspreken.

4. Pastoor Geudens: De Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS) (zie voetnoot)

Aan de andere kant bouwt de Nederlandse pastoor Geudens het theoretische en kaderscheppende raamwerk waarbinnen de visioenen functioneren als een alomvattend maatschappelijk en prehistorisch verklaringsmodel.

A. Geestelijke Primaat vs. Fysieke Breuk

Geudens structureert het zondevalmodel door te benadrukken dat de erfzonde in eerste instantie een intellectuele zonde van autonomie en hoogmoed was. Adam wilde het voortplantingsproces autonoom beheren via de biologische voedster. De chromosomale breuk (het ontstaan van de hybride lijn via Kaïn) is de fysieke schaduw van deze geestelijke ontsporing.

B. Antediluviaanse Beschavingsdynamiek en Hybriden

Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese geeft Geudens een verklaring voor de prehistorische fase vóór de Zondvloed. De vermenging tussen de zuivere menselijke lijn (Benei HaElohim) en de nevenlijnen leidde tot een hybride populatie.

🦣 Wetenschappelijke Bewijsvoering & Onderbouwing:

  1. Genetische Introgressie in de Menselijke Evolutie (Archaïsche Hybriden):
    • Wetenschappelijk feit: Tot ver in de 20e eeuw werd aangenomen dat Homo sapiens strikt gescheiden bleef van andere mensachtigen. Dankzij paleogenetisch onderzoek (o.a. door Nobelprijswinnaar Svante Pääbo en het Max Planck Instituut) is bewezen dat de moderne mens 1\% tot 4\% Neanderthaler-DNA bevat en dat populaties in Oceanië en Azië tot 4\% tot 6\% Denisova-DNA dragen.
    • Toepassing in de PTS: Dit levert het harde paléo-genetische bewijs dat er in de prehistorie daadwerkelijk sprake is geweest van kruisingen (introgressie) tussen de anatomisch moderne mens en nevenlijnen of archaïsche menssoorten, precies zoals de PTS beschrijft bij de vermenging tussen verschillende geslachten/lijnen.
  2. Epigenetica en Transgenerationele Schade:
    • Wetenschappelijk feit: Omgevingsfactoren, stress en genetische disrupties kunnen via epigenetische factoren (zoals DNA-methylering en histonmodificaties) generaties lang worden doorgegeven zonder dat de DNA-sequentie zelf verandert.
    • Toepassing in de PTS: Dit mechanisme verklaart hoe een fysieke of biologische breuk bij de oorsprong (de zondeval als fysiek-epigenetische ontsporing) blijvende sporen kan achterlaten in de menselijke biologie en aanleg.

Door de combinatie van Luns’ taalkundig-genetische exegese en Geudens’ systeemsynthese (PTS) is het Italiaanse bronmateriaal van Guido Bortoluzzi getransformeerd van een reeks privévisioenen naar een integraal denkmodel. De integratie van moderne genomische feiten — zoals de fusie op chromosoom 2 en Neanderthaler-introgressie — toont aan hoe dit model bruggen slaat tussen theologie, filosofie en eigentijdse natuurwetenschap.


Voetnoot

De Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS), ontwikkeld door de Nederlandse auteur en priester pastoor Jack Geudens (onder meer in methodologische dialoog met AI-sparringpartners zoals Gemini en ChatGPT), is een interdisciplinair en hypothetisch-deductief denkmodel.

Het doel van de PTS is het overbruggen van de kloof tussen katholieke dogmatiek/mystiek, genetische en paleoantropologische feiten, exopolitiek (het UFO/IFO-fenomeen) en de filosofie van kunstmatige intelligentie.

Het model neemt de privé-openbaringen van de Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) als theologische vertrekpunt en giet deze in een 21e-eeuws systeemkader.

1. De Drie Fundamentele Pijlers van het Model

A. Middelijke Schepping & Genetische Zondeval

  • Creazio Mediata (Middelijke Schepping): De PTS verwerpt zowel klassiek creationisme (schepping uit het niets in zes dagen) als blind neodarwinisme (toevallige evolutie van aap naar mens). God schiep de eerste menselijke cel (2n = 46 chromosomen) rechtstreeks in de schoot van een voormenselijk draagwezen (voedster). Door de placenta-barrière vond er geen genetische overdracht plaats van het moederwezen op de mens.
  • De Fysiek-Genetische Zondeval: De zondeval was in de eerste plaats een intellectuele zonde van hoogmoed en autonomie: Adam wilde het voortplantingsproces zelfstandig beheren via de biologische voedster. Dit leidde tot een illegitieme vermenging (hybridisatie) tussen de zuivere menselijke lijn (Benei HaElohim / Zonen van God) en de voormenselijke stam.
  • Involutie en Her-evolutie: Hominide fossielen (zoals Neanderthalers of Homo erectus) worden niet geïnterpreteerd als een opgaande lijn van aap naar mens, maar als sporen van biologische degeneratie (involutie) na de zondeval. De menselijke geschiedenis is vervolgens een door God begeleid proces van geleidelijk biologisch en geestelijk herstel (her-evolutie).

B. Archeo-Technologie & Exopolitiek: Van UFO naar IFO

  • Identified Flying Objects (IFO’s): Geudens herdefinieert het UFO-fenomeen. Ongeïdentificeerde vliegende objecten zijn volgens de PTS geen buitenaardse wezens uit verre sterrenstelsels, maar fysieke, autonome AI-drones en relicten van miljoenen jaren oude, vergane aardse (of pre-diluviale) beschavingen.
  • De Annunaki en de Nephilim: Oude teksten over “goden die uit de hemel neerdaalden” (zoals de Sumerische mythen over de Annunaki) worden gelezen als de historie van een vroegere, technocratische menselijke elite. Zij reactiveerden antieke surveillancetechnologie en vermengden zich met de hybride mensheid, wat leidde tot het ontstaan van de Nephilim — een tirannieke heersersklasse.
  • De Zondvloed als Barmhartige Reset: De Bijbelse Zondvloed wordt binnen de PTS geduid als een fysieke en technologische “harde reset”. God greep in om de technocratische infrastructuur, genetische laboratoria en AI-netwerken te vernietigen, om te voorkomen dat de mensheid definitief in een staat van kunstmatige, genetische en technologische slavernij zou geraken.

C. Technocratie, AI en de “Goddelijke Vonk”

  • De Limiet van Kunstmatige Intelligentie: De PTS stelt een absolute ontologische grens aan technologie. AI en biomechanische systemen kunnen neurale impulsen, DNA-datacodes en fysieke processen scannen, analyseren en modelleren. AI stuit echter op een onoverbrugbare grens bij de onsterfelijke menselijke ziel (de Goddelijke Vonk) — het immateriële element dat rechtstreeks door God is ingeblazen (Pneuma).
  • Het Transhumanistische Gevaar: De moderne drang naar transhumanisme, genetische modificatie en totale digitale controle wordt gezien als het herleven van dezelfde antediluviaanse (pre-zondvloedse) reflex: de mens die zijn eigen schepper wil zijn en zich overgeeft aan antieke, herontdekte AI-controlemechanismen (reverse engineering).

2. Soteriologie: Het Theologisch Herstel

Om de mensheid uit deze erfelijk-genetische en geestelijke spiraal te verlossen, kent het model een strakke soteriologische (verlossingskundige) opbouw:

       [ Oorspronkelijke Pure Adamitische Lijn ]
                         │
                         ▼ (Zondeval & Ongeoorloofde Hybridisatie)
           [ Biologische & Geestelijke Breuk ]
                         │
                         ▼ (Onbevlekte Ontvangenis van Maria)
             [ De Zuivere "Nieuwe Vrouw" ]
                         │
                         ▼ (Incarnatie van Jezus Christus - "Nieuwe Adam")
         [ Substantiele Enting via het Doopsel ]
                         │
                         ▼
             [ Herstel van het Zoonschap ]
  1. De Onbevlekte Ontvangenis: Maria werd gevrijwaard van de erfelijke/genetische belastbaarheid van de zondeval om te fungeren als het onbesmette, zuivere kanaal voor de Incarnatie.
  2. Incarnatie en Enting: Jezus Christus brengt als de “Nieuwe Adam” de biologische en geestelijke hersteloperatie. Door het sacrament van de Doop wordt de mens als het ware “geënt” op het verrezen Lichaam van Christus, waarmee de oorspronkelijke menselijke waardigheid en de relatie met de Vader worden hersteld.

3. Epistemologische Structuur van de PTS

Pastoor Geudens deelt de kennisbronnen binnen de PTS hiërarchisch in om de interne logica van het denkmodel te bewaken:

NiveauElement binnen PTSFunctie / Bron
1. Mystiek-TheologischPrimaire visioenenDon Guido Bortoluzzi (Génesi I)
2. Exegetisch & TaalkundigHebreeuwse grondtekst & GenomicaHubert Luns (analyse Genesis & Chromosoom 2)
3. Systeemkader & CultuurkritiekPrehistorisch-Technocratische SynthesePastoor Geudens (PTS, IFO-theorie, AI-grenzen)
4. Wetenschappelijke DialoogGenetica, Paleoantropologie, AIToetsing via hypothetisch-deductieve methode

Conclusie

De Prehistorisch-Technocratische Synthese van pastoor Geudens claimt geen dogmatische eindwaarheid of empirisch wetenschappelijk bewijs, maar formuleert een integraal, hypothetisch denkmodel. Het biedt een coherent denkkader waarin geloof en wetenschap niet tegenover elkaar staan, maar waarin genetica, prehistorische mysteries, de dreiging van een technocratische dystopie en het christelijke verlossingsmysterie in samenhang worden begrepen.

De Nederlandstalige inbreng in het Model-Bortoluzzi: De systeem-synthese van pastoor Geudens en Hubert Luns


De internationale receptie en verdieping van de privévisioenen van de Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) kent een bijzondere dynamiek. Waar de oorspronkelijke Italiaanse verslagen (gesystematiseerd door prof. Renza Giacobbi) primair gericht waren op het vastleggen van de mystieke schouwingen, is de intellectuele, systematische en taalkundige uitbouw opvallend sterk geworteld in het Nederlandse taalgebied.

Binnen de internationale gemeenschap van onderzoekers rondom het werk van Bortoluzzi bekleden de Nederlandse pastoor Geudens (met het conceptuele raamwerk van de Prehistorisch-Technocratische Synthese) en de Vlaamse katholieke publicist en hebraïcus Hubert Luns (met zijn linguïstische en genetisch-theologische analyse van Genesis) een unieke pioniersrol. Samen vormen zij de twee cruciale Nederlandstalige pijlers die het Italiaanse bronmateriaal hebben getransformeerd tot een coherent, doordacht en wetenschappelijk getoetst denkmodel.

1. De Twee Pijlers van de Nederlandstalige Exegese

Hoewel beide auteurs vertrekken vanuit dezelfde mystieke bron, leveren zij elk een complementaire en onmisbare bijdrage aan het systeem:

                          [ Visioenen Don Guido Bortoluzzi ]
                                         │
                                         ▼
                             [ Prof. Renza Giacobbi ]
                                  (Italië - Bron)
                                         │
                          ▲              │              ▲
                          │  (Intensieve E-mailuitwisseling)
                          ▼              │              ▼
       [ Hubert Luns (Vlaanderen) ]      │            [ Pastoor Geudens (Nederland) ]
  • Linguïstische Exegese (Hebreeuws)    │        • Systematische Theologie & PTS
  • Genomische & Chromosomale Analyse    │        • Prehistorisch-Technocratische Context
  • Vroegkerkelijke Toetsing             │        • Ethiek, Zondeval & Modelbouw
                 │                       │                       │
                 └───────────────────────┼───────────────────────┘
                                         ▼
                   [ De Nederlandstalige Systeem-Synthese ]

2. De Directe Lijn met Italië: Intensief E-mailcontact met Renza Giacobbi

De Nederlandstalige uitbouw van het model-Bortoluzzi vond niet plaats in een vacuüm, maar stoelt op een rechtstreekse en intensieve wisselwerking met de Italiaanse bron.

Hubert Luns onderhield een intensief e-mailcontact met prof. Renza Giacobbi, de vertrouwelinge en redactrice van Don Guido Bortoluzzi die de oorspronkelijke verslaglegging (Génesi I) verzorgde. In deze correspondentie — waarin ook pastoor Geudens geregeld afstemde en bijdroeg — werden cruciale inhoudelijke en theologische knopen doorgehakt:

  • Verfijning van de Italiaanse Brontekst: Luns en Giacobbi nuanceerden en verhelderden specifieke passages uit de visioenen om te waarborgen dat de vertalingen en interpretaties in het Nederlands en Engels exact aansloten bij de oorspronkelijke Italiaanse schouwingen.

3. Hubert Luns: Taalkundige Grondslag en Genetische Exegese

De inbreng van de Vlaamse hebraïcus Hubert Luns richt zich op de brug tussen de Hebreeuwse grondtekst van het Boek Genesis en de exacte biologische mechanica van de schepping:

  • Hermeneutiek van de Grondtekst: Luns analyseert de bijbelse terminologie (zoals Adam, Tzela, en de frase “Zonen van God”) om aan te tonen dat de oorspronkelijke tekststructuur opvallend naadloos aansluit bij het idee van een bemiddelde schepping (creazio mediata).
  • Chromosomale Modulatie: Luns verdiept het biologische aspect door de overgang van 48 naar 46 chromosomen (de fusie op het menselijk chromosoom 2) theologisch en genetisch te onderbouwen. Hij licht toe hoe de goddelijke ingreep op celniveau (gameten) de placenta-barrière intact liet, waardoor een genetisch zuivere mens kon ontstaan zonder vermenging met het draagwezen.
  • Kerkvaderlijke Traditie: Luns plaatst de visioenen van Bortoluzzi niet geïsoleerd, maar toetst ze aan de vroege patristische traditie van de Kerkvaders. Zo formuleert hij hoe “herschepping” en “bemiddeling” klassieke katholieke scheppingsdogma’s versterken in plaats van tegenspreken.

4. Pastoor Geudens: De Prehistorisch-Technocratische Synthese (PTS)

Aan de andere kant bouwt de Nederlandse pastoor Geudens op PastoorGeudens.com en Geudens.blog het theoretische en kaderscheppende raamwerk waarbinnen de visioenen functioneren als een alomvattend maatschappelijk en prehistorisch verklaringsmodel:

  • Geestelijke Primaat vs. Fysieke Breuk: Geudens structureert het zondevalmodel door te benadrukken dat de erfzonde in eerste instantie een intellectuele zonde van autonomie en hoogmoed was. Adam wilde het voortplantingsproces autonoom beheren via de biologische voedster. De chromosomale breuk (het ontstaan van de hybride lijn via Kaïn) is de fysieke schaduw van deze geestelijke ontsporing.
  • Antediluviaanse Beschavingsdynamiek: Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese geeft Geudens een verklaring voor de prehistorische fase vóór de Zondvloed. De vermenging tussen de zuivere menselijke lijn (Benei HaElohim) en de hybride lijnen creëerde een hoogontwikkelde, maar technocratisch gecorrumpeerde samenleving die uiteindelijk op haar eigen fysieke en spirituele ondergang afstuurde.
  • Dogmatische Inbedding (CKK): Geudens toetst het denkmodel strikt aan de Catechismus van de Katholieke Kerk (o.a. CKK 390). Hij waarborgt dat de menselijke waardigheid (Imago Dei) ongeschonden blijft en dat de Verlossing door Christus niet wordt gereduceerd tot een “genetische correctie”, maar wordt begrepen als het herstel van de heiligende genade (gratia elevans). Zie ook de nadere uitwerking op GuidoBortoluzzi.org.

5. De Unieke Betekenis van de Nederlandstalige Bijdrage

In de bredere, internationale context vervult de Nederlandstalige inbreng van Luns en Geudens een onmisbare functie:

  1. Van Mystiek naar Methodologie: Dankzij de nauwe afstemming met Renza Giacobbi en de taalkundige en theologische verdieping uit Vlaanderen en Nederland bleven de visioenen van Don Guido Bortoluzzi niet steken in losse particuliere openbaringen. Luns en Geudens transformeerden de schouwingen tot een toetsbaar, wetenschappelijk en exegetisch kadersysteem.
  2. Brug tussen Wetenschap en Dogma: De Nederlandstalige werken bieden een platform waar paleoantropologie, genetica (chromosoomfusiestudies) en katholieke dogmatiek in een volwaardige dialoog treden.
  3. Pioniersrol in Europa: Als de twee drijvende spreekbuizen in de Lage Landen hebben Hubert Luns en pastoor Geudens gezorgd voor een uniek intellectueel dossier dat de discussie over de oorsprong van de mens, de biologische status van de zondeval en de reële prehistorie naar een hoger academisch en theologisch niveau tilt.

Conclusie

De wisselwerking tussen de Italiaanse bron (Renza Giacobbi), het taalkundig-genetische onderzoek van Hubert Luns en de systeem-theologische kaders van pastoor Geudens toont de kracht van de Nederlandstalige bijdrage.

Una replica critica a B. Maverik


  • Di seguito viene presentata una replica di carattere contenutistico e teologico a B. Maverik, basata sulla nostra Sintesi Preistorico-Tecnocratica. Questa replica non intende respingere il contributo di Maverik, bensì correggere, integrare e sviluppare ulteriormente la sua interpretazione su alcuni punti essenziali.

La Genesi biologica di Don Guido Bortoluzzi riesaminata

Dalla creatio mediata e dalla Frattura Cromosomica alla Sintesi Preistorico-Tecnocratica

Introduzione

Nel suo articolo La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi, dell’8 marzo 2016, B. Maverik ha offerto un importante contributo alla conoscenza e all’interpretazione dell’opera del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (1907–1991). Il suo merito consiste soprattutto nell’aver reso accessibile un particolare modello esplicativo biologico-teologico riguardante l’origine dell’uomo e la Caduta originale.

Maverik cerca di rendere plausibile l’ipotesi secondo cui gli avvenimenti descritti da Bortoluzzi non debbano essere interpretati esclusivamente in senso simbolico o allegorico, ma possano riferirsi a una concreta preistoria biologica dell’umanità.

Condivido l’importanza di questa domanda di ricerca. Ritengo tuttavia che la ricostruzione di Maverik richieda ulteriori chiarimenti su diversi punti. Inoltre, la sua interpretazione può essere ampliata mediante alcune conseguenze che egli stesso affronta soltanto marginalmente.

La mia replica si concentra pertanto su tre aspetti: una rappresentazione più precisa dell’atto creativo descritto da Bortoluzzi, un ulteriore approfondimento delle conseguenze biologiche e teologiche della disobbedienza di Adamo e la possibilità di uno sviluppo prolungato della civiltà antidiluviana.

Questa riflessione si colloca nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica, un modello ipotetico di ricerca nel quale il testo biblico, gli scritti di Bortoluzzi, le interpretazioni successive e le questioni di ricerca delle scienze naturali vengono messi in relazione tra loro, senza perdere di vista il diverso valore probatorio di ciascuno di questi elementi.

I. La prima Donna umana: una precisazione necessaria

Un primo punto riguarda il modo in cui, secondo Bortoluzzi, ebbe origine la prima Donna pienamente umana.

Maverik descrive correttamente che il primo uomo non sarebbe stato creato come individuo adulto, ma che Dio avrebbe dato origine alla forma di vita umana a livello embrionale. A tale scopo, una forma di vita femminile preumana già esistente avrebbe svolto la funzione di madre gestante.

Per quanto riguarda l’origine della prima Donna, è tuttavia necessaria un’ulteriore precisazione.

Secondo la ricostruzione di Bortoluzzi da me adottata, Dio creò direttamente una cellula uovo umana, dotata di 23 cromosomi, nell’utero della portatrice preumana. Successivamente, durante un sonno profondo provocato da Dio, avvenne la fecondazione mediante uno spermatozoo di Adamo, anch’esso dotato di 23 cromosomi.

Secondo questa interpretazione, l’atto riproduttivo che condusse all’origine della prima Donna non fu quindi una decisione autonoma di Adamo, né un normale rapporto sessuale con la portatrice. Esso si svolse interamente sotto la guida divina.

La prima Donna ricevette il proprio patrimonio genetico dalla cellula uovo creata direttamente da Dio e dallo spermatozoo umano di Adamo. La portatrice preumana fornì esclusivamente l’ambiente nel quale poté svolgersi la gravidanza.

È pertanto essenziale distinguere tre elementi:

  1. L’origine divina della cellula uovo umana.
  2. Il contributo genetico umano di Adamo.
  3. La funzione esclusivamente gestazionale della portatrice preumana.

Questa distinzione non costituisce un dettaglio secondario. Essa rappresenta il fondamento biologico dell’intero modello.

L’espressione della Genesi secondo cui Dio trasse la Donna dall’Uomo assume così, all’interno dell’ipotesi, una concreta interpretazione riproduttiva: la prima Donna nasce anche dalla sostanza umana di Adamo, ma senza alcun contributo genetico della portatrice preumana.

Questa rappresentazione rimane un’ipotesi relativa al significato delle esperienze di Bortoluzzi. Essa non può essere dedotta direttamente da Genesi 2.

II. L’Ancestre a 47 cromosomi

Una seconda precisazione riguarda la costituzione cromosomica della portatrice.

Maverik sottolinea la differenza tra i 48 cromosomi della stirpe animale preumana e i 46 cromosomi dell’uomo.

Nel materiale supplementare relativo a Bortoluzzi viene tuttavia descritta un’eccezionale forma intermedia.

Secondo questo modello, la popolazione preumana possedeva 48 cromosomi, mentre il particolare individuo femminile che svolgeva la funzione di madre gestante avrebbe avuto, per intervento divino, 47 cromosomi.

Si delinea così la seguente struttura:

Stirpe preumana: 48 cromosomi

Ancestre appositamente predisposta: 47 cromosomi

Adamo e la prima Donna umana: 46 cromosomi

Questa particolare costituzione assume, all’interno del modello, un significato finalistico.

L’Ancestre rappresenta un ponte biologico tra il mondo preumano già esistente e la prima generazione autenticamente umana.

Ritengo che questo elemento debba essere considerato con molta maggiore attenzione nell’ulteriore analisi biologica.

Non perché l’esistenza di un simile ponte sia con ciò geneticamente dimostrata, ma perché una corretta valutazione dell’ipotesi richiede anzitutto che i suoi presupposti siano rappresentati con precisione.

La questione di ricerca citogenetica diventa quindi la seguente:

A quali condizioni un individuo con 47 cromosomi potrebbe portare in gestazione un embrione biologicamente distinto e, nello stesso tempo, partecipare riproduttivamente alla presunta linea di discendenza ibrida?

Il solo numero dei cromosomi non fornisce ancora una risposta. L’ipotesi richiede uno studio della struttura cromosomica, della meiosi, della vitalità embrionale e della compatibilità riproduttiva.

III. La Caduta originale come superbia intellettuale

Su questo punto Maverik offre, a mio giudizio, un’interpretazione particolarmente preziosa.

Egli sostiene che il rapporto illecito di Adamo con l’Ancestre non derivasse principalmente dal desiderio sessuale, bensì dalla superbia intellettuale.

Adamo aveva osservato che la portatrice aveva dato alla luce prima lui stesso e successivamente la prima Donna umana. Da ciò trasse la conclusione di poter utilizzare autonomamente questo processo biologico per ottenere altri discendenti.

Il pensiero alla base della sua decisione può essere così riassunto:

Comprendo come funziona; dunque posso farlo da solo.

In questo consiste, a mio giudizio, il significato più profondo della trasgressione.

Adamo confonde la comprensione di un processo biologico con il diritto di utilizzare tale processo secondo il proprio giudizio.

Egli ritiene che la propria conoscenza lo renda indipendente dal Creatore.

Ciò tocca il significato teologico classico della Caduta originale: l’uomo vuole determinare autonomamente ciò che è bene e ciò che è male, senza sottomettersi più all’ordine stabilito da Dio.

All’interno del modello di Bortoluzzi, l’atto biologico costituisce l’espressione concreta di questa disobbedienza spirituale.

La successione deve pertanto essere sempre la seguente:

Superbia intellettuale → disobbedienza → riproduzione illecita → conseguenze biologiche.

Il peccato non nasce da un’anomalia cromosomica. La presunta alterazione biologica consegue alla libera trasgressione umana di un limite.

IV. La Frattura Cromosomica

Nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica definisco la conseguenza biologica dell’atto di Adamo come Frattura Cromosomica.

Nell’atto creativo, l’Ancestre svolgeva la funzione di madre gestante senza contribuire geneticamente alla costituzione di Adamo o della prima Donna.

Con la riproduzione illecita, questo rapporto cambia radicalmente.

Adamo, con 46 cromosomi, entra in un’unione generativa con l’Ancestre, che all’interno del modello possiede 47 cromosomi.

In questo modo, una funzione originariamente gestazionale viene trasformata in una funzione riproduttiva.

Secondo Bortoluzzi, da questa unione nasce Caino.

All’interno del modello, Caino rappresenta l’inizio della prima linea di discendenza ibrida.

Ritengo importante non parlare semplicemente di un essere esattamente metà uomo e metà animale. Una simile descrizione suggerisce una proporzione genetica che non può essere dedotta dai dati disponibili.

È più preciso descrivere Caino come un discendente nel quale, secondo l’ipotesi, il contributo genetico umano di Adamo si unì alla costituzione biologica dell’Ancestre.

La Frattura Cromosomica diventa così l’inizio di una nuova storia genealogica.

V. Caino e la progressiva ibridazione

Maverik descrive successivamente che Caino stabilisce a sua volta un’unione riproduttiva con l’Ancestre.

Si tratta di un’importante integrazione rispetto al primo avvenimento.

La trasgressione del limite biologico non rimane pertanto circoscritta a una sola generazione.

Si verifica un progressivo ritorno riproduttivo verso la stirpe preumana.

All’interno del modello, la successione è la seguente:

Adamo × Ancestre → Caino

Caino × Ancestre → ulteriori discendenti ibridi

Ulteriore riproduzione → crescente differenziazione delle linee genealogiche

Da qui si sviluppa l’ipotesi dell’involuzione.

Secondo questa ipotesi, determinate forme antropomorfe non sarebbero necessariamente i precursori evolutivi della linea adamitica autenticamente umana, ma potrebbero rappresentare forme di discendenza ibride o regressive successive.

Si tratta di un’idea dalle conseguenze particolarmente ampie.

Essa richiede un confronto approfondito con i dati fossili, la cronologia e la moderna genetica delle popolazioni.

Gli attuali dati paleoantropologici non sostengono la conclusione secondo cui gli ominini fossili conosciuti sarebbero derivati da un’ibridazione adamitica storica. Chi desidera sviluppare ulteriormente questa ipotesi dovrà pertanto dimostrare quali dati specifici essa sia in grado di spiegare meglio rispetto ai modelli esistenti.

VI. Due diverse fasi di mescolanza

Un altro elemento importante riguarda la coesistenza iniziale di due linee genealogiche.

Secondo la ricostruzione di Maverik, esistevano da una parte la linea umana originaria di Adamo e della prima Donna e dall’altra la linea ibrida iniziata con Caino.

Nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica, questa distinzione viene messa in relazione con Genesi 6.

I Benei HaElohim, i figli di Dio, vengono collegati, all’interno del modello, alla linea umana originaria.

Le Benot HaAdam, le figlie degli uomini, vengono collegate alle popolazioni già caratterizzate dalla mescolanza.

Questa identificazione costituisce un’ipotesi e non una traduzione letterale del testo ebraico.

Si delineano così due fasi distinte:

La prima mescolanza: l’unione illecita tra Adamo e l’Ancestre.

La seconda mescolanza: la successiva unione tra i discendenti della linea umana originaria e le linee di discendenza ibride.

Questa distinzione è importante perché, all’interno del modello, collega tra loro gli avvenimenti di Genesi 4 e Genesi 6.

VII. Nephilim e Gibborim

La ricostruzione biologica di Maverik può essere ulteriormente ampliata mediante un’analisi più approfondita dei Nephilim e dei Gibborim.

Nell’ambito della Sintesi si esamina la possibilità che i Nephilim si riferiscano a manifestazioni fisiche eccezionali derivanti da ulteriori processi di mescolanza.

I Gibborim, invece, possono essere studiati come individui o gruppi potenti che fondavano la propria posizione sulla forza fisica, sull’organizzazione militare, sulle capacità intellettuali o sul dominio politico.

Si delinea così una distinzione tra differenziazione biologica e formazione del potere sociale.

Questa distinzione è importante per la fase successiva dell’ipotesi.

Le conseguenze della mescolanza, infatti, non sarebbero state esclusivamente fisiche.

All’interno del modello, esse avrebbero potuto contribuire anche alla formazione di nuove gerarchie sociali.

Il testo biblico, di per sé, non dimostra questa interpretazione biologica, ma offre, nell’ambito del modello adottato, uno spunto per approfondirne lo studio.

VIII. Maverik e la conseguenza tecnologica non sviluppata

A questo punto ritengo che l’interpretazione di Maverik non si spinga ancora abbastanza lontano.

Se, secondo Bortoluzzi, il primo uomo possedeva fin dalla sua origine un’intelligenza eccezionale e se la storia umana primordiale si estendeva per un periodo estremamente lungo, sorge inevitabilmente una nuova domanda:

Quale livello tecnologico avrebbe potuto raggiungere una simile umanità?

Genesi 4 menziona già la costruzione di città, l’allevamento, la musica e la lavorazione dei metalli.

Nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica, queste attività possono essere considerate forme iniziali di specializzazione.

Se le conoscenze furono accumulate e trasmesse per periodi molto lunghi, è possibile indagare se da esse siano sorte civiltà avanzate.

Entrano così in considerazione anche ipotesi riguardanti sistemi energetici altamente sviluppati, metallurgia, tecnologie di trasporto, manipolazione genetica, sistemi autonomi e intelligenza artificiale.

Queste non sono affermazioni della Genesi, né conclusioni dimostrate dagli scritti di Bortoluzzi.

Si tratta di un’ulteriore linea di ricerca tecnologica.

Ritengo tuttavia che questo ampliamento metta in evidenza una questione essenziale che Maverik lascia in gran parte inesplorata: se l’uomo possedeva originariamente un’intelligenza eccezionale, perché si dovrebbe presumere, senza indagare, che il suo sviluppo tecnologico sia necessariamente rimasto primitivo durante una preistoria estremamente lunga?

Il semplice fatto di porre questa domanda non dimostra l’esistenza di un’alta tecnologia preistorica. Esso chiarisce quali ulteriori dati archeologici e tecnici sarebbero necessari per esaminare l’ipotesi.

IX. Dalla superbia di Adamo alla tecnocrazia antidiluviana

Qui si trova, a mio giudizio, lo sviluppo più importante del ragionamento di Maverik.

Il primo peccato di Adamo e il successivo sviluppo tecnocratico possono essere considerati, nell’ambito della Sintesi, come due manifestazioni dello stesso problema antropologico.

Adamo scopre un processo biologico e decide di utilizzarlo autonomamente.

Una successiva civiltà tecnocratica avrebbe potuto fare lo stesso su scala molto più ampia.

Ciò che in Adamo costituiva una trasgressione individuale diventa allora una pratica organizzata di civiltà.

La linea di sviluppo è la seguente:

Conoscenza → dominio → autonomia → manipolazione → potere privo di limiti morali.

All’interno di questa ipotesi, il mondo antidiluviano potrebbe essere stato infine caratterizzato da una combinazione di intelligenza eccezionale, alterazione biologica, dominio politico e superiorità tecnologica.

Il possibile collegamento con le tradizioni relative agli Anunnaki e con sistemi tecnologici autonomi appartiene a questo ulteriore ampliamento. Esso richiede una ricerca storica e scientifica indipendente.

Il pensiero più profondo, tuttavia, è di natura teologica.

Il male non nasce dal fatto che l’uomo possieda conoscenza, ma dal fatto che egli utilizzi tale conoscenza come se fosse lui stesso la misura ultima della vita.

X. Peccato originale e danneggiamento genetico

Su un punto importante concordo espressamente con Maverik.

Egli paragona le conseguenze della Caduta originale a un iceberg.

Il danneggiamento biologico visibile ne costituisce soltanto la parte superiore.

Il danno più profondo riguarda la perdita dell’amicizia originaria con Dio.

Questa distinzione deve, a mio giudizio, essere mantenuta con coerenza.

Il peccato originale non è semplicemente un’anomalia cromosomica.

La dottrina cattolica lo comprende come una condizione nella quale la natura umana è stata privata della santità e della giustizia originali.

Nell’ambito del modello di Bortoluzzi si può indagare se la disobbedienza originaria abbia avuto, oltre a ciò, concrete conseguenze biologiche.

Ma queste conseguenze biologiche non devono essere identificate con l’essenza del peccato originale.

Né dalle differenze genetiche si può mai dedurre che determinati esseri umani possiedano una dignità umana inferiore.

Caino possiede, all’interno del modello, un’anima spirituale umana.

Pertanto vale il seguente principio:

La costituzione biologica non determina la dignità umana.

XI. Maria e l’Immacolata Concezione

Maverik trae dalla propria interpretazione biologica un’ulteriore particolare deduzione.

Egli si domanda se Maria, che secondo la dottrina cattolica fu preservata dal peccato originale fin dal suo concepimento, possa essere stata preservata anche dalle presunte conseguenze genetiche della mescolanza originaria.

Egli presenta espressamente questa idea come una deduzione supplementare.

È quindi già chiaro che essa non può essere attribuita semplicemente alle esperienze originarie di Bortoluzzi.

Essa non appartiene neppure alla definizione dogmatica dell’Immacolata Concezione.

Tuttavia, all’interno del modello, si può formulare una questione di convenienza teologica.

Se la Caduta originale avesse avuto, secondo l’ipotesi, anche conseguenze corporee, la singolare preparazione divina di Maria alla maternità di Cristo avrebbe potuto comprendere anche una particolare dimensione corporea?

Questa domanda può essere discussa nell’ambito del modello.

Essa non deve tuttavia essere confusa con la dottrina cattolica stessa.

XII. Il Diluvio universale come qualcosa di più di un risanamento biologico

In un’interpretazione esclusivamente genetica, il Diluvio universale potrebbe essere presentato come un intervento volto a porre fine alla mescolanza biologica.

Ritengo che tale spiegazione sia troppo limitata.

La Genesi collega il giudizio divino anzitutto alla corruzione umana e alla violenza.

Nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica, il Diluvio universale può pertanto essere considerato come il punto culminante di diversi processi:

  • disobbedienza spirituale;
  • trasgressione dei limiti biologici;
  • progressiva mescolanza;
  • formazione di strutture di potere sociale;
  • possibile manipolazione genetica;
  • dominio tecnologico;
  • e crescente violenza.

All’interno dell’ipotesi, il Diluvio universale diventa così non soltanto un risanamento biologico, ma un giudizio divino, una cesura di ripristino biologico e un azzeramento della civiltà.

Anche qui la dimensione morale rimane fondamentale.

Dio non giudica gli esseri umani perché possiedono un determinato assetto cromosomico.

Il giudizio riguarda la corruzione e la violenza dell’umanità.

XIII. Cristo come compimento della storia umana

Infine, l’intera ipotesi deve essere valutata in prospettiva cristologica.

L’uomo non viene redento mediante la perfezione genetica.

Cristo non è venuto esclusivamente per ripristinare una costituzione biologica originaria.

Egli è venuto per redimere l’uomo.

Il corpo appartiene essenzialmente all’essere umano, ma la persona umana non può essere ridotta al proprio corpo o al proprio DNA.

Per questo motivo, la storia di Adamo non culmina, in ultima analisi, in un ideale genetico, ma in Cristo, il Nuovo Adamo.

In Lui la natura umana non viene semplicemente ricondotta a una precedente condizione biologica, ma viene assunta nella redenzione e nella promessa della risurrezione.

Questo costituisce, a mio giudizio, il necessario compimento teologico di ogni interpretazione biologica della Genesi.

Conclusione

La mia replica a Maverik non costituisce pertanto un rifiuto del suo contributo.

Al contrario.

La sua interpretazione offre diversi elementi preziosi per l’ulteriore sviluppo del modello di Bortoluzzi.

Meritano particolare attenzione soprattutto la sua insistenza sulla superbia intellettuale di Adamo, la progressiva ibridazione attraverso Caino, la coesistenza di linee genealogiche distinte e la distinzione tra danneggiamento biologico e perdita della grazia.

Ritengo tuttavia che la sua ricostruzione debba essere precisata su alcuni punti.

La particolare modalità di origine della prima Donna deve essere nettamente distinta dal successivo atto riproduttivo illecito di Adamo.

L’Ancestre a 47 cromosomi merita una posizione centrale all’interno dell’ipotesi biologica.

La Frattura Cromosomica deve essere distinta dal significato spirituale della Caduta originale.

E le conseguenze della trasgressione originaria possono essere ulteriormente studiate, nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica, in relazione a Genesi 4–6, ai Nephilim, ai Gibborim e al possibile sviluppo di una tecnocrazia antidiluviana.

Si delinea così un’ipotesi più ampia nella quale ritorna un unico schema fondamentale:

L’uomo scopre le leggi che regolano la creazione, ma corre il rischio di confondere la propria conoscenza con il diritto di disporre autonomamente della creazione stessa.

In Adamo, questo schema assume un’espressione biologica nell’ambito del modello di Bortoluzzi.

In una possibile tecnocrazia antidiluviana, esso avrebbe potuto ripresentarsi a livello di civiltà.

Per l’uomo contemporaneo, la medesima domanda torna a essere attuale attraverso le tecnologie genetiche e l’intelligenza artificiale.

Concludo pertanto con una domanda che va oltre la ricostruzione storica della Genesi:

Che cosa accade a un’umanità che diventa tecnicamente sempre più capace, ma sempre meno disposta a riconoscere i limiti morali della propria condizione di creatura?

Questa è la domanda antropologica e teologica più profonda che la Sintesi Preistorico-Tecnocratica intende indagare.


Fonti e note esplicative

1. B. Maverik, La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi, News-Info. Alternativa, 8 marzo 2016. Il testo olandese da me utilizzato contiene sia una sintesi sia un’elaborazione scientifico-teologica più ampia. Questi due livelli testuali devono essere distinti.

2. Guido Bortoluzzi, Sintesi della Genesi Biblica. Per un’edizione scientifica definitiva, gli elementi particolari qui discussi dovranno essere confrontati con il testo originale italiano e con i passi pertinenti riguardanti il primo uomo, la Donna, l’Ancestre e Caino.

3. Genesi 2–6. Meritano particolare attenzione Genesi 2,21–23; 4,1–22 e 6,1–13.

4. Catechismo della Chiesa Cattolica, nn. 390, 396–405, sul peccato originale e sulle sue conseguenze.

5. L’ipotesi dell’Ancestre a 47 cromosomi appartiene al materiale supplementare di Bortoluzzi utilizzato in questa ricerca. La sua funzione di ponte biologico richiede una verifica citogenetica indipendente.

6. I concetti di Frattura Cromosomica, involuzione nel significato qui sistematicamente elaborato e Sintesi Preistorico-Tecnocratica vengono utilizzati in questa riflessione come categorie analitiche. Non devono essere citati come termini letteralmente impiegati da Maverik o da Bortoluzzi senza una verifica delle fonti.

7. Le ipotesi riguardanti l’alta tecnologia antidiluviana, gli Anunnaki, la manipolazione genetica e i sistemi autonomi di intelligenza artificiale costituiscono ulteriori questioni di ricerca nell’ambito della Sintesi Preistorico-Tecnocratica. Esse non vengono presentate come avvenimenti storici dimostrati.

Don Jack Geudens
Smakt, 8 ottobre 2026

(L’8 ottobre ricorre l’anniversario della morte di Don Guido Bortoluzzi, di venerata memoria.)

Een kritisch weerwoord aan B. Maverik


  • Hier staat het inhoudelijk en theologisch weerwoord aan B. Maverik, gebaseerd op onze [pastoor Geudens/Gemini] Prehistorisch-Technocratische Synthese. Het weerwoord is niet bedoeld om Maveriks bijdrage af te wijzen, maar om zijn interpretatie op enkele wezenlijke punten te corrigeren, aan te vullen en verder te ontwikkelen.

De biologische Genesis van Don Guido Bortoluzzi opnieuw beschouwd

Van de creatio mediata en de Chromosomale Breuk naar de Prehistorisch-Technocratische Synthese

Inleiding

In zijn artikel La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi van 8 maart 2016 heeft B. Maverik een belangrijke bijdrage geleverd aan de bekendheid en interpretatie van het werk van de Italiaanse priester Don Guido Bortoluzzi (1907–1991). Zijn verdienste ligt vooral in het toegankelijk maken van een bijzonder biologisch-theologisch verklaringsmodel voor de oorsprong van de mens en de Zondeval.

Maverik probeert aannemelijk te maken dat de door Bortoluzzi beschreven gebeurtenissen niet uitsluitend symbolisch of allegorisch moeten worden verstaan, maar mogelijk betrekking hebben op een concrete biologische voorgeschiedenis van de mensheid.

Ik onderschrijf het belang van deze onderzoeksvraag. Toch meen ik dat Maveriks reconstructie op verschillende punten verdere verduidelijking behoeft. Bovendien kan zijn interpretatie worden uitgebreid met een aantal consequenties die hij zelf nauwelijks behandelt.

Mijn weerwoord richt zich daarom op drie zaken: een nauwkeuriger weergave van de door Bortoluzzi beschreven scheppingshandeling, een verdere uitwerking van de biologische en theologische gevolgen van Adams ongehoorzaamheid en de mogelijkheid van een langdurige antediluviale beschavingsontwikkeling.

Deze beschouwing vindt plaats binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese, een hypothetisch onderzoeksmodel waarin Bijbeltekst, Bortoluzzi’s geschriften, latere interpretaties en natuurwetenschappelijke onderzoeksvragen met elkaar in verband worden gebracht, zonder hun verschillende bewijsstatus uit het oog te verliezen.

I. De eerste menselijke Vrouw: een noodzakelijke precisering

Een eerste punt betreft de wijze waarop volgens Bortoluzzi de eerste volledig menselijke Vrouw ontstond.

Maverik beschrijft terecht dat de eerste mens niet als volwassen individu zou zijn geschapen, maar dat God de menselijke levensvorm op embryonaal niveau tot stand bracht. Daarbij functioneerde een reeds bestaande voormenselijke vrouwelijke levensvorm als draagmoeder.

Voor het ontstaan van de eerste Vrouw is echter een nadere precisering noodzakelijk.

Volgens de door mij gehanteerde reconstructie van Bortoluzzi schiep God rechtstreeks een menselijke eicel met 23 chromosomen in de baarmoeder van de voormenselijke draagster. Vervolgens vond de bevruchting plaats door een zaadcel van Adam, eveneens met 23 chromosomen, tijdens een door God veroorzaakte diepe slaap.

De voortplantingshandeling die tot het ontstaan van de eerste Vrouw leidde, was daarmee volgens deze interpretatie geen autonome beslissing van Adam en evenmin een gewone seksuele verhouding met de draagster. Zij stond geheel onder goddelijke leiding.

De eerste Vrouw ontving haar genetische constitutie uit de rechtstreeks door God geschapen eicel en de menselijke zaadcel van Adam. De voormenselijke draagster leverde uitsluitend de omgeving waarin de zwangerschap zich kon voltrekken.

Daarom is het essentieel drie zaken te onderscheiden:

  1. De goddelijke oorsprong van de menselijke eicel.
  2. De menselijke genetische bijdrage van Adam.
  3. De uitsluitend gestationele functie van de voormenselijke draagster.

Dit onderscheid is geen bijkomstigheid. Het vormt de biologische grondslag van het gehele model.

De uitdrukking uit Genesis dat God de Vrouw uit de Man nam, krijgt hierdoor binnen de hypothese een concrete reproductieve interpretatie: de eerste Vrouw ontstaat mede uit de menselijke substantie van Adam, maar zonder genetische bijdrage van de voormenselijke draagster.

Deze voorstelling blijft een hypothese over de betekenis van Bortoluzzi’s ervaringen. Zij kan niet rechtstreeks uit Genesis 2 worden afgeleid.

II. De 47-chromosomale Ancestre

Een tweede precisering betreft de chromosomale constitutie van de draagster.

Maverik benadrukt het verschil tussen de 48 chromosomen van de voormenselijke dierlijke stam en de 46 chromosomen van de mens.

Binnen het aanvullende Bortoluzzi-materiaal wordt echter een uitzonderlijke tussenvorm beschreven.

De voormenselijke populatie bezat volgens dit model 48 chromosomen, terwijl het bijzondere vrouwelijke individu dat als draagmoeder functioneerde, door goddelijke tussenkomst 47 chromosomen zou hebben gehad.

Daarmee ontstaat de structuur:

Voormenselijke stam: 48 chromosomen

Bijzonder geprepareerde Ancestre: 47 chromosomen

Adam en de eerste menselijke Vrouw: 46 chromosomen

Deze bijzondere constitutie krijgt binnen het model een doelgerichte betekenis.

De Ancestre vertegenwoordigt een biologische brug tussen de reeds bestaande voormenselijke wereld en de eerste werkelijk menselijke generatie.

Ik meen dat dit gegeven veel nadrukkelijker in de verdere biologische analyse moet worden betrokken.

Niet omdat het bestaan van een dergelijke brug daarmee genetisch bewezen zou zijn, maar omdat een correcte beoordeling van de hypothese vereist dat eerst haar eigen uitgangspunten nauwkeurig worden weergegeven.

De cytogenetische onderzoeksvraag wordt vervolgens:

Onder welke voorwaarden zou een 47-chromosomaal individu een biologisch onderscheiden embryo kunnen dragen en tevens reproductief kunnen deelnemen aan de veronderstelde hybride afstammingslijn?

Het aantal chromosomen alleen geeft daarop nog geen antwoord. De hypothese vereist een onderzoek naar chromosoomstructuur, meiose, embryonale levensvatbaarheid en voortplantingscompatibiliteit.

III. De Zondeval als intellectuele hoogmoed

Op dit punt levert Maverik naar mijn oordeel een bijzonder waardevolle interpretatie.

Hij stelt dat Adams ongeoorloofde verhouding met de Ancestre niet primair voortkwam uit seksuele begeerte, maar uit intellectuele hoogmoed.

Adam had waargenomen dat de draagster hemzelf en vervolgens de eerste menselijke Vrouw had voortgebracht. Daaruit trok hij de conclusie dat hij dit biologische proces zelfstandig kon benutten om meer nakomelingen te verkrijgen.

De gedachte achter zijn beslissing kan aldus worden samengevat:

Ik begrijp hoe het werkt; daarom kan ik het zelf.

Daarin ligt naar mijn oordeel de diepste betekenis van de overtreding.

Adam verwart inzicht in een biologisch proces met het recht om dat proces naar eigen inzicht te gebruiken.

Hij meent dat zijn kennis hem onafhankelijk maakt van de Schepper.

Dit raakt aan de klassieke theologische betekenis van de Zondeval: de mens wil zelf bepalen wat goed is en wat kwaad, zonder zich nog te onderwerpen aan Gods ordening.

De biologische daad is binnen het Bortoluzzi-model de concrete uitdrukking van deze geestelijke ongehoorzaamheid.

Daarom moet de volgorde steeds zijn:

Intellectuele hoogmoed → ongehoorzaamheid → ongeoorloofde voortplanting → biologische gevolgen.

De zonde ontstaat niet door een chromosomale afwijking. De veronderstelde biologische ontregeling volgt op de vrije menselijke grensoverschrijding.

IV. De Chromosomale Breuk

Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese noem ik de biologische consequentie van Adams daad de Chromosomale Breuk.

Bij de schepping functioneerde de Ancestre als draagmoeder zonder genetische bijdrage aan Adam of de eerste Vrouw.

Bij de ongeoorloofde voortplanting verandert deze verhouding fundamenteel.

Adam, met 46 chromosomen, gaat een generatieve verbinding aan met de Ancestre, die binnen het model 47 chromosomen bezit.

Daarmee wordt een oorspronkelijke draagfunctie veranderd in een voortplantingsfunctie.

Uit deze verbinding ontstaat volgens Bortoluzzi Kaïn.

Kaïn vertegenwoordigt binnen het model de eerste hybride afstammingslijn.

Ik acht het van belang hierbij niet zonder meer te spreken over een wezen dat exact half mens en half dier zou zijn. Een dergelijke omschrijving suggereert een genetische verhouding die uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid.

Nauwkeuriger is Kaïn te beschrijven als een nakomeling waarin de menselijke genetische bijdrage van Adam zich volgens de hypothese verbond met de biologische constitutie van de Ancestre.

Daarmee wordt de Chromosomale Breuk het begin van een nieuwe afstammingsgeschiedenis.

V. Kaïn en de voortgaande hybridisatie

Maverik beschrijft vervolgens dat Kaïn opnieuw een voortplantingsverbinding met de Ancestre aangaat.

Dit is een belangrijke aanvulling op de eerste gebeurtenis.

De biologische grensoverschrijding blijft daardoor niet beperkt tot één generatie.

Er ontstaat een voortgaande terugkoppeling naar de voormenselijke stam.

Binnen het model luidt de reeks:

Adam × Ancestre → Kaïn

Kaïn × Ancestre → verdere hybride nakomelingen

Verdere voortplanting → toenemende differentiatie van afstammingslijnen

Hieruit ontwikkelt zich de involutiehypothese.

Volgens deze hypothese zouden bepaalde mensachtige vormen niet noodzakelijk de evolutionaire voorlopers van de werkelijk menselijke Adamitische lijn zijn, maar mogelijk latere hybride of regressieve afstammingsvormen.

Deze gedachte is bijzonder verstrekkend.

Zij vraagt om een grondige confrontatie met fossiele gegevens, chronologie en moderne populatiegenetica.

De huidige paleoantropologische gegevens ondersteunen niet de conclusie dat de bekende fossiele homininen uit een historische Adamitische hybridisatie zijn ontstaan. Wie deze hypothese verder wil ontwikkelen, zal daarom moeten aantonen welke specifieke gegevens door haar beter worden verklaard dan door bestaande modellen.

VI. Twee verschillende fasen van vermenging

Een ander belangrijk element betreft het aanvankelijk naast elkaar voortbestaan van twee afstammingslijnen.

Volgens Maveriks reconstructie bestond enerzijds de oorspronkelijke menselijke lijn van Adam en de eerste Vrouw en anderzijds de hybride lijn die met Kaïn begon.

Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese wordt deze tweedeling betrokken op Genesis 6.

De Benei HaElohim, de zonen van God, worden binnen het model verbonden met de oorspronkelijke menselijke lijn.

De Benot HaAdam, de dochters van de mensen, worden verbonden met de reeds vermengde populaties.

Deze identificatie is een hypothese en geen letterlijke vertaling van de Hebreeuwse tekst.

Daarmee ontstaan twee afzonderlijke fasen:

De eerste vermenging: de ongeoorloofde verbinding tussen Adam en de Ancestre.

De tweede vermenging: de latere verbinding tussen de nakomelingen van de oorspronkelijke menselijke lijn en de hybride afstammingslijnen.

Dit onderscheid is belangrijk omdat het de gebeurtenissen uit Genesis 4 en Genesis 6 binnen het model met elkaar verbindt.

VII. Nephilim en Gibborim

Maveriks biologische reconstructie kan vervolgens worden uitgebreid met een nadere analyse van de Nephilim en Gibborim.

Binnen de Synthese wordt onderzocht of de Nephilim mogelijk betrekking hebben op uitzonderlijke lichamelijke verschijningsvormen die uit verdere vermenging voortkwamen.

De Gibborim kunnen daarentegen worden onderzocht als machtige personen of groepen die hun positie ontleenden aan fysieke kracht, militaire organisatie, intellectuele vermogens of politieke overheersing.

Daarmee ontstaat een onderscheid tussen biologische differentiatie en maatschappelijke machtsvorming.

Dit onderscheid is van belang voor de volgende fase van de hypothese.

De gevolgen van de vermenging zouden namelijk niet uitsluitend lichamelijk zijn geweest.

Zij konden binnen het model ook bijdragen aan het ontstaan van nieuwe maatschappelijke hiërarchieën.

De Bijbeltekst zelf bewijst deze biologische interpretatie niet, maar biedt binnen het gekozen model een aanleiding om haar nader te onderzoeken.

VIII. Maverik en de onvoltooide technologische consequentie

Hier meen ik dat Maveriks interpretatie nog niet ver genoeg gaat.

Wanneer de eerste mens volgens Bortoluzzi vanaf zijn ontstaan over uitzonderlijke intelligentie beschikte en wanneer de vroege menselijke geschiedenis zich over een zeer lange periode uitstrekte, ontstaat onvermijdelijk een nieuwe vraag:

Tot welk technologisch niveau kon een dergelijke mensheid zich ontwikkelen?

Genesis 4 vermeldt reeds stadsbouw, veeteelt, muziek en metaalbewerking.

Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese kunnen deze activiteiten worden beschouwd als vroege vormen van specialisatie.

Indien kennis gedurende zeer lange perioden werd opgebouwd en doorgegeven, kan worden onderzocht of daaruit geavanceerde beschavingen ontstonden.

Daarmee komen ook hypothesen over hoogontwikkelde energievoorziening, metallurgie, transporttechnologie, genetische manipulatie, autonome systemen en kunstmatige intelligentie in beeld.

Dit zijn geen uitspraken van Genesis en evenmin bewezen conclusies uit Bortoluzzi.

Het betreft een verdere technologische onderzoekslijn.

Toch meen ik dat deze uitbreiding een wezenlijke vraag zichtbaar maakt die bij Maverik grotendeels buiten beschouwing blijft: als de mens oorspronkelijk uitzonderlijk intelligent was, waarom zou men dan zonder onderzoek moeten aannemen dat zijn technische ontwikkeling gedurende een zeer lange prehistorie noodzakelijk primitief bleef?

Het stellen van deze vraag bewijst geen prehistorische hoogtechnologie. Het maakt duidelijk welke aanvullende archeologische en technische gegevens nodig zouden zijn om de hypothese te onderzoeken.

IX. Van Adams hoogmoed naar de antediluviale technocratie

Hier ligt naar mijn oordeel de belangrijkste verdere ontwikkeling van Maveriks gedachtegang.

De eerste zonde van Adam en de latere technocratische ontwikkeling kunnen binnen de Synthese worden beschouwd als twee verschijningsvormen van hetzelfde antropologische probleem.

Adam ontdekt een biologisch proces en besluit het zelfstandig te gebruiken.

Een latere technocratische beschaving zou vervolgens hetzelfde kunnen doen op veel grotere schaal.

Wat bij Adam een individuele grensoverschrijding was, wordt dan een georganiseerde beschavingspraktijk.

De ontwikkelingslijn luidt:

Kennis → beheersing → autonomie → manipulatie → macht zonder morele begrenzing.

Binnen deze hypothese kan de antediluviale wereld uiteindelijk worden gekenmerkt door een combinatie van uitzonderlijke intelligentie, biologische ontregeling, politieke overheersing en technologische superioriteit.

De mogelijke verbinding met Anunnaki-overleveringen en autonome technologische systemen behoort tot deze verdere uitbreiding. Zij vraagt zelfstandig historisch en natuurwetenschappelijk onderzoek.

De diepere gedachte is echter theologisch.

Het kwaad ontstaat niet doordat de mens kennis bezit, maar doordat hij zijn kennis gebruikt alsof hij zelf de uiteindelijke maatstaf van het leven is.

X. Erfzonde en genetische beschadiging

Op één belangrijk punt ben ik het uitdrukkelijk met Maverik eens.

Hij vergelijkt de gevolgen van de Zondeval met een ijsberg.

De zichtbare biologische beschadiging vormt slechts het bovenste gedeelte.

De diepste beschadiging betreft het verlies van de oorspronkelijke vriendschap met God.

Dit onderscheid moet naar mijn oordeel consequent worden gehandhaafd.

De erfzonde is niet eenvoudig een chromosomale afwijking.

De katholieke leer begrijpt haar als een toestand waarin de menselijke natuur beroofd is van oorspronkelijke heiligheid en gerechtigheid.

Binnen het Bortoluzzi-model kan men onderzoeken of de oorspronkelijke ongehoorzaamheid daarnaast concrete biologische gevolgen had.

Maar deze biologische gevolgen mogen niet met het wezen van de erfzonde worden vereenzelvigd.

Ook mag uit genetische verschillen nooit worden afgeleid dat bepaalde mensen een geringere menselijke waardigheid zouden bezitten.

Kaïn bezit binnen het model een menselijke geestelijke ziel.

Daarom geldt:

Biologische constitutie bepaalt niet de menselijke waardigheid.

XI. Maria en de Onbevlekte Ontvangenis

Maverik trekt uit zijn biologische interpretatie nog een bijzondere gevolgtrekking.

Hij stelt de vraag of Maria, die volgens de katholieke geloofsleer vanaf haar ontvangenis van de erfzonde gevrijwaard bleef, mogelijk eveneens gevrijwaard werd van de veronderstelde genetische gevolgen van de oorspronkelijke vermenging.

Hij presenteert deze gedachte uitdrukkelijk als een aanvullende deductie.

Daarmee is reeds duidelijk dat zij niet eenvoudig aan Bortoluzzi’s oorspronkelijke ervaringen kan worden toegeschreven.

Evenmin behoort zij tot de dogmatische definitie van de Onbevlekte Ontvangenis.

Toch kan binnen het model een theologische passendheidsvraag worden gesteld.

Indien de Zondeval volgens de hypothese tevens lichamelijke gevolgen had, zou Gods unieke voorbereiding van Maria op het moederschap van Christus dan eveneens een bijzondere lichamelijke dimensie kunnen hebben gehad?

Die vraag is binnen het model bespreekbaar.

Zij mag echter niet worden verward met de katholieke geloofsleer zelf.

XII. De Zondvloed als meer dan biologische sanering

Binnen een uitsluitend genetische interpretatie zou de Zondvloed kunnen worden voorgesteld als een ingreep om biologische vermenging te beëindigen.

Ik acht die uitleg te beperkt.

Genesis verbindt het goddelijke oordeel allereerst met menselijke verdorvenheid en geweld.

Binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese kan de Zondvloed daarom worden beschouwd als het culminatiepunt van verschillende processen:

  • geestelijke ongehoorzaamheid;
  • biologische grensoverschrijding;
  • voortgaande vermenging;
  • maatschappelijke machtsvorming;
  • mogelijke genetische manipulatie;
  • technologische overheersing;
  • en toenemende gewelddadigheid.

De Zondvloed wordt daarmee binnen de hypothese niet slechts een biologische sanering, maar een goddelijk oordeel, een biologische herstelbreuk en een beschavingsreset.

Ook hier blijft de morele dimensie fundamenteel.

God oordeelt niet over mensen omdat zij een bepaald chromosomenpatroon bezitten.

Het oordeel betreft de verdorvenheid en gewelddadigheid van de mensheid.

XIII. Christus als voltooiing van de menselijke geschiedenis

Ten slotte moet de gehele hypothese christologisch worden beoordeeld.

De mens wordt niet verlost door genetische perfectie.

Christus is niet uitsluitend gekomen om een oorspronkelijke biologische constitutie te herstellen.

Hij is gekomen om de mens te verlossen.

Het lichaam behoort wezenlijk tot die mens, maar de menselijke persoon is niet tot zijn lichaam of DNA te reduceren.

Daarom loopt de geschiedenis van Adam niet uiteindelijk uit op een genetisch ideaal, maar op Christus, de Nieuwe Adam.

In Hem wordt de menselijke natuur niet eenvoudig teruggebracht naar een vroegere biologische toestand, maar opgenomen in de verlossing en de belofte van de verrijzenis.

Dat is naar mijn oordeel de noodzakelijke theologische voltooiing van iedere biologische interpretatie van Genesis.

Conclusie

Mijn weerwoord aan Maverik is daarom geen afwijzing van zijn bijdrage.

Integendeel.

Zijn interpretatie levert verschillende waardevolle elementen voor de verdere ontwikkeling van het Bortoluzzi-model.

Vooral zijn nadruk op Adams intellectuele hoogmoed, de voortgaande hybridisatie via Kaïn, het naast elkaar bestaan van onderscheiden afstammingslijnen en het onderscheid tussen biologische beschadiging en verlies van genade verdient verdere aandacht.

Toch meen ik dat zijn reconstructie op een aantal punten moet worden gepreciseerd.

De bijzondere ontstaanswijze van de eerste Vrouw moet nauwkeurig worden onderscheiden van Adams latere ongeoorloofde voortplantingsdaad.

De 47-chromosomale Ancestre verdient een centrale plaats binnen de biologische hypothese.

De Chromosomale Breuk moet worden onderscheiden van de geestelijke betekenis van de Zondeval.

En de gevolgen van de oorspronkelijke grensoverschrijding kunnen binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese verder worden onderzocht in relatie tot Genesis 4–6, de Nephilim, Gibborim en de mogelijke ontwikkeling van een antediluviale technocratie.

Daarmee ontstaat een bredere hypothese waarin één fundamenteel patroon terugkeert:

De mens ontdekt de wetmatigheden van de schepping, maar loopt gevaar zijn kennis te verwarren met het recht om zelf over de schepping te beschikken.

Bij Adam krijgt dit patroon binnen het Bortoluzzi-model een biologische uitdrukking.

Bij een mogelijke antediluviale technocratie zou het op beschavingsniveau kunnen terugkeren.

Voor de hedendaagse mens wordt dezelfde vraag opnieuw actueel door genetische technologie en kunstmatige intelligentie.

Daarom eindig ik met een vraag die verder reikt dan de historische reconstructie van Genesis:

Wat gebeurt er met een mensheid die technisch steeds meer kan, maar steeds minder bereid is de morele grenzen van haar eigen geschapenheid te erkennen?

Dit is de diepere antropologische en theologische vraag die de Prehistorisch-Technocratische Synthese wil onderzoeken.


Bronnen en toelichting

1. B. Maverik, La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi, News-Info. Alternativa, 8 maart 2016. De door mij gebruikte Nederlandse tekst bevat zowel een samenvatting als een uitgebreidere wetenschappelijk-theologische uitwerking. Deze moeten als verschillende tekstlagen worden onderscheiden.

2. Guido Bortoluzzi, Sintesi della Genesi Biblica. Voor een definitieve wetenschappelijke editie moeten de hier besproken bijzonderheden worden vergeleken met de oorspronkelijke Italiaanse tekst en de relevante passages over de eerste mens, de Vrouw, de Ancestre en Kaïn.

3. Genesis 2–6. Bijzondere aandacht verdienen Genesis 2:21–23, 4:1–22 en 6:1–13.

4. Catechismus van de Katholieke Kerk, §§390, 396–405, over de oorspronkelijke zonde en de gevolgen ervan.

5. De hypothese van de 47-chromosomale Ancestre behoort tot het gebruikte aanvullende Bortoluzzi-materiaal. Haar biologische brugfunctie vereist afzonderlijke cytogenetische toetsing.

6. De begrippen Chromosomale Breuk, involutie in de hier systematisch uitgewerkte betekenis en Prehistorisch-Technocratische Synthese worden in deze beschouwing gebruikt als analytische begrippen. Zij mogen niet zonder bronverificatie als letterlijke termen van Maverik of Bortoluzzi worden geciteerd.

7. De hypothesen over antediluviale hoogtechnologie, Anunnaki, genetische manipulatie en autonome AI-systemen zijn verdere onderzoeksvragen binnen de Prehistorisch-Technocratische Synthese. Zij worden niet als bewezen historische gebeurtenissen gepresenteerd.

Pastoor Jack Geudens
Smakt, oktober 2026


I Nephilim: esperimenti genetici dei figli di Dio?


Una lettura concettuale su DNA, ibridazione e l’origine dei giganti

Di Don Geudens

Guida alla lettura: Questo articolo esplora il racconto biblico dei Nephilim a partire da un modello concettuale e teorico: la sintesi ipotetica di Don Guido Bortoluzzi (La Creazione Mediata). Questo modello cerca di unire passi biblici, libri apocrifi e antiche tradizioni mesopotamiche con intuizioni biologiche e genetiche.

Il enigma di Genesi 6

Il racconto dei Nephilim in Genesi 6 appartiene ai passi più enigmatici della Bibbia. Chi erano queste misteriose creature? Perché la Genesi parla dei «figli di Dio» che si unirono in matrimonio con le «figlie degli uomini»? E perché, subito dopo questo evento, seguono la totale corruzione del mondo e il diluvio universale?

Mentre le spiegazioni tradizionali parlano di angeli caduti o di pii discendenti, la sintesi di Bortoluzzi propone una dimensione biologica e genetica: una storia di mescolanza e ibridazione tra diverse linee umane e pre-umane.

Il modello di due popolazioni biologiche

All’interno del modello concettuale di Bortoluzzi, la Genesi viene letta sullo sfondo di due popolazioni geneticamente distinte:

  1. La linea umana originaria (i «figli di Dio»): I discendenti geneticamente puri di Adamo.
  2. La linea ibrida di Caino (le «figlie degli uomini»): Il risultato di una precedente mescolanza biologica tra Adamo e un essere pre-umano (la scimmia antropomorfa nutrice).

Quando i membri della linea umana pura si unirono successivamente con questa popolazione ibrida, si verificò una ibridazione secondaria:

Plaintext

Adamo (Linea umana originaria - Figli di Dio)
│
├─► Mescolanza con linea pre-umana ──► Linea di Caino (Popolazione ibrida / Figlie degli uomini)
│ │
└───────────────► RIMESCOLANZA ◄────────────┘
│
▼
Ulteriore ibridazione (I Nephilim)

Compatibilità genetica e manipolazione

Genesi 6,2 menziona che i figli di Dio presero le figlie degli uomini perché erano «attraenti» o «belle». All’interno di questo modello biologico, questa attrazione non si riferisce in primo luogo all’aspetto esteriore, ma alla compatibilità genetica: le popolazioni erano sufficientemente imparentate da generare prole fertile. Genesi 6 viene così letta come il racconto di una mescolanza di popolazioni deliberata e su vasta scala.

Recenti approfondimenti su questo modello concettuale estendono questo pensiero verso la biotecnologia preistorica:

  • Manipolazione genetica ed esperimenti: Le popolazioni ibride divennero forse oggetto di una gestione e selezione biologica attiva.
  • Tecnologia preistorica: Il mondo prima del diluvio disponeva ipoteticamente di un elevato livello di conoscenze tecnologiche o biologiche.
  • I Nephilim come risultato: In questo quadro ampliato, i Nephilim — descritti dalla Genesi come «i potenti» o «gli eroi dell’antichità» — sono il prodotto di interventi biologici avanzati e di un’ibridazione controllata. Ciò ha portato a caratteristiche fisiche e mentali anomale (come statura ed forza estreme), ma anche a un’instabilità genetica.

Il diluvio come reset biologico

In continuità con questo modello, il diluvio assume un duplice significato:

  1. Moralità: Un giudizio divino sulla corruzione morale e spirituale dell’umanità.
  2. Biologia: Un “reset” necessario per porre fine a una popolazione biologica corrotta e geneticamente instabile, consentendo un nuovo inizio genetico e pulito con Noè.

Quadro comparativo: Tre modelli esplicativi

Per comprendere l’ipotesi di Bortoluzzi rispetto alle interpretazioni tradizionali, i tre principali modelli esplicativi possono essere messi a confronto come segue:

Modello esplicativoOrigine dei «Figli di Dio»Origine delle «Figlie degli uomini»Causa / Natura dei Nephilim
Tradizione enochicaEsseri celesti / VigilantiDonne umane comuniIbridi spirituali-fisici (giganti) nati dalla caduta degli angeli.
Visione setitaDiscendenti timorati di Dio della stirpe di SetDiscendenti empi della stirpe di CainoDeragliamenti spirituali e moralistici dovuti a matrimoni misti.
Sintesi di BortoluzziLinea umana pura (Adamo)Linea ibrida di Caino (uomo/pre-uomo)Ibridazione biologica e manipolazione genetica preistorica.

Conclusione

La domanda su chi fossero i Nephilim e cosa sia accaduto nei giorni precedenti il diluvio continua ad affascinare. Che si legga Genesi 6 attraverso la lente della secolare tradizione enochica, della classica visione setita o del moderno modello biologico di Don Guido Bortoluzzi, emerge sempre la straordinaria profondità e stratificazione di questi antichi testi.

Il modello concettuale di Bortoluzzi non fornisce dogmi inconfutabili, ma offre una sfida intellettuale e teologica. Ci invita a esplorare nuovamente i confini tra fede, Scrittura e scienza biologica. In un’epoca in cui l’espressione genica, le tecnologie del DNA e il transumanesimo sono all’ordine del giorno, l’antico racconto della Genesi si rivela sorprendentemente attuale. Ci ricorda una fondamentale lezione biblica: che l’uomo è chiamato a vivere in armonia con l’ordine della creazione di Dio, e che il superamento dei confini essenziali non resta privo di conseguenze.

De Nephilim: genetische experimenten van de zonen van God?



Een conceptuele lezing over DNA, hybridisatie en de oorsprong van de reuzen

Door Pastoor Geudens

Leeswijzer: Dit artikel verkent het Bijbelse verslag van de Nephilim vanuit een theoretisch en conceptueel denkmodel: de hypothetische synthese van Don Guido Bortoluzzi (De Middellijke Schepping). Dit model probeert Bijbelse passages, apocriefe boeken en oude Mesopotamische tradities te verbinden met biologische en genetische inzichten.

Het raadsel van Genesis 6

Het verhaal van de Nephilim in Genesis 6 behoort tot de meest raadselachtige passages in de Bijbel. Wie waren deze mysterieuze wezens? Waarom spreekt Genesis over de „zonen van God” die huwden met de „dochters van de mensen”? En waarom volgt direct op deze gebeurtenis de algehele verdorvenheid van de wereld en de zondvloed?

Waar traditionele verklaringen spreken over gevallen engelen of vrome nakomelingen, stelt de Bortoluzzi-synthese een biologische en genetische dimensie voor: een geschiedenis van vermenging en hybridisatie tussen verschillende menselijke en voormenselijke lijnen.

Het model van twee biologische populaties

Binnen het denkmodel van Bortoluzzi wordt Genesis gelezen tegen de achtergrond van twee genetisch verschillende populaties:

  1. De oorspronkelijke menselijke lijn (de „zonen van God”): De genetisch zuivere nakomelingen van Adam.
  2. De hybride Kaïn-lijn (de „dochters der mensen”): Het resultaat van een eerdere biologische vermenging tussen Adam en een voormenselijk wezen (de mensaap-voedster).

Wanneer leden van de zuivere menselijke lijn zich later opnieuw verbonden met deze hybride populatie, ontstond er een secundaire hybridisatie:

Adam (Oorspronkelijke menselijke lijn - Zonen van God)
  │
  ├─► Vermenging met voormenselijke lijn ──► Kaïn-lijn (Hybride populatie / Dochters der mensen)
  │                                                │
  └───────────────► HERVERMENGING ◄────────────────┘
                          │
                          ▼
             Verdere hybridisatie (De Nephilim)

Genetische compatibiliteit en manipulatie

Genesis 6:2 vermeldt dat de zonen van God de dochters van de mensen namen omdat zij „aantrekkelijk” of „goed” waren. Binnen dit biologische denkmodel verwijst deze aantrekkelijkheid niet primair naar uiterlijk, maar naar genetische compatibiliteit: de populaties waren nauw genoeg verwant om vruchtbare nakomelingen voort te brengen. Genesis 6 wordt hiermee gelezen als een verslag van doelbewuste, grootschalige populatiemenging.

Recente verdiepingen op dit denkmodel (zoals te vinden in de System Logic of Human Origins) trekken deze gedachte verder door naar prehistorische biotechnologie:

  • Genetische manipulatie en experimenten: Hybride populaties werden mogelijk het onderwerp van actieve biologische sturing en selectie.
  • Prehistorische technologie: De wereld vóór de zondvloed beschikte hypothetisch over een hoge mate van technologische of biologische kennis.
  • De Nephilim als resultaat: Binnen dit verruimde kader zijn de Nephilim — door Genesis omschreven als „machtigen” of „helden van weleer” — het product van geavanceerde biologische ingrepen en gecontroleerde hybridisatie. Dit leidde tot afwijkende fysieke en mentale kenmerken (zoals extreme lengte en kracht), maar ook tot genetische instabiliteit.

De zondvloed als biologische reset

In het verlengde van dit model krijgt de zondvloed een dubbele betekenis:

  1. Moraliteit: Een goddelijk oordeel over de morele en geestelijke verdorvenheid van de mensheid.
  2. Biologie: Een noodzakelijke “reset” om een biologisch gecorrumpeerde en genetisch instabiele populatie te beëindigen, waarna met Noach een schone genetische start kon worden gemaakt.

Vergelijkend overzicht: Drie verklaringsmodellen

Om de Bortoluzzi-hypothese te duiden ten opzichte van traditionele opvattingen, kunnen de drie voornaamste verklaringsmodellen als volgt worden vergeleken:

VerklaringsmodelOorsprong „Zonen van God”Oorsprong „Dochters van de mensen”Oorzaak / Aard van de Nephilim
Henochische traditieHemelse wezens / WachtersGewone menselijke vrouwenGeestelijk-fysieke hybriden (reuzen) ontstaan door de val van engelen.
Setietische visieGodvrezende nakomelingen van SetGoddeloze nakomelingen van KaïnGeestelijke en moralistische ontsporing door gemengde huwelijken.
Bortoluzzi-syntheseZuivere menselijke lijn (Adam)Hybride Kaïn-lijn (mens/voormens)Biologische hybridisatie en prehistorische genetische manipulatie.

Slotwoord

De vraag wie de Nephilim waren en wat zich afspeelde in de dagen vóór de zondvloed, blijft intrigeren. Of men Genesis 6 nu leest door de bril van de aloude Henochische traditie, de klassieke Setietische visie, of het moderne biologische denkmodel van Don Guido Bortoluzzi: steeds opnieuw blijkt hoe gelaagd en diepzinnig deze oude teksten zijn.

Het denkmodel van Bortoluzzi reikt geen onomstotelijke dogma’s aan, maar biedt een intellectuele en theologische uitdaging. Het nodigt ons uit om de grensgebieden tussen geloof, de Schrift en biologische wetenschap opnieuw te verkennen. In een tijd waarin genexpressie, DNA-technologie en transhumanisme dagelijks het nieuws halen, blijkt de aloude Genesisvertelling verrassend actueel. Het herinnert ons aan een fundamentele Bijbelse les: dat de mens geroepen is om in harmonie met de scheppingsorde van God te leven, en dat het overschrijden van wezenlijke grenzen niet zonder gevolgen blijft.


B. Maverik: La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi


INDICE

  • Parte I. La Genesi biblica dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi
  • Parte II. Controrisposta a B. Maverik

Sintesi

L’articolo discute gli scritti e le visioni private del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) sull’origine dell’umanità e sul peccato originale secondo il Libro della Genesi.

  • Creazione mediata: Dio non ha creato direttamente un uomo adulto dal nulla, bensì ha creato una cellula umana completa (46 cromosomi) e l’ha impiantata nell’utero di un primate femmina esistente (una madre surrogata / nutrice). Da questo intervento è nato Adamo.
  • L’origine della Donna: Successivamente, Dio ha creato in modo analogo una cellula uovo (23 cromosomi) che è stata fecondata con il seme di Adamo. Da ciò è nata la prima Donna geneticamente pura. Il piano divino era che, dopo la maturità, fondassero insieme una razza puramente umana.
  • Il Peccato Originale come errore biologico: Prima che la prima Donna fosse adulta, Adamo si accoppiò di propria iniziativa con la nutrice-scimmia nella speranza di accelerare la procreazione. Poiché ciò non fu preceduto da un intervento creativo divino, nacque un essere ibrido: Caino (metà uomo, metà scimmia).
  • Contaminazione genetica: Caino continuò a procreare con la madre surrogata, da cui ebbero origine diversi ominidi (specie preumane). In seguito, anche la discendenza pura di Adamo si mescolò con queste popolazioni ibride, facendo sì che, secondo questo modello, l’originaria purezza biologica e cromosomica andasse perduta per l’intera umanità.
  • Interpretazione teologica: In questo contesto, il peccato originale viene spiegato come un duplice disastro: la perdita della purezza biologico-genetica e la rottura della relazione spirituale con Dio.

Spiegazione dei termini

  • Gameti: Le cellule riproduttive di un organismo. Negli esseri umani si tratta degli spermatozoi (maschili) e delle cellule uovo (femminili).
  • Cromosomi: Strutture presenti nel nucleo cellulare che contengono il DNA e tutto il materiale ereditario. Un essere umano sano possiede normalmente 46 cromosomi (23 coppie).
  • Cellula uovo / Zigote: La cellula riproduttiva femminile. Dopo la fecondazione da parte di uno spermatozoo, costituisce la prima cellula da cui si sviluppa un nuovo organismo.
  • Organismo multicellulare: Un essere vivente composto da più cellule che collaborano tra loro (come piante, animali ed esseri umani), in contrapposizione agli unicellulari come i batteri.
  • Ominidi: La famiglia delle specie di primati fossili ed estinte affini all’uomo e alle scimmie antropomorfe.
  • Placenta (Mertice): L’organo che durante la gravidanza assicura il trasferimento di sostanze nutritive e ossigeno dalla madre al figlio, senza che il loro sangue o materiale genetico si mescolino direttamente.
  • Ipotesi del mondo a RNA: Teoria scientifica secondo cui la vita primordiale sulla terra si basava principalmente su molecole di RNA prima dell’evoluzione del DNA e delle proteine.
  • Ibridazione: L’incrocio tra due specie o linee genetiche differenti, che porta a una prole con caratteristiche miste (un ibrido).
  • Creazione mediata (Creazione Mediata): L’idea che Dio crei servendosi di un mezzo o di un vettore naturale preesistente (in questo modello: l’utero di una scimmia antropomorfa) anziché trarre qualcosa dal nulla.
  • Peccato originale: Nella teologia cristiana, lo stato di peccato e di separazione da Dio in cui ogni essere umano nasce a causa del primo errore dei progenitori (Adamo ed Eva).
  • Magistero: L’autorità d’insegnamento ufficiale della Chiesa cattolica (il Papa e i vescovi) che vigila sull’interpretazione della dottrina della fede.
  • Catechismo della Chiesa Cattolica (CCC): L’opera di riferimento ufficiale in cui la Chiesa cattolica riassume la sua dottrina della fede, la morale e i sacramenti.
  • Immacolata Concezione: Il dogma cattolico secondo cui Maria, la madre di Gesù, è stata preservata immune dal peccato originale fin dal primo istante della sua concezione.
  • Esegeti / Esegesi: Spiegazione e interpretazione scientifica o teologica dei testi religiosi (come la Bibbia).
  • Natura non facit saltus: Espressione latina che significa “La natura non fa salti”. Si riferisce al principio secondo cui i processi e i cambiamenti naturali avvengono gradualmente.
  • Sicut unum corpus unius hominis: Frase latina della teologia che significa “come un solo corpo di un solo uomo”, utilizzata per indicare il comune destino dell’intera umanità.

PARTE I. La Genesi biblica dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi

Inviato da B. Maverik, 8 marzo 2016, News-Info. Alternativa

Don Guido Bortoluzzi nacque nel 1907 e morì nel 1991 vicino a Belluno. Tra il 1968 e il 1974 ricevette dal Signore 8 rivelazioni sull’origine della Terra e dell’Uomo.

Caino è la chiave del mistero

Cosa è nato prima: l’uovo o la gallina?

Una domanda semi-seria che viene tradizionalmente posta a ogni generazione di bambini. Don Guido – aiutato passo dopo passo a comprendere la risposta attraverso una serie di eventi primordiali di cui fu testimoni oculare – risponderebbe immediatamente: l’uovo.

A differenza della maggior parte delle cellule microscopiche, noi abbiamo la fortuna che alcune cellule uovo siano ben visibili e possano essere esaminate a occhio nudo. Si pensi all’inாடάbile varietà di uova con cui uccelli, rettili e tartarughe si riproducono. E in particolare, per esperienza quotidiana, l’uovo di gallina. Quando l’uovo è fecondato, ci permette di tenere in mano un’unica cellula gigantesca in cui, con grande chiarezza e immutabile stupore, sono presenti tutte le istruzioni e il materiale per creare un pulcino completo e finito, che non appena ne esce si regge sulle sue zampette e comincia a beccare.

A differenza degli animali ovipari, tuttavia, la cellula uovo umana, così come in molte specie di mammiferi, è di dimensioni microscopiche.

Per una breve (e non semplice) rassegna dell’opera di Don Guido Bortoluzzi sulla Genesi biblica, è necessaria almeno un’introduzione biologica. Secondo quanto compreso da Don Guido, il modo normale in cui Dio ha dato origine alla vita e alle nuove specie consisteva originariamente ed essenzialmente nel creare una cellula completa. Dopodiché organismi multicellulari più complessi, e così via.

Prima di arrivare alla cellula, si possono certamente ipotizzare altri interventi creativi (natura non facit saltus – la natura non fa salti), si veda ad esempio la teoria sul mondo a RNA, ma il passo fondamentale – l’elemento di base capace di vita autonoma e riproduzione – è senza dubbio la cellula.

Gli organismi multicellulari sono organismi costituiti da più di una cellula con cellule differenziate che svolgono funzioni specializzate. La maggior parte della vita visibile a occhio nudo è multicellulare.

Osservazioni sul gamete femminile, sul gamete maschile e sul numero di cromosomi

I semi maschili (gameti) sono chiamati spermatozoi e quelli femminili cellule uovo. Durante la formazione dei gameti, il numero dei cromosomi viene dimezzato rispetto alle altre cellule del corpo.

Ogni specie possiede un numero tipico di cromosomi. Nelle cellule umane vi sono 46 cromosomi (23 coppie). Quando una cellula germinale umana si divide per formare i gameti, ciascun gamete riceve la metà del corredo cromosomico, ovvero 23 cromosomi in copia singola. Il numero normale (46) viene ripristinato nella fase di fecondazione, quando i due gameti di origine materna (23) e paterna (23) si fondono, contribuendo ciascuno con la metà dei cromosomi necessari per lo sviluppo del nuovo essere.

Introduzione teologica

La Chiesa non si pronuncia sulla modalità concreta in cui è avvenuta la caduta nel peccato perché non sa come siano andate le cose; essa riconosce questo al paragrafo 390 del Catechismo della Chiesa Cattolica (CCC):

“Il racconto della caduta (Gen 3) utilizza un linguaggio d’immagine, ma attesta un avvenimento primordiale, un fatto che ha avuto inizio all’inizio della storia dell’uomo. La rivelazione dà la certezza di fede che tutta la storia umana è segnata dalla colpa originale liberamente commessa dai nostri progenitori.”

Pertanto, tutte le obiezioni che si rifanno al testo letterale del racconto biblico non reggono, poiché si basano su un simbolismo che cela eventi antichissimi rimasti sempre nascosti.

Così lo formula infatti il CCC al paragrafo 404:

“Come il peccato di Adam è diventato il peccato di tutti i suoi discendenti? Tutto il genere umano è in Adam «sicut unum corpus unius hominis» – come un solo corpo di un solo uomo. Per questa unità del genere umano tutti sono implicati nel peccato di Adam, come tutti sono implicati nella giustizia di Cristo. Tuttavia la trasmissione del peccato originale è un mistero che noi non possiamo comprendere pienamente.”

Si parla di “peccato di Adamo”: dalla rivelazione a Don Guido si comprende infatti che la vera “Eva”, la “Donna”, era innocente! È interessante anche il fatto (provvidenziale?) che nei documenti del Magistero, già a partire dal Concilio di Trento, si parli principalmente del “peccato di Adamo”.

Una breve sintesi della trama

Dopo queste semplici premesse possiamo tentare una breve sintesi della trama, per preparare il lettore al messaggio complesso. Il libro non è d’altronde semplice e richiede di non saltare da una parte all’altra, bensì di leggerlo almeno una seconda volta.

Don Guido, un sacerdote dotato di una cultura scientifica straordinaria e di un grande desiderio di comprendere, volle inizialmente redigere un resoconto molto accurato delle sue esperienze. Si dilunga sui minimi dettagli di come si svolgessero le sue visioni e le successive intuizioni, rendendo la lettura dei primi capitoli un po’ ostica. Questa sintesi serve ad accompagnare il lettore.

Adamo non fu creato adulto: per l’uomo Dio utilizzò la “creazione mediata”.

Dio creò infatti una cellula completa dell’intero corredo cromosomico (46), capace di formare Adamo, e la inserì nell’utero di un primate femmina di una specie preesistente. Una “madre surrogata”, dunque. Oggi possiamo fare la stessa cosa persino nell’allevamento moderno. In questo modo la scimmia antropomorfa (di una specie oggi estinta) forniva solo il nutrimento, ma nessuna caratteristica della sua specie veniva trasmessa.

Adamo cresce, allevato da questa nutrice (che è un animale, non dobbiamo dimenticarlo; essa partecipa solo passivamente) e si trova in un paesaggio naturale ospitale, circondato da vari altri animali la cui socialità e mansuetudine colpiscono. Questa nutrice è di fatto la vera “Eva”, un nome simbolico che viene definito come “la madre di tutti i viventi”.

Vediamo come Adamo fin dall’inizio sia intelligente e creativo; costruisce utensili e una semplice abitazione. La “Eva ancestrale” che lo ha allattato vive naturalmente insieme a lui. Man mano che si sviluppa, Adamo impara molto dagli animali che lo circondano; osserva le loro abitudini, i loro accoppiamenti e il modo in cui generano così la prole secondo la propria specie.

Il piano di Dio prosegue: dopo la creazione della cellula (completa) di Adamo, Egli crea nell’utero della Eva ancestrale una cellula che questa volta è incompleta (un gamete femminile, dunque solo 23 cromosomi, la metà del corredo necessario) con il piano di unirla a un gamete maschile (gli altri 23) prelevato da Adamo, per far così nascere la prima vera Donna.

“Allora il Signore Dio fece scendere un torpore sull’uomo, che si addormentò.” (Genesi 2:21)

Nella Genesi 2:21 troviamo questo racconto, e la visione di Don Guido vi concorda: quando Adamo si sviluppa sessualmente, comincia in lui – come in tutti gli adolescenti – il fenomeno naturale dell’erezione e della polluzione notturna. La “Eva” ancestrale, che vive con lui, lo nota in una di queste occasioni e, trovandosi nel suo periodo di calore, lo copre spinta da un forte istinto (è un animale!).

Adamo si sveglia spaventato e comprende più o meno cosa sia accaduto. Più tardi lo vediamo infatti scacciare la femmina quando questa è nuovamente in calore.

Con ciò si conserverebbe anche la tradizionale metafora biblica secondo cui Dio tolse una “costola” ad Adamo “nel sonno” per formare la prima Donna. Il termine biblico “costola” era già stato interpretato prima di Don Guido da altri esegeti come un riferimento all’organo genitale maschile.

La prima vera Donna si sviluppa dunque analogamente nella utero (prestato) della “Eva ancestrale”, ma quando nasce non ha nulla della specie ancestrale: è una splendida fanciulla di cui il giovane Adamo è visibilmente soddisfatto (nota ginecologica: attraverso la placenta non vengono trasmesse caratteristiche genetiche, solo sostanze nutritive). È sorprendente che il personaggio Adamo anche in questa situazione – quando vuole portare via subito la bambina – risulti francamente sgradevole, e anche in occasioni successive reagisca in modo espulsivo e respingente. Un preludio alla superbia che alla fine lo trarrà in inganno.

Il piano di Dio era di unire in seguito Adamo con la prima Donna (quando questa fosse cresciuta) per trarne la discendenza pura con cui Egli voleva popolare il pianeta. L’unione tra consanguinei era in quella fase evidentemente necessaria e buona; il concetto di incestuosità è culturale ed è di gran lunga posteriore, e il divieto relativo è stabilito anche per prevenire malformazioni, che occorrono molto spesso tra ibridi consanguinei portatori di tare recessive.

Il peccato originale: Adamo anticipa il piano di Dio

Quando la prima Donna ha circa 3 anni, un giorno la femmina ancestrale compare all’ingresso dell’abitazione. Adamo, che solitamente la scacciava quando era in calore, questa volta la incoraggia invece a entrare. Si sdraia sulla schiena, la lascia salire sopra di sé e accetta l’accoppiamento.

Egli non fa questo per attrazione sessuale – essa era infatti piuttosto ripugnante – bensì perché ha concepito un pensiero fatale: “Se questa femmina ancestrale ha generato me (un essere perfetto) e questa splendida fanciulla, significa che è una buona fattrice. Le farò fare altri figli e farò da solo”. Pensa di aver già capito tutto e vuole “mettersi in proprio”!

Il famoso “serpente” del racconto biblico non si vede, ma Satana solitamente non si mostra; la sua tattica è nascondersi: suggerisce ed esercita pressioni sulla nostra immaginazione. Qui si serve della femmina ancestrale che si muove in modo suggestivo, “serpeggiante”.

Ma questa volta non vi era stato alcun precedente intervento creatore di Dio. Ciò che nasce è un essere deforme: metà scimmia pelosa e metà uomo. Un ibrido. Caino!

Adamo è scioccato e deluso, ma sembra non reagire; pare chiudersi sempre più in se stesso. Si percepisce che rifiuta la relazione di amicizia con Dio (su questo precedente stato felice non vengono rivelati dettagli). La sua intolleranza ed il suo egoismo diventano sempre più evidenti. Non uccide Caino, nemmeno quando questi lascia morire Abele (un bambino con caratteristiche umane, nato successivamente dalla relazione tra Adamo e la prima Donna), ma lo scaccia.

Caino vaga e ritrova la Eva ancestrale, si accoppia con essa e genera esseri ibridi (ominidi!).

Adamo genera probabilmente altri figli con la prima Donna

A questo punto Don Guido formula altre ipotesi (pag. 369-373) che tuttavia appaiono naif e macchinose, ma egli stesso dichiara che si tratta solo di ipotesi.

La discendenza geneticamente pura cresce dunque accanto alla discendenza ibrida, finché (la durata temporale è incerta) non si compie il fenomeno descritto in Genesi 6:1-2: “Quando gli uomini cominciarono a moltiplicarsi sulla terra e nacquero loro figlie, i figli di Dio videro che le figlie degli uomini erano belle e presero per sé come mogli tutte quelle che vollero”.

Avviene dunque una commistione delle due linee finché, nel corso dei millenni, la discendenza pura scompare del tutto. Noi siamo pertanto, purtroppo, tutti ibridi! Un simile danno cromosomico è di proporzioni enormi, irreversibile e irreparabile.

Questo racconto spiegherebbe anche il mistero degli ominidi: essi non sarebbero altro che bastardi, metà scimmia e metà uomo, la progenie di Caino. Inoltre spiega le malattie, le malformazioni ereditarie, gli infiniti difetti fisici degli esseri umani e soprattutto la tendenza al male e ai vizi con un istinto bestiale che si riesce a dominare solo con fatica.

Per inciso: le scimmie hanno 48 cromosomi, l’uomo 46, e le persone affette dalla sindrome di Down (portatrici di una delle anomalie più evidenti) ne hanno 47.

Infine, ciò conferma la portata immensa della redenzione operata da Cristo, venuto a guarire soprattutto lo spirito, ma anche la nostra misera condizione fisica.

Non sta scritto nel libro, ma è una deduzione accettabile: la Chiesa insegna che la Vergine Maria è stata concepita immacolata, immune dal peccato originale. Questo fatto fa pensare da sempre alla Grazia e alla purezza della sua anima, ma è plausibile e conveniente che Dio l’abbia preservata anche dall’errore genetico derivante dall’ibridazione. Perciò non solo il suo spirito, ma anche il suo corpo e il suo patrimonio genetico erano puri.

Conseguenze del peccato originale

Dal racconto successivo risulta chiaro che il peccato originale non fu un incidente isolato, ma fu seguito da un indurimento e da una chiusura del cuore. Le due conseguenze del peccato possono essere paragonate alla tipica proporzione di un iceberg:

  • La parte più superficiale ed evidente è la perdita irreversibile della purezza cromosomica.
  • La parte meno visibile ma più importante è la perdita dell’amicizia con Dio (chiamata tradizionalmente Grazia), che avrebbe permesso a Dio di riparare il danno se Adamo avesse mostrato pentimento.

Sul libro e sull’impatto

Questo libro illuminante e unico non propone un compromesso tra evoluzionismo e creazionismo, ma illustra il loro superamento attraverso un nuovo concetto: “la creazione mediata”. Si tratta di una rivelazione donata a un umile sacerdote della Chiesa Cattolica, destinata a mettere in discussione alcuni postulati scientifici.

Il più grande pregio di questo libro è di dare risposte esaurienti in molti campi e di fungere da chiarimento per una comprensione più profonda di molti passi biblici, sia nell’Antico che nel Nuovo Testamento. È un libro bello, ricco di elementi poetici (si veda la creazione dell’universo o la descrizione dell’ambiente naturale della prima famiglia umana), ma in alcuni punti adopera un linguaggio senza veli. È preferibile che si possegga anche una certa conoscenza di fisiologia e genetica.

Esso suscita reazioni contrastanti: vi sono lettori assolutamente entusiasti e altri che lo trovano scioccante.

Ciò che è scioccante in realtà è il peccato originale, che ha precipitato l’umanità in una condizione miserabile per milioni di anni. Ciò ha comportato la corruzione della sua natura fisica e psichica e la perdita della sua dimensione spirituale. L’uomo è rimasto mutilato in tutti e tre i livelli dell’essere: corpo, mente e anima.

Il libro non contiene nulla di abominevole; o meglio, è la realtà del peccato originale a costituire la più “abominevole” sciagura dell’umanità. Il linguaggio adoperato è talvolta crudo e diretto, inadatto a persone ipersensibili – non perché vi siano cose immorali, ma nel senso che, ad esempio, non tutti sono adatti ad assistere a un parto.

È un libro che richiede approfondimento. Vi sono molti sacerdoti entusiasti che lo hanno fatto, che hanno poi chiesto di vedere i luoghi e di incontrare la curatrice che ha raccolto gli scritti. Le traduzioni in inglese, olandese e tedesco sono state fatte con entusiasmo da sacerdoti che si sono offerti spontaneamente e gratuitamente per il lungo lavoro di traduzione. La traduttrice polacca ha ritrovato la fede dopo molti anni di assenza. La sola lettura della biografia di Don Guido dovrebbe illuminare la bontà dell’albero.

Alcuni paragonano la rivelazione a Don Guido con altre rivelazioni, vi trovano divergenze e traggono la precipitosa conclusione che “una delle due mente”. Essi attribuiscono al “proprio” veggente un valore assoluto e non tengono conto del presupposto fondamentale: i veggenti e i carismatici, anche se autentici e in buona fede, non sono infallibili; il dono di Dio è sempre affidato alla fragilità umana. Perciò non si possono fare “controlli incrociati” tra di essi, ma ciascuno deve essere confrontato singolarmente con il Magistero ed essere giudicato in primo luogo per l’assenza di errori teologici.

Se per esempio confrontiamo le visioni di Maria Valtorta, della Serva di Dio Maria Cecilia Baij e di Anna Katharina Emmerich, troviamo discrepanze. Chi mente? Probabilmente nessuno, pensando che il Signore in tempi, epoche e culture diverse rivela sempre solo aspetti parziali e complementari della verità, spesso in modo simbolico, privilegiando l’interpretazione in senso spirituale degli eventi narrati nella Scrittura.

È un libro che richiede pazienza e concentrazione e non può essere letto in modo interrotto saltando qua e là; esso ha un unico filo conduttore i cui passaggi sono in perfetto collegamento tra loro. Se l’ordine non viene rispettato, i legami si perdono.

PARTE II. Controrisposta a B. Maverik

Contributo di B. Maverik: La Genesi biblica dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi

(Inclusivo di controrisposta contenutistica e teologica e di file di note a piè di pagina basato sulla Sintesi Preistorico-Tecnocratica di don Geudens)

Nota introduttiva

Don Geudens | Smakt, ottobre 2026

Di seguito presento la mia controrisposta contenutistica e teologica a B. Maverik, formulata a partire dal quadro della Sintesi Preistorico-Tecnocratica (PTS). Questa controrisposta non intende assolutamente respingere il prezioso contributo di Maverik, bensì correggere la sua interpretazione su alcuni punti essenziali, integrarla e svilupparla ulteriormente dal punto di vista esegetico.

La Genesi biologica di Don Guido Bortoluzzi riconsiderata

Dalla creazio mediata e dalla Frattura Cromosomica alla Sintesi Preistorico-Tecnocratica

Introduzione

Nel suo articolo La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi dell’8 marzo 2016, B. Maverik ha fornito un importante contributo alla conoscenza e all’interpretazione dell’opera del sacerdote italiano Don Guido Bortoluzzi (1907–1991) [^1]. Il suo merito risiede soprattutto nell’aver reso accessibile un particolare modello esplicativo biologico-teologico per l’origine dell’uomo e della Caduta.

Maverik cerca di rendere plausibile che gli eventi descritti da Bortoluzzi non debbano essere intesi esclusivamente in senso simbolico o allegorico, ma possano riferirsi a una concreta preistoria biologica dell’umanità.

Io sottoscrivo l’importanza di questo quesito di ricerca. Tuttavia ritengo che la ricostruzione di Maverik necessiti di ulteriori chiarimenti su diversi punti. Inoltre, la sua interpretazione può essere ampliata con una serie di conseguenze che egli stesso tratta appena.

La mia controrisposta si concentra pertanto su tre aspetti: una rappresentazione più accurata dell’atto creativo descritto da Bortoluzzi, un ulteriore sviluppo delle conseguenze biologiche e teologiche della disobbedienza di Adamo e la possibilità di uno sviluppo della civiltà antidiluviana di lunga durata.

Questa riflessione si colloca all’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica (PTS), un modello di ricerca ipotetico in cui il testo biblico, gli scritti di Bortoluzzi [^2], le interpretazioni successive e i quesiti di ricerca scientifico-naturali vengono messi in relazione tra loro, senza perdere di vista il loro diverso status di prova.

I. La prima Donna umana: una precisazione necessaria

Un primo punto riguarda la modalità con cui, secondo Bortoluzzi, nacque la prima Donna pienamente umana.

Maverik descrive giustamente che il primo uomo non sarebbe stato creato come individuo adulto, ma che Dio realizzò la forma di vita umana a livello embrionale. In questo contesto, una forma di vita femminile preumana preesistente funse da madre surrogata. Per la nascita della prima Donna è tuttavia necessaria una precisazione ulteriore.

[Controrisposta / Correzione di don Geudens]:

Secondo la ricostruzione di Bortoluzzi da me adottata, Dio creò direttamente una cellula uovo umana con 23 cromosomi nell’utero della madre surrogata preumana. Successivamente avvenne la fecondazione mediante uno spermatozoo di Adamo, anch’esso con 23 cromosomi, durante un sonno profondo provocato da Dio.

L’atto riproduttivo che portò alla nascita della prima Donna non fu quindi, secondo questa interpretazione, una decisione autonoma di Adamo e neppure un normale rapporto sessuale con la madre surrogata. Esso si mantenne interamente sotto la guida divina.

La prima Donna ricevette la sua costituzione genetica dalla cellula uovo creata direttamente da Dio e dallo spermatozoo umano di Adamo. La madre surrogata preumana fornì esclusivamente l’ambiente in cui la gravidanza poté compiersi. Perciò è essenziale distinguere tre cose:

  1. L’origine divina della cellula uovo umana;
  2. Il contributo genetico umano di Adamo;
  3. La funzione esclusivamente gestazionale della madre surrogata preumana.

Questa distinzione non è un dettaglio secondario. Essa costituisce la base biologica dell’intero modello. L’espressione della Genesi secondo cui Dio trasse la Donna dall’Uomo riceve così all’interno dell’ipotesi una concreta interpretazione riproduttiva: la prima Donna nasce in parte dalla sostanza umana di Adamo, ma senza alcun contributo genetico della madre surrogata preumana [^3]. Questa rappresentazione rimane un’ipotesi sul significato delle esperienze di Bortoluzzi. Essa non può essere dedotta direttamente da Genesi 2.

II. L’Ancestre a 47 cromosomi

Una seconda precisazione riguarda la costituzione cromosomica della madre surrogata. Maverik sottolinea la differenza tra i 48 cromosomi del ceppo animale preumano e i 46 cromosomi dell’uomo. All’interno del materiale integrativo di Bortoluzzi viene tuttavia descritta un’eccezionale forma intermedia [^5].

La popolazione preumana possedeva secondo questo modello 48 cromosomi, mentre il particolare individuo femminile che fungeva da madre surrogata, per intervento divino, avrebbe avuto 47 cromosomi.

[Struttura Sistematica & Quesito Citogenetico]:

Si delinea così la struttura:

  • Ceppo preumano: 48 cromosomi
  • Ancestre appositamente preparata: 47 cromosomi
  • Adamo e la prima Donna umana: 46 cromosomi

Questa particolare costituzione assume all’interno del modello un significato mirato: l’Ancestre rappresenta un ponte biologico tra il mondo preumano preesistente e la prima generazione veramente umana. Ritengo che questo dato debba essere inserito con molta maggiore enfasi nell’ulteriore analisi biologica. Non perché l’esistenza di un tale ponte risulti così geneticamente provata, ma perché una corretta valutazione dell’ipotesi richiede che vengano prima esposti accuratamente i suoi stessi presupposti.

Il quesito di ricerca citogenetico diventa di conseguenza: a quali condizioni un individuo a 47 cromosomi avrebbe potuto portare un embrione biologicamente differenziato e al contempo partecipare riproduttivamente alla supposta linea di discendenza ibrida? Il solo numero di cromosomi non fornisce ancora una risposta. L’ipotesi richiede un’indagine sulla struttura cromosomica, sulla meiosi, sulla vitalità embrionale e sulla compatibilità riproduttiva.

III. La Caduta come superbia intellettuale

Su questo punto Maverik offre a mio avviso un’interpretazione particolarmente preziosa. Egli sostiene che il rapporto illecito di Adamo con l’Ancestre non derivasse primariamente da desiderio sessuale, bensì da superbia intellettuale.

Adamo aveva osservato che la madre surrogata aveva generato prima se stesso e poi la prima Donna umana. Da ciò trasse la conclusione che egli stesso avrebbe potuto sfruttare autonomamente questo processo biologico per ottenere ulteriori discendenti.

[Approfondimento Teologico / Successione Causale]:

Il pensiero alla base della sua decisione può essere così riassunto: “Io capisco come funziona; perciò posso farlo da solo.” Risiede qui a mio avviso il significato più profondo della trasgressione. Adamo confonde la comprensione di un processo biologico con il diritto di utilizzare tale processo a propria discrezione. Egli ritiene che la sua conoscenza lo renda indipendente dal Creatore.

Ciò tocca il significato teologico classico della Caduta: l’uomo vuole determinare da sé ciò che è bene e ciò che è male, senza più sottomettersi all’ordinamento di Dio [^4]. L’atto biologico è all’interno del modello di Bortoluzzi l’espressione concreta di questa disobbedienza spirituale. Perciò la successione deve essere sempre:

$$\text{Superbia intellettuale} \longrightarrow \text{disobbedienza} \longrightarrow \text{riproduzione illecita} \longrightarrow \text{conseguenze biologiche}$$

Il peccato non sorge a causa di un’anomalia cromosomica. La presunta perturbazione biologica segue la libera trasgressione del confine umano.

IV. La Frattura Cromosomica

All’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica definisco la conseguenza biologica dell’atto di Adamo come la Frattura Cromosomica [^6].

Al momento della creazione l’Ancestre fungeva da madre surrogata senza alcun contributo genetico ad Adamo o alla prima Donna. Nella riproduzione illecita questo rapporto cambia radicalmente. Adamo, con 46 cromosomi, instaura un legame generativo con l’Ancestre che all’interno del modello possiede 47 cromosomi. Con ciò un’originaria funzione di gestazione viene trasformata in una funzione riproduttiva. Da questa unione nasce, secondo Bortoluzzi, Caino.

[Definizione di Sistema di Caino]:

Caino rappresenta all’interno del modello la prima linea di discendenza ibrida. Ritengo importante non parlare semplicemente di un essere che sarebbe esattamente metà uomo e metà animale. Una tale descrizione suggerisce un rapporto genetico che non può essere dedotto dai dati disponibili. È più accurato descrivere Caino come un discendente in cui il contributo genetico umano di Adamo si unì, secondo l’ipotesi, alla costituzione biologica dell’Ancestre. Con ciò la Frattura Cromosomica diventa l’inizio di una nuova storia genealogica.

V. Caino e l’ibridazione progressiva

Maverik descrive in seguito come Caino instauri nuovamente un legame riproduttivo con l’Ancestre. Questa è un’importante integrazione rispetto al primo evento. La trasgressione biologica non rimane pertanto limitata a una sola generazione. Si instaura un feedback continuo con il ceppo preumano.

[Ipotesi di Involuzione & Paleoantropologia]:

All’interno del modello la sequenza recita:

$$\text{Adamo} \times \text{Ancestre} \longrightarrow \text{Caino}$$

$$\text{Caino} \times \text{Ancestre} \longrightarrow \text{Ulteriori discendenti ibridi}$$

$$\text{Riproduzione ulteriore} \longrightarrow \text{Crescente differenziazione delle linee di discendenza}$$

Da ciò si sviluppa l’ipotesi dell’involuzione. Secondo questa ipotesi determinate forme umanoidi non sarebbero necessariamente i precursori evolutivi della linea adamitica veramente umana, bensì possibili forme di discendenza ibrida o regressiva successive. Questo pensiero è di portata particolarmente ampia. Esso richiede un confronto approfondito con i dati fossili, la cronologia e la genetica di popolazione moderna.

I dati paleoantropologici attuali non supportano la conclusione che i noti ominini fossili siano originati da un’ibridazione adamitica storica. Chi desidera sviluppare ulteriormente questa ipotesi dovrà pertanto dimostrare quali dati specifici vengano spiegati da essa meglio che dai modelli esistenti.

VI. Due differenti fasi di mescolanza

Un altro elemento importante riguarda la coesistenza iniziale di due linee di discendenza. Secondo la ricostruzione di Maverik esistevano da un lato la linea umana originaria di Adamo e della prima Donna e dall’altro la linea ibrida iniziata con Caino.

[Esegesi di Genesi 6]:

All’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica questa dicotomia viene messa in relazione con Genesi 6 [^3]. I Benei HaElohim (i figli di Dio) vengono collegati all’interno del modello alla linea umana originaria. Le Benot HaAdam (le figlie degli uomini) vengono collegate alle popolazioni già mescolate. Questa identificazione è un’ipotesi e non una traduzione letterale del testo ebraico. Si delineano così due fasi distinte:

  1. La prima mescolanza: l’unione illecita tra Adamo e l’Ancestre.
  2. La seconda mescolanza: l’unione successiva tra i discendenti della linea umana originaria e le linee di discendenza ibride.Questa distinzione è importante perché collega tra loro all’interno del modello gli eventi di Genesi 4 e Genesi 6.

VII. Nephilim e Gibborim

La ricostruzione biologica di Maverik può essere successivamente ampliata con un’analisi più dettagliata dei Nephilim e dei Gibborim.

[Nuancering Socio-Biologica]:

All’interno della Sintesi si indaga se i Nephilim possano riferirsi a eccezionali manifestazioni corporee derivanti da un’ulteriore mescolanza. I Gibborim possono invece essere studiati come persone o gruppi potenti che traevano la loro posizione da forza fisica, organizzazione militare, capacità intellettuali o predominio politico. Si delinea così una distinzione tra differenziazione biologica e formazione di potere sociale.

Questa distinzione è rilevante per la fase successiva dell’ipotesi. Le conseguenze della mescolanza non sarebbero infatti state esclusivamente corporali; esse potevano contribuire all’interno del modello anche alla nascita di nuove gerarchie sociali. Il testo biblico in sé non prova questa interpretazione biologica, ma offre all’interno del modello prescelto uno spunto per approfondirla.

VIII. Maverik e la conseguenza tecnologica incombente

Qui ritengo che l’interpretazione di Maverik non si spinga ancora abbastanza lontano. Quando il primo uomo, secondo Bortoluzzi, disponeva di un’intelligenza eccezionale fin dalla sua origine e quando la storia umana primitiva si estendeva per un lunghissimo periodo, sorge inevitabilmente un nuovo interrogativo: fino a quale livello tecnologico poteva svilupparsi una tale umanità?

Genesi 4 menziona già la costruzione di città, l’allevamento, la musica e la lavorazione dei metalli. All’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica queste attività possono essere considerate forme precoci di specializzazione.

[Ipotesi Archeo-Tecnologica / Ampliamento PTS]:

Se la conoscenza fu accumulata e trasmessa per lunghi periodi, si può indagare se da essa siano nate civiltà avanzate. Vengono così alla luce anche ipotesi su approvvigionamento energetico altamente sviluppato, metallurgia, tecnologia dei trasporti, manipolazione genetica, sistemi autonomi e intelligenza artificiale [^7].

Queste non sono affermazioni della Genesi e neppure conclusioni provate tratte da Bortoluzzi. Si tratta di un’ulteriore linea di ricerca tecnologica. Ciononostante ritengo che questo ampliamento renda visibile una domanda essenziale che in Maverik rimane ampiamente inespressa: se l’uomo era originariamente di un’intelligenza eccezionale, perché si dovrebbe dare per scontato senza indagini che il suo sviluppo tecnico sia rimasto necessariamente primitivo per un lunghissimo periodo preistorico? Porre questa domanda non prova una preistoria ad alta tecnologia. Essa rende chiaro quali dati archeologici e tecnici supplementari sarebbero necessari per verificare l’ipotesi.

IX. Dalla superbia di Adamo alla tecnocrazia antidiluviana

Risiede qui a mio avviso il più importante sviluppo successivo del pensiero di Maverik. Il primo peccato di Adamo e il successivo sviluppo tecnocratico possono essere considerati all’interno della Sintesi come due manifestazioni dello stesso problema antropologico.

Adamo scopre un processo biologico e decide di utilizzarlo autonomamente. Una successiva civiltà tecnocratica farebbe poi la stessa cosa su scala molto più vasta. Quella che per Adamo fu una trasgressione individuale, diventa allora una pratica di civiltà organizzata.

[La Linea di Sviluppo Antropologico]:

$$\text{Conoscenza} \longrightarrow \text{dominio} \longrightarrow \text{autonomia} \longrightarrow \text{manipolazione} \longrightarrow \text{potere senza limite morale}$$

All’interno di questa ipotesi il mondo antidiluviano può essere infine caratterizzato da una combinazione di eccezionale intelligenza, perturbazione biologica, predominio politico e superiorità tecnologica. La possibile connessione con tradizioni sugli Anunnaki e sistemi tecnologici autonomi appartiene a questo ulteriore ampliamento [^7]. Essa richiede una ricerca storica e scientifico-naturale autonoma.

Il pensiero più profondo è tuttavia teologico: il male non sorge perché l’uomo possiede la conoscenza, bensì perché egli usa la sua conoscenza come se fosse egli stesso la misura ultima della vita.

X. Peccato originale e danno genetico

Su un punto importante mi trovo espressamente d’accordo con Maverik. Egli paragona le conseguenze della Caduta a un iceberg. Il danno biologico visibile costituisce solo la parte superiore. Il danno più profondo riguarda la perdita dell’amicizia originaria con Dio.

[Delimitazione Dogmatica & Dignità Umana]:

Questa distinzione deve essere a mio avviso mantenuta con coerenza. Il peccato originale non è semplicemente un’anomalia cromosomica. La dottrina cattolica lo intende come uno stato in cui la natura umana è privata della santità e della giustizia originali [^4]. All’interno del modello di Bortoluzzi si può indagare se la disobbedienza originaria abbia avuto in aggiunta conseguenze biologiche concrete. Ma queste conseguenze biologiche non devono essere identificate con l’essenza del peccato originale.

Inoltre non si deve mai dedurre da differenze genetiche che determinati esseri umani possiedano una minore dignità umana. Caino possiede all’interno del modello un’anima spirituale umana. Perciò vale: la costituzione biologica non determina la dignità umana.

XI. Maria e l’Immacolata Concezione

Maverik trae dalla sua interpretazione biologica un’ulteriore e particolare deduzione. Egli pone il quesito se Maria, la quale secondo la fede cattolica fu preservata dal peccato originale fin dal suo concepimento, sia stata possibilmente preservata anche dalle supposte conseguenze genetiche della mescolanza originaria.

[Quesito di Convenienza Teologica]:

Egli presenta questo pensiero espressamente come una deduzione supplementare. Da ciò è già chiaro che esso non può essere attribuito semplicemente alle esperienze originarie di Bortoluzzi. Né appartiene alla definizione dogmatica dell’Immacolata Concezione [^4]. Ciononostante si può porre all’interno del modello un quesito di convenienza teologica: se la Caduta ebbe secondo l’ipotesi anche conseguenze corporali, l’preparazione unica di Maria da parte di Dio alla maternità di Cristo avrebbe potuto possedere anch’essa una speciale dimensione corporea? Tale questione è discutibile all’interno del modello. Essa non deve tuttavia essere confusa con la dottrina della fede cattolica stessa.

XII. Il Diluvio Universale come qualcosa di più di una bonifica biologica

All’interno di un’interpretazione esclusivamente genetica il Diluvio Universale potrebbe essere prospettato come un intervento volto a porre fine alla commistione biologica. Io giudico questa spiegazione troppo limitata. La Genesi collega il giudizio divino innanzitutto alla corruzione umana e alla violenza [^3].

[Integrazione Multidimensionale del Diluvio]:

All’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica il Diluvio può pertanto essere considerato come il culmine di diversi processi:

  • Disobbedienza spirituale;
  • Trasgressione biologica;
  • Mescolanza progressiva;
  • Formazione di potere sociale;
  • Possibile manipolazione genetica;
  • Predominio tecnologico;
  • E crescente aggressività.

Il Diluvio non diventa così all’interno dell’ipotesi solo una bonifica biologica, bensì un giudizio divino, una frattura di guarigione biologica e un reset di civiltà. Anche qui la dimensione morale rimane fondamentale. Dio non giudica gli uomini perché possiedono un determinato pattern cromosomico. Il giudizio riguarda la corruzione e la violenza dell’umanità.

XIII. Cristo come compimento della storia umana

Infine l’intera ipotesi deve essere valutata in chiave cristologica. L’uomo non è redento dalla perfezione genetica. Cristo non è venuto esclusivamente per restaurare un’originaria costituzione biologica. Egli è venuto per redimere l’uomo.

Il corpo appartiene essenzialmente a quell’uomo, ma la persona umana non può essere ridotta al suo corpo o al suo DNA. Perciò la storia di Adamo non sfocia infine in un ideale genetico, bensì in Cristo, il Nuovo Adamo. In Lui la natura umana non viene semplicemente ricondotta a una precedente condizione biologica, bensì accolta nella redenzione e nella promessa della risurrezione. Questo è a mio avviso il necessario compimento teologico di qualsiasi interpretazione biologica della Genesi.

Conclusione

La mia controrisposta a Maverik non costituisce pertanto un rigetto del suo contributo. Tutt’al contrario. La sua interpretazione fornisce diversi elementi preziosi per l’ulteriore sviluppo del modello di Bortoluzzi. Soprattutto la sua enfasi sulla superbia intellettuale di Adamo, sull’ibridazione progressiva tramite Caino, sulla coesistenza di linee di discendenza distinte e sulla distinzione tra danno biologico e perdita della grazia merita ulteriore attenzione.

Tuttavia ritengo che la sua ricostruzione debba essere precisata su alcuni punti:

  1. La particolare modalità di origine della prima Donna deve essere accuratamente distinta dal successivo atto riproduttivo illecito di Adamo.
  2. L’Ancestre a 47 cromosomi merita un posto centrale all’interno dell’ipotesi biologica.
  3. La Frattura Cromosomica deve essere distinta dal significato spirituale della Caduta.
  4. E le conseguenze della trasgressione originaria possono essere studiate ulteriormente all’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica in relazione a Genesi 4–6, ai Nephilim, ai Gibborim e al possibile sviluppo di una tecnocrazia antidiluviana.

Si delinea così un’ipotesi più ampia in cui ritorna un modello fondamentale: l’uomo scopre le regolarità della creazione, ma corre il pericolo di confondere la propria conoscenza con il diritto di disporre autonomamente della creazione.

Nel caso di Adamo questo modello riceve all’interno del modello di Bortoluzzi un’espressione biologica. In una possibile tecnocrazia antidiluviana esso potrebbe ritornare a livello di civiltà. Per l’uomo contemporaneo la stessa domanda torna a farsi attuale attraverso la tecnologia genetica e l’intelligenza artificiale.

Concludo pertanto con un interrogativo che si spinge oltre la ricostruzione storica della Genesi: che cosa accade a un’umanità che tecnicamente può fare sempre di più, ma è sempre meno disposta a riconoscere i limiti morali della propria creaturalità? Questo è il quesito antropologico e teologico più profondo che la Sintesi Preistorico-Tecnocratica intende esaminare.

Pastore Jack Geudens

Smakt, ottobre 2026

Fonti e chiarimenti (File di note a piè di pagina)

[^1]: B. Maverik, La Genesi Biblica, dagli scritti di Don Guido Bortoluzzi, News-Info. Alternativa, 8 marzo 2016. Il testo olandese da me adoperato contiene sia una sintesi sia un’elaborazione scientifico-teologica più estesa. Queste devono essere distinte come diversi strati testuali.

[^2]: Guido Bortoluzzi, Sintesi della Genesi Biblica. Per un’edizione scientifica definitiva i dettagli qui discussi devono essere confrontati con il testo italiano originale e con i passaggi rilevanti sul primo uomo, la Donna, l’Ancestre e Caino.

[^3]: Sacra Biblia, Genesi 2–6. Meritano particolare attenzione Genesi 2:21–23 (origine della Donna), Genesi 4:1–22 (Caino e la prima civiltà) e Genesi 6:1–13 (i Benei HaElohim, i Nephilim e il Diluvio).

[^4]: Catechismo della Chiesa Cattolica (CCC), §§390, 396–405, sul peccato originale dell’uomo, sulla superbia intellettuale e sulle conseguenze teologiche della colpa originale.

[^5]: Archivio & Materiale integrativo di Bortoluzzi: L’ipotesi dell’Ancestre a 47 cromosomi appartiene al materiale integrativo di studio e d’archivio adoperato in merito alla documentazione di Bortoluzzi. La sua funzione di ponte biologico richiede una verifica citogenetica autonoma.

[^6]: Terminologia PTS: I concetti di Frattura Cromosomica, Involuzione (nel significato qui elaborato sistematicamente) e Sintesi Preistorico-Tecnocratica sono impiegati in questa trattazione come concetti analitici. Essi non possono essere citati senza verifica delle fonti come termini letterali di Maverik o Bortoluzzi.

[^7]: Quesiti di ricerca PTS: Le ipotesi sull’alta tecnologia antidiluviana, sui riferimenti paraclassici agli Anunnaki, sulla manipolazione genetica e sui sistemi di IA autonomi sono ulteriori quesiti di ricerca all’interno della Sintesi Preistorico-Tecnocratica (Pastore Geudens). Esse vengono presentate come modelli ipotetico-deduttivi e non come fatti storici provati.


In Memoriam – Don Guido Bortoluzzi


In Memoriam – Don Guido Bortoluzzi

8 ottobre 1991

L’8 ottobre ricordiamo nella preghiera e nella gratitudine il passaggio alla vita eterna di don Guido Bortoluzzi, che in questo giorno, nell’anno 1991, ha compiuto il suo cammino terreno.

Al momento della sua morte, l’opera che gli era stata affidata era ancora conosciuta soltanto da poche persone. La sua morte, tuttavia, non significò la fine della sua missione. Al contrario, segnò l’inizio di una nuova fase: la diffusione, lo studio e l’approfondimento degli insegnamenti che egli ha ricevuto e che ha diligentemente raccolto e trasmesso.

In questo giorno commemorativo, io, don Geudens, celebrerò la Santa Messa per il riposo dell’anima di don Guido Bortoluzzi, affidandolo in modo particolare alla misericordia di Dio.

Intenzione particolare della Santa Messa

Durante questa Santa Messa, oltre alle preghiere per il riposo della sua anima, desideriamo presentare al Signore anche una particolare intenzione:

Per il proseguimento e la sempre maggiore diffusione della «creazione mediata», e per tutti coloro che, nelle università, negli istituti di ricerca e nel mondo accademico, si dedicano con serietà e sincerità a studiare, approfondire e far conoscere la verità riguardo alla Creazione.

Possa il Signore illuminare con il Suo Spirito tutti coloro che cercano sinceramente la verità.

Possa Egli custodire l’opera lasciata da don Guido Bortoluzzi e far sì che ciò che in essa è vero e prezioso possa, secondo i Suoi tempi e le Sue vie, venire sempre più alla luce.

Possa il suo lavoro portare frutto nei cuori e nelle menti di coloro che cercano sinceramente la verità della Creazione e il posto dell’uomo all’interno dell’opera creatrice di Dio.

Possa Dio accogliere la sua anima nella pace e concedergli la Luce eterna.

Requiem aeternam dona ei, Domine,
et lux perpetua luceat ei.
Requiescat in pace.

Siete cordialmente invitati a unirvi a noi nella preghiera in occasione di questa particolare giornata commemorativa.

Don Geudens

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑